Nieuws

RvS: intrekken voorzieningen asielzoeker mag niet als straf ingezet worden

In de eerste grief betoogt de asielzoeker dat uit het arrest van het Hof van Justitie van 12 november 2019, Haqbin, ECLI:EU:C:2019:956, volgt dat de strafmaatregelen die het COa aan hem heeft opgelegd in strijd zijn met artikel 20, vierde en vijfde lid, van de Opvangrichtlijn (PB 2013 L 180).

Zoals het Hof in het arrest Haqbin heeft overwogen, kan een lidstaat in geval van ernstige inbreuken op de regels van opvangcentra weliswaar maatregelen opleggen, maar daarbij kan een lidstaat niet overgaan tot, al was het maar tijdelijk, intrekking van alle materiële opvangvoorzieningen als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder f en g, van de Opvangrichtlijn. Een vreemdeling zou hiermee de mogelijkheid worden ontnomen om te voorzien in zijn meest elementaire behoeften, wat onverenigbaar is met het doel van de richtlijn te waarborgen dat de menselijke waardigheid ten volle wordt geëerbiedigd. Als lidstaten besluiten de materiële opvangvoorzieningen van een vreemdeling te beperken om een in artikel 20, vierde lid, van de Opvangrichtlijn bedoelde reden, moeten zij rekening houden met de in het vijfde lid van dat artikel genoemde vereisten, waarbij met name het evenredigheidsbeginsel en de menselijke waardigheid van belang zijn.

Gelet op deze overwegingen van het Hof slaagt de grief. Anders dan het COa als verweer heeft aangevoerd zien die overwegingen niet uitsluitend op minderjarige vreemdelingen. Wel stelt het Hof wegens de specifieke situatie van een minderjarige hogere eisen aan sancties die lidstaten aan een minderjarige opleggen. De rechtbank heeft dan ook niet onderkend dat de maatregelen waarbij het COa de materiële opvangvoorzieningen van de vreemdeling zonder stil te staan bij de waarborgen van artikel 20, vijfde lid, van de Opvangrichtlijn tijdelijk geheel heeft stopgezet, in strijd zijn met artikel 20, vierde en vijfde lid, van de Opvangrichtlijn.

Het hoger beroep is gegrond.
RvS 201908490/1/V1, 15.7.20
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2020:1622

Rb: schadevergoeding ivm te lange detentie want te weinig uitzettingshandelingen in coronatijd

De vreemdeling heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld en daarbij verzocht om een schadevergoeding. De vreemdeling stelt dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend te werk is gegaan en dat het zicht op uitzetting ontbreekt.
De rechtbank overweegt als volgt. Dat het vertrekgesprek op 4 maart niet kon plaatsvinden vanwege het coronavirus, leidt niet tot de conclusie dat de staatssecretaris vanaf die datum onvoldoende voortvarend handelde. Het betreft namelijk een uitzonderlijke situatie waarin de samenleving momenteel verkeert zodat de staatssecretaris logischerwijs diende te onderzoeken in welke vorm de vertrekgesprekken doorgang konden vinden. Op 10 april 2020 heeft vervolgens telefonisch een vertrekgesprek plaatsgevonden. Er is niet gebleken dat de staatssecretaris daarna heeft onderzocht welk uitzettingstraject wordt ingeslagen, noch dat hij naast het houden van een vertrekgesprek op 5 juni 2020 overige uitzettingshandelingen heeft verricht. Er is daarom vanaf 11 april 2020 onvoldoende voortvarend gehandeld, waardoor de maatregel vanaf die datum onrechtmatig was.

Van de vreemdeling kan echter wel worden verwacht dat hij zelf maatregelen neemt om de geleden schade te voorkomen of te beperken, bijvoorbeeld door het instellen van een beroep waarbij hij de rechtmatigheid van de vrijheidsontneming door de rechtbank kan laten toetsen en ook om schadevergoeding kan verzoeken. De schadevergoeding wordt gematigd met 50 procent, omdat de vreemdeling weigerachtig gedrag heeft vertoond en heeft nagelaten schadebeperkend te handelen, door niet eerder beroep in te stellen tegen de voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel. Er wordt een schadevergoeding tot een bedrag van €2.760,- toegekend.

Beroep gegrond.
Rb Den Haag, NL20.12140, 10.7.20

RvS: geen toelating buitenhuwelijkse kinderen Ghanees, persoonlijke banden niet aangetoond

De staatssecretaris heeft naar het oordeel van de Afdeling terecht aangevoerd dat de vereisten om gezinsleven aan te nemen cumulatief zijn (vgl. de uitspraken van de Afdeling van 26 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2580, en 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2366). Om in dit geval, waarbij de minderjarige vreemdelingen niet zijn geboren uit een huwelijk of een met een huwelijk op één lijn te stellen relatie, gezinsleven aan te nemen moet dus sprake zijn van biologisch of juridisch vaderschap én voldoende feitelijke invulling aan die onderlinge relatie worden gegeven.

De rechtbank heeft vooral van belang geacht dat referent tussen 2007 en 2018 zeer regelmatig geldbedragen aan de moeders van de vreemdelingen heeft overgemaakt onder vermelding van "family support". De staatssecretaris heeft zich echter terecht op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is gemaakt dat referent al vanaf de geboorte van de vreemdelingen financieel heeft bijgedragen en dat de bijdrages die hij heeft gedaan niet structureel waren. Zo hebben er bijvoorbeeld over de jaren 2013 en 2015 weinig betalingen plaatsgevonden. Bovendien volgt uit het gegeven dat referent geldbedragen heeft overgemaakt niet dat daadwerkelijk hechte persoonlijke banden bestaan, terwijl dat de essentie is van het bestaan van een gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM (zie de eerder genoemde uitspraak van de Afdeling van 18 juli 2018). Ook met de andere overgelegde stukken, in samenhang beschouwd met het voorgaande, zijn die banden niet aannemelijk gemaakt. Daarbij is vooral van belang dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat uit het feit dat referent herhaaldelijk naar Ghana is afgereisd niet volgt dat hij de vreemdelingen heeft bezocht en verzorgende en opvoedende taken op zich heeft genomen en ook dat de verklaringen van de moeders onder ede geen objectief bewijs zijn op grond waarvan moet worden aangenomen dat hij dat wel heeft gedaan.

De staatssecretaris heeft zich daarom, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat geen feitelijke invulling wordt gegeven aan het gestelde gezinsleven. Hij hoeft daarom geen onderzoek te doen naar de biologische band.

De grieven slagen.
RvS 201906100/1/V3, 15.7.20
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2020:1686

Rb: intrekken asielvergunning vanwege onjuiste info terecht, nieuw asielverzoek mogelijk

De staatssecretaris heeft de asielvergunningen van twee vreemdelingen ingetrokken vanwege het verstrekken van onjuiste informatie en tegelijkertijd uitzetting achterwege gelaten vanwege de aannemelijkheid dat zij bij terugkeer als alleenstaande Tamilvrouwen een reëel risico lopen op een behandeling in strijd met 3 EVRM.

De vreemdelingen stellen dat, alhoewel zij onjuiste gegevens hebben verstrekt, deze gegevens niet zouden hebben geleid tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag. Daarnaast voeren zij aan dat verweerder hen ten onrechte heeft verwezen naar Ter Apel, nu al voor de bestreden besluiten de personalia van de vreemdelingen in het BRP waren gecorrigeerd. Voorts voeren zij aan dat in redelijkheid van intrekking van de verleende verblijfsvergunningen moet worden afgezien.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de staatssecretaris bij de intrekkingen voldaan aan de lijn die volgt uit verschillende Afdelingsuitspraken (ECLI:NL:RVS:2013:BZ9020 en ECLI:NL:RVS:2018:66). Het is niet relevant of de vergunningen ook zouden zijn verleend als de vreemdelingen bij de aanvraag de juiste naam zouden hebben gebruikt of als de vreemdelingen hun personalia in de BRP hebben gewijzigd voordat de bestreden besluiten werden genomen. Ook oordeelt de rechtbank dat de staatssecretaris niet bij het intrekkingsbesluit moet beslissen over de verlening van een nieuwe asielvergunning. De vreemdeling zullen een nieuwe asielaanvraag moeten indienen, waarbij de rechtbank opmerkt dat zij deze nieuwe aanvraag aan zichzelf hebben te wijten en dit al veel eerder hadden kunnen indienen.

Tevens oordeelt de rechtbank dat de staatssecretaris zich niet ten onrechte op het standpunt stelt dat niet is gebleken van bijzondere feiten of omstandigheden die er toe leiden dat de verleende vergunningen niet zouden worden ingetrokken. Ondanks dat de vreemdelingen al langere tijd in Nederland verblijven en de procedure al langer loopt, moeten vreemdelingen die op basis van onjuiste informatie rechten verwerven, er rekening mee houden dat er op enig moment rechtsherstel kan plaatsvinden.

Beroepen gegrond.
Rb Arnhem, Sri Lanka, NL19.21864, NL19.21865 en NL19.21866, 17.7.20

Rb: risico eerwraak voor Irakese vrouw met buitenechtelijk kind van Koerd

Deze Irakese weduwe kreeg in Baghdad een relatie met een Koerd waaruit een kind is geboren. Haar asielaanvraag is afgewezen.

Volgens de rechtbank is niet meer in geschil dat er sprake is van een buitenechtelijk kind waarvan is komen vast te staan dat [voornaam vader] de biologische vader is. Ook is komen vast te staan dat eiseres haar gestelde relatie met [voornaam vader] aannemelijk heeft gemaakt. In dit verband verwijst de rechtbank naar pagina 58 van het algemeen ambtsbericht van 20 december 2019 inzake Irak waarin staat vermeld dat weduwen of gescheiden vrouwen in principe door hun (schoon)familie worden opgenomen. Op pagina 59 staat vermeld dat verstoting van vrouwen geen wijdverbreid fenomeen is, maar dat het kan voorkomen. Ook zijn er kleine aantallen vrouwen die er zelf voor kiezen om weg te lopen met de man van hun keuze. Afhankelijk van de familie en de stam van de vrouw kan dit in het uiterste geval – ook jaren later nog – leiden tot eerwraak. In het licht van voormeld ambtsbericht heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank eveneens onvoldoende gemotiveerd waarom eiseres bij terugkeer geen gevaar loopt vanwege haar relatie met [voornaam vader] en het buitenechtelijk kind dat daaruit is geboren.

Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. 
Rb Haarlem NL19.28253, 21.7.20
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2020:6894

Rb: Guineese overheid biedt geen bescherming bij gedwongen prostitutie

De vreemdeling heeft aan haar aanvraag tegen grondslag gelegd dat zij door haar moeder gedwongen werd om in de prostitutie te werken.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de staatssecretaris onvoldoende gemotiveerd dat de vreemdeling bescherming kan krijgen tegen de gedwongen prostitutie. Uit WBV 2015/8 blijkt dat vrouwen die vrezen voor geweldpleging geen bescherming kunnen ontvangen in Guinee. De staatssecretaris zal daarom nader moeten motiveren dat de verwijzing naar WBV 2015/8 niet toepasselijk is op de vreemdeling. Beroep gegrond.

Rb Haarlem, NL17.4393, 13.7.20

Rb: Gambiaanse overheid biedt mogelijk geen bescherming voor problemen in privesfeer

De staatssecretaris heeft geconcludeerd dat de verklaringen van de vreemdeling over zijn identiteit, nationaliteit en herkomst en de ondervonden problemen met zijn stiefvader geloofwaardig worden geacht. Echter, deze problemen leiden volgens de staatssecretaris niet tot de conclusie dat hij verdragsvluchteling is, nu deze problemen in de privé/familiesfeer vallen.

De rechtbank volgt de staatssecretaris niet en overweegt daartoe onder andere het volgende. In de besluitvorming had de staatssecretaris onder verwijzing naar recente, algemene bronnen nader moeten motiveren of de vreemdeling in zijn algemeenheid in Gambia bescherming kon/kan krijgen. Uit een eerdere uitspraak van deze zittingsplaats Utrecht blijkt dat dit opgaat, los van de leeftijd van de vreemdeling. Het vernietigde besluit kan ook om deze reden niet in stand blijven.

Rb Groningen NL20.4978, 24.6.20

CCPR: extramarital affair Afghan couple creates risk of inhuman and degrading treatment

R.M. and F.M. fled Afghanistan after having sexual relations outside of marriage and falling pregnant. A number of threats were made against the couple and the brother of R.M. was killed after helping the them escape the country. F.M. and R.M. arrived in Denmark in April and December 2012 respectively and applied for asylum immediately. The Refugee Appeals Board upheld the decision to reject their applications on the basis that, inter alia, their account was implausible and fabricated, and contained inconsistencies in respect of dates of events. The applicants argued that they would be exposed to a real risk of irreparable harm contrary to Articles 6 and 7 ICCPR. They argued, inter alia, that sexual intercourse outside of marriage is a criminal offence in Afghanistan and that their case was known as it had been discussed in Afghan media. Moreover, they argued that the F.M. suffered with poor mental health and had previously attempted suicide.
The Committee noted that even when a domestic authority identifies inconsistencies in an applicant's account, the test for the Committee is nevertheless to determine whether there are grounds for believing that the applicants would be exposed to a real risk of irreparable harm in the event of return. Indeed, it is uncontested that the applicants had an extramarital affair, and it was therefore incumbent on the State to carry out an individualised assessment of the risk in the event of return to Afghanistan. In this case, the Refugee Appeals Board had failed to adequately assess the real, personal and foreseeable risk that the applicants would be exposed to in the event of return. As such, the Committee concluded that the deportation of the applicants to Afghanistan would result in a violation of Articles 6 and 7 ICCPR.

CCPR, R.M. and F.M. v Denmark (No. 2685/2015) 17.7.20
http://docstore.ohchr.org/SelfServices/FilesHandler.ashx?enc=6QkG1d%2fPPRiCAqhKb7yhsjvfIjqiI84ZFd1DNP1S9EKV3EvLOGIXxKvb4seuASisY8aoikDQ%2bLkV1MGiukdrZMhTM%2b8Ud5BN1hCB7AENJkrojCtoCL3WPdavWihVYpt784UkkBtOnJYs5XOrnfaVgQ%3d%3d, 17.7.20

Rb: 18-mnd Dublin-termijn loopt door bij tussentijdse asielaanvraag in ander land

De staatssecretaris heeft de vreemdeling op 12 december 2019 geclaimd bij de Zwitserse autoriteiten en, nadat de Zwitserse autoriteiten het claimverzoek hadden afgewezen, op 19 december 2019 bij de autoriteiten van Italië. Omdat de autoriteiten van Italië niet tijdig op het claimverzoek hebben gereageerd, staat volgens de staatssecretaris sinds 20 februari 2020 de verantwoordelijkheid van Italië vast.

De rechtbank oordeelt als volgt. De toepasselijkheid van de Chain Rule volgt niet uit artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening III. Daarin is enkel bepaald dat de verantwoordelijkheid overgaat op de verzoekende lidstaat als de vreemdeling niet binnen de gestelde termijn van zes (of uiterlijk achttien) maanden wordt overgedragen, en daarin is geen ruimte gelegen voor een uitzondering als de vreemdeling zich naar een andere lidstaat begeeft. Ook uit artikel 29, eerste lid, van Dublinverordening III blijkt de toepasselijkheid van de Chain Rule niet. De rechtbank onderkent wel de onwenselijk effecten van het niet toepassen van de Chain Rule, maar ook door de door de staatssecretaris gewenste teleologische uitleg van artikel 29, eerste lid, van de Dublinverordening III kan de rechtbank de toepasselijkheid van de Chain Rule niet in dit artikellid teruglezen, in die zin dat de overdrachtstermijn voor de verzoekende lidstaat opnieuw begint op het moment dat de betrokkene zich in een andere lidstaat meldt.

Het voorgaande brengt met zich mee dat Nederland verantwoordelijk is geworden voor de asielaanvraag van de vreemdeling. Beroep gegrond.

Rb Den Bosch, NL20.6683, 14.7.20

Rb: bij Dublin-overname mag gescheiden uitzetting wel; en verlopen overdrachtstermijn geen novum

Uit de uitspraak van de Afdeling van 26 maart 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:BZ8704) blijkt dat verzoekster nieuwe feiten en omstandigheden moet aanvoeren ten opzichte van hetgeen zij tegen het besluit waaruit de bevoegdheid tot die uitzetting voortvloeit, heeft aangevoerd of had kunnen aanvoeren. Verzoekster had echter reeds ten tijde van het beroep bij de rechtbank dan wel in hoger beroep bij de Afdeling tegen de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, kunnen aanvoeren dat de termijn voor het indienen van een verzoek om overname door verweerder was overschreden. Daarom kan de vaststelling hiervan verzoekster helaas niet meer baten. De rechtszekerheid behoort immers tot de in het Unierecht erkende algemene beginselen (vgl. punt 24 van het arrest van het HvJ-EU in de zaak Kühne & Heitz N.V. van 13 januari 2004, ECLI:EU:C:2004:17).

Hoewel (de verantwoordelijkheid voor) het asielverzoek van de gestelde echtgenoot van verzoekster op zich een nieuwe omstandigheid is, raakt dit op zich de rechtmatigheid van de voorgenomen feitelijke uitzetting van verzoekster niet en is het in zoverre geen relevant novum in het geval van een overnamesituatie. Het in artikel 10 van de Dublinverordening vermelde verantwoordelijkheidscriterium heeft tot doel bij te dragen tot de bescherming van het hoger belang van het gezinsleven van de betrokkenen, die bovendien worden gewaarborgd door de artikelen 7 van het Handvest, maar in het geval van een overnamesituatie, waarin de verantwoordelijkheid voor de behandeling van het asielverzoek reeds op een eerder claimakkoord is komen vast te staan, volgt de voorzieningenrechter de vaste rechtspraak van de Afdeling (vgl. de uitspraak van de Afdeling van 23 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3224) waaruit niet valt op te maken dat de Dublinverordening zich er tegen verzet dat, zelfs in het geval van een aangetoond wettig en rechtsgeldig huwelijk, verzoekster en haar echtgenoot tijdens de asielprocedure van elkaar mogen worden gescheiden.

Rb den Bosch NL20.14588, 28.7.20
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2020:7167

Pagina's