Nieuws

Werkinstructie 2018/12: bevoegdheid IND tot wijzigen identiteit

De IND is gemachtigd om de identiteitsgegevens in de volgende gevallen zelfstandig aan te passen:

  • De klant heeft een origineel en authentiek bevonden identificerend document overgelegd waaruit blijkt dat de eerder geregistreerde gegevens niet juist zijn.
  • De (aangevoerde) nationaliteit en/of geboortedatum van de ongedocumenteerde klant zijn/is niet juist of moeten/moet worden aangepast. Dit kan nodig zijn als gevolg van (nader) onderzoek door de IND (bijvoorbeeld een herkomstonderzoek (HIS-check) of leeftijdsonderzoek). De IND-medewerker geeft in INDiGO de reden van de wijziging aan.
  • De (actieve) identiteitsgegevens in INDiGO zijn overduidelijk onjuist (verschrijvingen/ overduidelijk verkeerd land of verkeerde nationaliteit: Guinee versus Guyana of Zaïrese (Congolese) versus Kongolese ).
  • Eerder is door een identificerende partij overduidelijk een onjuiste nationaliteit toegekend. Op basis van de nationaliteitswetgeving van het land van herkomst registreert de IND-medewerker de juiste nationaliteit in INDiGO (bijv. Staatloos versus Armeense).
  • Indien na overleg met de BRP-straat door gemeenten is vastgesteld dat de naam anders geschreven moet worden (toepassing Internationaal Privaatrecht en/of Namenrecht). De klant mag in deze gevallen nog niet zijn ingeschreven in de BRP . Als de klant wel is ingeschreven in de BRP, past de IND de identiteitsgegevens niet aan maar meldt de IND het onjuiste gegeven aan de gemeente.

WI 2018/12, 25.10.18
https://ind.nl/Documents/WI_2018-12.pdf

RvS: asielvergunning ingetrokken vanwege aanvraag paspoort, toeslagen terecht teruggevorderd

Uit de Wet op Toeslagen (Awir) volgt dat een vreemdeling zijn recht op toeslagen behoudt indien een periode van rechtmatig verblijf tijdens een procedure aansluit op een periode van rechtmatig verblijf met vergunning.

De aan [appellant] verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is met terugwerkende kracht ingetrokken, waardoor hij achteraf bezien vanaf die datum geen rechtmatig verblijf meer had.

In aansluiting op hetgeen de Afdeling eerder heeft overwogen, overweegt de Afdeling dat het woord ‘aansluitend’ niet zo strikt dient te worden uitgelegd dat die bepaling nimmer van toepassing kan zijn op een situatie waarin als gevolg van de intrekking van een verblijfs-vergunning met terugwerkende kracht tot een datum na de verleningsdatum, tussen twee perioden van rechtmatig verblijf een periode van onrechtmatig verblijf ontstaat. Dat kan ook het geval zijn indien laatstgenoemde periode niet van korte duur is. Voor de beoordeling of bij een tussenliggende periode van onrechtmatig verblijf artikel 9, eerste lid, van de Awir geacht moet worden van toepassing te zijn, heeft de Afdeling in de uitspraak van 29 maart 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:828) op niet uitputtende wijze een aantal elementen opgesomd.

Anders dan in de situatie die ten grondslag lag aan de uitspraak van 29 maart 2017, bestaat in de situatie van [appellant] geen aanleiding voor het oordeel dat hij ten tijde van de toekenning van de toeslagen redelijkerwijs niet heeft kunnen begrijpen dat de huur- en zorgtoeslag ten onrechte werden verleend. Nu hem een asielvergunning was verleend, had hij kunnen begrijpen dat het zich uit eigen beweging wenden tot de Afghaanse autoriteiten om in het bezit te komen van een Afghaans paspoort en het twee keer afreizen naar zijn land van herkomst, gevolgen zou kunnen hebben voor zijn verblijfsrecht en zijn aanspraak op toeslagen. Hij had kunnen begrijpen dat het rechtmatig verblijf dat hij op basis van die vergunning had, door die gedragingen onzeker was geworden. Deze gedragingen hadden dan ook gevolgen voor de aanspraak van [appellant] op toeslagen.

Gezien het voorgaande heeft de Belastingdienst/Toeslagen terecht geen aanleiding gezien om de periode van onrechtmatig verblijf tussen de perioden van rechtmatig verblijf die [appellant] had op basis van artikel 8, aanhef en onder a en h, van de Vw 2000 aan te merken als ‘aansluitend’ in de zin van artikel 9, eerste lid, van de Awir.

Het betoog faalt.
RvS 201707806/1/A2 en 201802043/1/A2, 7.11.18
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2018:3603

Rb: recht op opvang tijdens vovo in beroepsfase art64, belang vreemdeling prevaleert

De vreemdeling verblijft zonder recht of titel in het AZC. Nog daargelaten of art. 10 lid 2 Vw daadwerkelijk een toekomstige acute medische noodsituatie kan ondervangen, is voldoende aannemelijk gemaakt dat op dit moment het belang van de vreemdeling bij opvang prevaleert boven het belang van het COA om asielzoekers na beëindiging van het recht op opvang, zo spoedig mogelijk uit de opvang te verwijderen. Immers staat vast dat in de huidige situatie, waarbij de vreemdeling wordt opgevangen in het AZC, de voor hem ter voorkoming van een medische noodsituatie noodzakelijke medische behandeling gewaarborgd is. Daarbij komt dat de vreemdeling beroep heeft ingesteld tegen de beschikking en een vovo aanhangig heeft gemaakt, zodat nog beslist moet worden of de toepassing van art. 64 Vw, en daarmee rechtmatig verblijf en opvang in Nederland terecht is afgewezen.

Het COA heeft in het licht van deze omstandigheden in redelijkheid niet kunnen komen tot de beslissing om de opvang van de vreemdeling op dit moment te beëindigen. De vordering tot ontruiming wordt dan ook afgewezen.

Rb Breda, C/02/350412, 7.11.18

SvJ&V: detentie kinderen

Sinds 2014 vindt de uitvoering van de bewaring van gezinnen met minderjarige kinderen plaats in de GGV, worden gezinnen naar de GGV vervoerd in minimaal beveiligde en neutraal uitziende voertuigen en vindt de inbewaringstelling plaats op de GGV. Dit laatste gebeurde voorheen op het politiebureau, wat als onnodig bezwarend voor met name minderjarige kinderen werd beschouwd.

DT&V en de DV&O zijn naar aanleiding van de motie met elkaar in gesprek gegaan om de onderlinge informatie-uitwisseling ten aanzien van inbewaringstellingen, waaronder die van gezinnen met minderjarige kinderen, verder te versterken. Zo is al vóór de beslissing of een gezin daadwerkelijk in bewaring zal worden gesteld, een zo volledig mogelijk beeld beschikbaar van de situatie van het gezin en factoren die meegenomen worden in de risico-inschatting....

Het uitgangspunt bij een inbewaringstelling is dat de eenheid van het gezin wordt bewaard. In de praktijk blijkt dat hiervoor de ochtend het meest geschikt is, voordat de kinderen naar school gaan. Vanuit deze optiek is ervoor gekozen om een gezin in beginsel vroeg in de ochtend staande te houden. Hiermee wordt ook voorkomen dat kinderen overdag uit hun klas worden gehaald, wat voor zowel het kind zelf als de klas niet wenselijk wordt geacht. Ik hecht eraan om ook hier te benadrukken dat een inbewaringstelling, en het besef dat terugkeer aan de orde is, in de meeste gevallen veel impact zal hebben op de betrokken personen. Dit blijft, ongeacht het tijdstip waarop dit gebeurt.

Om te voorkomen dat een staandehouding leidt tot onrust op de locatie, is de inzet om te voorzien in een spoedige en zorgvuldige overdracht naar de GGV. Dit heeft tot gevolg dat de betreffende vreemdelingen op dat moment alleen de hoognodige spullen kunnen meenemen en er op dat moment geen gelegenheid is om afscheid te nemen. Dat weegt echter niet op tegen mogelijke beheers- en veiligheidsrisico’s die anders kunnen ontstaan en ik zie hier dan ook geen ruimte voor veranderingen. Overigens worden de overige bezittingen zo snel mogelijk overgebracht naar de GGV. Ook wordt er tijdens het verblijf in de GGV gelegenheid geboden om afscheid te nemen. Bezoek is toegestaan en het personeel probeert hierbij ook op andere manieren te faciliteren, bijvoorbeeld door het mogelijk maken van skype-gesprekken.

https://www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/kamerstukken/2018/11/14/tk-staandehouding-en-inbewaringstelling-gezinnen-met-minderjarige-kinderen/tk-staandehouding-en-inbewaringstelling-gezinnen-met-minderjarige-kinderen.pdf, 14.11.18

Rb: voor ongewenstverklaring  Bosnische 1F-er is toets op actuele bedreiging nodig

Aan de vreemdeling is eerder art. 1(F) van het Vv tegengeworpen en in geschil is of de ongewenst-verklaring van de vreemdeling zich verdraagt met art. 27(2) Verblijfsrichtlijn, waarin staat dat sprake moet zijn van gedrag dat een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt.

De rechtbank stelt ten eerste vast dat art. 1(F) Vv in rechte vaststaat. Voorts wordt overwogen dat het Europees Hof factoren heeft opgenoemd waarbij rekening dient te worden gehouden bij de vraag naar het bestaan van een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving. In het licht van deze voorgeschreven toets wordt geoordeeld dat de conclusie dat reeds vanwege de uitzonderlijke ernst van zijn gedragingen een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving, niet houdbaar is. Niet is immers gebleken dat de mate waarin de vreemdeling persoonlijk betrokken was bij de gedragingen, de historische context waarin deze zich hebben afgespeeld, het gevaar voor recidive, of de toepasselijkheid van uitsluitingsgronden bij de beoordeling is betrokken. Voorts wordt geoordeeld dat de unierechtelijke evenredigheidstoets, zoals volgt uit het arrest niet is uitgevoerd. Evenmin is beoordeeld of eventueel een minder vergaande maatregel kan worden getroffen die even doeltreffend is.

Rb Middelburg (MK) , AWB 15/22024, 13.11.18

Rb: geen medische noodsituatie bij terugkeer van zorgbehoeftige Afghaan

Uit het BMA-advies is gebleken dat diagnostisch bij eiser sprake is van een ontwikkelings-problematiek, een autistiforme stoornis en een vermoeden van een verstandelijke beperking. Eiser staat hiervoor onder medische behandeling. Bij het uitblijven van deze medische behandeling is het aannemelijk dat de klachten zullen verergeren en er meer seksueel overschrijdend gedrag of andere impulsproblematiek zal ontstaan maar wordt geen medische noodsituatie op korte termijn verwacht. Voorts acht het BMA eiser in staat te reizen. Wel zijn er aanwijzingen dat begeleiding door een sociaal psychiatrisch verpleegkundige in verband met een mogelijk risico op (seksueel) overschrijdend gedrag noodzakelijk is. Aanbevolen wordt dat eiser een schriftelijke overdracht van de medische gegevens meeneemt (zoals een ingevuld Europees Medisch Paspoort) en om de medicatie te continueren tijdens de reis en voldoende medicatie mee te nemen om de periode van de reis te overbruggen.

Uit het BMA-advies blijkt dat een woonvorm met dagelijkse begeleiding wordt geadviseerd en dat het wenselijk is om eiser te observeren en monitoren in verband met zijn medicatie. In het BMA-advies is vervolgens overwogen dat eiser een periode een woonvorm met dagelijkse begeleiding heeft gehad maar dat hij is overgeplaatst naar het Asielzoekerscentrum vanwege een schorsing als gevolg van overschrijdend seksueel gedrag. Daarna is eiser ingesteld op medicatie om dit gedrag meer te kunnen hanteren en is een hernieuwde poging voor een begeleide woonvorm gedaan. In het BMA-advies wordt voorts overwogen dat eiser onder behandeling staat van een psychiater. De behandeling bestaat uit medicatie en laagfrequente begeleiding van eiser en advisering aan zorgverleners. De behandeling van de psychische klachten is mogelijk van blijvende aard.

Gelet op de hierboven weergegeven inhoud van het BMA-advies ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het BMA geen rekening heeft gehouden met de specifieke begeleiding die eiser momenteel krijgt. Hoewel de persoonlijk begeleider van eiser, de heer [persoon 1] , blijkens zijn verklaring van mening is dat eiser zonder begeleiding zichzelf zal verwaarlozen en buiten alle sociale kringen zal komen te verkeren waardoor het risico groot is dat zijn psychische toestand zal verslechteren, is hiermee niet aannemelijk gemaakt dat verweerder niet van het BMA-advies mag uitgaan. De heer [persoon 1] is immers geen onafhankelijk deskundige, nu hij een behandelrelatie met eiser heeft. Derhalve kan zijn schrijven niet worden aangemerkt als een contra-expertise.

Gelet op het voorgaande, heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat zijn uitzetting naar Afghanistan vanwege zijn medische problemen in strijd is met artikel 3 van het EVRM noch dat hij in aanmerking dient te komen voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw 2000.

Het beroep is ongegrond.
Rb den Haag NL17.2734, 30.10.18
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2018:13038

RvS: belangenafweging verplicht bij vaststelling verblijfsrecht EU-burger

De staatssecretaris betoogt terecht dat een verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan bestaat indien en zolang de vreemdeling aan de vereisten hiervoor voldoet. Het verblijfsrecht als bedoeld in de Verblijfsrichtlijn is declaratoir en eindigt van rechtswege als een vreemdeling niet meer aan de vereisten voldoet. De vaststelling als zodanig dat een vreemdeling geen verblijfsrecht heeft of heeft gehad, vereist daarom in het systeem van de Verblijfsrichtlijn geen belangenafweging. Volgens de Verblijfsrichtlijn is voor verwijdering van een burger van de Unie nadat is vastgesteld dat deze geen aanspraak op verblijf heeft, wel altijd een belangenafweging vereist. In de Nederlandse implementatie zijn de vaststelling van rechtmatig verblijf en de verwijdering in elkaar geschoven. De vaststelling van de onrechtmatigheid van het verblijf is daarmee ook een verwijderingsmaatregel in de zin van de Verblijfsrichtlijn.

Een richtlijnconforme uitleg brengt daarom met zich dat de staatssecretaris de belangenafweging niet alleen maakt als hij vaststelt dat het rechtmatig verblijf van een burger van de Unie niet langer bestaat en de burger daarbij meedeelt dat hij Nederland moet verlaten, maar ook als hij vaststelt dat een dergelijk verblijfsrecht nooit heeft bestaan en de burger daarbij een dergelijke mededeling doet. Slechts op die manier kan recht worden gedaan aan het uit de Verblijfsrichtlijn voortvloeiende vereiste dat voor de verwijdering een belangenafweging is vereist. De rechtbank heeft daarom ten onrechte geoordeeld dat de staatssecretaris terecht geen belangenafweging heeft gemaakt.

De grief slaagt.

Het hoger beroep is gegrond. 

Dit betekent dat de staatssecretaris alsnog een afweging moet maken tussen de belangen van de vreemdeling en de staat, en daarbij in ieder geval de persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling moeten betrekken, waaronder de omstandigheid dat hij in Nederland, voor zover de Afdeling bekend, nooit een beroep op de bijstand heeft gedaan.

RvS 201800178/1/V3, 7.11.18
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2018:3585
idem RvS 201709348/1/V3, 7.11.18
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2018:3584

Rb: afweging mbt toelating andere kinderen van moeder van NLs kind

Vaststaat dat aan de moeder van verzoeksters een faciliterend visum is verleend om naar Nederland te komen om bij haar Nederlandse dochter te kunnen verblijven.

Uit het het arrest O., S. en L. volgt dat ook moet worden beoordeeld of de weigering om verzoeksters met hun moeder naar Nederland te laten reizen, tot gevolg heeft dat voor haar Nederlandse dochter het effectieve genot van de voornaamste aan haar status als Unieburger verbonden rechten wordt ontzegd, doordat zij gedwongen zou zijn het grondgebied van de Europese Unie te verlaten als haar moeder bij haar dochters in Thailand zou blijven. Daarbij moet de afhankelijkheidsverhouding worden onderzocht tussen verzoeksters en hun moeder. Daarbij komt betekenis toe aan het feit dat hun moeder alleen het gezag over hen heeft, zoals blijkt uit de bij de aanvragen overgelegde Certification letter of authority for child custody.

Verweerder kan daarom niet volstaan met het standpunt dat het de vrije keuze van de moeder van verzoeksters is om in Thailand te blijven of te vertrekken naar Nederland.

Het beroep is gegrond.
Rb Haarlem AWB 18/7929 en 18/7928, 31.10.18
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2018:13277

Rb: mogelijk risico Koerdische dienstplicht ontduiker

In de uitspraak van 3 augustus 2018 (NL18.12993) heeft deze rechtbank overwogen dat het risico dat de vreemdeling als Koerdische dienstplichtige zal worden ingezet in de strijd tegen de Koerden, reëel moet worden geacht. De staatssecretaris had in de overgelegde landeninformatie aanleiding moeten zien om nader onderzoek te verrichten naar de inzet van Koerdische dienstplichtigen. De staatssecretaris heeft geen (kenbare) landeninformatie waaruit een ander beeld naar voren komt ten grondslag gelegd aan zijn besluit. Het bestreden besluit berust niet op zorgvuldig onderzoek en een deugdelijke motivering. Dat de vreemdeling bij terugkeer naar Turkije geen 3 EVRM-risico loopt kan daarom geen stand houden.

Rb Rotterdam, NL18.18632, 6.11.18

Rb: Armenie geen veilig derde land als Armeense nationaliteit onbekend was bij asielzoekster

De rechtbank overweegt dat uit het Individueel ambtsbericht en de daaraan ten grondslag liggende informatie blijkt dat aan de asielzoekster de Armeense nationaliteit is toegekend. Daaraan doet niet af dat zij naar eigen zeggen nog geen nationaliteitsverklaring heeft afgelegd of een eed heeft ondertekend. Zoals de staatssecretaris ter zitting heeft erkend beschikt hij over geen enkele aanwijzing dat de toekenning van de Armeense nationaliteit aan haar bekend is gemaakt. Het enkele vermoeden van de staatssecretaris dat zij met die toekenning wel bekend zal zijn geworden is onvoldoende voor het tegenwerpen dat zij die informatie heeft achtergehouden.

De Afdeling heeft eerder uiteengezet waaraan de tegenwerping dat een land voor een vreemdeling een veilig derde land is moet voldoen. Zo kan de staatssecretaris het derde land slechts tegenwerpen indien die vreemdeling een zodanige band heeft met dat land dat het voor die vreemdeling redelijk zou zijn daar naartoe te gaan. Van een onderzoek naar die hiervoor bedoelde band, die meebrengt dat van haar redelijkerwijs verwacht mag worden naar Armenië te gaan, is de rechtbank niet gebleken.

Rb Zwolle, NL16.3513, 29.10.18

Pagina's