Nieuws

SvJ&V: betere opvang en begeleiding amv’s nodig

In de rapporten van ABDTOPConsult en de inspecties belangrijke verbetermogelijkheden gesignaleerd voor de begeleiding van amv’s. Het is van belang dat amv’s op hun achttiende verjaardag goed voorbereid op hun toekomst de amv-opvang uitstromen, ongeacht of deze toekomst in het land van herkomst of Nederland ligt. In beide onderzoeken komt aan bod dat amv’s ook na hun achttiende verjaardag nog begeleiding nodig hebben die helpt bij hetzij integratie in Nederland, hetzij terugkeer naar het land van herkomst.

Het COA en Nidos zullen de komende twee maanden een plan van aanpak opstellen voor de aanbevelingen van de inspecties.

Kamerstuk 27062 nr. 107, 200.12.18
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-27062-107.html

ABDTOPConsult : Evaluatie nieuw opvangmodel alleenstaande minderjarige vreemdelingen: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/blg-868286.pdf

Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en de Inspectie Justitie en Veiligheid : Zelfstandig verder? De opvang en begeleiding van alleenstaande minderjarige vreemdelingen: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/blg-868287.pdf

WODC: Unaccompanied minor asylum seekers in the Netherlands: choice or chance?: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/blg-868285.pdf

Rb vovo : kwetsbaar persoon (blind) geen opvang bij kennelijk ongegronde tweede hasa

Overeenkomstig artikel 41, eerste lid, aanhef en onder b, van de Richtlijn 2013/32/EU is verweerder in het geval van een opvolgende asielaanvraag waarbij een eerdere opvolgende aanvraag als (kennelijk) ongegrond is afgewezen niet verplicht om de rechtsgevolgen van het besluit op te schorten en opvang aan verzoeker te verlenen gedurende de behandeling van het door hem ingediende beroepschrift.

Verzoeker heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende aangevoerd waarom het verzoek om een voorlopige voorziening moet worden toegewezen. De enkele stelling dat hij een kwetsbaar persoon is omdat hij volledig blind is, acht de voorzieningenrechter onvoldoende.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.
Rb den Haag NL18.23002, 30.11.18
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2018:14438

SvJ&V: wijzigingsvoorstel bewaring Dublinclaimanten

Wanneer sprake is van een Dublinclaimant met rechtmatig verblijf in afwachting van de feitelijke overdracht, die zich bevindt in een asielzoekerscentrum (azc), kan de staandehouding met het oog op inbewaringstelling niet langer worden gebaseerd op artikel 50 van de Vw 2000. Daarom wordt voor deze situatie noodgedwongen een tijdelijke, alternatieve werkwijze gehanteerd. Een dergelijke Dublinclaimant wordt uitgenodigd voor een gesprek met de aangewezen medewerker van de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V). De uitnodiging voor dit gesprek gaat gepaard met een vordering om medewerking te verlenen aan het gehoor in verband met de overdracht. Deze vordering wordt opgemaakt door AVIM (Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel) op grond van artikel 54 van de Vw 2000 te lezen in samenhang met artikel 4.38 van het Vreemdelingenbesluit 2000.

De betreffende vreemdelingen, na te zijn gehoord over de aanstaande inbewaringstelling, worden vervolgens op grond van een opgelegde maatregel van bewaring overgebracht naar de locatie waar de maatregel feitelijk ten uitvoer wordt gelegd. Wanneer de Dublinclaimant onverhoopt geen gehoor zou geven aan de vordering, dan pleegt hij een strafbaar feit en kan hij worden aangehouden.

Deze werkwijze kan niet worden gezien als een permanente oplossing, maar dient als een tijdelijke oplossing om invulling te blijven geven aan de Europese regelingen tot een meer structurele oplossing wordt bereikt met het onderhavige wetsvoorstel. Daarbij is tevens van belang dat de hoogste rechter nog geen uitspraak heeft gedaan over de rechtmatigheid van deze werkwijze....

Kamerstuk 35056 nr. 5, 19.12.18
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-35056-5.html

Rb: geen geld voor diabetesbehandeling in Irak, na 20jr in NL

Volgens verzoeker is de medische behandeling die hij nodig heeft niet voor hem toegankelijk. Voor de zitting heeft de gemachtigde van verzoeker stukken ingebracht die de medische noodzakelijke kosten inzichtelijk maken en waaruit blijkt dat verzoeker zich voor de kosten van de medische behandeling van zijn diabetes niet kan verzekeren in Irak, omdat de ziekte al bij hem gediagnosticeerd is. Dit zou betekenen dat verzoeker deze kosten contant moet betalen. Verzoeker heeft verder onbetwist gesteld dat hij al twintig jaar in Nederland is en sindsdien niet meer in Irak is geweest. Zijn familie in Irak is overleden. Ook heeft verzoeker verklaard dat hij geen inkomen en geen vermogen heeft. Deze omstandigheden in onderlinge samenhang beschouwd leiden volgens de voorzieningenrechter tot het oordeel dat verzoeker aannemelijk heeft gemaakt, dat voor hem een reëel risico is op schending van artikel 3 van het EVRM bij uitzetting naar Irak. Op grond van het arrest Paposhvili hoeft verzoeker immers geen ‘clear proof’ te leveren, maar moet hij voldoende aannemelijk maken dat hij niet in de kosten van de behandeling kan voorzien. Dat heeft verzoeker gedaan. Onder deze omstandigheden is het vervolgens aan verweerder om door middel van zorgvuldig onderzoek de onzekerheid over een schending van artikel 3 van het EVRM weg te nemen. Verweerder moet in bezwaar beoordelen of de noodzakelijke behandeling in Irak voor verzoeker toegankelijk is.

De voorzieningenrechter zal het verzoek dan ook toewijzen in die zin dat het verweerder wordt verboden om verzoeker uit te zetten tot vier weken nadat op het bezwaar is beslist.

Rb Amsterdam AWB - 18 _ 7395, 27.11.18
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2018:14998

Rb: mogelijk suïcide-risico bij uitzetting naar Afghanistan ten onrechte niet meegewogen

Gelet op het BMA-advies is een negatief besluit over de asielaanvraag (mede) van invloed op haar suïcidaliteit, een dergelijk besluit laat de kans hierop toenemen. Dit blijkt ook uit de brief van haar behandelend psychiater en psycholoog. Hieruit blijkt dat het sinds de afwijzing nog slechter met de vreemdeling ging, zij niet verder wilde leven en tegen zichzelf in bescherming moest worden genomen, met een klinische opname tot gevolg. Gelet hierop heeft de BMA-arts ten onrechte niet onderzocht of bij daadwerkelijke uitzetting sprake zal zijn van een reëel en bewezen risico op aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van haar gezondheidstoestand en zo ja, of voorzorgsmaatregelen kunnen worden getroffen voor de periode voor, gedurende en kort na daadwerkelijke uitzetting.

Nu dit niet onderzocht is kan niet uitgesloten worden dat uitzetting een 3 EVRM-risico kan inhouden, ongeacht de kwaliteit van opvang en zorg in Afghanistan.

Rb Den Bosch, NL18.3235, 12.12.18

RvS: na te laat ingediend nareisverzoek, moet IND bij reguliere aanvraag wel rekening houden met vluchtelingschap partner

Het betoog dat de staatssecretaris, kort gezegd, in strijd heeft gehandeld met het Unierecht door de aanvraag af te wijzen wegens overschrijding van de driemaandentermijn en te verwijzen naar de reguliere procedure zonder een inhoudelijke beoordeling te maken en zonder rekening te houden met de belangen van het kind en de duur van zijn verblijf in de lidstaat alsmede met het bestaan van gezinsbanden of culturele of sociale banden met zijn land van herkomst, faalt.

Wel moet de staatssecretaris ervoor zorgen dat die referent in aanmerking blijft komen voor de op hem toepasselijke gunstiger voorwaarden voor de uitoefening van het recht op gezinshereniging zoals bepaald in de Gezinsherenigingsrichtlijn. Dit betekent dat de staatssecretaris, als de vreemdelingen een mvv met het oog op een verblijfsvergunning regulier aanvragen, in de reguliere procedure invulling moet geven aan de vereisten van de Gezinsherenigingsrichtlijn. Of en hoe de staatssecretaris dit doet, staat echter niet ter beoordeling in deze nareisprocedure maar in de reguliere procedure.

RvS 201605532/2/V1, 27.12.18
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2018:4275

Rb: wel voldoende inspanning inburgering, geen internet-toegang en lange relatie

De mvv aanvraag met als doel gezinshereniging is afgewezen omdat eiseres, van Dominicaanse nationaliteit, niet voldoet aan het inburgeringsvereiste. Voor haar eerste inburgeringsexamen van 6 december 2017 haalde zij een 8 voor Kennis van de Nederlandse Samenleving (KNS), een 1 voor spreekvaardigheid en een 2 voor leesvaardigheid. De laatste twee scores zijn zo laag dat  hieruit niet kan worden afgeleid dat zij zich voldoende heeft voorbereid en ingespannen om deze onderdelen te behalen volgens de SvJ&V.

Eiseres is sinds 2014 bezig geweest met de voorbereiding voor het examen.
Uit het arrest K. en A. en de jurisprudentie van de Afdeling volgt dat de vreemdeling vrijgesteld dient te worden van het inburgeringsvereiste indien dit vereiste de uitoefening van het recht op gezinshereniging onmogelijk of uiterst moeilijk maakt. De getoonde wil en inspanningen spelen een belangrijke rol (WBV 2015/22). Eiseres en referent hadden t.t.v. het bestreden besluit al elf jaar een relatie en waren bijna vijf jaar getrouwd. Eiseres was toen al vier jaar bezig met studeren voor het inburgeringsexamen met behulp van het zelfstudiepakket en telefonisch met hulp van referent. Tevens heeft zij een taalcursus gevolgd in Nederland ter voorbereiding op het examen, maar lag het opleidingsniveau van eiseres hiervoor te laag. Het feit dat eiseres na slechts een poging het onderdeel KNS heeft behaald duidt op een zekere mate van inspanning. Deze zekere mate van inspanning blijkt ook t.a.v. de onderdelen spreek- en leesvaardigheid uit de vele overgelegde notities uit het studieboek van eiseres. Bovendien heeft verweerder de stelling van eiseres dat het zelfstudiepakket voor haar, gelet op haar opleidingsniveau en beperkte toegang tot digitale bronnen, niet geschikt is, onvoldoende bij de beoordeling betrokken. Gelet op het voorgaande heeft de SvJ&V het besluit onvoldoende gemotiveerd. Beroep gegrond.

VK Rb Den Haag zp Haarlem, AWB 18/5521, 19.12.18

Rb: reizen naar Afgooye (Somalie) gevaarlijk

In het WBV 2016/14 is, voor zover hier van belang, vermeld dat in de gebieden waar Al-Shabaab aan de macht is, de mensenrechtensituatie zodanig is dat voor iedere terugkeerder een reeel risico bestaat op een met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) strijdige behandeling. Dit geldt ook voor vreemdelingen die bij terugkeer naar hun herkomstgebied waar AI-Shabaab niet aan de macht is, moeten reizen door gebieden waar AI-Shabaab aan de macht is. De rechtbank acht in dit verband van belang dat in het ambtsbericht 2017 onder meer is vermeld dat het, gelet op het feit dat Al-Shabaab een aanzienlijk deel van Zuid- en Centraal Somalie, met name de landelijke streken buiten de (provincie)steden, controleerde, en doordat de controle die Al-Shabaab uitoefende vaak diffuus was, niet mogelijk is om een overzicht te geven naar welke steden kan worden gereisd zonder daarbij door Al-Shabaab-gebied te hoeven reizen. Voorts blijkt daaruit dat de veiligheidssituatie in Neder-Shabelle, waar Afgooye ligt, gekenmerkt werd door veel geweldsuitbarstingen en dat onder andere Afgooye geteisterd werd door geweld. Hoewel de stad Afgooye in handen is van AMISOM, zou het moeilijk zijn in NederShabelle te reizen zonder toestemming van AI-Shabaab en werd het omringende platteland beheerst door Al-Shabaab. Verder acht de rechtbank van belang dat volgens het ambtsbericht onder andere de route Mogadishu - Afgooye - Merka - Barawe - Kismayo het meest getroffen wordt door geweld van Al Shabaab.

Met de verwijzing naar twee overzichtskaarten, een op de website Somalia Newsroom en een van de Fact Finding Mission Report Somalia van het Bundesamt fur Fremdenwesen und Asyl (BFA), heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat eiser Afgooye veilig kan bereiken. Uit deze kaarten volgt niet meer dan dat Afgooye en Mogadishu in handen zijn van AMISOM, terwijl op het overzichtskaartje van het BFA is te zien dat het gebied tussen Mogadishu en Afgooye onder de invloedsfeer valt van zowel Al-Shabaab als van 'anti-al-Shabaab Forces'. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de route Mogadishu - Afgooye niet in handen is van AI-Shabaab en heeft hij zich niet zonder nadere onderbouwing op het standpunt kunnen stellen dat eiser veilig Afgooye kan bereiken. Alleen al hierom heeft verweerder zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat van eiser verwacht kan worden zich in Afgooye te vestigen. De beroepsgrond slaagt.

Rb Rotterdam, NL17.15019, 12.12.18

Rb: voor Guinees paspoort geen geboorteakte nodig, ambtsbericht verouderd

Volgens het algemeen ambtsbericht (aab) Guinee 2009 moeten bij de aanvraag van een paspoort worden overgelegd een nationale identiteitskaart, een uittreksel uit het geboorteregister, een woonplaatsverklaring, de kiezerspas en pasfoto’s. Ter verkrijging van de nationale identiteitskaart moet worden overgelegd een uittreksel uit het geboorteregister of een jugement supplétif (een verklaring van de rechter dat een bepaalde persoon op een bepaalde datum is geboren). Er moet, aldus verweerder, dus een uittreksel uit het geboorteregister en/of een jugement supplétif zijn geweest voor eiseres haar paspoort verkreeg. Omdat in Guinee alleen een eerste registratie van geboorte rechtskracht heeft, heeft het overgelegde jugement supplétif uit 2015 geen waarde....

De rechter oordeelt: Verweerder kan worden nagegeven dat een aab de status heeft van deskundigenbericht en dat, behoudens zeer bijzondere aanwijzingen van een mogelijk tegendeel, op de inhoud daarvan mag worden afgegaan. Het is echter de vraag of, wanneer niet alleen het aab 2009, maar in onderlinge samenhang alle ambtsberichten Guinee van 2009 tot en met 2014 worden bezien, er nog steeds onvoldoende aanknopingspunten zijn voor eiseresses weergave van de situatie. Het aab 2011 meldt op bladzijde 26 dat bij de aanvraag van een paspoort (slechts) een identiteitskaart en pasfoto’s moeten worden ingeleverd en (op bladzijde 25) dat ook een kiezerspas geldt als identiteitskaart. Dit laat de mogelijk open van een paspoortprocedure zoals de getuige hem beschrijft. Dit aab geeft voorts aan dat voor afgifte van een carte nationale identité in plaats van een geboorteakte ook een kiezerspas volstaat. Dat ook voor het verkrijgen van een kiezerspas een geboorteakte nodig is valt uit geen van de ambtsberichten af te leiden. In deze situatie is dus denkbaar dat een paspoort is afgegeven zonder dat daaraan voorafgaand een geboorteakte of een jugement supplétif heeft bestaan.

Het aab 2013 (paragraaf 2.3.) vermeldt dat bij de aanvraag van een paspoort moeten worden ingeleverd (onder meer) een kopie van de geboorteakte en de identiteitskaart, maar ook (aan het begin van de paragraaf) dat de wetgeving omtrent uitgifte van (onder meer) paspoorten onduidelijk is en dat de praktijk nogal eens afwijkt. Het aab 2014 (paragraaf 2.3.) vermeldt dat (onder meer) moet worden ingeleverd een geboorteakte (die in authentieke vorm weinig beschikbaar is) of een kiezerspas en een identiteitskaart (wat in samenhang met het aab 2011 veronderstelt dat een geboorteakte kennelijk niet per definitie nodig is). Tevens wordt in deze paragraaf aangegeven dat er in Guinee op dit punt gebrek is aan financiën, goed opgeleid personeel en materieel.

Uit het voorgaande volgt dat verweerder, gegeven het onduidelijk beeld dat de genoemde ambtsberichten in onderlinge samenhang bezien tonen, nader onderzoek had moeten doen naar de mogelijkheid dat in deze zaak een paspoort is afgegeven zonder dat daaraan voorafgaand een geboorteakte of een jugement supplétif heeft bestaan. Het bestreden besluit is dan ook in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht.

Het beroep is gegrond. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van 90 dagen.

Rb Rotterdam 16/4962, 7.4.17
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2017:16718

CAT: Eritrese dienstplicht is slavernij

Voor het oordeel dat de vreemdelingen hun klacht op prima facie gegrond was, verwees het CAT naar het rapport van 25 juni 2018 van de speciale rapporteur over de mensenrechtensituatie in Eritrea waaruit volgt dat er redelijke redenen waren om aan te nemen dat de militaire dienstplicht niet minder is dan de slavernij van de gehele bevolking en dus een misdaad tegen de mensheid. Het CAT verzoekt de voorlopige maatregelen te handhaven en de asielprocedure te herhalen.

CAT, CAT/C/35/DR/811/2017, Zwitserland, Eritrea, 17.12.18
https://asile.ch/wp/wp-content/uploads/2018/12/M.G.-c.-Suisse-Communication-n%C2%B0-811_2017-CSDM.pdf

Pagina's