Nieuws

WOB: documenten ter voorbereiding LVV

De Staatssecretaris heeft het WOB-verzoek om alle documenten ter voorbereiding van de LVV te ontvangen, ingewilligd.

https://www.rijksoverheid.nl/documenten/wob-verzoeken/2019/11/05/beslissing-op-uw-wob-verzoek-over-de-lvv, 5.11.19

Rb: wel zicht op uitzetting Algerije

Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat er van 1 januari tot 30 april 2019 in totaal acht vreemdelingen gedwongen naar Algerije zijn uitgezet. Voor zeven vreemdelingen zijn laissez-passers (lp’s) afgegeven, die in zes gevallen hebben geleid tot gedwongen vertrek. Gelet daarop kan in het algemeen zicht op uitzetting naar Algerije worden aangenomen.

Rb Rotterdam NL1925057, 31.10.19
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2019:11806

SvJ&V aanpassing buiten-schuld beleid ivm uitspraak RvS

De Raad van State heeft geoordeeld dat een aanvraag voor een verblijfsvergunning in het kader van het buitenschuldbeleid niet mag worden afgewezen op de enkele grond dat de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) geen positief zwaarwegend advies heeft afgegeven. Daartoe acht de Afdeling van belang dat het weliswaar de DT&V is die over specifieke expertise beschikt om te adviseren over buitenschuldsituaties, maar dat het uiteindelijk aan de Staatssecretaris is om te beoordelen of aan de vereisten voor verlening van een verblijfsvergunning wordt voldaan.

Naar mijn oordeel leidt dit ertoe dat in een afwijzende beschikking niet langer kan worden volstaan met de motivering dat een positief zwaarwegend advies van de DT&V ontbreekt. In de beschikking dient te worden gemotiveerd in hoeverre de vreemdeling aan de voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning op grond van het buitenschuldbeleid voldoet.

Voor de beslissing van de IND blijft het advies van de DT&V een cruciaal onderdeel vormen. Het is immers de DT&V die de terugkeer coördineert. Ik heb daarom besloten om in de paragraaf die betrekking heeft op dit beleidskader (paragraaf B8/4) in de Vreemdelingencirculaire 2000 toe te voegen dat de DT&V, op verzoek van de IND, ook een ambtsbericht kan uitbrengen waarin onderbouwd het advies wordt gegeven dat geen sprake is van een buitenschuldsituatie, of waarin wordt aangegeven dat het bemiddelingstraject nog niet is beëindigd. Op deze wijze wordt tegemoetgekomen aan de uitspraak van de Afdeling en wordt de beschikking van de IND beter inzichtelijk. Deze wijziging zal dit najaar in de Vreemdelingencirculaire 2000 worden doorgevoerd.

https://www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/kamerstukken/2019/11/06/antwoorden-kamervragen-over-het-bericht-staatloze-asielzoeker-hoopt-op-uitweg-uit-niemandsland/antwoorden-kamervragen-over-het-bericht-staatloze-asielzoeker-hoopt-op-uitweg-uit-niemandsland.pdf, 6.11.19

Rb: paspoortvereiste bij Chavez-aanvraag ivm vaststellen identiteit en nationaliteit

Als algemeen uitgangspunt in het Unierecht geldt dat een lidstaat van een vreemdeling mag verlangen dat hij zijn identiteit en nationaliteit aannemelijk maakt als hij op het grondgebied van die lidstaat wil verblijven. Het arrest Chavez-Vilchez verandert dit niet. Zoals verweerder terecht heeft opgemerkt ging dit arrest over de interpretatie van artikel 20 van het van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en stond los van de vraag naar het bewijs van de identiteit en nationaliteit van de ouder die verblijf wenst bij een kind. Wel volgt uit dit arrest de voorwaarde dat de vreemdeling een derdelander dient te zijn en dat het aan de vreemdeling is om aannemelijk te maken dat hij aan de voorwaarden voor verblijf voldoet. De vreemdeling moet dus aannemelijk maken dat hij derdelander is.

De omstandigheid dat in het beleid van verweerder B10/2.2 van de Vreemdelingencirculaire (Vc), zoals dat gold ten tijde van de aanvraag van eiseres, het aantonen van de identiteit en nationaliteit niet als voorwaarde was opgenomen, leidt niet tot een ander oordeel. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende toegelicht dat deze toevoeging in B10/2.2 van de Vc enkel een verduidelijking betreft van het algemeen geldende uitgangspunt dat verweerder pas kan vaststellen of sprake is van rechtmatig verblijf als (familielid van) een gemeenschapsonderdaan indien de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling duidelijk is.

Rb Middelburg awb 18/9928, 22.10.19
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2019:11658

RvS: technisch onderzoek naar e-mails als nova mogelijk

De rechtbank heeft overwogen: ‘De vraag die hier aan de orde is, is of de e-mailwisseling de stelling van eiser onderbouwt dat de Sri Lankaanse autoriteiten op de hoogte zijn van de samenwerking tussen eiser en [satellietzender]. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat van de inhoud van de e-mail niet kan worden uitgegaan, omdat de authenticiteit daarvan niet kan worden vastgesteld. Dat het hier een kopie betreft, is niet voldoende om te concluderen dat onderzoek naar de inhoud of herkomst van de e-mail niet mogelijk is. Elke overgelegde e-mail in een procedure als deze is immers een kopie. Naar het oordeel van de rechtbank laat dit onverlet de mogelijkheid om de inhoud van het bericht of de afzender daarvan te controleren. Hoewel het in deze opvolgende aanvraag, volgens vaste jurisprudentie, in eerste instantie aan eiser is om de authenticiteit van nieuwe stukken aannemelijk te maken, is de rechtbank van oordeel dat in het kader van de samenwerkingsplicht van verweerder verwacht mag worden dat hij eiser daarin tegemoet komt, net zoals verweerder dit doet indien originele documenten worden overgelegd. In dit kader acht de rechtbank van belang dat eiser met het overleggen van een screenshot van zijn e-mailaccount een begin van bewijs heeft geleverd om de authenticiteit van het e-mailbericht te onderbouwen. Tevens acht de rechtbank van belang dat eiser ter zitting heeft aangegeven zijn medewerking te zullen verlenen aan een eventueel technisch onderzoek.

In de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank terecht overwogen dat de strekking van deze overweging is dat de staatssecretaris een technisch onderzoek moest doen naar de authenticiteit van de e-mails, en dat hij niet kan volstaan met het standpunt dat aan de inhoud ervan niet de door de vreemdeling gewenste waarde toekomt.

Deze grief faalt. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond.
RvS 201810324/1/V2, 31.10.19
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2019:3677

Rb: schadevergoeding voor ten onrechte uitzetting en mishandeling in Rusland

De eerdere asielaanvragen van de vreemdeling zijn afgewezen. Na haar uitzetting naar Rusland is zij direct gedetineerd en in detentie is zij mishandeld en verkracht. De vreemdeling is vervolgens teruggekeerd naar Nederland en o.g.v. de gebeurtenissen van na de uitzetting is haar een asielvergunning verleend. De vreemdeling vordert in deze procedure schadevergoeding en voert hiertoe o.a. aan dat haar uitzetting en de besluitvorming die daaraan vooraf is gegaan onrechtmatig is geweest. De staatssecretaris heeft het verzoek tot schadevergoeding afgewezen.

De rechtbank overweegt als volgt. Vanwege het absolute verbod van refoulement dient te worden beoordeeld of de staatssecretaris zich door de uitzetting van de vreemdeling naar Rusland, mede gelet op de besluitvorming voorafgaande aan de uitzetting, schuldig heeft gemaakt aan een schending van artikel 3 EVRM. De vreemdeling heeft in de derde (en laatste) asielprocedure zeven originele documenten en een deskundigenrapport van Chenciner overgelegd. Hoewel de authenticiteit van de documenten niet was vast komen te staan, had de deskundige van de vreemdeling verklaard dat de documenten ‘appear to be geniune and plausible’. Bewijs voor het tegendeel was er niet.

De staatssecretaris had dan ook bij twijfel hieraan de inhoud van de documenten moeten verifiëren. De staatssecretaris had in het kader van de Bahaddar-exceptie in elk geval een reële mogelijkheid moeten creëren voor nader onderzoek naar de documenten (rigorous scrutiny) en de vreemdeling niet daags na de uitspraak moeten uitzetten met alle gevolgen van dien. De staatssecretaris heeft in deze specifieke omstandigheden door zijn handelwijze het risico geaccepteerd dat een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM zou plaatsvinden. De uitzetting van de vreemdeling is onrechtmatig geweest en het verzoek om schadevergoeding wordt toegewezen met dien verstande dat het onderzoek t.a.v. de schadeposten wordt heropend.

Rb Amsterdam (MK) AWB 18/8934, 2.10.19
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2019:10325

Rb: BMA-advies nodig voor beoordeling beschikbaarheid medische zorg in Dublin-land

De staatssecretaris heeft de asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Roemenië hier verantwoordelijk voor zou zijn. De vreemdeling heeft op 7 januari 2019 een verklaring overgelegd van een GGZ-instelling, waarin is vermeld dat sprake is van PTSS. De staatssecretaris heeft vervolgens een FMMU advies opgevraagd en een aanvullend gehoor afgenomen over het verblijf in Roemenië. Daarna heeft de staatssecretaris bij verweerschrift aangegeven het bestreden besluit te handhaven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de staatssecretaris weliswaar door middel van een nader gehoor vast kunnen stellen dat de vreemdeling tegenstrijdige verklaringen aflegt over hetgeen hem is overkomen in Roemenië, echter daarover heeft de staatssecretaris ter zitting desgevraagd verklaard de geloofwaardigheid van het relaas van de vreemdeling in het midden te laten. Daarnaast is vast komen te staan, door de brief van de GGZ-instelling, dat de vreemdeling lijdt aan PTSS, welke getriggerd is door de gestelde gebeurtenissen in Roemenië (welke dat dan ook zijn geweest). De staatssecretaris heeft dit advies niet, bijvoorbeeld door een BMA advies, onderbouwd weersproken.

De rechtbank is van oordeel, gelet op het C.K. arrest en gelet op het verband tussen zijn medische klachten en zijn verblijf in Roemenië, dat de staatssecretaris niet zonder een risico-inschatting door het BMA van de ernst van de gezondheidstoestand van de vreemdeling, dan wel de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen van zijn overdracht, kon besluiten dat zijn medische toestand het toelaat dat hij wordt overgedragen aan Roemenië. De enkele stelling van de staatssecretaris dat de vreemdeling zijn medisch dossier kan meenemen en aan de Roemeense autoriteiten kan overleggen, acht de rechtbank onvoldoende. Beroep gegrond.

Rb Haarlem, NL18.18371, 18.10.19

Rb: ook bij evidente minderjarigheid onderzoek mogelijk naar evt. documenten in Dublin-land

Conform werkinstructie 2018/19 over leeftijdsbepaling wordt ook in het geval van evidente minderjarigheid onderzoek gedaan in een andere lidstaat. Zo is het mogelijk dat de vreemdeling daar documenten heeft overgelegd waaruit meerderjarigheid blijkt waardoor er wel kan worden geclaimd.

De stelling van de vreemdeling dat de verantwoordelijkheid van Nederland al van begin af aan vast stond, volgt de rechtbank daarom niet. De rechtbank ziet ook geen aanknopingspunten voor de conclusie dat de staatssecretaris oneigenlijk gebruik zou hebben gemaakt van de mogelijkheid tot onderzoek in een andere lidstaat om de beslistermijn op te schorten. Hij heeft dat onderzoek immers ingesteld ruim voordat de beslistermijn was verstreken. 

Rb Zwolle, NL19.4030 V, 15.10.19

RvS: vreemdeling kan zelf niet procederen over uitleg verantwoordelijke Dublin-land

Bij arrest van 2 april 2019, H. en R., ECLI:EU:C:2019:280, heeft het HvJEU geoordeeld dat, als sprake is van een terugnamesituatie, de vreemdeling in beginsel in de tweede lidstaat geen beroep kan doen op een criterium uit hoofdstuk III van de Dublinverordening, waaronder artikel 9 Dv. Op deze hoofdregel bestaat echter een uitzondering. Als een vreemdeling zijn in de ene lidstaat ingediende asielverzoek (impliciet) intrekt terwijl daar de procedure tot het vaststellen van de verantwoordelijke lidstaat nog niet is afgerond, is sprake van een situatie die valt onder artikel 20 lid 5 Dv. In dat geval kan de vreemdeling in een rechtsmiddel in de tweede lidstaat wel een beroep doen op een hoofdstuk III-criterium.

In dit specifieke geval blijkt uit het Eurodacresultaat dat de vreemdeling een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend in Duitsland. Hieruit viel echter niet op te maken of dat verzoek al in behandeling was genomen of niet. De Afdeling leest in de reactie van de staatssecretaris van 29 april 2019 op het arrest van het HvJEU dat de staatssecretaris ervan uitgaat dat artikel 20 lid 5 Dv hier van toepassing is. Daarin heeft de staatssecretaris namelijk beoordeeld of het gestelde huwelijk aannemelijk is. Nu het in deze zaak gaat om een situatie als bedoeld in artikel 20 lid 5 Dv, had de rechtbank dus moeten beoordelen of de hiervoor bedoelde uitzondering van toepassing is. De Afdeling zal dit alsnog beoordelen....

De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en het beroep is alsnog ongegrond.
RvS 201604333/3, 31.10.19
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2019:3672

Pagina's