Nieuws

Rb: Al Shabaab controleert vaak omliggende dorpen van stad die in handen is van overheid

De rechtbank stelt vast dat het gaat om het dorp [woonplaats] in de provincie [provincie 1] in Somalië. …De rechtbank concludeert dat op alle drie de kaarten te zien is dat de stad [stad] onder controle van ‘ATMIS/Federal Govt. coalition' staat maar dat er een * bij staat. Bij de uitleg hiervan staat dat Al-Shabaab ook verdekte invloeden heeft in de gebieden die onder controle van de federale overheid staan. Daarnaast is [stad] gelegen in een gebied waarvoor ‘Mixed, unclear, and/or local control’ geldt. Gelet op de schaalgrootte van de kaarten en de afstand van 3,1 kilometer tussen [woonplaats] en [stad] is de rechtbank van oordeel dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de woonplaats van eiser enkel onder controle van de federale overheid staat. De stelling van de minister dat het niet aannemelijk is dat Al-Shabaab in [woonplaats] aan de macht is of scholen kon binnenvallen, volgt de rechtbank daarom niet.

De rechtbank vindt ook steun voor dit standpunt in het Algemeen Ambtsbericht6 waarin het volgende staat aangegeven: “Volgens verschillende bronnen koos Al-Shabaab ervoor stedelijke gebieden en de bases van ATMIS die zich daar bevonden niet over te nemen.

De groep gaf er de voorkeur aan af en toe aanvallen te doen om aan wapens en materieel te komen, om zich vervolgens weer terug te trekken in de rurale gebieden. De stedelijke gebieden die in handen van de overheid waren, waren over het algemeen belegerd door Al-Shabaab in de omringende gebieden.”

De minister is er bij de beoordeling van de verklaringen van eiser dan ook ten onrechte vanuit gegaan dat het dorp is gelegen in door de federale overheid gecontroleerd gebied en heeft dus ook ten onrechte tegengeworpen dat het vreemd is dat eiser in het dorp geen vertegenwoordigers van de federale overheid heeft gezien.

Rb Zwolle NL25.34419, 17.4.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9428

Rb: risico’s terugkeer naar Somalië als alleenstaande vrouw beter onderzoeken

De rechtbank overweegt dat de minister in de regel aan alleenstaande vrouwen uit Somalië een asielvergunning verleend. Bij de beoordeling of een vrouw in Somalië als alleenstaand wordt gezien, wordt ten eerste bezien of zij in Somalië een echtgenoot heeft. Ten tweede wordt bezien of er een (groot)familie aanwezig is, waar de vrouw, gelet op haar individuele omstandigheden, voor opvang en bescherming op terug kan vallen. …

De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiseres bij terugkeer niet als alleenstaande vrouw kan worden aangemerkt omdat zij gehuwd is. Eiseres heeft verklaard dat haar echtgenoot naar Kenia is gevlucht in verband met haar problemen. De overige familieleden van eiseres in Somalië betreffen haar moeder, dochter en twee minderjarige pleegkinderen. De rechtbank volgt de minister niet in zijn subsidiaire standpunt dat eiseres voor opvang en bescherming kan terugvallen op deze overige familieleden, omdat daarmee niet gemotiveerd is ingegaan op de individuele omstandigheden van eiseres.

Het beroep is al om het voorgaande gegrond.
Rb Gronignen NL25.49383, 31.3.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:7306

RvS: risico’s terugkeer naar Mogadishu van Somalier uit Saoedi Arabië beter onderzoeken

Betrokkene heeft de Somalische nationaliteit en is geboren in 1999 in Jeddah, Saudi-Arabië. Daar heeft hij tot aan zijn achttiende gewoond. In 2017 is betrokkene vertrokken naar Turkije om daar te studeren. Vervolgens is hij via Rusland en Belarus de Europese Unie binnengekomen. Betrokkene is de zoon van Somalische migranten die behoren tot de Balfaki, een substam die onderdeel is van de hoofdstam Benadiri. Deze stam is gevestigd in de Benadir-regio, waarvan de hoofdstad Mogadishu deel uitmaakt. Betrokkene is zelf nog nooit in Somalië geweest. Hij heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij niet naar Somalië kan, omdat hij vreest voor de regering, Al-Shabaab en andere stammen. De minister heeft Somalië aangemerkt als land van herkomst waarnaar betrokkene geacht wordt terug te keren.

Volgens de minister mag van betrokkene worden verwacht dat hij zich bij terugkeer vestigt in Mogadishu, daar Somalisch leert en een netwerk opbouwt. ….

De rechtbank heeft terecht overwogen dat de minister ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat betrokkene niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in Mogadishu een gegronde vrees voor vervolging heeft of een risico loopt op ernstige schade. Betrokkene heeft verwezen naar het Algemeen ambtsbericht Somalië van juni 2023, waaruit volgt dat vreemdelingen die terugkeren uit Europa, na hun terugkeer gevaar kunnen lopen wegens het ontbreken van sterke clanbanden en/of andere sociale banden. Hoewel de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat, gezien zijn achtergrond, van betrokkene enige zelfredzaamheid mag worden verwacht, heeft de minister zich, gelet op het feit dat betrokkene onweersproken naar voren heeft gebracht dat hij in Mogadishu geen netwerk heeft, onvoldoende rekenschap gegeven van de informatie waarnaar betrokkene heeft verwezen. De minister moet dit motiveringsgebrek in het nieuw te nemen besluit herstellen. Daarbij moet de minister rekening houden met de actuele veiligheidssituatie in Mogadishu.

Hoger Beroep tegen Rb Rotterdam NL22.25109, 14.1.25 ongegrond.
RvS 202500761/1/V2, 22.4.26
ECLI:NL:RVS:2026:2243

WBV 2026/5: beleid staatloze Palestijnen

De IND verleent de vreemdeling geen asiel als hij onder de reikwijdte van artikel 1D Vluchtelingenverdrag valt. Artikel 1D Vluchtelingenverdrag is in de huidige praktijk van toepassing op de (staatloze) Palestijnse vluchteling die onder het mandaat van de UNRWA valt. Het mandaat van de UNRWA is van toepassing op vijf gebieden: Libanon, Jordanië, Syrië, de Westelijke Jordaanoever (de Westbank) en de Gazastrook.

In twee opeenvolgende stappen beoordeelt de IND of een Palestijnse vluchteling, afkomstig uit één van de vijf UNRWA-mandaatgebieden, wordt uitgesloten van vluchtelingschap. Deze stappen zijn:

  1. de Palestijnse vluchteling heeft direct voorafgaand aan of kort vóór het indienen van de asielaanvraag daadwerkelijk de door de UNRWA geboden hulp ingeroepen (of genoten); en
  2. de hulp is opgehouden door redenen buiten de invloed en onafhankelijk van de wil van de vreemdeling.

WBV 2026/5, 20.4.26 in Staatscourant 2026, 14512, 22.4.26
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2026-14512.html

Rb: alleenstaande vrouw niet terug naar Irak

De rechtbank is met eiseres van oordeel dat verweerder zich niet zonder nader onderzoek op het standpunt heeft kunnen stellen dat de ouders van eiseres, die in Egypte verblijven, zich naar Irak kunnen begeven om zich bij eiseres te voegen. Eiseres heeft verklaard dat voor haar ouders een objectieve belemmering bestaat om naar Irak terug te keren. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom hij meent dat de ouders van eiseres wel degelijk naar Irak kunnen terugkeren en dat eiseres bij terugkeer naar Irak dan ook op hen kan terugvallen.

Ook heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat eiseres bij terugkeer kan terugvallen op haar broer. Eiseres en haar broer hebben niet gelijktijdig asiel aangevraagd en hun asielaanvragen zijn afzonderlijk beoordeeld, zodat niet zonder meer vaststaat dat zij tezamen zullen terugkeren.

Beroep gegrond.
Rb Middelburg NL25.49676, 14.4.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9298

Rb: prejudiciele vragen over bescherming in land van herkomst slachtoffer huiselijk geweld

De rechtbank overweegt dat niet in geschil is dat het huiselijk geweld dat eiseres heeft ondergaan als ernstige schade dan wel als daad van vervolging valt te kwalificeren. De rechtbank volgt de minister er niet in dat er goede redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging of die ernstige schade zich niet opnieuw zal voordoen. De rechtbank betrekt hierbij dat er geen enkele indicatie is dat de ex-partner eiseres ook met rust zal laten als zij weer naar Mongolië zou terugkeren, dat er door slachtoffers van huiselijk geweld vaker geen aangifte wordt gedaan en dat het feit dat eiseres pas een jaar na aankomst in Nederland asiel heeft aangevraagd niet afbreuk doet aan haar vrees omdat haar ex-partner in een deel van die periode ook (illegaal) naar Nederland kwam.

De rechtbank volgt de minister er voorts niet in dat er zonder meer vanuit kan worden gegaan dat er voor eiseres binnenlandse bescherming aanwezig is. De Afdeling heeft meermaals overwogen dat als de minister voldoende heeft onderbouwd dat in het land van herkomst bescherming bij de autoriteiten kan worden gevraagd, het aan de vreemdeling is om aan te tonen dat het land voor haar toch niet veilig is. Tegen de achtergrond van het bepaalde in artikelen 7 en 8 van Richtlijn 2011/95/EU, twijfelt de rechtbank of de jurisprudentielijn van de Afdeling stand kan houden. Indien immers vaststaat dat een vrouw bij terugkeer naar het land van herkomst risico loopt op vervolging of ernstige schade door haar ex-man, dan lijkt de jurisprudentie van het HvJ te vereisen dat de beslissingsautoriteit (in casu de minister) juist de effectiviteit van de bescherming in het land van herkomst beoordeelt. Dit lijkt ook voort te vloeien uit artikel 7 van Richtlijn 2011/95/EU. Zulks zou temeer moeten gelden, indien de vrouw reeds tot op zekere hoogte bescherming heeft ingeroepen en die niet effectief is gebleken. De rechtbank stelt daarom de volgende prejudiciële vragen aan het HvJ:

1) Brengt het bepaalde in de artikelen 7 en 8 van Richtlijn 2011/95/EU, c.q. de artikelen 7 en 8 van Verordening (EU) 2024/1347 met zich dat indien de beslissingsautoriteit aan een vreemdeling tegenwerpt dat zij bij terugkeer naar het land van herkomst de bescherming van de autoriteiten en ngo’s van dat land kan inroepen, het op de weg van de beslissingsautoriteit ligt om naast de theoretische beschikbaarheid van die bescherming, ook de effectiviteit ervan te beoordelen, en zo ja, hoe effectief moet die bescherming dan zijn en waar moet deze dan ten minste uit bestaan om met een beroep op artikelen 7 en 8 van Richtlijn 2011/95/EU, c.q. de artikelen 7 en 8 van Verordening (EU) 2024/1347 een asielaanvraag af te wijzen?

2) Maakt het voor het antwoord op vraag 1 nog verschil of de vreemdeling reeds eerder getracht heeft bescherming te verkrijgen, maar die bescherming niet voldoende is gebleken?

3) Mag daarbij van de vreemdeling worden verwacht eerst alle theoretisch beschikbare beschermingsmogelijkheden in het land van herkomst te hebben uitgeput, ook als de reeds gezochte bescherming niet afdoende is gebleken?

Rb Zwolle NL24.35641, 23.4.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9736

RvS: beter rekening houden met zwakbegaafdheid

Uit de door betrokkene overgelegde brieven van een psychiater van Kleur GGZ en van zijn casemanager bij Stichting Here to support / Queer to support volgt dat hij wegens zijn zwakbegaafdheid moeite heeft met lange zinnen, abstract en complex denken, het verwerken van veel informatie tegelijk en het onder woorden brengen van complexe gevoelens en gedachten. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de tegenwerpingen van de minister dat betrokkene summier, oppervlakkig en wisselend over zijn seksuele geaardheid heeft verklaard, mogelijk juist samenhangen met zijn zwakbegaafdheid. Zij heeft daaraan terecht de conclusie verbonden dat de minister ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom gedetailleerdere verklaringen van betrokkene verwacht mochten worden en het besluit daarom terecht vernietigd. De minister moet daarom een nieuw besluit nemen, waarin hij de door betrokkene overgelegde stukken betrekt en hem indien nodig op een aangepaste manier opnieuw hoort.

Hoger beroep tegen Rb Utrecht NL25.5781, 14.11.25 ongegrond.
ABRvS BRS.25.002390, 15.4.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:1998

Rb: documenten in Libie verschillen per machthebber

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet voldoende van vergewist hoe Bureau Documenten tot zijn conclusies is gekomen. De rechtbank baseert haar oordeel op het Algemeen Ambtsbericht over Libië 2023 waaruit blijkt dat Libië wordt gecontroleerd door vele tientallen gewapende groepen die steun geven aan de rivaliserende politieke leiders. De macht ligt dus niet bij één centrale overheid waardoor het vergelijkingsmateriaal van Bureau Documenten mogelijk beperkt of niet geheel representatief is. Gelet op deze situatie heeft de minister het betoog van eiser, dat het arrestatiebevel door de gewapende militie [naam 2] is afgegeven, dan ook niet zonder meer terzijde kunnen schuiven. …

Beroep gegrond.
Rb Amsterdam NL25.56568, 2.4.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:8250

RvS: taalanalyse niet geschikt voor vaststellen nationaliteit

De Somalische vreemdeling stelt dat hij in Ethiopië is geboren en dat hij in 2011 verhuisd is naar Zuid-Somalië. De minister acht de Somalische nationaliteit ongeloofwaardig omdat hij geen documenten heeft en de taalanalyse van TOELT aangeeft dat er geen enkel element wijst op een verblijf in Zuid-Somalië.

De Afdeling overweegt als volgt. De minister heeft ten onrechte zijn standpunt over zijn Somalische nationaliteit gebaseerd op de taalanalyse van TOELT. Volgens de vakbijlage en werkinstructie van TOELT is een taalanalyse geen nationaliteitsonderzoek, maar alleen bedoeld om de herkomst of etniciteit te bevestigen. Aangezien de vreemdeling verklaarde opgegroeid te zijn in Ethiopië (en niet Somalië), en TOELT hem herleidde naar het Somalische deel van Ethiopië, zegt dit niets over de geloofwaardigheid van zijn Somalische nationaliteit.  

Daarentegen heeft de rechtbank ten onrechte van de minister geëist om de verschillen in EU-registraties van zijn nationaliteit nader te onderzoeken. …. Hoewel de minister namelijk erkende dat veel Somaliërs in die periode als vluchtelingen naar Ethiopië vluchtten, blijft het aan de vreemdeling om zijn nationaliteit aannemelijk te maken en is hem dit niet gelukt.

Hoger beroep tegen Rb Arnhem NL24.5168, 11.3.25 gegrond. Beroep ongegrond. 
ABRvS 202501570/1, 15.4.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:2025

Rb: individueel ambtsbericht onzorgvuldig tot stand gekomen en mogelijk extra risico

De rechtbank heeft na het arrest Multan op 12 maart 2026 in een tussenuitspraak bepaald dat verweerder -zelf- kennis moet nemen van de onderliggende stukken van het individueel ambtsbericht en van de stukken die zien op de wijze waarop Buitenlandse Zaken in Pakistan het onderzoek heeft verricht. De rechtbank heeft tevens bepaald dat eiser door tussenkomst van een ‘special advocate’ kennis moet kunnen nemen van al deze stukken. Verweerder heeft medegedeeld dat hij niet zal voldoen aan de tussenuitspraak, zodat de rechtbank nu een einduitspraak doet.

Omdat verweerder niet van de gehele inhoud van het dossier kennis heeft genomen, is de beschermingsbehoefte reeds hierdoor niet grondig genoeg onderzocht en is (het handhaven van) het besluit onzorgvuldig voorbereid en ontoereikend gemotiveerd.

De rechtbank stelt na kennisname van de onderliggende stukken van het individueel ambtsbericht en van de stukken die zien op de wijze waarop Buitenlandse Zaken in Pakistan het onderzoek heeft verricht vast dat de inhoud van het individuele ambtsbericht niet voldoende wordt gedragen door deze stukken, dat niet inzichtelijk is hoe tot de (diverse deel)conclusies is gekomen, dat de vragen van de aanvrager onvoldoende worden beantwoord en dat de methode van onderzoek onvoldoende zorgvuldig en niet volledig is geweest. Dit betekent dat verweerder het individueel ambtsbericht niet ten grondslag kan leggen aan de afwijzing van de opvolgende aanvraag van eiser.

De rechtbank overweegt voorts dat gelet op de wijze waarop het onderzoek in Pakistan heeft plaatsgevonden en zoals dit uit het onderzoeksverslag blijkt, niet kan worden uitgesloten dat het onderzoek op zichzelf, een risico voor eiser bij terugkeer tot gevolg heeft. De rechtbank kan dit thans onvoldoende grondig onderzoeken en kan thans ook niet beoordelen of eiser reeds vanwege deze wijze van onderzoek in aanmerking moet worden gebracht voor internationale bescherming. De rechtbank hecht daarbij nadrukkelijk betekenis aan de omstandigheid dat eiser zijn verdedigingsrechten niet volledig in overeenstemming met het Unierecht heeft kunnen uitoefenen.

Beroep gegrond.
Rb Roermond NL22.10458, 20.4.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9429

Pagina's