HvJ EU: bij meer terugkeerlanden is non-refoulement-check voor minstens één land nodig

Uit het Adrar-arrest blijkt dat de bewaringsrechter zich er zo nodig ambtshalve van moet vergewissen dat het non-refoulementbeginsel zich niet verzet tegen de verwijdering en de vreemdeling onmiddellijk in vrijheid dient te stellen als dit wel zo is. Er volgt geen automatische vrijlating als de administratieve autoriteit geen refoulementbeoordeling heeft verricht.  

Artikel 3 lid 3 Tri verzet zich niet tegen het opnemen van meerdere landen van bestemming in het terugkeerbesluit. Voor de eerbiediging van het non-refoulementbeginsel volstaat dat de vreemdeling naar ten minste één van de landen van bestemming kan worden verwijderd. Als de vreemdeling niet meewerkt, kunnen er dus meerdere landen van bestemming aangemerkt worden. Terugkeerbesluiten moeten hun feitelijke en rechtsgronden vermelden. Een terugkeerbesluit met meerdere landen van bestemming moet dus de redenen bevatten waarom elk van deze landen wordt genoemd, op grond van feitelijke vaststellingen die zijn gebaseerd op de verklaringen of ander bewijsmateriaal. De vermelding van meerdere landen van bestemming draagt bij aan een doeltreffend terugkeerbeleid indien de vreemdeling niet meewerkt.  

Alleen als het non-refoulementsbeginsel de verwijdering naar alle landen in het terugkeerbesluit tegenhoudt, moet de vreemdeling in vrijheid worden gesteld. Als de vreemdeling niet meewerkt aan de vaststelling van het land van bestemming, kan de rechterlijke beoordeling slechts betrekking heeft op de beschikbare betrouwbare informatie, en zal die beoordeling zo nodig slechts van algemene aard zijn.

HvJ EU C-182/26 (Hardeker), 25.6.26
ECLI:EU:C:2026:518
https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/ALL/?uri=CELEX:62026CJ0182