bezoek ook: www.noo.nl / www.meldpuntvreemdelingendetentie.nl / www.basicrights.nl / www.iLegalevrouw.nl
De wet- en regelgeving voorziet in de mogelijkheid om aan de vreemdeling die niet langer voldoet aan de voorwaarden voor een verblijfsvergunning als slachtoffer mensenhandel om de reden dat het Openbaar Ministerie (OM) heeft besloten niet tot vervolging over te gaan voortgezet verblijf toe te staan, indien zij aannemelijk maakt dat van hem/haar om redenen die rechtsreeks verband houden met mensenhandel niet kan worden gevergd dat zij Nederland verlaat. In deze bepalingen ligt de eis van ‘aannemelijkheid van slachtofferschap’ besloten….
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister onvoldoende kenbaar rekening gehouden met de psychische klachten van eiseres bij de beoordeling van de aannemelijkheid van het mensenhandelrelaas. Ook heeft de minister onvoldoende gemotiveerd op welke punten het relaas van eiseres tegenstrijdigheden bevat. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiseres er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat zij slachtoffer is van mensenhandel. ….
De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat de afwijzing van de aanvraag geen ongerechtvaardigde inbreuk maakt op het privéleven van eiseres. Eiseres heeft een dochter met het downsyndroom en heeft gewezen op het zorgnetwerk – zowel professionele hulpverleners als feitelijke verzorgers – dat om hen heen staat. Ook heeft eiseres gewezen op de jarenlange psychische zorg die zij ontvangt en haar daarmee in verband staande verminderde draagkracht. De rechtbank acht deze zorgstructuur onderdeel van het privéleven van eiseres en haar dochter. De minister had daarom moeten motiveren dan wel onderzoeken of en waarom deze omstandigheden niet maken dat op grond van artikel 8 van het EVRM een verplichting bestaat tot het laten voortzetten van het privéleven in Nederland. Dit is te meer het geval, nu bovengenoemde vorm van handhaven mede is ontstaan door de lange besluitvorming, hetgeen te verwijten is aan de minister.
Tot slot oordeelt de rechtbank dat de minister onvoldoende kenbaar de belangen van de jonge kinderen van eiseres heeft betrokken. … De brief van GGZ Drenthe schetst dat de dochter van eiseres waarschijnlijk wordt uitgesloten van de maatschappij gelet op haar verstandelijke beperking en dat het de vraag is of de zoon van eiseres voldoende aandacht zal krijgen gelet op de zorgen over zijn zusje en de problematiek van eiseres zelf. In dat licht bezien kan de minister eiseres niet onverkort tegenwerpen dat het haar verantwoordelijkheid is om de kinderen aandacht, steun en verzorging te geven die zij nodig hebben om op te groeien en had gemotiveerd moeten worden waarom deze brief het oordeel van de minister niet anders maakt.
Het beroep is gegrond.
Rb Groningen NL25.46660, 3.4.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:7858