Nieuws

EHRM: Franse opvang van gezinnen in tentenkamp zonder voorzieningen geen schending 3EVRM

The case concerns 17 applicants, four families including minor children, who were seeking international protection. They were based in Metz, where they were forced to live in a tent camp on a carpark, sleeping directly on the concrete ground, from 29 June 2013 to 9 October 2013. They claimed that their exclusion from the accommodation facilities provided for under domestic law during the abovementioned period, and their placement for over three months in a camp, had exposed them to inhuman and degrading treatment contrary to Article 3 ECHR and had infringed their right to respect for family life, under Article 8 ECHR, especially considering the inappropriate conditions to which their very young children were exposed. Furthermore, they claimed to have lacked the material and financial support to which they were entitled under domestic law.

The ECtHR noted, inter alia, that there was no specific material allowing it to make a concrete assessment of the applicants' living conditions in the tent camp. More specifically, it found that the parties' accounts differed regarding the living conditions in the camp and that they had only made general and unsubstantiated statements. Furthermore, it assessed that the French authorities had taken measures that rapidly improved their material living conditions, in particular ensuring medical care and schooling for the children. In that regard, it went on to note that the three month and eleven-day delay in providing accommodation in a permanent structure was relatively 'quick'.

The Court observed that while the applicants' camp had been overcrowded and that the sanitary conditions had been unsatisfactory, it did not consider that sufficient to rule that the applicants had found themselves in a situation of material deprivation that had reached the threshold of severity necessary to fall within the scope of Article 3. As such, the ECtHR found no violation of Article 3 ECHR. The ECHR found the applicants' complaints under Article 8 ECHR to be manifestly ill-founded, because it lacked substantive and specific information about their situation.

EHRM AFFAIRE B.G. ET AUTRES c. FRANCE (63141/13), 10.9.20
http://hudoc.echr.coe.int/eng?i=001-204321

Rb: terecht vraag naar identiteitsbewijs vanwege bier drinken in park

Blijkens het proces-verbaal van bevindingen van 4 augustus 2020 zagen de verbalisanten dat eiser met een doorzichtige tas waarin bier lag het Park 1943 inreed en stopte bij een bankje waarop al een persoon zat. Vervolgens zagen zij dat eiser bier dronk en via een telefoon en een mobiele speaker naar luide muziek luisterde. Tevens blijkt uit het proces-verbaal dat het nuttigen van alcohol op aangewezen gebieden volgens de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Rotterdam is verboden en dat aan eiser daaromtrent een bekeuring is aangezegd. Gelet hierop volgt de rechtbank het betoog van verweerder dat de verbalisanten het identiteitsdocument van eiser hebben gevorderd op grond van algemene politietaken en er van verkapt vreemdelingrechtelijke toezicht geen sprake was. De rechtmatigheid van de strafrechtelijke aanhouding ligt niet ter toetsing aan de bewaringsrechter voor. Het daaropvolgende betoog dat de ophouding onrechtmatig is, kan dan ook niet slagen. Tot slot heeft verweerder terecht in het verweerschrift opgemerkt dat, nu eiser strafrechtelijk is aangehouden, het proces-verbaal van aanhouding niet met gebruikmaking van M105 opgemaakt hoeft te worden.

Rb de Haag NL20.15169, 24.8.20
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2020:8080

RvS: geen verblijfsvergunning Georgische moeder, partner en dochter in NL met psychische problemen

De rechtbank heeft aan haar oordeel dat de staatssecretaris het besluit opnieuw ondeugdelijk heeft gemotiveerd, ten grondslag gelegd dat de staatssecretaris ten onrechte het zwaartepunt heeft gelegd bij de aanwezigheid van ondersteunende voorzieningen in Georgië, omdat dit alleen ziet op de vraag of er objectieve belemmeringen zijn om het gezinsleven in Georgië uit te oefenen. De staatsecretaris heeft volgens de rechtbank bij de vraag of sprake is van een 'certain degree of hardship' onvoldoende in zijn beoordeling betrokken of mogelijk schadelijke effecten voor het gezin en met name voor de dochter bestaan, als de vreemdeling met of zonder haar gezin terugkeert naar Georgië. Daarbij heeft de rechtbank gewezen op de psychische problemen van referent en de brief van de GGD van 30 maart 2017, waaruit volgt dat de dochter een taal- en spraakachterstand heeft. De rechtbank heeft overwogen dat het aan de staatssecretaris is nader onderzoek te doen naar de actuele gezinssituatie, de ontwikkeling van de dochter en de rol van de vreemdeling in haar gezin.

Volgens vaste jurisprudentie van het EHRM (onder meer El Ghatet t. Zwitserland, en Jeunesse t. Nederland) dienen in alle beslissingen over kinderen hun belangen een eerste overweging te vormen en moet aan die belangen, hoewel die belangen op zichzelf niet doorslaggevend kunnen zijn, aanzienlijk gewicht toekomen. Ook volgt uit deze jurisprudentie dat nationale beslisautoriteiten moeten beoordelen of vestiging in het land van herkomst van de vreemdeling een 'certain degree of hardship' met zich brengt.

De staatssecretaris heeft de specifieke problematiek van de dochter en referent en de brief van de GGD van 30 maart 2017 kenbaar betrokken in het besluit. Hij heeft daarbij voor zowel de dochter als referent een specifieke ondersteunende voorziening genoemd in Tblisi. Hij voert terecht aan dat het aan de vreemdeling is om aannemelijk te maken dat deze voorzieningen in Georgië voor hen niet geschikt of toegankelijk zijn en dat zij dat niet heeft gedaan. Over het in de brief van de GGD van 30 maart 2017 genoemde belang van voortzetting van de begeleiding van de dochter in Nederland in aanwezigheid van de vreemdeling heeft hij zich in dit verband terecht op het standpunt gesteld dat artikel 8 van het EVRM niet zover strekt dat dit een vrije domiciliekeuze voor kinderen impliceert waarbij de meest ideale en wenselijke situatie moet worden gegarandeerd, en dat uit deze brief niet blijkt de dochter voor haar begeleiding aan Nederland is gebonden. De staatssecretaris heeft daarbij terecht gewicht toegekend aan het feit dat de voertaal in het gezin Georgisch is. Verder heeft hij niet ten onrechte bij de belangenafweging betrokken dat als de vreemdeling samen met haar gezin naar Georgië zou terugkeren, de kinderen zich naar verwachting kunnen aanpassen, omdat zij de Georgische nationaliteit hebben en nog jong zijn. Over referent heeft de staatssecretaris zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat uit zijn problematiek niet volgt dat een voortzetting van het gezinsleven in Georgië voor hem onredelijke bezwarend zal zijn, omdat hij niet verschilt van anderen in Georgië met vergelijkbare problematiek en hij in Georgië is geboren en getogen. Daarbij heeft hij zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat referent niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij door zijn in Georgië opgelopen trauma, voor zijn behandeling uitsluitend gebonden is aan Nederland. Daarnaast heeft de staatssecretaris niet ten onrechte bij de belangenafweging betrokken dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat referent, met of zonder de in Nederland aanwezige ondersteuning, niet voor de kinderen kan zorgen wanneer zij zonder haar gezin naar Georgië zou terugkeren.

De rechtbank heeft niet onderkend dat de staatssecretaris bij de door hem gemaakte belangenafweging deugdelijk gemotiveerd heeft betrokken of een 'certain degree of hardship' bestaat door mogelijk schadelijke effecten voor het gezin en met name voor de dochter, als de vreemdeling met of zonder haar gezin terugkeert naar Georgië. Hierbij heeft hij zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat een 'fair balance' tussen de door de vreemdeling aangevoerde belangen en het Nederlands algemeen belang in het nadeel van de vreemdeling uitvalt.

De grief slaagt. Het hoger beroep is gegrond.
RvS 202001482/1/V1, 26.8.20
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2020:2056

Rb: nader onderzoek nodig voor vrijstelling mvv voor verblijf zorgende vader bij ziek stiefkind

Eiser beoogt verblijf bij partner, stiefzoon en zoon. Eiser is nimmer in het bezit geweest van een verblijfsvergunning en stelt dat sprake is van 'exceptional circumstances' die maken dat verblijf in Nederland noodzakelijk is. Eiser heeft zijn stiefzoon (A) erkend. A heeft het Prader-Will syndroom (PWS) en kan niet naar Ghana.

De rb stelt vast dat onbetwist is dat tussen eiser, zijn partner en beide minderjarige kinderen sprake is van gezinsleven dat is aangegaan tijdens illegaal verblijf van eiser in Nederland. Partijen zijn het oneens of sprake is van dergelijke uitzonderlijke omstandigheden, waardoor de belangenafweging in het voordeel van eiser dient uit te vallen. Uit de overgelegde verklaringen blijkt dat eiser nauw betrokken is bij het gezin en veel hulp biedt.

Voor wat betreft het scenario dat het gezin in Nederland achterblijft nadat eiser naar Ghana vertrekt is de rb van oordeel dat de algemene overweging van verweerder onvoldoende is om het besluit op dit punt te dragen. Verweerder heeft dit scenario niet daadwerkelijk onderzocht. Met de overweging, dat bij vertrek van eiser naar Ghana de situatie net zo zal zijn als voor zijn komst in het gezin, miskent verweerder dat er sinds zijn komst meerdere jaren zijn verstreken, eiser blijkens diverse verklaringen al jaren voor A zorgt en sindsdien ook het jongste kind is geboren. Met het verstrijken van de jaren is de situatie van gewijzigd - hij is immers ouder geworden en behoeft andere, op sommige punten intensievere zorg - en is de rol van eiser in het gezin als gevolg daarvan ook anders geworden. Niet onderzocht is of en op welke manier Nederlandse instellingen deze zorg voor over zouden kunnen nemen en hoe de belangen van- en de rest van het gezin zich hiertoe verhouden. Ook is onduidelijk op basis waarvan verweerder tot de conclusie is gekomen dat de dagelijkse omgang tussen eiser en de kinderen niet is aangetoond, nu uit de overgelegde verklaringen juist het tegendeel blijkt. Reeds hierom heeft verweerder niet alle relevante feiten en omstandigheden kenbaar in de belangenafweging betrokken.

Voor wat betreft het tweede scenario – dat het hele gezin gezamenlijk naar Ghana vertrekt – overweegt de rb dat verweerder met de BMA-informatie voldoende heeft onderbouwd dat behandeling en scholing in Ghana voor kinderen met PWS beschikbaar is. Dit betekent echter niet dat verweerder met de vaststelling van de theoretische beschikbaarheid van medicatie, behandeling en onderwijs kon volstaan. Gelet op het feit dat A veel zorg en begeleiding nodig heeft, hetgeen eiser heeft onderbouwd, had het op de weg van verweerder gelegen om nader onderzoek te doen naar de implicaties van vertrek naar Ghana. Er is geen medisch advies ingewonnen bij het BMA om te beoordelen wat de gevolgen van een vertrek naar Ghana voor A zouden zijn, terwijl de behandelaars aangeven dat zij denken dat deze gevolgen verstrekkend zouden zijn.
Beroep gegrond.

Rb Amsterdam, AWB 19/9966, AWB 19/9967, 13.8.20

RvS: voor intrekken partnervergunning bij openbare orde problemen voldoet individuele toets

In deze uitspraak is de vraag aan de orde welke vereisten volgens het arrest G.S. gelden voor de intrekking of weigering van verlenging van een verblijfstitel van een gezinslid om redenen van openbare orde, als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn.

Gelet op de overwegingen van het Hof, betoogt de vreemdeling in hoger beroep tevergeefs dat de rechtbank niet heeft onderkend dat bij de intrekking of weigering van verlenging van de geldigheidsduur van een verblijfstitel van een gezinslid om redenen van openbare orde, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn moet worden beoordeeld of de persoonlijke gedragingen van de desbetreffende vreemdeling een daadwerkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormen. Daarnaast voert de vreemdeling in reactie op het arrest G.S. tevergeefs aan dat niet wordt voldaan aan de vereisten waaronder volgens het Hof een verblijfstitel van een gezinslid kan worden ingetrokken of verlenging van de geldigheidsduur daarvan kan worden geweigerd om redenen van openbare orde. Uit het arrest G.S. volgt dat artikel 6, tweede lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn zich niet verzet tegen toepassing van de glijdende schaal, zolang uit de motivering van de beslissing van de staatssecretaris blijkt dat is voldaan aan het evenredigheidsbeginsel en dat de staatssecretaris daarbij een individuele beoordeling heeft verricht, bedoeld in artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn.

De staatssecretaris heeft deugdelijk gemotiveerd dat aan het in punt 64 van het arrest G.S. vermelde evenredigheidsbeginsel is voldaan. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de staatssecretaris in de besluiten in aanmerking heeft genomen dat de vreemdeling is veroordeeld voor betrokkenheid bij smokkel van harddrugs, bestaande uit meerdere drugstransporten, en daarbij heeft gemotiveerd dat dat strafbare feit een bijzonder ernstig karakter heeft wegens de verwoestende invloed van drugs op de samenleving. Dat de staatssecretaris die motivering heeft gegeven bij de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM en niet in het kader van de Gezinsherenigingsrichtlijn, neemt niet weg dat de inhoud van die motivering deugdelijk is. Daarnaast is de staatssecretaris in de besluiten in het kader van artikel 8 van het EVRM ingegaan op de aard en hechtheid van de gezinsband en de duur van het verblijf van de vreemdeling, alsmede het bestaan van familiebanden of culturele of sociale banden met het land van herkomst. De staatssecretaris heeft daarmee een individuele beoordeling in de zin van artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn gemaakt, bedoeld in punt 68 van het arrest G.S. De vreemdeling voert in reactie op dat arrest niet aan welke omstandigheden de staatssecretaris daarbij niet zou hebben betrokken waardoor die individuele beoordeling niet zou voldoen aan artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn.

De grief faalt. Het hoger beroep is gegrond.
RvS 201701883/2/V1, 2.9.20
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2020:2068

Rb: iMMO rapport in Hasa bewijst alsnog dat de asielzoekster eerder niet kon verklaren

De rechtbank is van oordeel dat in het iMMO-rapport op concludente en inzichtelijke wijze is gesteld dat de psychische problematiek van eiseres ten tijde van de gehoren zeer waarschijnlijk interfereerde met haar vermogen om consistent en coherent te verklaren. Het iMMO-rapport voldoet naar het oordeel van de rechtbank bovendien ook aan het onderdelenvereiste. Uit het rapport kan in ieder geval worden afgeleid dat de psychische beperkingen zeer waarschijnlijk hebben geïnterfereerd met het vermogen om compleet, coherent en consistent te verklaren over de traumatische gebeurtenissen die eiseres heeft meegemaakt. Hiermee is naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan het onderdelenvereiste zoals gesteld door de Afdeling. Dat verweerder tijdens de gehoren rekening heeft gehouden met de beperkingen van eiseres leidt niet tot het oordeel dat eiseres (dus) consistent, compleet en coherent heeft kunnen verklaren. Dat er voldoende voorzorgsmaatregelen zijn genomen, maakt wellicht dat verweerder zorgvuldig heeft gehandeld tijdens het horen, maar betekent nog niet dat eiseres ook compleet, coherent en consistent heeft kunnen verklaren.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat het relaas van eiseres (met betrekking tot de traumatische ervaring) enkel op hoofdlijnen ongeloofwaardig is bevonden. Aan eiseres is immers (onder andere) tegengeworpen dat zij niet heeft kunnen verklaren welke leuzen en of logo’s zijn gebruikt tijdens de demonstratie en niet de namen kent van andere mensen die zouden zijn opgepakt. Hieruit volgt dat verweerder, anders dat hij thans stelt, van eiseres verwacht dat zij details kan verstrekken. Daartoe was zij blijkens het iMMO-rapport echter (zeer waarschijnlijk) niet in staat.

Daar komt nog bij dat uit het onderzoek van iMMO naar voren is gekomen dat de psychische problematiek van eiseres ‘typerend’ is voor het gestelde asielrelaas. Nu eiseres voorts ook heeft gewezen op algemene landeninformatie over Soedan in de periode van haar asielrelaas, heeft verweerder niet voldoende gemotiveerd waarom hij het asielrelaas van eiseres nog steeds ongeloofwaardig acht. De beroepsgrond slaagt. Beroep gegrond.

Rb Haarlem NL19.8640, 1.7.20
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2020:8865

Rb: geen Dublinoverdracht Polen want afhankelijk van zoon in NL

De rechtbank heeft eerder al uitdrukkelijk en zonder voorbehoud geoordeeld dat onder artikel 16 van de Dublinverordening niet alleen valt mantelzorg die essentieel is voor het welslagen van een medische behandeling, maar ook niet essentiële hulp en ondersteuning (waaronder mantelzorg). Verweerder had moeten betrekken dat eiseres en haar zoon (bij wie zij nu inwoont) ook in Syrië samenleefden, dat zij door oorlogsgeweld van elkaar zijn gescheiden, dat deze zoon hier al enige jaren een asielvergunning heeft en de omstandigheid dat eiseres jaren in Syrië met haar zoon heeft gewoond, aldus de rechtbank. Ook dit onderdeel staat in rechte vast. Verweerder heeft deze aanknopingspunten voor de toepassing van artikel 16 van de Dublinverordening dan ook ten onrechte expliciet buiten beschouwing gelaten in zijn beoordeling.

De rechtbank is verder van oordeel dat uit de (tekst van) artikel 16 van de Dublinverordening noch uit artikel 11 van de Uitvoeringsverordening (nr. 1560/2003) blijkt dat een (doorslaggevend) criterium voor het aannemen van afhankelijkheid van een ouder van de hulp van een kind is dat de hulp exclusief moet zijn. De rechtbank is bekend met jurisprudentie van de Afdeling waarin de Afdeling dat criterium wel volgt. Uit de Afdelingsjurisprudentie kan de rechtbank niet opmaken wat de grondslag is voor dat oordeel. Uit andere Afdelingsjurisprudentie maakt de rechtbank echter ook op dat de exclusiviteit van de hulp die wordt geboden, niet altijd doorslaggevend kan zijn en de rechtbank acht die jurisprudentie van toepassing op de onderhavige zaak.Gelet op het BMA-advies is in dit geval namelijk niet meer in geschil dat de mantelzorg voor wat betreft het stimuleren van het innemen van medicatie noodzakelijk is voor het welslagen van de behandeling. Als zij de medicatie niet inneemt, zal zij opgenomen worden door de crisisdienst en zal ambulante behandeling dus niet meer mogelijk zijn. Het BMA heeft ook vastgesteld dat de fysieke overdracht noodzakelijk is wegens de suïcidaliteit wanneer ze gescheiden wordt van haar kinderen en wegens het gegeven dat ze voor inname van medicatie afhankelijk is van mantelzorg. De psychiater in de kliniek kan volgens BMA dan beoordelen wat er verder dient te gebeuren. Ook uit dat onderdeel van de BMA-nota blijkt dus dat een opname in een kliniek (in ieder geval de eerste periode na overdracht) geïndiceerd is. Zorg tijdens een - gedwongen - opname kan zoals de Afdeling ook stelt in de aangehaalde jurisprudentie niet worden aangemerkt als een aanvaardbaar alternatief voor de zorg door de kinderen die een ambulante situatie mogelijk maakt. Bij dit alles is ook nog van belang dat de mantelzorg ook inhoudt de praktische en mentale ondersteuning in het dagelijks leven van eiseres. De rechtbank wijst hiertoe nog uitdrukkelijk op de verklaring van de psychiater van eiseres van 2 augustus 2019 waaruit blijkt dat het risico op suïcidaliteit bij eiseres zo laag is vanwege de zorg door haar familie. In die verklaring staat ook dat bij eiseres sprake is van slechte zelfzorg en dat de schoondochter zorgt dat eiseres eet, drinkt en haar medicatie inneemt, ook door gebruik van dwang.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder gelet op al het voorgaande vanwege de bestaande afhankelijkheidsrelatie tussen eiseres en haar kinderen, in het bijzonder de zoon bij wie zij inwoont, niet zonder nadere motivering of nader onderzoek kunnen afzien van toepassing van artikel 16, eerste lid, van de Dublinverordening. Dat eiseres bij aankomst in Polen direct toegang heeft tot medische zorg, dat Polen over haar problemen zal worden geïnformeerd, dat behandeling en (mantel)zorg ook in Polen beschikbaar is en dat eiseres zal worden begeleid door medische escorts, is onvoldoende voor een ander oordeel. Beroep gegrond.

Rb Haarlem NL20.14957, 3.9.20
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2020:8698

Rb: asielverzoek ziek statushoudersgezin Griekenland moet in NL inhoudelijk beoordeeld worden

Verder mag verweerder in het algemeen van statushouders verwachten dat zij bij voorkomende problemen klagen bij de autoriteiten. Bij een bijzonder kwetsbaar gezin ligt het echter op de weg van verweerder om te motiveren waarom zij niet in een situatie van deprivatie zullen terechtkomen. Naar het oordeel van de rechtbank dient verweerder daarbij niet alleen de juridische maar ook feitelijke situatie te onderzoeken en na te gaan in hoeverre succesvol geklaagd kan worden, en of dit bijzonder kwetsbare gezin daartoe in staat zal zijn. Daarbij dient verweerder de algemene informatie te betrekken, maar ook de verklaringen van eisers zelf over hun eerdere ervaringen en pogingen daartoe. Hiervan heeft verweerder onvoldoende rekenschap gegeven.

De aanvragen zijn ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.
Rb Haarlem NL20.14330 en NL20.14332, 3.9.20
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2020:8696

Rb: wel Dublinoverdracht Frankrijk ondanks uitspraak EVRM over opvang

Uit de dossierstukken blijkt dat eiser in Frankrijk meerdere verzoeken om internationale bescherming heeft kunnen indienen, waarop ook een beslissing is genomen. Tevens heeft hij rechtsbijstand gehad en rechtsmiddelen kunnen instellen en heeft hij gedurende twee jaren opvang genoten. Verder heeft hij verklaard de gehele periode in Frankrijk medische zorg te hebben ontvangen. Ook uit de door eiser in beroep overgelegde stukken uit de Franse asielprocedure blijkt niet dat de Franse autoriteiten zich destijds niet aan hun internationale verplichtingen hebben gehouden.

Het arrest van het EHRM van 2 juli 2020 in de zaak N.H. e.a. tegen Frankrijk maakt het voorgaande niet anders. Dit arrest gaat over vier alleenstaande mannen, geen Dublinclaimanten, die in 2013 en 2014 asiel in Frankrijk wilden vragen. Tussen hun verzoek om geregistreerd te worden als asielzoeker en de daadwerkelijke registratie zat enkele maanden in plaats van de destijds geldende wettelijke termijn van vijftien dagen. In de tussengelegen periode konden de mannen geen aanspraak maken op opvang en andere verstrekkingen omdat zij niet de status hadden van asielzoeker. Het EHRM heeft geoordeeld dat die situatie, in drie van de vier gevallen, strijdig was met artikel 3 van het EVRM.

De situatie van eiser is echter niet vergelijkbaar met de situatie in de uitspraak van 2 juli 2020, alleen al omdat eiser een Dublinclaimant is en Frankrijk zich verantwoordelijk heeft gesteld voor het in behandeling nemen van zijn asielverzoek. De uitspraak betreft ook niet de actuele situatie in Frankrijk, maar gaat over de periode 2013-2015....

Verweerder heeft zich daarom met een beroep op het interstatelijk vertrouwensbeginsel op het standpunt mogen stellen dat ervan kan worden uitgegaan dat Frankrijk de internationale verplichtingen nakomt. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Rb Zwolle NL20.11249, 3.9.20
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2020:8683

Rb: COa kan niet zelfstandig beslissen over opvang op grond van onmenselijke situatie

Op grond van artikel 3, derde lid, aanhef en onder h, van de Rva heeft eiseres recht op opvang en verstrekkingen als zij rechtmatig in Nederland verblijft, als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder f of h, van de Vw 2000, en zich, naar het oordeel van de staatssecretaris, feitelijk in dezelfde situatie bevindt als bedoeld in artikel 64 van de Vw 2000. Aan verweerder is niet in algemene zin de taak en bevoegdheid opgedragen vreemdelingen die zulks behoeven, opvang te verlenen. Uitsluitend in de gevallen voorzien in de Rva kunnen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen jegens verweerder aanspraak maken op verstrekkingen.

Het beroep van eiseres op artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) slaagt daarom niet. Een onrechtmatig in Nederland verblijvende vreemdeling die geen aanspraak heeft op voorzieningen van verweerder en die meent op grond van een op Nederland rustende verdragsrechtelijke verplichting aanspraak te hebben op opvang, dient zich te wenden tot de staatssecretaris. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 4 februari 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:722). Verweerder is niet bevoegd om een beslissing te nemen namens de staatssecretaris. Nu voor toepassing van artikel 3, derde lid, aanhef en onder h, van de Rva een oordeel van de staatssecretaris nodig is en er geen positief oordeel is, kan verweerder niet anders dan concluderen dat eiseres niet voldoet aan de vereisten.

Rb den Haag AWB - 19 / 10167, 10.8.20
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2020:7590

Pagina's