Nieuws

Rb: geen studiefinanciering bij vergunning bepaalde tijd medisch

Vreemdelinge heeft in Nederland verblijf voor bepaalde tijd bij haar vader, die een vergunning bepaalde tijd heeft wegens medische behandeling. Vreemdelinge betoogt dat zij gelijk zou moeten worden gesteld met een Nederlander, zodat zij voor studiefinanciering in aanmerking komt.

De rechtbank oordeelt als volgt. Vreemdelinge voldoet niet aan de nationaliteitseis. Het beroep op de hardheidsclausule van vreemdelinge slaagt niet. De stelling van vreemdelinge dat de vergunning van haar vader feitelijk een permanent karakter heeft is niet door vreemdelinge onderbouwd, en maakt ook niet dat de staatssecretaris daarvan zou moeten uitgaan voor zijn beoordeling. De staatssecretaris is immers gehouden bij de toetsing van de aanvraag om studiefinanciering uit te gaan van de aan de tijdelijke verblijfsvergunning verbonden beperking. Beroep ongegrond.

Rb Den Bosch 19/1270, 19.12.19
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2019:7321

RvS: recht op opvang tijdens procedure tegen niet-ontvankelijkheidsverklaring

Uit de overwegingen van de uitspraak van de Afdeling van 15 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3442, volgt dat een vreemdeling na afwijzing van zijn asielverzoek als kennelijk ongegrond, rechtmatig verblijf heeft. Die overwegingen zijn ook in dit geval van toepassing. In artikel 46, zesde lid, van de Procedurerichtlijn (PB 2013 L 180) wordt namelijk behalve de afwijzing van het asielverzoek als kennelijk ongegrond ook de niet-ontvankelijkverklaring van het asielverzoek genoemd. Dat betekent dat de vreemdeling in deze zaak in eerste instantie rechtmatig verblijf heeft gehad gedurende de termijn voor het instellen van beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van zijn asielverzoek. Dit rechtmatig verblijf duurde voort tot de dag waarop het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen.

Gelet op het voorgaande klaagt de vreemdeling terecht dat zijn recht op opvang niet is geëindigd met de niet-ontvankelijkverklaring van zijn asielverzoek, en dat de mededeling van het COa van 16 maart 2018 wel is gericht op rechtsgevolgen.

De grief slaagt. Het hoger beroep is gegrond.
RvS 201806455/1/V3, 6.1.20
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2020:8

Rb: detentie onrechtmatig want binnentreden onrechtmatig (niet eerst geklopt)

De vreemdelingen voeren aan dat ten onrechte gebruik is gemaakt van de machtiging tot binnentreden en dat hierdoor een ontoelaatbare inbreuk is gemaakt op hun privacy. De staatssecretaris heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het binnentreden rechtmatig was, omdat er gebruik is gemaakt van een machtiging tot binnentreden.

De rechtbank overweegt als volgt. Niet in geschil is dat er voorafgaand aan het binnentreden niet eerst is aangeklopt of aangebeld, hoewel de tekst van de machtiging daar wel toe noopte. Uit het proces-verbaal blijkt voorts niet dat het doel van het binnentreden redelijkerwijs vereiste dat gebruik werd gemaakt van de machtiging. Niet valt in te zien dat niet eerst kon worden aangeklopt en kon worden geprobeerd om vrijwillig toestemming te krijgen de woning te betreden. Immers blijkt daaruit niet dat eiser agressief of suïcidaal zou reageren of anderszins een risico zou vormen. Er is daarom in strijd met art. 9 Awbi gehandeld. De belangenafweging valt daarom in het voordeel van de vreemdelingen uit. De maatregelen van bewaring waren derhalve vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig.

Rb Zwolle, NL19.31276, NL19.31279, NL19.31280 en NL19.31281, 8.1.20

Rb: geen onttrekken toezicht want verbleef met gezin in AZC

de vreemdeling is een maatregel van bewaring opgelegd. Hij stelt dat de staatssecretaris met een lichter middel had moeten volstaan, omdat hij een vrouw en een kind heeft en met hen in het AZC leeft.

De rechtbank beoordeelt als volgt. Door niet in te gaan op de door de vreemdeling naar voren gebrachte omstandigheden dat hij een vrouw en kind in Nederland heeft wonen, met wie hij samen in het AZC leeft, heeft de staatssecretaris niet voldaan aan zijn motiveringseis.  Daarom is de bewaring van meet af aan onrechtmatig. De rechtbank kent de vreemdeling een schadevergoeding toe.

Rb Groningen, NL19.30963, 6.1.20

Rb: gewonnen vovo in art-64 procedure geeft geen rechtmatig verblijf

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de uitspraak van de voorzieningenrechter geen rechtmatig verblijf creëert. Artikel 64 van de Vw 2000 strekt er immers niet toe een verblijfstitel te verlenen, maar slechts tot opschorting van de uitzetting en de vertrekplicht. Nadat een positieve beslissing is genomen over toepassing van artikel 64 van de Vw 2000 in artikel 8, aanhef en onder j, van de Vw 2000, is sprake van rechtmatig verblijf.

Dat betekent dat de wet ruimte laat voor de situatie dat een vreemdeling krachtens een voorlopige voorziening niet mag worden uitgezet, maar geen rechtmatig verblijf heeft.

Rb den Bosch NL 19.26504, 22.11.19
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2019:14297

WBV 2020/1: asielbeleid Soedan: herbeoordeling asielzoekers uit Darfur, Kordofan en Blue Nile

Het 15c-beleid voor de conflictgebieden Darfur, Zuid-Kordofan (incl. Abyei) en Blue Nile wordt beëindigd. Daarmee is de enkele herkomst uit deze gebieden niet langer een grond voor het verlenen van bescherming. Dit heeft ook tot gevolg dat de IND de beschermingsstatus van statushouders met een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd o.g.v. een 15c-situatie moet herbeoordelen.

De IND kan een binnenlands beschermingsalternatief aannemen als uit het individuele dossier blijkt dat de vreemdeling zich elders kan vestigen. De termijn van zes maanden probleemloos verblijf komt te vervallen: ook bij een verblijf van korter dan zes maanden kan het tegenwerpen van een vestigingsalternatief gerechtvaardigd zijn.

Daarnaast wordt beleid t.a.v. de ontheemde (minderjarige) vrouwen uit de conflictgebieden Darfur, Zuid-Kordofan (inclusief Abyei) en Blue Nile gewijzigd en worden deze gekwalificeerd als kwetsbare minderheidsgroep.

WBV 2020/1, 12.1.20 in Staatscourant nr. 3262, 14.1.20
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2020-3262.html

Rb: eigen verantwoordelijkheid IND om bij Herhaald Asielverzoek FMMU in te schakelen

Beroep gegrond. De staatssecretaris heeft de opvolgende aanvragen van de vreemdelingen niet-ontvankelijk verklaard omdat geen sprake is van nieuwe elementen of bevindingen. De vreemdelingen betogen dat de bestreden besluiten onzorgvuldig tot stand zijn gekomen.

De rechtbank overweegt als volgt. De staatssecretaris heeft ten onrechte nagelaten om vreemdelinge 1 en vreemdeling 2 medisch te laten beoordelen door het FMMU in het kader van de vraag of zij, al dan niet met inachtneming van voorzorgsmaatregelen, gehoord konden worden. Bij opvolgende aanvragen is het uitgangspunt dat vreemdelingen niet standaard medisch worden beoordeeld. Daarnaast hebben de vreemdelingen in het formulier M35-O niet aangekruist dat er sprake was van medische omstandigheden die van invloed konden zijn op het gehoor.

Maar deze omstandigheden doen niet af aan de eigen verantwoordelijkheid van de staatssecretaris om, wanneer er signalen zijn dat een vreemdeling mogelijk bijzondere procedurele waarborgen nodig heeft, dat te beoordelen. In dat kader is van belang dat in de begeleidende brief bij het formulier M35-O de psychische problematiek wel kenbaar is gemaakt met bijvoeging van medische stukken. Ten aanzien van vreemdeling 2 geldt daarbij bovendien dat tijdens de beroepsprocedure tegen het eerste afwijzende besluit een medische verklaring is overgelegd waaruit blijkt dat sprake is van PTSS en dat als reden voor de opvolgende aanvraag is aangegeven dat hij als gevolg daarvan tijdens de eerste procedure zijn verhaal niet volledig heeft kunnen doen. Al deze omstandigheden bij elkaar bezien lag het op de weg van de staatssecretaris om zich voorafgaand aan de gehoren te vergewissen of er sprake is van een medische belemmering om gehoord te worden. ...

De bestreden besluiten zijn in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel.
Rb Arnhem, NL19.20879, NL19.20881, NL19.20883 en NL19.20885, 19.12.19

Rb: nog steeds 1F-risico na 22jr, geen 8EVRM

De staatssecretaris heeft in het bestreden besluit geen aanleiding gezien om de ongewenst-verklaring op te heffen, nu de toepasselijkheid van artikel 1F op de vreemdeling gehandhaafd blijft en de hij blijft gelden als een gevaar voor de openbare orde.

De rechtbank overweegt als volgt. De staatssecretaris heeft zich deugdelijk gemotiveerd dat van de vreemdeling zijn persoonlijke gedragingen nog steeds een werkelijk, actuele en voldoende ernstige bedreiging uitgaat, die een fundamenteel belang van de samenleving aantast en dat het tijdsverloop van onvoldoende gewicht is om hier verandering in te brengen. De staatssecretaris heeft voldoende rekening gehouden met zijn gedrag sinds de gepleegde gedragingen. Van hem mag worden verlangd dat hij in het geweer tegen de artikel 1F tegenwerping laat zien dat bij hem sprake is van een concrete positieve gedragsverandering, om aannemelijk te maken dat van voornoemd risico geen sprake meer is. Daarbij is niet alleen van belang dat hij de verweten gedraging zou erkennen of actief stand zou nemen van de organisatie die zich schuldig heeft gemaakt aan de verweten gedragingen. Ook is van belang hoe hij in de samenleving heeft gefunctioneerd.

Hij heeft de afgelopen 22 jaar niet laten zien dat hij afstand heeft genomen van de ernstige misdrijven, evenmin heeft hij zich ingespannen om het door deze organisaties veroorzaakte leed te verwachten, en door zijn houding en gedrag is op geen enkele manier verantwoordelijkheidsbesef getoond over de hem verweten gedragingen. Voorts heeft de staatssecretaris zich op het standpunt kunnen stellen dat het bestreden besluit niet in strijd is met artikel 8 EVRM. De staatssecretaris heeft meer gewicht mogen toekennen aan het algemeen belang dan aan het belang van de vreemdeling om in Nederland zijn familie op gezette tijden te kunnen bezoeken.

Rb Amsterdam (MK), AWB 17-2882, 8.1.20
vergelijkbaar: Rb Amsterdam (MK), AWB 19-111, 8.1.20

RvS: bij beoordeling asielverzoek, IQ meewegen

In het door de vreemdeling overgelegde intelligentieonderzoek van i-Psy staat dat hij een laag IQ heeft op grond waarvan een licht verstandelijke beperking kan worden aangenomen. Uit de ook door hem overgelegde iMMO informatie volgt dat mensen met een licht verstandelijke beperking problemen kunnen hebben met het verwerken en terughalen van informatie, dat zij vaak overschat worden en dat zij zich minder goed kunnen uiten over hun seksualiteit.

De rechtbank heeft onvoldoende rekening gehouden met die conclusie en de overgelegde informatie. Zij heeft niet onderkend dat de staatssecretaris nader onderzoek had moeten doen naar het vermogen van de vreemdeling om te verklaren en naar de vraag of de tegenstrijdigheden mogelijk het gevolg zijn van de licht verstandelijke beperking.

De grieven slagen. Het hoger beroep is gegrond.
RvS 201904796/1/V2, 8.1.20
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2020:14

RvS: terugbetalen toeslagen ivm intrekken vergunning met terugwerkende kracht

Bij onderscheiden besluiten heeft de Belastingdienst/Toeslagen (B/T) het voorschot zorgtoeslag over 2017 en 2018 herzien naar nihil. Bij onderscheiden besluiten heeft de B/T de zorgtoeslag voor 2015 en 2016 herzien en vastgesteld op nihil respectievelijk € 83,00 en € 1.026,00 aan ontvangen voorschotten teruggevorderd.

Appellant is sinds 1990 in het bezit van een vot-r. Bij besluit heeft de staatssecretaris van J&V de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht ingetrokken tot 1991 en een inreisverbod uitgevaardigd. Dit besluit is in rechte onaantastbaar. Hiervan heeft B/T de melding ontvangen via de BRP. Hierop zijn voornoemde besluiten genomen, waaraan ten grondslag is gelegd dat appellant geen rechtmatig verblijf heeft gehad. De intrekking met terugwerkende kracht van verblijfsvergunning heeft tot gevolg dat het rechtmatig verblijf met ingang van 10 oktober 1991 is vervallen.

De toegekende zorgtoeslag voor de berekeningsjaren 2015 en 2016 is definitief geworden. De mogelijkheden om een definitieve toekenning in het nadeel van de belanghebbende te herzien, zijn neergelegd in de artikelen 20 en 21 van de Awir. Belastingdienst/Toeslagen was op grond van die bepalingen bevoegd om de zorgtoeslag over de berekeningsjaren 2015 en 2016 te herzien. Zoals de Afdeling eerder heeft geoordeeld (uitspraak van 21 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2512) kan de intrekking van de verblijfsvergunning een feit zijn als bedoeld in artikel 21, eerste lid, aanhef en onder a van de Awir. B/T heeft in 2018 via de Basisregistratie Personen de melding ontvangen dat appellant per 1991 geen verblijfstitel meer heeft. Gelet hierop kon B/T ten tijde van de besluiten genomen in 2016 en 2017 redelijkerwijs niet op de hoogte zijn van de intrekking van de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat B/T bevoegd was om de zorgtoeslag van appellant over de berekeningsjaren 2015 en 2016 op grond van artikel 21, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awir te herzien. De toegekende zorgtoeslag over de berekeningsjaren 2017 en 2018 had destijds nog geen definitief karakter gekregen, zodat de artikelen 20 en 21 van de Awir alleen al daarom niet aan herziening van de toekenningen over die jaren in de weg staat.

Hoger beroep ongegrond.
ABRvS 201903628/1/A2, 18.12.19
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2019:4263

Pagina's