bezoek ook: www.noo.nl / www.meldpuntvreemdelingendetentie.nl / www.basicrights.nl / www.iLegalevrouw.nl
Eiser is in 2019 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning bij zijn toenmalige partner. Vervolgens zijn aan zijn zoon en dochter ook verblijfsvergunningen verleend. De minister heeft de verblijfsvergunning van eiser met terugwerkende kracht ingetrokken tot 2021 omdat zijn relatie vanaf die datum was verbroken. Daarnaast heeft de minister aan de kinderen ambtshalve een verblijfsvergunning niet-tijdelijke humanitaire gronden verstrekt. Eiser stelt dat de minister een verblijfsvergunning aan hem dient te verlenen op grond van artikel 8 van het EVRM wegens de uitoefening van het gezinsleven met zijn momenteel meerderjarige zoon en minderjarige dochter. ….
De rechtbank is van oordeel dat de minister bij de belangenafweging in het kader van het recht van eiser op uitoefening van gezinsleven met de dochter onvoldoende rekening heeft gehouden met haar belangen en niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom aan die belangen niet meer gewicht toekomt.
Op de zitting heeft de minister meegedeeld dat niet langer wordt vastgehouden aan het standpunt dat de dochter ervoor kan kiezen om in Nederland te blijven terwijl eiser terugkeert naar Suriname, omdat dan een gezagsvacuüm zou ontstaan gelet op haar minderjarigheid. De intrekking van de verblijfsvergunning van eiser heeft daarom tot gevolg dat de dochter haar vader naar Suriname zal moeten volgen. De rechtbank is van oordeel dat daarmee het aan de dochter toegekende zelfstandige verblijfsrecht wordt aangetast en illusoir wordt gemaakt. …
Daarnaast overweegt de rechtbank dat eiser tijdens de zitting heeft toegelicht dat hij momenteel een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd heeft bij zijn werkgever. Hij werkt in de zorg. De rechtbank is van oordeel dat uit de belangenafweging niet volgt of het feit dat eiser werkzaam is, in het voordeel of in het nadeel van eiser is meegewogen. …
De rechtbank overweegt verder dat de minister ten onrechte de nieuwe relatie van eiser niet bij zijn beoordeling heeft betrokken. …
De rechtbank komt tot de slotsom dat de minister niet alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken.
Het beroep is gegrond
Rb Amsterdam NL25.9215 en NL25.9216, 20.2.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:7231