Nieuws

Rb: wel presentatie mogelijk tijdens beroepsfase, tenzij problemen met autoriteiten gesteld

Het belang van de wetgever om terugkeer spoedig te kunnen laten plaatsvinden in het geval de negatieve beslissing in de rechterlijke procedure wordt bevestigd, acht de voorzieningenrechter redelijk. De voorzieningenrechter acht het ook niet zonder meer in strijd met het recht op een effectief rechtsmiddel, dat gedurende de (beroeps-)fase waarin de terugkeerverplichting is opgeschort, van een vreemdeling wordt verlangd medewerking te verlenen aan de voorbereiding van de terugkeer.

Dit laat evenwel onverlet dat zich omstandigheden kunnen voordoen waarin het vorderen van medewerking aan de voorbereiding van de terugkeer een potentieel ernstige aantasting betekent van de aan een verzoeker om internationale bescherming toekomende rechten. Dit doet zich voor in het geval een vreemdeling die stelt in het land van herkomst in een negatieve belangstelling te hebben gestaan van de autoriteiten, gedurende de beroepsfase gehouden zou zijn in contact te treden met (de vertegenwoordiging van) deze autoriteiten.

Een dergelijke situatie doet zich in het geval van verzoekers echter niet voor. Daarnaast zijn verzoekers niet gehouden om inlichtingen te verstrekken aan de Afghaanse vertegenwoordiging met betrekking tot de reden van hun verblijf in Nederland. Ook wijst verweerder er terecht op dat van een vertrek of uitzetting op dit moment geen sprake is. Het gaat enkel om voorbereidende handelingen.

Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat het bezwaar tegen de voorgenomen presentatie van verzoekers bij de Afghaanse ambassade geen redelijke kans van slagen heeft. Dit leidt ertoe dat de verzochte voorlopige voorziening zal worden afgewezen.

Rb Rotterdam vk19.1287, 5.3.19
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2019:2130

Rb: schrijnend ivm langdurig verblijf sinds minderjarigheid; overheid mede schuld aan lange procedure

Twee Chileense zussen hebben zich in 2002 met hun moeder bij hun vader gevoegd toen zij 5 en 8 jaar oud waren. Zij hebben meerdere aanvragen gedaan welke niet hebben geleid tot een verblijfsvergunning. De zussen verblijven niet meer bij hun ouders, maar bij hun rechtmatig in Nederland verblijvende tante.

De rechtbank neemt een zelfstandig besluit. De procedure van eiseres I loopt al vanaf september 2015. Dat is een lange tijd, zeker voor een jongvolwassene met ernstige psychische problemen. Dat deze problemen in bepaalde mate samenhangen met de duur van de verblijfsprocedure acht de Rb niet uitgesloten. Daarvoor biedt het door eiseressen overgelegde rapport van de RUG aanknopingspunten. O.g.v. een overtuigende weergave van de situatie door eiseres II acht de Rb ook aannemelijk dat een en ander psychologische gevolgen voor eiseres II heeft. Eiseressen hebben dus een groot belang bij een definitieve beslissing in deze beroepsprocedures.

De SvJ&V heeft al drie keer een gebrekkige beslissing op bezwaar op het besluit van eiseres I genomen. Bij het laatste besluit is dat zelfs gepaard gegaan met het niet in acht nemen van een uitspraak van de Rb. Dat doet geen recht aan het gerechtvaardigde belang van eiseressen om uitsluitsel te krijgen over hun verblijfspositie. Het is niet opportuun om verweerder een vierde keer op het bezwaar te laten beslissen. Hoewel dit anders ligt bij de zaak van eiseres II, is het niet in het belang van eiseressen om voor de afdoeningswijze een onderscheid te maken tussen beide zaken. De feiten en omstandigheden van de zaken vertonen bovendien zoveel overlap dat ook om die reden een zelfde uitspraak kan worden gedaan. De band tussen eiseressen wijst erop dat beslissingen in beide zaken elkaar over en weer beïnvloeden. Verder bieden de feiten en omstandigheden voldoende grond om thans zelf tot verlening van de door hen aangevraagde vergunningen over te gaan. Bovendien is de ruimte die verweerder nog heeft om tot een andere belangenafweging te komen, zeer beperkt.

Vast staat dat er sprake is van zeer sterke banden met Nederland die voor het leeuwendeel zijn ontwikkeld gedurende de minderjarigheid van eiseressen. Dat dit tijdens onrechtmatig verblijf is geweest mag hen niet worden tegengeworpen. Voor zover dit tijdens meerderjarigheid heeft voortgeduurd is van belang dat eiseressen hebben meegewerkt aan hun vertrekplicht. Daarmee komt hun langdurig verblijf in Nederland in de sfeer van de verantwoordelijkheid van de Nederlandse overheid. In ieder geval kan niet worden volstaan met de tegenwerping dat de banden die eiseressen met Nederland hebben inherent zijn aan langdurig verblijf. De Nederlandse overheid heeft immers ook een verantwoordelijkheid bij het waarnemen van zijn belangen bij handhaving van de vreemdelingenwetgeving. De banden die eiseressen met Chili hebben zijn verder beperkt sinds hun komt naar Nederland niet terug zijn geweest. Dat zij een basisniveau van Spaans beheersen en familie in Chili hebben, weegt niet op tegen de zeer sterke banden die zij met Nederland hebben. De belangenafweging dient in het voordeel van eiseressen uit te vallen.

Beroepen gegrond; verleent aan eiseressen verblijfsvergunningen onder de beperking 'humanitair niet-tijdelijk' met als duur vijf jaren, m.i.v. datum van deze uitspraak.

VK Rb Den Haag zp Amsterdam, AWB 18/6967, AWB 18/6968, AWB 18/4642, AWB 18/3286, 22.2.19

Rb: toegang tot medicijnen in Guinee onvoldoende gegarandeerd

De rechtbank is van oordeel dat in dit geval NL onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de beschikbaarheid en toegankelijkheid van de benodigde medicijnen. Eisers specifieke omstandigheden zijn nog niet concreet en specifiek betrokken bij de vraag of en zo ja in welke mate eiser daadwerkelijk toegang zal hebben tot de in Guinee beschikbare zorg.

Eisers relaas, waaronder de problemen met zijn familie, is geloofwaardig geacht en het is daarom zeer de vraag is of er in zijn situatie gesproken kan worden van een sociaal (familiaal) netwerk bij terugkeer naar Guinee. Eiser is inmiddels al een aantal jaren weg uit Guinee en hij heeft onweersproken gesteld dat hij sinds zijn vertrek ook geen contact meer heeft gehad met familie en kennissen en vrienden. Verweerder heeft geopperd dat zijn zus die daar nog woont mogelijk (financiele) hulp kan bieden bij terugkeer bij het verkrijgen van toegang tot medische zorg. Naar het oordeel van de rechtbank is dat een omstandigheid die meegenomen kan worden in het nadere onderzoek dat zal moeten gebeuren, maar vormt de enkele informatie dat er een zus is onvoldoende basis om uit te gaan van een sociaal en/offamiliaal netwerk in Guinee.

Daarnaast is ook de vraag of hij toegang zal hebben tot de in het BMA genoemde betaalde zorg en medicatie. Eiser heeft gesteld dat hij geen geld heeft en niet beschikt over vermogen - in welke vorm ook - in Guinee, Het land dat hij ooit bezat heeft hij verkocht om met de opbrengst daarvan naar Nederland te kunnen vluchten. Verweerder gaat er ondertussen vanuit dat eiser in staat is in Guinee te gaan werken om daar medicijnen te kunnen bekostigen. De rechtbank is met eiser van oordeel dat verweerder deze stelling niet zonder nadere motivering kan gebruiken teronderbouwing van zijn standpunt gelet op de ernstige psychische situatie van eiser zoals die blijkt uit de rapportages van BMA en zijn informatie van zijn psychiater. In dit verband acht de rechtbank ook nog van belang dat eiser -onweersproken- heeft gesteld dat hij alleen kan functioneren dankzij de steun en de hulp van een vriend met wie hij samenwoont en die hij ook zijn mantelzorger noemt. Uit het BMAadvies blijkt dat eisers medicijnen allemaal bij 'private facilities' beschikbaar zijn. In het licht van de specifieke omstandigheden van deze zaak roept dit de vraag op en in welke mate eiser tot deze medicatie daadwerkelijk toegang zal hebben.

Het ligt onder deze omstandigheden op de weg van verweerder om de gerezen twijfel over de (mate van) daadwerkelijke toegang voor eiser tot de medische zorg in Guinee weg te nemen. Het EHRM spreekt in het arrest Paposhvili van een nauwkeurig onderzoek ('close scrutiny') in het licht van de algemene situatie en de persoonlijke omstandigheden. Het is dus aan verweerder om, zo nodig met behulp van het BMA, na te gaan of eiser, in het licht van de specifieke individuele omstandigheden van deze zaak, daadwerkelijk toegang heeft tot de voor hem noodzakelijke zorg. Daarbij dienen ook de kosten van zorg (medicatie en behandeling) en de afwezigheid van een sociaal en/of familiaal netwerk te worden betrokken.

De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vemietigt het betreden besluit.
Rb Haarlem AWB 18/7401 (beroep) AWB 18/7402 (voorlopige voorziening), 6.3.19

RvS: geen bescherming tegen eerwraak mogelijk in Irak

De staatssecretaris stelt dat het asielrelaas geloofwaardig is, maar dat de problemen met zijn schoonfamilie onvoldoende zwaarwegend zijn. Volgens de staatssecretaris heeft de vreemdeling voor zijn vertrek uit Irak onvoldoende inspanningen verricht om de bescherming in te roepen van de Iraakse (hogere) autoriteiten of van zijn stam. Ter zitting heeft de staatssecretaris meer specifiek verwezen naar het algemeen ambtsbericht inzake Irak van 2016 en 2013, waaruit blijkt dat eermoord strafbaar is en strafrechtelijk wordt vervolgd.

De rechtbank overweegt dat de staatssecretaris niet nader heeft aangegeven uit welke passages uit het ambtsbericht blijkt dat de vreemdeling de bescherming van de autoriteiten kan verkrijgen. Dat eermoord strafbaar is en strafrechtelijk wordt vervolgd biedt onvoldoende grond om vast te stellen dat de vreemdeling ten aanzien van de problemen met zijn schoonfamilie de bescherming van de autoriteiten kan worden geboden. Daarbij is van belang dat uit het landenbeleid volgt dat de IND voor de vreemdeling afkomstig uit Centraal en Zuid-frak in beginsel aanneemt dat het niet mogelijk is de bescherming te verkrijgen van de autoriteiten of Internationale organisaties in Centraal en Zuid-Irak. De staatssecretaris stelt dat dit beleid ziet op bescherming ten aanzien van oorlogsgeweld. Daarmee is niet gezegd dat het niet mogelijk is voor de autoriteiten om bescherming te bieden in "gewone" conflictsituaties. Dit zou ook blijken uit de woorden 'in beginsel' zoals opgenomen in dit beleid. De rechtbank oordeelt dat dit gemaakte onderscheid niet volgt uit het beleid. Ook anderszins zijn voor een dergelijk onderscheid geen aanknopingspunten te vinden.

Voor zover de staatssecretaris stelt dat de vreemdeling zich tot zijn stam kan wenden voor bescherming, oordeelt de rechtbank dat onvoldoende is gemotiveerd dat in het algemeen een stam een gelijke bescherming kan bieden als de autoriteiten. Uit die verwijzingen blijkt immers niet meer dan dat tribale geschil-beslechting voorkomt. Niet blijkt dat de bescherming van de tribale geschilbeslechting gelijkgesteld dient te worden met de bescherming van de autoriteiten. Reeds hierom is de motivering ontoereikend.

Rb. Den Haag, NL17.8385, 23.2.18
HB Staatssecretaris ongegrond: ABRvS, 201802473/1, 26.2.19

RvS: Koerdische moslims uit Centraal-Irak kunnen zich niet altijd vestigen in de KAR

Op 12 augustus 2014 heeft de vreemdeling deze (vierde) aanvraag ingediend. Vervolgens gold tot 15 oktober 2015 een besluit- en vertrekmoratorium voor Iraakse asielzoekers afkomstig van de provincie Bagdad, Anbar, Nimewa, Salahedding, Ta’mim (Kirkuk), Diyala en Babil. Op grond van de Afdelingsuitspraak van 28 september 2017 is het beroep van de vreemdeling gegrond verklaard en is geoordeeld dat de staatssecretaris ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat de vreemdeling een vestigingsalternatief heeft in de Koerdische Autonome Regio (KAR).

De rechtbank overweegt dat de vreemdeling afkomstig is uit het district Makhmour. De staatssecretaris neemt voor asielzoekers uit Ninewa en Makhmour geen binnenlands vestigingsalternatief aan, tenzij er aanknopingspunten zijn op basis waarvan kan worden geconcludeerd of de vreemdeling zich in de KAR kan vestigen (paragraaf C7/13.5.2).

Tussen partijen is in geschil of de staatssecretaris zich op het standpunt heeft kunnen beroepen dat de vreemdeling een vestigingsalternatief heeft in de KAR. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de omstandigheden dat de vreemdeling een Koerdische moslim is die een Koerdische taal (Sorani) spreekt onvoldoende om als concrete aanknopingspunten voor een vestigingsalternatief te kunnen gelden. In casu is de vreemdeling niet geboren in de KAR, staat niet als inwoner geregistreerd in de KAR, is niet afkomstig uit het gebied dat de facto onder het bestuur van de Koeridische regionale overheid KRG staat en heeft geen familie in de KAR. De opsomming van aanknopingspunten is niet-limitatief, maar komt wel degelijk betekenis toe. Dat de vreemdeling een Koerdische moslim is en de Koerdische taal (Sorani) spreekt, zijn weliswaar juist maar onvoldoende om aan de vreemdeling een vestigingsalternatief tegen te werpen. De staatssecretaris heeft niet onderbouwd dat alle Koerden uit Centraal-Irak die een Koerdische taal spreken zich in de KAR kunnen vestigen. Het besluit wordt vernietigd.

Rb Groningen, NL18.7114 en NL18.7115, 25.5.18
HB Staatssecretaris ongegrond: ABRvS, 201804608/1, 26.2.19

RvS: veiligheidssituatie in Burundi verslechterd tov ambtsbericht, mogelijk risico oppositie

De vreemdeling voert aan dat de veiligheidssituatie in Burundi is verslechterd, met name in de regio waaruit hij afkomstig is. Hij is lid van de politieke partij MSD en om die reden heeft hij te vrezen voor vervolging. Hij was ook betrokken bij demonstraties in Nederland tegen de machthebbers in Burundi.

Het standpunt van de staatssecretaris dat de deelname aan de demonstraties niet kan afdoen aan het eerdere afwijzende besluit, omdat de vreemdeling zich bij de demonstraties onvoldoende heeft onderscheiden van andere deelnemers en er geen reactie is gekomen van de kant van de Burundese autoriteiten, acht de rechtbank onvoldoende. Weliswaar blijkt het uit beleid zoals is neergelegd in WBV 2014/6 dat slechts journalisten, oppositieleden en personen die een significante rol spelen in het maatschappelijk middenveld, als risicogroepen worden aangemerkt, maar nu dit beleid is gebaseerd op het algemeen ambtsbericht inzake Burundi dat op de periode april 2015 tot eind 2016 ziet, en de informatie die de vreemdeling op dit punt heeft ingebracht van recentere datum is, kan de staatssecretaris niet, voor zover hij dat ter zitting heeft gedaan, volstaan met een verwijzing daarnaar. De staatssecretaris is daarbij ten onrechte niet (voldoende gemotiveerd) ingegaan op de stukken die door de vreemdeling zijn ingebracht, zoals het e-mailbericht waarin wordt aangegeven dat demonstraties tegen het bewind nauwlettend in de gaten worden gehouden door de autoriteiten.

Verder acht de rechtbank de argumenten van de staatssecretaris dat de vreemdeling zijn eerdere relaas ongeloofwaardig is geacht en hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij ten tijde van vertrek uit zijn land in de negatieve aandacht heeft gestaan, niet steekhoudend in dit verband. De vreemdeling kan immers, door activiteiten in Nederland, bij terugkeer alsnog de negatieve aandacht op zich vestigen.

De rechtbank is tevens van oordeel dat de staatssecretaris ook ten aanzien van de door de vreemdeling ingebrachte stukken die betrekking hebben op de veiligheidssituatie van Tutsi´s in de regio Gihanga, alsmede van terugkeerders uit het Westen, zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat ten aanzien daarvan geen sprake is van nieuwe elementen of bevindingen. De vreemdeling heeft heeft in de zienswijze en beroep informatie ingebracht die dateert van ná de verslagperiode van het algemeen ambtsbericht inzake Burundi april 2015 tot eind 2016.

De staatssecretaris moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak.

Rechtbank Haarlem, NL.17.5894 en NL17.8827, 17.10.17
HB Staatssecretaris ongegrond: ABRvS, 201708500/1/V3, 22.2.19

RvS: vestigingsalternatief Kabul voor ontheemden onderzoeken

De vreemdeling heeft vanaf omstreeks 2010/2011 tot aan zijn vertrek uit zijn land van herkomst in het leger gediend. Zijn familie werd in zijn woonplaats vanwege zijn werkzaamheden in het leger lastig gevallen door de Taliban, die op zoek waren naar de vreemdeling.

De staatssecretaris wijst de aanvraag af omdat de vreemdeling een vestigingsalternatief heeft in Kabul. De vreemdeling stelt dat de staatssecretaris hem ten onrechte een vestigingsalternatief in Kabul heeft tegengeworpen. Daartoe voert hij aan dat de algehele veiligheidssituatie in Kabul dat niet toelaat, dat Taliban de vreemdeling daar kunnen traceren, dat er voor terugkeerders geen werk en onderdak is en dat er geen leden van zijn clan in Kabul leven.

Nassar het oordeel van de rechter heeft de staatssecretaris onvoldoende gemotiveerd dat van de vreemdeling, die bij terugkeer als binnenlands ontheemde moet worden aangemerkt, redelijkerwijs kan worden verwacht dat hij zich in Kabul vestigt. de rapporten volgt dat sprake is van een gebrek aan basisbehoeften als voedsel, water, huisvesting en gezondheidszorg en de situatie kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet meer worden beoordeeld als “omstandigheden die naar plaatselijke maatstaven gemeten als normaal zijn aan te merken”, als bedoeld in C2/3.4 Vc. De staatssecretaris heeft zijn standpunt, dat Kabul voor de vreemdeling als vestigingsalternatief kan gelden onvoldoende gemotiveerd.

Rb Rotterdam, NL17.3419, 6.3.18
HB Staatssecretaris ongegrond: RvS, 201802790/1, 25.2.19

RvS: belang kind altijd meewegen

De rechtbank overwoog dat de staatssecretaris in zowel het voornemen als in het bestreden besluit geen expliciete overwegingen heeft gewijd aan een afweging van de belangen van de vreemdeling als minderjarige. Wel is in het voornemen in algemene zin overwogen dat bij de inrichting van beleid de belangen van het kind een eerste afweging zijn geweest maar niet is uitgewerkt waaruit dat blijkt en evenmin is vermeld hoe in dit concrete geval de belangen van de vreemdeling zijn gewogen. De staatssecretaris heeft toegelicht dat de vraag of de vreemdeling bij terugkeer opvang zal kunnen krijgen niet aan de orde is in deze procedure, maar eerst aan de orde kan komen op het moment dat de staatssecretaris tot uitzettingshandelingen zal overgaan. Dat doet echter niet af aan de verplichting van de staatssecretaris om ook in de asielprocedure de belangen van het kind mee te wegen. Artikel 3 IVRK verplicht immers om dat te doen in alle maatregelen betreffende kinderen.

Rb Zwolle, NL18.13128, 1.8.18
HB Staatssecretaris ongegrond: RvS 201806572/1/V2, 25.2.19

RvS: christelijke opvoeding zoon is risico bij terugkeer gescheiden Iraanse moeder

De vreemdeling heeft aan de opvolgende aanvraag ten grondslag gelegd dat zij is bekeerd tot het christendom. (...) Met betrekking tot de christelijke opvoeding van de zoon van de vreemdeling overweegt de rechtbank dat in rechte vast is komen te staan dat de bekering naar het christendom van de vreemdeling ongeloofwaardig is. Dat het feit dat de zoon naar een christelijke school en kerk gaat het gevolg is van de keuzes van de vreemdeling, doet er niet aan af dat de zoon feitelijk naar deze kerk en school gaat en daar actief meedoet en betrokkenheid toont. De opvoeding is, anders dan de staatssecretaris gesteld heeft, niet beperkt tot de huiselijke kring maar omvat ook het school- en kerkbezoek. De staatssecretaris heeft onvoldoende gemotiveerd waarom hier geen gewicht aan wordt toegekend. Het lag op zijn weg om te motiveren waarom het school- en kerkbezoek van de zoon en diens eigen geloofsbelevenis voor de staatssecretaris niet maken dat hij geen onoverkomelijke aanpassingsproblemen zal ondervinden bij terugkeer naar Iran.

Met betrekking tot de mogelijkheid een Iraans paspoort of Shenasnameh te verkrijgen voor de zoon oordeelt de rechtbank dat de staatssecretaris onvoldoende duidelijk heeft onderbouwd dat de vreemdeling zonder medewerking van haar ex-echtgenoot een Iraans paspoort voor haar zoon kan aanvragen. Over de opvoeding van de zoon in Iran oordeelt de rechtbank dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat er een reëel risico bestaat dat de ex-echtgenoot in Iran het verzorgingsrecht zal opeisen. Wel heeft de staatssecretaris onvoldoende gemotiveerd waarom de vreemdeling niet wordt gevoegd in haar standpunt dat naar Iraans recht zij geen gezag over haar zoon kan verkrijgen. De rechtbank vernietigt het besluit.

Rb Utrecht, NL18.6885, 7.5.18
vovo Staatssecretaris afgewezen : RvS 201804056/2/V2, 22.6.18
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2018:2090
HB Staatssecretaris afgewezen: ABRvS, 201804056/1, 22.2.19

CJEU: fraude kan een reden zijn voor intrekken status gezinslid of EU-langdurig verblijf

Tjhe Court of Justice decided about the possibility to withdraw a residence permit granted under Directive 2003/86 (Gezinsleven) and Directive 2003/109 (EU-langdurig verblijf) if the issued permit was based on the applicant's fraudulent data.

The Court first noted that the mere use of the falsified documents is sufficient for withdrawal of a residence permit, without also requiring intention or knowledge. It further noted that such an approach is even more possible where the sponsor had committed the fraud, given the latter's central role in the system established by that Directive.

It noted, however, that the Directive requires the respect of family unity, as enshrined in the European Convention on Human Rights and the Charter of Fundamental Rights of the EU. Consequently, the national authorities have to undertake an individual assessment of the situation of the family members by making a balanced and reasonable assessment of all the interests in play. Concurring with the Advocate General, the Court further stated that those authorities must also consider the lack of responsibility of the family members that had no knowledge of the fraud.

On the question regarding the effect of fraud on long-term residence status, the Court referred to the prohibition of fraud as a general principle of EU law. Moreover, it observed that the extensive rights a long-term resident status entails make it important for Member States to be able to effectively address incidents of fraud. In this vein, the decisive element would be that the acquisition of the respective status was the result of fraud, regardless of whether that fraud was committed by the beneficiary of those rights, or whether it was known to that person.

The Court concluded that, where long-term resident status has been granted to third-country nationals on the basis of falsified documents, the fact that those nationals did not know of the fraudulent nature of those documents does not preclude the Member State concerned from withdrawing that status.

Judgment in case C-557/17, Y.Z. and others http://curia.europa.eu/juris/document/document.jsf?docid=211702&mode=req&pageIndex=1&dir=&occ=first&part=1&text=&doclang=EN&cid=4196677, 14.3.19
persbericht: https://curia.europa.eu/jcms/upload/docs/application/pdf/2019-03/cp190030en.pdf

Pagina's