Nieuws

NVVB: Beleidsregel briefadres

Op de website van de NVVB (vereniging ambtenaren burgerzaken) staat een model voor een Beleidsregel briefadres.  De model Beleidsregel briefadres heeft tot doel misbruik van briefadressen tegen te gaan en mensen uit kwetsbare groepen, zoals verwarde personen te kunnen inschrijven in de BRP op een briefadres als de omstandigheden daartoe nopen. De beleidsregel is vooral niet bedoeld om inschrijvingen te weigeren als personen feitelijk wel ingezetenen zijn. De gemeente kan personen desnoods ambtshalve inschrijven of ambtshave een adreswijziging doorvoeren. Daarbij kan een woon– of briefadres worden opgenomen.

De NVVB adviseert om inschrijving als ingezetene nooit te weigeren op basis van de Beleidsregel briefadres. Als het al voorkomt, kan weigering slechts op basis van de Wet BRP en voldoet de persoon dus niet aan de voorwaarden voor inschrijving als ingezetene die de Wet BRP stelt.

De NVVB verwijst in dit verband tevens naar de circulaire Briefadres en het stappenplan Briefadres. (1.5.19)

Rb: wijziging persoonsgegevens op basis van DNA-test en veel Chinese documenten

Eiser heeft verweerder op 28 juni 2017 gevraagd om zijn gegevens te wijzigen. Eiser wenst te worden geregistreerd als [naam] , geboren [geboortedag] 1976 te Wenzhou, China. Bij dit verzoek heeft eiser uiteindelijk de volgende documenten overgelegd:

  • Een Chinees paspoort, afgegeven op 11 december 2015;
  • Een verlopen Chinees paspoort, afgegeven op 31 oktober 1996;
  • Een notariële verklaring betreffende geboorte afgegeven op 24 april 2017, geverifieerd en gelegaliseerd op 8 mei 2017;
  • Een uittreksel geboorteakte van 24 april 2017, geverifieerd en gelegaliseerd op 8 mei 2017;
  • Een notariële bevestiging geen huwelijk van 19 april 2017, geverifieerd en gelegaliseerd op 8 mei 2017;
  • Een kopie van een hukou, notarieel gecertificeerd op 24 april 2017 en geverifieerd en gelegaliseerd op 8 mei 2017;
  • Een schoolcertificaat van de middelbare school van juni 1992;
  • Een DNA-onderzoeksrapport, opgemaakt op 23 maart 2018 door Verilabs te Leiden.

Eiser vraagt om wijziging van zijn persoonsgegevens in de BRP en dient daarvoor – onder andere – brondocumenten en een DNA-onderzoek met zijn gestelde moeder in. Verweerder heeft het verzoek afgewezen omdat er onvoldoende bewijs is voor een verband tussen eiser en de overgelegde documenten.

De rechtbank acht het DNA-onderzoek echter betrouwbaar en is van oordeel dat met het resultaat van dat onderzoek een verband kan worden gelegd tussen eiser en de documenten die hij heeft ingediend. Verweerder heeft onvoldoende zorgvuldig onderzoek gedaan naar die documenten. Beroep gegrond.

Rb den Bosch 18_2060, 11.3.19
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2019:1340

Rb: wel zicht op uitzetting naar Algerije

Verweerder heeft bij brief van 3 mei 2019 desgevraagd de navolgende informatie over uitzettingen naar Algerije overgelegd:

In 2018:

  • Aantal aanvragen van een LP: 178 (vrijwillig en gedwongen vertrek). Aantal afgegeven LP’s: 13. Hiervan zijn 12 LP’s gebruikt voor gedwongen vertrek; 1 LP is ongebruikt gebleven.
  • Aantal gedwongen vertrek: 17, op grond van een LP: 14, op grond van een paspoort: 2, op grond van een removal order: 1. Aantal zelfstandige vertrekken: 24

In 2019 (tot en met 30 april) :

  • Aantal aanvragen van een LP: 140 (vrijwillig en gedwongen vertrek). Aantal afgegeven LP’s: 7. Hiervan zijn 6 LP’s gebruikt voor gedwongen vertrek, 1 LP is ongebruikt gebleven.
  • Aantal gedwongen vertrek: 8, aantal zelfstandig vertrek: 20

De gemiddelde doorlooptijd van het moment van bekend stelling bij de autoriteiten tot de ontvangst van het antwoord betreft in de periode van 1-1-2018 t/m 30-4-2019 180 dagen.

Gelet op gegevens concludeert de rechtbank dat zicht op uitzetting naar Algerije niet ontbreekt.
Rb den Bosch NL19.9289, 3.5.19
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2019:4409

 

Rb: geen 8EVRM privé en gezinsleven voor Turkse ouders met 4kk hier geboren

Eiser -1 en eiseres-1 verblijven langdurig in Nederland. Nadat zij in 1994 uit Nederland waren verwijderd, zijn ze wederom ingereisd. In een situatie van illegaal verblijf dient sprake te zijn van zeer uitzonderlijke omstandigheden wil uitzetting strijd opleveren met artikel 8 EVRM. Van dergelijke zeer uitzonderlijke omstandigheden is in het geval van eisers niet gebleken. Eisers hebben er zelf voor gekozen hun illegaal verblijf in Nederland voort te zetten, terwijl zij wisten dat verblijf in Nederland niet was toegestaan.

De rechtbank volgt eiser-1 niet in zijn stelling dat verweerder kennelijk in eisers verblijf in Nederland heeft berust. Er zijn drie vertrekprocedures opgestart, in 2008, 2012 en 2015, waarbij eiser telkens heeft aangegeven niet te willen vertrekken. Ook heeft eiser vier maanden in vreemdelingendetentie gezeten. Eiser heeft verschillende opvolgende aanvragen gedaan, waardoor hij lange tijd niet uitzetbaar was. Er is daarom geen sprake van een situatie waarin verweerder het verblijf van eiser (langdurig) heeft gedoogd.

Verweerder heeft zich verder in het kader van zijn belangenafweging niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat in het nadeel van eiser-1 en eiseres-1 weegt dat zij, zonder dat zij hier mochten verblijven, in Nederland kinderen hebben gekregen. Zij hebben daarmee de Nederlandse overheid voor een voldongen feit gesteld. De gevolgen van deze keuze komen in overwegende mate voor eigen rekening en risico van eisers, en niet voor rekening en risico van de Nederlandse overheid.

Daarnaast is niet gebleken van objectieve belemmeringen om het familieleven in de Turkije uit te oefenen. Het feit dat de kinderen in Nederland zijn geboren en naar school gaan, is op zichzelf geen reden om aan te nemen dat zij zich niet zullen kunnen aanpassen in Turkije. De kinderen groeien op in gezinsverband, waardoor (een zekere mate van) bekendheid met de Turkse taal en cultuur aanwezig wordt geacht. Verder is niet gebleken dat de kinderen uitsluitend aan Nederland zijn gebonden en dat van hen niet kan worden verlangd dat zij hun ouders volgen.

Rb den Haag AWB - 17 _ 14720, 15.3.19
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2019:3107

RvS: status op grond van privéleven na verbreking relatie na 15jr, zonder inburgeringsexamen

De vreemdeling had sinds 1997 een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ivm verblijf bij echtgenote. In 2014 heeft de vreemdeling een aanvraag gedaan voor een verblijfsvergunning niet-tijdelijke humanitaire gronden. De staatssecretaris heeft deze aanvraag afgewezen omdat de vreemdeling het inburgeringsexamen niet heeft behaald.

De staatssecretaris heeft aangegeven dat hij zijn beslispraktijk gaat aanpassen. Als een beroep wordt gedaan op ontheffing van het inburgeringsvereiste wegens bijzondere omstandigheden, zal hij een individuele afweging maken. De staatssecretaris geeft aan dat hij daarom nogmaals zal beoordelen of de door de vreemdeling in deze zaak aangevoerde omstandigheden alsnog tot (eerdere) ontheffing van het inburgeringsvereiste kunnen leiden.

In zijn nader stuk geeft de staatssecretaris aan dat hij de vreemdeling een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking 'artikel 8 EVRM privéleven' heeft verleend met ingang van 2014.

Het geschil in hoger beroep gaat over de verlening van een verblijfsvergunning regulier onder een beperking verband houdend met niet-tijdelijke humanitaire gronden. De vreemdeling heeft echter reeds rechtmatig verblijf op grond van een verleende verblijfsvergunning regulier onder een beperking verband houdend met 'artikel 8 EVRM privéleven'. De vreemdeling heeft derhalve geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van zijn hoger beroep.

Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk.
RvS 201604637/2/V2, 26.4.19
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2019:1384

RvS: bij niet-ontvankelijk asielverzoek moet art-64 beoordeling apart aangevraagd worden

Een beoordeling of de vreemdeling met toepassing van artikel 64 in aanmerking komt voor uitstel van vertrek doet de staatssecretaris in bepaalde gevallen ambtshalve. De staatssecretaris betoogt echter terecht dat hij bij het niet-ontvankelijk verklaren van een asielaanvraag niet ambtshalve beoordeelt of die bepaling van toepassing is. De vreemdeling kan daarvoor zelf kosteloos een aanvraag doen. Als de staatssecretaris die aanvraag afwijst, kan de vreemdeling daartegen beroep instellen. Daarmee is gewaarborgd dat de staatssecretaris een betoog in het kader van het arrest C.K./ art-64 beoordeelt en dat de rechter die beoordeling kan toetsen.

Het hoger beroep is kennelijk gegrond.
RvS 201806465/1/V3, 2.5.19
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2019:996

Rb: bij terugkeer na Spanjeroute krijgt halfbroer van NLse kinderen ook verblijfsrecht in NL

De Verblijfsrichtlijn is ook van toepassing bij een Unieburger die terugkeert naar de lidstaat waarvan hij de nationaliteit heeft, nadat hij eerder gebruik heeft gemaakt van zijn recht op vrij verkeer. Deze situatie doet zich hier voor, nu eisers halfzusjes de Nederlandse nationaliteit hebben en eerder rechtmatig als EU-onderdaan in Spanje hebben verbleven.

Het standpunt van verweerder is erop gebaseerd dat eiser niet ten laste van zijn halfzusjes komt en evenmin vanwege ernstige gezondheidsproblemen verzorging van hen behoeft. Evenwel zijn deze omstandigheden niet vereist wanneer aannemelijk is dat eiser heeft ingewoond bij zijn Nederlandse halfzusjes.

Eiser heeft een drietal stukken van de Spaanse autoriteiten overgelegd alsmede beëdigde vertalingen daarvan, waaruit kan worden opgemaakt dat hij in Spanje met zijn Nederlandse halfzusjes op hetzelfde adres heeft gewoond. ... Gelet hierop is het bestreden besluit onvoldoende deugdelijk gemotiveerd.

Het beroep is gegrond.
Rb Middelburg AWB 18 / 8960, 16.4.19
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2019:3850

Rb: overheid beschermt niet tegen huiselijk geweld in Guinee

De vreemdeling is minderjarig en woonde sinds het overlijden van zijn ouders bij zijn oom en tante in Guinee. Hij heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij door zijn tante en haar kinderen werd mishandeld. De staatssecretaris acht dit geloofwaardig, maar stelt dat dit niet wil zeggen dat er sprake is van een reëel risico op ernstige schade. De vreemdeling voert aan dat de staatssecretaris ten onrechte tegenwerpt dat hij bescherming van de autoriteiten in Guinee kan inroepen.

De rechtbank overweegt als volgt. In het ambtsbericht uit 2014 staat dat de heersende mening is dat het doen van aangifte geen zin heeft. De juridische sector is niet onafhankelijk en corrupt. Als de politie of gendarmerie in gebreke blijft, is het mogelijk direct naar de rechtbank te gaan. Maar ook daar is sprake van corruptie. Verder wordt de effectiviteit van de rechterlijke macht beperkt door o.a. een gebrek aan gekwalificeerde rechters, nepotisme en ethische vooroordelen. De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris uit het ambtsbericht uit 2014 niet heeft mogen afleiden dat de vreemdeling in het algemeen bescherming van de autoriteiten of andere instanties kan krijgen tegen de mishandeling door zijn tante en haar kinderen. Uit het ambtsbericht blijkt niet dat er sprake is van een doeltreffend systeem. Dat er weeshuizen zijn in Guinee is onvoldoende, omdat de staatssecretaris niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze bescherming bieden tegen huiselijk geweld. Daarom hoeft de vreemdeling niet aannemelijk te maken dat het vragen van bescherming voor hem gevaarlijk of op voorhand zinloos is. De staatssecretaris heeft dit ten onrechte tegengeworpen. Beroep gegrond.

Rb Utrecht, NL19.6708, 18.4. 19

Rb: echtheid dreigbrieven Taliban niet vast te stellen door onafhankelijk deskundige

Beroep gegrond. De vreemdeling stelt dat hij heeft gewerkt als beveiliger voor o.a. de Wereldbank. Hij is tweemaal telefonisch en driemaal per brief bedreigd. In geschil is de vraag of de staatssecretaris de gestelde bedreigingen door de Taliban terecht ongeloofwaardig heeft geacht.

De rechtbank overweegt als volgt. Mede gelet op het EHRM-arrest Singh e.a. tegen België (nr. 332 10/11), bestond de behoefte een onafhankelijke deskundige te benoemen die de door de vreemdeling overgelegde documenten onderzoekt, omdat de door de staatssecretaris ingeschakelde expert van Bureau Documenten en de door de vreemdeling ingeschakelde expert elkaar tegenspreken. De door de rechtbank, na een uitgebreide zoektocht, ingeschakelde expert heeft te kennen gegeven dat hij de opdracht niet uit kan voeren, omdat hij zich niet gekwalificeerd acht. De rechtbank heeft geen mogelijkheid gezien een nieuwe deskundige te vinden. De rechtbank volgt niet in het standpunt van de staatssecretaris dat geen waarde kan worden gehecht aan de dreigbrieven. Hierbij is van belang dat het originele stukken zijn en dat de benoemde deskundige de echtheid bij nader inzien niet kon onderzoeken. Daaruit volgt onmiskenbaar dat het zeer moeilijk, zo niet in feite onmogelijk, is om vast te stellen of de brieven echt zijn. De bevinding van Bureau Documenten dat de dreigbrieven (hoogstwaarschijnlijk/ mogelijk) niet door een daartoe bevoegde instantie zijn opgemaakt en afgegeven is zonder nadere toelichting niet inzichtelijk. De vraag rijst ook wat precies wordt bedoeld met een ‘daartoe bevoegde instantie’ als wordt bedacht dat de Taliban een verzamelnaam is voor een zeer grote diffuse politieke en militaire organisatie die er hoogstwaarschijnlijk geen uniforme werkwijze op nahoudt m.b.t. afgifte van documenten.

De vreemdeling heeft aangedragen dat de invloedssfeer van de Taliban de afgelopen jaren sterk is toegenomen en dat dit heeft geresulteerd in onder andere toename van aanslagen en bedreigingen. De stellingen vinden inderdaad steun in openbare bronnen, zoals het ambtsbericht van november 2016. De staatssecretaris heeft voorts onvoldoende gemotiveerd waarom een reeks bedreigingen per sé ongeloofwaardig wordt doordat die bedreigingen niet daadwerkelijk zijn uitgevoerd. De rechtbank volgt de staatssecretaris evenmin in zijn standpunt dat het geconstateerde verschil tussen de verklaringen van de vreemdelingen over de dreigbrieven maakt dat de bedreigingen ongeloofwaardig zijn. Zonder nadere motivering ziet de rechtbank ook niet waarom het feit dat de Taliban zeer machtig is per sé maakt dat pogingen om bescherming te krijgen de bedreigingen ongeloofwaardig maken.

Rb Amsterdam, NL17.6912 en NL17.6913, 23.4.19

RvS: opgegeven identiteit in Zwitserland niet geloofd, interstatelijk vertrouwensbeginsel nvt

De vreemdeling betoogt dat de staatssecretaris gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel moet uitgaan van de juistheid van de gegevens die Zwitserland over zijn identiteit en nationaliteit heeft geregistreerd.

Het beroep op het interstatelijk vertrouwensbeginsel faalt. Uit de jurisprudentie van de Afdeling (zie onder meer de uitspraak van 14 november 2018, 201709340/1/V1, ECLI:NL:RVS:2018:3743) volgt, dat de staatssecretaris gelet op dit beginsel mag uitgaan van de gegevens die een andere (lid)staat over een asielzoeker heeft geregistreerd. Het interstatelijk vertrouwensbeginsel strekt echter niet zo ver dat de staatssecretaris op grond daarvan verplicht is van de geregistreerde gegevens uit te gaan in de gevallen, waarin hij nader onderzoek naar die gegevens aangewezen acht, zoals in dit geval naar de identiteit, herkomst en nationaliteit van de vreemdeling. De grief faalt in zoverre.

Het hoger beroep is kennelijk ongegrond.
RvS 201807010/1/V2, 30.4.19
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2019:1408

Pagina's