Nieuws

Rb: spoed-prejudiciele vraag over omstandigheden grensdetentie

De Afdeling heeft geoordeeld dat de tenuitvoerlegging van de detentie van vreemdelingen in JCS qua gebouw en inrichting weliswaar niet van strafrechtelijke detentie verschilt, maar dat het met de bewaring noodzakelijk gepaard gaande insluiten op de cel en toegang tot de luchtplaats dusdanig verschillen van de wijze waarop dat ten aanzien van strafrechtelijk gedetineerden is vorm gegeven, dat de inrichting van JCS en de beperkingen waaraan vreemdelingen worden blootgesteld daardoor

De rechtbank vraagt zich af in hoeverre voorgaande wijze van toetsing zich verhoudt tot de door het Hof in Landkreis aangelegde toets zoals voorgeschreven onder punt 54 van dat arrest.

Het komt de rechtbank voor dat de rechter bij die toets rekening dient te houden met alle relevante feiten en omstandigheden die de detentie betreffen, en deze dient mee te wegen bij de vraag of sprake is van een gespecialiseerde inrichting.

Dit brengt de rechtbank tot haar prejudiciële vragen:

1. Handelt een lidstaat in lijn met artikel 16 van de Terugkeerrichtlijn door standaard gebruik te maken van een detentiefaciliteit waar zowel vreemdelingen als bedoeld in de Terugkeerrichtlijn en strafrechtelijk gedetineerden op verschillende afdelingen, en gescheiden van elkaar, verblijven, en de afdelingen qua gebouw en inrichting identiek en, indien nodig, in de praktijk ook inwisselbaar zijn?

2. Maakt het voor de beantwoording van de vorige vraag uit of er gebruik wordt gemaakt van gemeenschappelijke voorzieningen voor zowel strafrechtelijke als vreemdelingendetentie en er daarbij contact kan plaatsvinden tussen de vreemdelingenrechtelijk en strafrechtelijk gedetineerden? Wat dient daarbij onder ‘gescheiden van elkaar verblijven’ te worden verstaan? Betekent dit dat geen enkele vorm van contact is toegestaan? Als nee, welke vormen van contact zijn dan wel toegestaan?

3. Wat dient te worden verstaan onder ‘beperkt tot hetgeen strikt noodzakelijk is’ voor het doel, zoals door het Hof in het arrest Landkreis is bepaald? Betekent dit dat indien er geen directe relatie is tussen de beperking en het doel van de detentie, namelijk een doeltreffende voorbereiding van de verwijdering, de beperking per definitie niet is toegestaan?

4. Indien het een lidstaat zou zijn toegestaan om extra beperkingen op te leggen die niet in directe relatie staan tot het doel van de detentie, waar dienen deze beperkingen dan aan te voldoen, mede gelet op het feit dat de volledige eerbiediging van de grondrechten van de vreemdeling dient te worden gewaarborgd, met name het recht op menselijke waardigheid, vrijheid, privé- en familieleven en informatie als beschreven in artikelen 1, 6, 7 en 11 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie?

5. Indien het een lidstaat zou zijn toegestaan om extra beperkingen op te leggen die niet in directe relatie staan tot het doel van de detentie, op wat voor wijze dient de rechtbank de rechtmatigheid daarvan te toetsen? Is dit een ten volle of een terughoudende toets?

6. Welke omstandigheden dient de rechter te betrekken bij de beoordeling van de vraag of de in de inrichting geldende bewaringsomstandigheden van dien aard zijn dat zoveel mogelijk wordt voorkomen dat de bewaring gelijkstaat aan detentie in een gevangenisomgeving, zoals kenmerkend is voor penitentiaire detentie?

7. Kan de rechter bij de vraag of sprake is van een gespecialiseerde bewaringsaccommodatie volstaan met een vergelijking tussen de wijze waarop vreemdelingenrechtelijke en strafrechtelijke detentie wordt vorm gegeven?

Rb Amsterdam NL25.8606, 20.3.25
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:4571

idem Rb Amsterdam NL25.6640, 20.3.25
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:4570

RvS: terugkeerbesluit terecht ondanks dat dit kans op status in Portugal blokkeert

De vreemdeling is op 7 september 2021 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘studie’. De minister heeft de verblijfsvergunning per 8 mei 2022 ingetrokken, omdat de onderwijsinstelling de vreemdeling heeft afgemeld vanwege onvoldoende studievoortgang. De intrekking geldt ook als terugkeerbesluit. Daarbij heeft de minister de vreemdeling wegens het terugkeerbesluit gesignaleerd in het SIS. De vreemdeling komt op tegen het terugkeerbesluit en de SIS-signalering, omdat hij sinds enige tijd naar Portugal verhuisd is….

De vreemdeling heeft in stukken overgelegd waaruit volgt dat hij in Portugal een arbeidscontract, een sociaal en fiscaal nummer heeft en zich heeft ingeschreven bij een gemeente. In beroep heeft hij daarbij toegelicht dat een vreemdeling die in een andere lidstaat rechtmatig verblijf heeft, na binnenkomst in Portugal een arbeidscontract kan aangaan, en vervolgens bij de Portugese immigratiedienst een formele aanvraag kan indienen….

De minister betoogt terecht dat de vreemdeling geen document heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij in het bezit is van een door de Portugese autoriteiten afgegeven geldige verblijfsvergunning of een andere toestemming tot verblijf. Integendeel, de vreemdeling heeft in bezwaar een voorgenomen afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning in Portugal overgelegd. Hieruit volgt weliswaar dat de SIS-signalering daar de reden voor is, maar dat neemt niet weg dat daaruit niet

De grief slaagt.
Het hoger beroep van de vreemdeling tegen Rb den Haag NL23.39062, 23.5.24, is ongegrond

RvS 202403775/1/V3, 14.3.25
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2025:1075

Rb: art64 Burundi onderzoeken vanwege terugkeerbesluit, ondanks onduidelijke nationaliteit

Uit het terugkeerbesluit volgt dat eiser thans uitzetbaar is naar Burundi. Als een vreemdeling niet vrijwillig aan deze verplichting uitvoering geeft, moet verweerder de nodige maatregelen nemen om het terugkeerbesluit uit te voeren….

In het geval van eiser kan verweerder effectief beoordelen of de voor eiser noodzakelijke medische behandeling aanwezig is in Burundi. Als verweerder vaststelt dat dat niet het geval is, zal dit enkele gegeven leiden tot de conclusie dat eiser in een medische noodsituatie terechtkomt bij gedwongen terugkeer naar dat land. Een terugkeerbesluit gericht op terugkeer naar Burundi is in een dergelijk geval niet mogelijk.

Het voorgaande betekent dat verweerder had moeten onderzoeken of de voor eiser noodzakelijke medische behandeling in Burundi in het algemeen beschikbaar is. De conclusie van dat onderzoek heeft ook invloed op de beoordeling van eisers aanvraag om uitstel van vertrek op medische gronden.

Rb Middelburg NL24.30094, 20.3.25
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:4603

Rb: geen verblijf ‘niet-tijdelijk’  na 5jr Chavez

De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiseres niet voldoet aan de voorwaarden voor een vergunning onbepaalde tijd. De stelling van eiseres dat het onredelijk is om haar Chavez-verblijfsrecht niet gelijk te stellen met een verblijfsvergunning niet-tijdelijk humanitair, volgt de rechtbank niet nu eiseres gebruik kan maken van andere mogelijkheden om een verblijfsvergunning te krijgen zoals naturalisatie of een verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen in te dienen. ….

De rechtbank ziet ook geen schending van artikel 8 van het EVRM, nu eiseres Nederland niet hoeft te verlaten waardoor sprake zou zijn van inmenging in het familie- en gezinsleven. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het nationale beleid niet in strijd is met artikel 15 van de Gri en ziet geen aanleiding hierover prejudiciële vragen te stellen. De beroepsgrond slaagt niet.

Rb Arnhem NL24.20734, 19.3.25
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:4553

Rb: geen Chavez-status mogelijk als verblijfsvergunning bij partner nog niet is ingetrokken

Eiser heeft een verblijfsrecht tot 26 augustus 2026 op grond van verblijf bij zijn voormalige partner. Deze relatie is echter in 2022 verbroken. Eiser heeft vervolgens in 2023 een aanvraag ingediend om verblijfsrecht op grond van het arrest Chavez-Vilchez bij zijn inmiddels geboren NLse zoon. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen omdat eiser Nederland niet hoeft te verlaten, omdat zijn verblijfsvergunning (nog) niet is ingetrokken. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt en later ook beroep ingesteld.

Verweerder heeft een voornemen uitgebracht inhoudende het intrekken van de verblijfsvergunning van eiser voor verblijf bij partner. Verweerder heeft op zitting bevestigd dat hij hierover vooralsnog geen definitief besluit heeft genomen…. Dat betekent dat eiser op dit moment legaal in Nederland verblijft en de Europese Unie niet hoeft te verlaten. Reeds daarom kan een beroep op het arrest Chavez-Vilchez op dit moment niet slagen. Overigens merkt de rechtbank op dat verweerder te kennen heeft gegeven dat zij in de procedure over de intrekking van eisers huidige verblijfsvergunning zal bezien of er een verblijfsrecht op grond van het arrest Chavez-Vilchez bestaat. De rechtbank begrijpt dat de mogelijke intrekking, die al lange tijd boven de markt hangt, bij eiser en zijn partner tot onrust en onzekerheid leidt, maar dat maakt niet dat sprake is van een Chavez-situatie.

Rb den Haag NL24.42596, 12.3.25
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:3880

Rb: risico recrutering Oromo Ethiopie

Eiser betoogt dat verweerder ten onrechte de gedwongen rekrutering ongeloofwaardig heeft geacht.

In het bestreden besluit werpt verweerder eiser tegen dat gedwongen rekrutering in strijd is met informatie uit openbare bronnen. Uit het Algemeen Ambtsbericht Ethiopië van januari 2024 blijkt dat er gedurende de verslagperiode geen berichten waren van gedwongen rekrutering. …. De rechtbank volgt dit standpunt van verweerder niet. De rechtbank stelt vast dat eiser in beroep diverse stukken heeft overgelegd waaruit volgt dat in Oromia gedwongen wordt gerekruteerd. In het stuk van VWN dat eiser heeft overgelegd staat vermeld, onder verwijzing naar meerdere bronnen waaronder het Ambtsbericht 2022, dat in heel Oromia (waaronder ook Zuid-Oromia) wordt gerekruteerd. De rechtbank acht dit standpunt van verweerder – dat de gedwongen rekrutering in strijd is met informatie uit openbare bronnen - dus niet deugdelijk gemotiveerd….

Rb Rotterdam NL24.44072, 21.3.25
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:4912

Rb: actueel risico recritering in Eritrea, ook voor ouderen

De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat [de expert; Mirjam van Reisen?] deskundig is ten aanzien van de algemene situatie in Eritrea en dat haar onderzoeksrapport is gebaseerd op openbare informatiebronnen. Gelet hierop dient het rapport voor zover dit betrekking heeft op de algemene situatie wel te worden betrokken bij de beoordeling van de vraag of eiseres een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer naar Eritrea….

De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiseres bij terugkeer vanwege haar leeftijd en het eerder vervullen van haar militaire dienstplicht niet (meer) heeft te vrezen voor mobilisatie in het Eritrese leger. Eiseres is inmiddels 51 jaar oud en heeft eerder voldaan aan haar militaire dienstplicht, maar uit landeninformatie blijkt niet dat daarom het risico op mobilisatie niet (langer) aanwezig is. Weliswaar hoeven personen ouder dan 50 jaar ingevolge de Eritrese wetgeving officieel niet meer te dienen in het leger maar uit landeninformatie blijkt dat dit in de praktijk niet wordt nageleefd. … De rechtbank stelt vast dat dit beeld overeenkomt met de situatie zoals die wordt geschetst in het algemene ambtsbericht. In het ambtsbericht is vermeld dat de autoriteiten gedurende de verslagperiode Eritreeërs voor onbepaalde tijd in militaire dan wel civiele dienst bleven nemen. En dat er naast jongeren, inclusief minderjarigen, tijdens rekruteringsrazzia’s ook mensen werden opgepakt die reeds uit militaire dienst ontslagen of vrijgesteld waren, en opnieuw werden gemobiliseerd. De intensiteit van deze razzia’s is toegenomen sinds de aanvang van het conflict in Tigray. … Deze razzia’s richtten zich niet alleen op steeds jongere minderjarigen, maar ook op ouderen en teruggekeerde vluchtelingen, zoals eiseres.

De minister erkent dit beeld maar stelt daar tegenover dat de situatie is gewijzigd na de ondertekening van het vredesakkoord in november 2022. …. De rechtbank volgt dit echter niet nu deze informatie eerst en enkel mondeling ter zitting naar voren is gebracht. Ook komt deze informatie niet overeen met wat er op dit punt uit de algemene landeninformatie naar voren komt. … Uit het ambtsbericht blijkt dat Eritrese troepen nog altijd aanwezig zijn in delen van Tigray. …. Nu er geen (grootschalige) demobilisatie heeft plaatsgevonden en er nog altijd razzia’s plaatsvinden, is niet op voorhand aannemelijk dat eiseres wegens het vredesakkoord geen risico meer loopt op mobilisatie in het Eritrese leger. Niet is gebleken dat deze razzia’s zich niet langer (mede) richten op ouderen of teruggekeerde vluchtelingen of dat personen die eerder uit dienst zijn ontslagen niet langer worden gemobiliseerd. …

De rechtbank is daarom van oordeel dat de minister in het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiseres na ondertekening van het vredesakkoord niet meer te vrezen heeft voor mobilisatie in het leger. Het beroep is reeds gelet op het voorgaande gegrond.

Rb Utrecht NL24.44131, 5.3.25
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:4056

Rb: individueel oordeel risico terugkeer Oezbeek naar Afghanistan nodig

Eiser heeft aangevoerd dat Oezbeken in Afghanistan ernstig worden gediscrimineerd door de Taliban. Zo moeten zij volgens eiser extra belastingen betalen en zijn zij verplicht om Pashtu te leren en te spreken. Ook bepaalde overheidsfuncties mogen niet door Oezbeken worden bekleed. Ter zitting heeft eiser nader toegelicht dat Oezbeken weinig tot geen baardgroei hebben, en dat als een man geen baard draagt in Afghanistan, hij kan worden geslagen of vermoord….

De rechtbank is van oordeel dat de minister de door eiser aangedragen individuele omstandigheden en de omstandigheid dat hij terugkeert vanuit een westers land onvoldoende in onderlinge samenhang beoordeeld in het kader van de beoordeling in hoeverre eiser een risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd waarom eiser geen reëel risico op vervolging of ernstige schade loopt bij terugkeer. Het bestreden besluit zal om die reden worden vernietigd.

De minister heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als ongegrond.
Rb Middelburg NL24.45702, 26.3.25
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:4913

HvJ EU: potentiele slachtoffers bloedwraak zijn geen ‘sociale groep’

The applicant, an Afghan national and an ethnic Pashtun from the Province of Lagham (Afghanistan), claimed that he faced persecution on account of a blood feud targeting persons who were related to his father.

The CJEU clarified that persons may constitute a “particular social group” under Article 10(1)(d) of the Qualification Directive if two conditions are met. First, if they share an innate characteristic or common background that cannot be changed and second, if they are perceived by the surrounding society as being different. The Court found that the first condition relating to innate characteristic is met in the case of a boy or a man targeted by a blood feud on account of his targeted family.  However, the Court found that the perception that a distinct group exists, of only a few individuals who are part of the surrounding society, cannot be decisive. In addition, it stated that the perception of their own difference by the victims of such acts cannot be decisive in that context. Thus, according to the Court,  the fact that an applicant for international protection is exposed, in his or her country of origin, to a risk of physical violence extending to homicide as part of a blood feud targeting all or some of his or her family members as a result of a property dispute does not lead to the finding that that applicant belongs to a “particular social group” within the meaning of Article 10(1)(d) of the Qualification Directive.

Therefore, the second criteria to qualify a particular social group in that case was not met. However, if an applicant is facing a risk of serious harm if returned to his or her country of origin, the Court indicated that it is for the competent national authority to assess whether this applicant is eligible for subsidiary protection under Article 2(f) of the Qualification Directive.

HvJ EU case of Budesamt für Fremdenwesen und Asyl v. A.N. (Laghman) (C-217/23), 27.3.25
https://curia.europa.eu/juris/liste.jsf?num=C-217/23

EHRM Comm Case : mogelijk 3EVRM-risico Afghanistan

The case concerns an Afghan national who applied for asylum in Sweden, claiming that he faced a risk of persecution due to his Hazara ethnicity and his father’s previous work. The Swedish authorities rejected his request. …. The applicant submitted a new asylum request, reiterating his previous claims and arguing that the situation in Afghanistan had changed. He further contended that he was at risk due to his "westernisation." The Swedish authorities rejected this request, ordering his deportation. On 8 January 2025, the ECtHR granted the applicant’s request for an interim measure under Rule 39 of the Rules of Court, suspending his removal.

The ECtHR asked the parties whether the applicant’s deportation would expose him to a real risk of treatment in violation of Articles 2 and 3 ECHR, in particular due to his Hazara ethnicity and alleged "westernisation," in light of relevant country reports on Afghanistan. The ECtHR has also asked whether his removal would infringe his rights under Article 8 ECHR.

EHRM Comm Case case J.K. v. Sweden 34931/24, 27.2.15
https://hudoc.echr.coe.int/eng?i=001-242516

Pagina's