Nieuws

SvJ&V: LVV-plannen

Vreemdelingen zonder recht op verblijf die Nederland niet uit eigen beweging dan wel gedwongen hebben verlaten, kunnen gemeenten confronteren met problematiek rondom zorg en veiligheid. De inzet van het Rijk en gemeenten is om voor het illegale verblijf van deze vreemdelingen een bestendige oplossing te vinden. Onder een bestendige oplossing versta ik vertrek uit Nederland of, uitsluitend indien de vreemdeling aan de voorwaarden daarvoor voldoet, het legaliseren van verblijf.

Rijk en gemeenten hebben gekozen voor een gezamenlijk ontwikkeltraject. Hierin zullen we door middel van 5 pilots, ondersteund door een landelijk programma, drie jaar lang onderzoeken hoe we deze doelstelling het beste bereiken. Indien succesvol wordt op basis van deze pilots een inhoudelijk bestuursakkoord gesloten waarna kan worden gewerkt aan een landelijk dekkend netwerk van 8 LVV’s. Om het aantal bestendige oplossingen te verhogen wordt in de pilot-LVV’s stap voor stap gekeken welke aanpak in de praktijk werkt. Daarnaast wordt op landelijk niveau gewerkt aan een aantal thema’s die de samenwerking binnen en tussen de LVV’s moeten optimaliseren, zoals bijvoorbeeld doelgroep benadering, coördinatie en gegevensuitwisseling.

Voor het slagen van het LVV-programma is een samenwerkings- en oplossingsgerichte houding van DT&V, IND, Politie, betrokken gemeenten en maatschappelijke organisaties nodig. Hierbij acht ik het van belang om te benadrukken dat het om een gezamenlijke inspanning gaat van alle betrokken partijen. Daarbij is in het bijzonder de nauwe betrokkenheid van de DT&V van belang, zoals ook in het regeerakkoord is bepaald. De DT&V houdt toezicht op het vertrekproces uit de LVV’s door actief deel te nemen in de governance en operationeel betrokken te zijn bij alle individuele trajecten van bij de LVV betrokken vreemdelingen.

https://vng.nl/onderwerpenindex/asiel/asielbeleid-en-integratie/nieuws/start-landelijke-vreemdelingenvoorzieningen-in-5-gemeenten, 29.11.18
Zie ook persbericht NGO’s in pilotgemeenten.

CAK: 12.000 ongedocumenteerden hebben zorg gevraagd in 2016, en 13.000 in 2017

Uit de gegevens van het CAK blijkt dat er in 2016 voor 12.068 personen zorg is gedeclareerd en in 2017 voor 12.894 personen. In beide jaren gaat het om iets meer mannen (51%) dan vrouwen (49%). Bijna de helft is tussen de 25 en 45 jaar oud. Een vijfde is jonger dan 25 jaar en een derde ouder dan 45 jaar. De jongste is nul jaar en de oudste 108 jaar. Tussen beide jaren doen zich hierin niet of nauwelijks verschillen voor. De onverzekerbare vreemdelingen blijken verder afkomstig te zijn uit een groot aantal landen. In 2017 zijn de meesten afkomstig uit Marokko (6,4%), Syrië (4,1%), Turkije (3,9%), Armenië (3,6%) en Suriname (3,4%). In 2016 is de top vier hetzelfde, maar is het vijfde land Nigeria (3,5%).

Ruim een vijfde (21%) van alle onverzekerbare vreemdelingen komt uit de GGD-regio Amsterdam, 16% uit de regio Haaglanden, 10% uit de regio Rotterdam-Rijnmond en 9% uit de regio Utrecht. Deze GGD-regio’s hebben een vergelijkbare omvang van ruim een miljoen inwoners. De eerste GGD-regio buiten de Randstad met relatief veel onverzekerbare vreemdelingen die zorg hebben ontvangen in 2017 is Groningen met 6%. Wat verder opvalt is dat in de Randstad de onverzekerbare vreemdelingen vaak uit Marokko afkomstig zijn en dat het buiten de Randstad vaker gaat om personen afkomstig uit Armenië, Suriname, Afghanistan, Mongolië, Syrië en Irak. Vaak gaat het in een regio hierbij om een kwart tot de helft van het totale aantal onverzekerbare vreemdelingen dat uit een specifiek land afkomstig is. Er lijkt met andere woorden sprake van een zekere mate van concentratie van onverzekerbare vreemdelingen in diverse regio’s.

https://www.wodc.nl/binaries/2917_Volledige_Tekst_tcm28-356573.pdf, 20.11.18

Rb vovo: statushouder Hongarije heeft in NLse asielprocedure recht op AZC-opvang tot beroep

Dat de vreemdeling geen recht meer heeft op internationale bescherming in Nederland omdat zij in Hongarije al internationale bescherming heeft gekregen, volgt de rechtbank niet. O.g.v. de Procedurerichtlijn moeten de lidstaten ervoor zorgen dat tegen niet-ontvankelijkverklaring een daadwerkelijk rechtsmiddel bij een rechterlijke instantie openstaat. De lidstaten staan hem vervolgens toe op het grondgebied te blijven in afwachting van de rechterlijke uitspraak. ...

O.g.v. art. 5 Rva eindigt het recht op opvang van een afgewezen asielzoeker als de vertrektermijn (art. 62 Vw) verstreken is, tenzij uitzetting o.g.v. de Vw of een rechtelijke uitspraak achterwege moet blijven. Hierbij zijn ook de antwoorden op vragen van de vaste Kamercommissie voor Veiligheid en Justitie van belang (TK 2014-2015, 34 088, nr. 6, p. 33-34). Gelet op het overwogene mag de vreemdeling niet worden uitgezet. Het COa had haar opvang daarom niet mogen beëindigen, maar die in ieder geval moeten voorzetten tot de beslissing op het vovo-verzoek in de asielprocedure van de vreemdeling.

Rb Den Bosch, AWB 18/8461, 9.11.18

Rb vovo: geen recht op opvang tijdens beroep bij herhaald asielverzoek zonder nova

De voorzieningenrechter stelt vast dat de vreemdeling met het onderhavige verzoek beoogt te bewerkstelligen dat hij weer wordt toegelatentot de opvang. In dit kader heeft verzoeker een beroep gedaan op het arrest Gnandi van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 juni 2018 (ECL1:EU:C:2018:465). De vraag is of het Gnandi-arrest onverkort toepassing vindt in de onderhavige zaak waarin het gaat om een herhaalde asielaanvraag.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat dat niet het geval is. In artikel 41 , tweede lid, aanhef en onder c, van de Procedurerichtlijn is bepaald dat de lidstaten in bepaald omschreven situaties kunnen afwijken van de regel dat een asiel-verzoeker op het grondgebied mag verblijven in afwachting van de uitkomst van de procedure. Dit artikel heeft de Nederlandse wetgever geïmplementeerd in artikel 7.3, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) en artikel 3.1, tweede lid, aanhef en onder a, van het Vb 2000 (geen nieuwe elementen). ... In het onderhavige geval is er sprake van een situatie als bedoeld in artikel 3.1, tweede lid, aanhef en onder a, van het Vb 2000. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zijn de desbetreffende bepalingen uit de Procedurerichtlijn op juiste wijze geïmplementeerd. Verder overweegt de voorzieningenrechter dat verweerder in het bestreden besluit heeft geoordeeld dat geen sprake is van strijd met artikel 3 van het EVRM, zoals in artikel 41 van de Procedurerichtlijn is bepaald. Van een dergelijke strijd met artikel 3 van het EVRM is de voorzieningenrechter evenmin gebleken.

Rb Groningen, AWB 18/8447, 9.11.18

Rb: geen grondslag grensdetentie asielzoeker

Aan de vreemdeling is met toepassing van art. 6(6) Vw een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd op grond van art. 6(1)(2) Vw op de gronden dat aan hem de toegang is geweigerd op grond van art. 14 Schengengrenscode, zijn asielaanvraag in de grensprocedure is afgewezen en een risico op onderduiken bestaat. De vreemdeling doet een beroep op Gnandi en stelt dat er een juiste grondslag voor de vrijheidsontnemende maatregel ontbeert, omdat de maatregel is gericht op zijn uitzetting terwijl hij mag blijven zolang niet niet op zijn verzoek om een vovo is beslist en hij niet in bewaring mag worden gesteld met het oog op uitzetting.

De rechtbank oordeelt dat het beroep slaagt (Rb Haarlem, 19 september 2018 (ECLI:NL:RBDHA:2018:11260) en 6 november 2018 (ECLI:NL:RBDHA:2018:13276)). De vrijheidsontnemende maatregel ontbeert een deugdelijke, wettelijke grondslag en kon niet worden gebaseerd op art. 6(1)(2)(6) Vw dan wel op het feit dat hem de toegang tot Nederland is geweigerd. Beroep gegrond.

Rb Haarlem, NL18.20610, 12.11.18

Rb: herbeoordeling ongewenstverklaring van 1F-er na 24jr in NL en goed gedrag

Uit het arrest van het Hof volgt dat bij de vraag naar het bestaan van een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving, rekening moet worden gehouden met wat is vastgesteld in het besluit tot uitsluiting van de vluchtelingenstatus en met de daaraan ten grondslag liggende aspecten, zoals de aard en de ernst van de aan de vreemdeling verweten misdrijven of gedragingen, de mate waarin hij persoonlijk betrokken was bij die misdrijven of gedragingen en het eventuele bestaan van gronden voor uitsluiting van de strafrechtelijke aansprakelijkheid zoals dwang of noodweer. Dit onderzoek is te meer noodzakelijk als een strafrechtelijke veroordeling voor de verweten misdrijven of gedragingen ontbreekt, zoals in dit geval.

Verder dienen te worden meegewogen: het gedrag van de vreemdeling, het tijdsverloop sinds de verweten gedragingen, de ernst van de gedragingen, het gevaar voor recidive, de specifieke historische en maatschappelijke context waarin het gedrag zich heeft afgespeeld en de vraag of de vreemdeling nog immer een houding aanneemt die fundamentele waarden als de menselijke waardigheid en mensenrechten aantast.

Naar het oordeel van de rechtbank is de conclusie van verweerder dat eiser reeds vanwege de uitzonderlijke ernst van zijn gedragingen een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving, gelet op de door het Hof voorgeschreven toets, niet houdbaar. Niet is immers gebleken dat verweerder de mate waarin eiser persoonlijk betrokken was bij de gedragingen, de historische context waarin deze zich hebben afgespeeld, het gevaar voor recidive, of de toepasselijkheid van uitsluitingsgronden als dwang of noodweer, bij de beoordeling heeft betrokken. Zo heeft verweerder het feit dat eiser geen leiding heeft gegeven aan de zuiveringen en hij op enig moment is gedeserteerd, waardoor hij zich aan de gedragingen heeft onttrokken, niet meegewogen. Evenmin is kenbaar meegewogen dat eiser niet strafrechtelijk is veroordeeld voor de verweten misdrijven of gedragingen.

Verder kan verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet zonder nadere motivering concluderen dat uit het gedrag van eiser sinds zijn verblijf in Nederland blijkt van een houding die strijdig is met de fundamentele waarden. De enkele omstandigheid dat eiser de gedragingen ontkent, rechtvaardigt die conclusie niet. Daarmee heeft eiser immers geen waardeoordeel uitgesproken over de gedragingen waarvoor hij verantwoordelijk wordt gehouden.

De rechtbank komt tot de conclusie dat verweerder in het bestreden besluit en het verweerschrift onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de unierechtelijke evenredigheidstoets niet uitgevoerd. Zo zijn het doel van de maatregel en de proportionaliteit door verweerder niet beoordeeld. Verweerder heeft niet beoordeeld of eventueel een minder vergaande maatregel kan worden getroffen die even doeltreffend is.

Rb Middelburg awb 15/22024, 12.11.18
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2018:14010

Rb: schrijnendheid beoordelen aan de hand van Praktijkdocument

In geschil is of de staatssecretaris zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen sprake is van een uniek samenstel van omstandigheden dat leidt tot een schrijnende situatie op grond waarvan de staatssecretaris een verblijfsvergunning moet verlenen met toepassing van zijn discretionaire bevoegdheid. De rechtbank verwijst naar de Afdelingsuitspraak van 24 september 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:3090) waarin wordt overwogen dat de staatssecretaris een praktijkdocument heeft opgesteld waarmee de onderhavige aanvraag wordt beoordeeld. In dit document staan niet-limitatieve factoren en contra-indicaties die in samenhang worden afgewogen door de staatssecretaris om te bezien of er sprake is van schrijnende omstandigheden. De rechtbank zal per aangedragen schrijnende factor het standpunt van de staatssecretaris in het licht van de daarentegen aangedragen beroepsgrond bespreken. (...).

Gelet op het feit dat niet alle aangevoerde omstandigheden kenbaar in de afweging zijn betrokken en dit gebrek ter zitting en in het verweerschrift niet is hersteld, komt de rechtbank niet toe aan de toetsing of de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat, in alle samenhang van de omstandigheden bezien, geen sprake is van schrijnende omstandigheden. Beroep gegrond.

Rb Amsterdam, AWB 18/2906 (beroep), 16.11.18

RvS: EMDR-behandeling kan zonder groot risico afgebroken worden

In het BMA-advies van 6 november 2017 staat als antwoord op de vraag wat in de huidige situatie de te verwachten medische gevolgen zullen zijn bij het uitblijven van medische behandeling: 'Openbreken van de EMDR behandeling kan ongewenste gevolgen met zich mee brengen. Welke gevolgen zijn niet te voorspellen, de behandelaar noemt geestelijke schade hetgeen toename of wijziging van de symptomen veronderstelt. In het uiterste geval kan dit leiden tot zelfbeschadigend gedrag. Hierin wordt meegewogen dat cliënt nog erg jong is en de EMDR als behandeling daarom des te intensiever beschouwd moet worden. Zonder medicatie kunnen de klachten toenemen.'

Als antwoord op de vraag of het uitblijven van de behandeling zal leiden tot een medische noodsituatie, staat in het BMA-advies van 6 november 2017: 'Bij uitblijven van de genoemde behandeling verwacht ik geen medische noodsituatie op korte termijn, want er zijn geen aanwijzingen vanuit het verloop tot nog toe dat er levensbedreigende verschijnselen vanuit de psychische gesteldheid van cliënte verwacht kunnen worden. […] Echter gezien het feit dat cliënte nu EMDR behandeling heeft kan zelfbeschadigend gedrag bij staken van de EMDR ook niet geheel uitgesloten worden. Reden om toch de aanwezigheid van deze behandeling uit te zoeken.'

De staatssecretaris voert terecht aan dat uit het antwoord op de vraag of het staken van de EMDR-behandeling zal leiden tot een medische noodsituatie niet volgt, dat het BMA een medische noodsituatie verwacht. Dat het BMA hieraan toevoegt dat zelfbeschadigend gedrag bij het staken van de EMDR-behandeling ook niet geheel kan worden uitgesloten doet hier niet aan af. Voor het aannemen van het ontstaan van een medische noodsituatie is immers van belang dat op basis van de huidige medisch-wetenschappelijke inzichten vaststaat dat het achterwege blijven van behandeling binnen een termijn van drie maanden zal leiden tot overlijden, invaliditeit of een andere vorm van ernstige geestelijke of lichamelijke schade dan wel dat dit naar alle waarschijnlijkheid het geval zal zijn. Ook uit het feit dat het BMA onverplicht onderzoek heeft gedaan naar de behandelmogelijkheden in het land van herkomst kan niet worden afgeleid dat het BMA van oordeel is dat vaststaat dat een medische noodsituatie zal ontstaan. De rechtbank heeft gelet op het voorgaande ten onrechte overwogen dat de staatssecretaris zich ten onrechte zonder nadere toelichting van het BMA op het advies heeft gebaseerd en daarom niet aan zijn vergewisplicht heeft voldaan. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte geen aanleiding gezien om de rechtsgevolgen in stand te laten.

De grief slaagt. Het hoger beroep is gegrond.
RvS 201803700/1/V1, 23.11.18
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2018:3852

Rb: Ivoorkust is geen veilige behandelomgeving PTSS en leverantieonzekerheid olanzapine

In de rapportage van 21 november 2017 heeft de behandelaar van eiser, in reactie op het BMA-advies van 5 oktober 20 17, aangegeven dat er sprake is van een hoog en concreet suiciderisico na terugkeer naar Ivoorkust. Dit suiciderisico is het gevolg van het feit dat eiser ernstig is getraumatiseerd in het land van herkomst. Als gevolg hiervan heeft hij grote angst om terug te keren naar het land waar hij deze traumatische ervaringen heeft opgedaan en mogelijk te worden geconfronteerd met personen die al dan niet zijdelings een rol hebben gespeeld in deze traumatische gebeurtenissen. Verder heeft de behandelaar aangegeven dat de eerdere conclusie van stichting Centrum '45 dat eiser zich ten grond zal richten als gevolg van exposure aan traumatische ervaringen bij terugkeer naar zijn land van herkomst nog steeds actueel is.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de behandelaar van eiser in haar rapportage van 21 november 2017 haar conclusie dat Ivoorkust voor eiser geen veilige behandelomgeving heeft toegespitst op de aard van eisers specifieke ziektebeeld en - aan de hand van de voorgedane gebeurtenissen in het land van herkomst die de klachten van eiser hebben veroorzaakt - heeft geconcretiseerd hoe die gebeurtenissen thans een effectieve voorzetting van de behandeling van de klachten van eiser in Ivoorkust onmogelijk maken. Gelet op deze concrete informatie, alsmede de omstandigheid dat in rechte vaststaat dat eisers asielrelaas geloofwaardig is, is de rechtbank van oordeel dat de BMA-arts zich in het aanvullend advies van 6 februari 2018 had moeten uitlaten over de vraag of, in aanmerking genomen de aard en het ontstaan van de psychische klachten, al dan niet aanleiding bestond gerede twijfel te hebben over de effectiviteit voor eiser van de in het algemeen verkrijgbare medische behandeling in Ivoorkust. Dit heeft de BMA-arts echter nagelaten.

Voorts stelt de rechtbank vast dat eiser blijkens de meest actuele medicatielijst in het BMA-advies van 5 oktober 2018 het medicijn olanzapine gebruikt. In bron B (BMA10663) van 2 februari 2018 bij het aanvullend advies van 6 februari 2018 staat het volgende over dit medicijn vermeld: 'available but currently experiencing supply problems, time of resupply is unknown' en 'needs to be ordered and is not in stock right now, time of resupply unknown'. Naar het oordeel van de rechtbank volgt hieruit dat het medicijn olanzapine op 2 febmari 2018 niet beschikbaar was, dat er op dat moment leveringsproblemen waren en dat het onbekend is wanneer het medicijn weer op voorraad is. Gelet hierop moet worden geoordeeld dat het aanvullend advies van 6 februari 2018 onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen dan wel niet inzichtelijk en concludent is.

Rb Zwolle AWB 16/6050, 27.11.18

Rb: inkomensvereiste bij arbeidsongeschiktheid

De rechtbank maakt uit de Vc 2000 op dat als referent stelt arbeidsongeschikt te zijn, hij op twee manieren van het middelenvereiste kan worden vrijgesteld: als hij aannemelijk heeft gemaakt vijf jaar niet in staat is aan de plicht tot arbeidsinschakeling te voldoen of ten minste twee jaar arbeidsongeschikt is.

Uit de rapporten komt het beeld naar voren dat referent al vanaf 2007 niet heeft gewerkt en dat hij steeds niet geschikt werd geacht voor regulier (betaald) werk. Voor zover hij daar wel toe in staat zou zijn, is laatstelijk geconcludeerd dat referent niet in staat is het minimumloon te verdienen. Voorts blijkt nergens uit dat deze situatie zal verbeteren. Het is een al langdurig bestaande situatie en de verzekeringsarts oordeelt dat verbetering binnen zes maanden niet te verwachten is. Dat alles maakt dat uit de stukken naar voren komt dat referent als gevolg van een ziekte al lange tijd niet in staat is met regulier werk het minimumloon te verdienen en dat herstel op korte termijn niet is te verwachten.

In het bestreden besluit heeft verweerder slechts gesteld dat de omstandigheid dat referent vooralsnog geen reguliere arbeid kan verrichten onvoldoende reden is om af te wijken van het beleid. Niet blijkt dat referent blijvend niet in staat zal zijn arbeid te verrichten en alsnog aan de inkomenseis te kunnen voldoen, aldus verweerder in het bestreden besluit.

Deze motivering acht de rechtbank onvoldoende. Beroep gegrond.
Rb Arnhem AWB 18/4839, 6.11.18
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2018:13743

Pagina's