bezoek ook: www.noo.nl / www.meldpuntvreemdelingendetentie.nl / www.basicrights.nl / www.iLegalevrouw.nl
De Afdeling heeft op 10 juli 2026 geoordeeld dat voor het aanmerken van een land als land van doorreis op basis van de Terugkeerrichtlijn niet is vereist dat vaststaat dat betrokkene toegang heeft tot het grondgebied van dat land. De Afdeling heeft verder ook overwogen dat een removal order niet vrijblijvend is, en dat de autoriteiten moeten onderzoeken of aan hem toegang moet worden verleend, gelet op zijn eerdere doorreis via dat land. …
De rechtbank concludeert al met al dat verweerder er ten onrechte van uitgaat dat eiseres nog in het bezit is van het paspoort en het visum waarmee ze eerder toelating tot het grondgebied van Brazilië verkreeg, dat verweerder er ten onrechte van uitgaat dat het aan eiseres is om aannemelijk te maken dat zij niet zal worden toegelaten tot het grondgebied van Brazilië, dat de removal order geen garantie is voor toelating tot het grondgebied van Brazilië en dat verweerder dus niet aannemelijk heeft gemaakt dat alle voorwaarden voor niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag van eiseres zijn vervuld.
Het beroep is gegrond.
Rb Haarlem NL26.39663 en NL26.39664, 17.8.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:23170
In 2023 heeft eiser de vierde asielaanvraag ingediend. Eiser heeft aan deze aanvraag vier documenten ten grondslag gelegd, zijnde een verklaring van stichting Inlia, een taalanalyse van Sprakab, een rapport UNHCR Position Paper en een uitspraak van de zittingsplaats Roermond van 17 juni 2022. In 2025 heeft bovendien taalanalysebureau Verified gereageerd op de rapporten van Sprakab en TOELT. ….
Eiser stelt dat hij behoort tot de Banyamulenge, dat hij afkomstig is uit Zuid-Kivu en problemen heeft gehad met de Mai Mai en dat zijn asielaanvraag op zwaarwegendheid moet worden beoordeeld….
Aangezien tussen partijen niet in geschil is dat eiser afkomstig is uit Congo, kan worden vastgesteld dat de taal die eiser spreekt hem plaatst in Noord- dan wel Zuid-Kivu. De overige geografische gebieden die in dit citaat worden genoemd bevinden zich immers buiten Congo. …. Aangezien een herkomst uit Zuid-Kivu, en overigens ook een herkomst uit Noord-Kivu, volgens het eigen beleid van de minister moet leiden tot het verlenen van internationale bescherming, maken de taalanalyses de kans aanzienlijk groter dat eiser voor internationale bescherming in aanmerking komt.
Dat de minister onder verwijzing naar een rapport van TOELT nog stelt dat de rapportage van Sprakab niet concludent zou zijn, doet aan het voorgaande geen afbreuk. TOELT baseert zich daarbij namelijk deels op de KIR1-rapportage, die evenwel als gevolg van de uitspraak van rechtbank Roermond van 16 december 2014 niet in de besluitvorming mag worden betrokken. …
Dit brengt met zich dat met de nieuwe overgelegde taalanalyses – op zichzelf beschouwd, maar zeker als deze in samenhang worden bezien met eerder overgelegd bewijsmateriaal – de vaagheden en summiere verklaringen uit 2013 naar het oordeel van de rechtbank afdoende zijn gecompenseerd. De rechtbank stelt daarmee vast dat inmiddels geloofwaardig moet worden geacht dat eiser uit Zuid-Kivu afkomstig is en tot de Banyamulenge behoort.
Rb Zwolle NL24.42991, 19.8.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:23376
De rechtbank begrijpt artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening zo dat dit artikel de lidstaten niet verplicht om de overdrachtstermijn te verlengen als sprake is van gevangenzetting of onderduiking, maar dat dit artikel de lidstaten daartoe de mogelijkheid geeft. Het Nederlands recht bevat geen specifieke regels over verlenging van de overdrachtstermijn. …
De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit voor de verlenging van de overdrachtstermijn met één jaar enkel heeft gewezen op het feit dat eiser gevangen zit. Daarmee voldoet het besluit niet aan de eisen van de Awb. Verweerder mag op grond van artikel 4:82 van de Awb ter motivering van een besluit verwijzen naar een vaste gedragslijn voorzover die is neergelegd in een beleidsregel. Daarvan heeft verweerder aangegeven dat die er niet is. In een dergelijk geval mag een vaste gedragslijn worden gevolgd voorzover de keuze daarvoor bij ieder individueel besluit is gemotiveerd. Uit de toelichting in het verweerschrift blijkt echter niet waarom de gedragslijn in het geval van eiser aanvaardbaar is. De door eiser in beroep genoemde belangen zijn daar immers niet bij betrokken. …. In dit geval is op zitting gebleken dat de behandeling van eisers strafzaak in november op zitting zal plaatsvinden. Hoe verweerder een overdracht voor zich ziet terwijl eisers strafzaak pas wordt behandeld twee maanden na het aflopen van de verlengde overdrachtstermijn is daarmee niet duidelijk.
De beroepsgrond slaagt.
Rb Haarlem NL26.2688, 4.8.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:23880
De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom ten aanzien van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.
Uit het AIDA-rapport van mei 2026 (update 2025) volgt: ‘In practice, many persons subject to Dublin procedures live on the streets or in squats because of the overall lack of places. At the end of 2025, only 20.2% asylum applicants under Dublin procedure this year were accommodated.’ Uit het rapport update 2024 volgt dat van dezelfde groep een jaar eerder nog 29,6 procent werd opgevangen in Frankrijk. Dit is dus een daling van bijna 10 procent.
Voor zover verweerder zich op het standpunt stelt dat eiser kan klagen bij de bevoegde autoriteiten in Frankrijk over het uitblijven van opvang, volgt de rechtbank dit niet. De rechtbank is van oordeel dat verweerder eerst gehouden is onderzoek te doen naar het gedaalde percentage van de groep die opvang krijgt en waar eiser als Dublinterugkeerder toe behoort, voordat van hem kan worden gevergd om te klagen bij de Franse autoriteiten.
Het beroep is gegrond omdat het besluit een motiveringsgebrek bevat.
Rb Haarlem NL26.35581, 17.8.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:23149
Dit IB is zowel van toepassing op aanvragen van voor 12 juni 2026 als aanvragen van na die datum.
De insteek is om niet-ontvankelijk af te doen wanneer de statushouder als zelfredzaam kan worden beschouwd. Verder blijft de IND zaken inhoudelijk afwijzen wanneer dat mogelijk is. Zaken die op één van deze twee manieren kunnen worden afgewezen, kunnen worden opgepakt. Zaken waarbij aanwijzingen zijn dat de aanvraag mogelijk niet kan worden afgewezen op niet-ontvankelijkheid of inhoudelijke gronden, worden gedeprioriteerd. Deze worden vooralsnog aangehouden in afwachting van mogelijke afspraken over terugkeer van deze groep naar Griekenland.
Onbetwist is dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam tot op heden geen enkele actie heeft ondernomen naar aanleiding van de (terug)melding van de minister op grond van artikel 2.34 van de BRP. De erkenning is nog altijd rechtsgeldig het kind is nog altijd als Nederlander geregistreerd in de BRP. …
Als volgens de minister sprake is van een schijnerkenning van het kind, waardoor hij het Nederlanderschap op frauduleuze wijze heeft verkregen, is het aan de minister om de daartoe aangewezen procedure te doorlopen voordat hij zich in het kader van de beoordeling van de hier aan de orde zijnde aanvraag op het standpunt kan stellen dat het kind niet de Nederlandse nationaliteit heeft. Dit is een procedure op grond van de RWN. …
De minister kan niet zelf een verzoek om vernietiging van een erkenning doen als bedoeld in artikel 1:205, tweede lid van de BW. Zo een verzoek is voorbehouden aan het openbaar ministerie. Pas als de civiele rechter de erkenning op verzoek van het openbaar ministerie heeft vernietigd, kan de minister vervolgens onderzoeken of het kind daardoor het Nederlanderschap is verloren.
Zolang die aangewezen weg door de minister niet is gevolgd, dient de minister uit te gaan van de Nederlandse nationaliteit van het kind zoals geregistreerd in de BRP.
De rechtbank hecht er tot slot nog belang aan te benadrukken dat het wettelijk systeem zoals hierboven is beschreven juist bedoeld is om de vaststelling van een schijnerkenning met voldoende waarborgen, zoals het beginsel van hoor en wederhoor, te omkleden. Anders zou een enkel oordeel van de minister dat er sprake is van een schijnerkenning, zonder dat de Nederlandse burger zich daartegen kan verweren, voldoende zijn om in deze procedure vast te stellen dat niet meer hoeft te worden uitgegaan van het Nederlanderschap van het betrokken kind.
Rb Amsterdam NL25.49441, 12.8.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:22675
Met deze werkinstructie wordt duidelijkheid verschaft in welke gevallen een bepaalde arbeidsmarkt-aantekening aangetekend moet worden op de sticker ‘Verblijfsaantekening Algemeen’. Deze sticker houdt verband met de aanvraag om verlening of verlenging van de verblijfsvergunning dan wel met de aanvraag om wijziging van de beperking waaronder de verblijfsvergunning eerder was verleend. Daarom zijn in deze instructie ook de arbeidsmarktaantekeningen opgenomen zoals die op de verblijfsdocumenten staan.
De rechtbank kan verweerder volgen voor zover hij erop wijst dat eiser eerder te kennen heeft gegeven dat hij niet mee wil werken aan terugkeer naar Armenië. Verweerder stelt zich naar oordeel van de rechtbank echter thans ten onrechte op het standpunt dat geen lichter middel kon worden toegepast. De reden hiervoor is dat uit het dossier en ter zitting is gebleken dat eiser inmiddels inziet dat hij moet terugkeren naar Armenië. Ter zitting heeft eiser verklaard dat hij de dag voor de zitting met een medewerker van de IOM heeft gesproken en zijn handtekening heeft gezet om terug te keren met hulp van de IOM. Zijn familie zal op de dag van de zitting ook met de IOM spreken en ervoor tekenen om samen met eiser terug te keren naar Armenië. Eiser wil zich daarom bij zijn familie voegen en samen terugkeren. …
Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond.
Rb Rotterdam NL26.42855, 4.8.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:21758
Eiser heeft de Russische nationaliteit en heeft op Schiphol een asielaanvraag ingediend.
Aan eiser een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000. Na het gehoor is de vrijheidsontnemende maatregel opgeheven, is aan hem toegang tot het Nederlands grondgebied verleend en is de asielaanvraag van eiser ingewilligd….
De rechtbank heeft het beroep van eiser op zitting behandeld. …. Volgens zittingsplaats Amsterdam in haar uitspraken van 17 juli 2026 trekt de minister een grotere verantwoordelijkheid naar zich toe wat betreft het bewaken van de buitengrens dan het Unierecht voorschrijft ten aanzien van mensen die aan de buitengrens een asielwens kenbaar maken. Ten tweede legt de minister een niet door het Unierecht voorgeschreven automatische koppeling tussen het grensbewakingsbelang enerzijds en het opleggen van grensdetentie anderzijds. Ten derde, daarmee verbonden, sluit de minister ten onrechte categorisch de mogelijkheid van het opleggen van een lichter middel uit. Tot slot betrekt de minister ten onrechte standaard niet alle relevante feiten en omstandigheden bij zijn oordeel of het evenredig is om grensdetentie op te leggen. Deze rechtbank onderschrijft de overwegingen van zittingsplaats Amsterdam. Onderhavige zaak is een voorbeeld van een situatie waarin de behandeling van de asielaanvraag zich evident niet leent voor de grensprocedure…..
De rechtbank verricht, gelet op de concrete feiten en omstandigheden, in deze procedure een zogenoemde ‘pre-toets’ en de uitkomst hiervan leidt tot de conclusie dat de grensdetentiemaatregel onrechtmatig is opgelegd. De asielaanvraag van eiser leent zich evident niet voor de behandeling in de asielgrensprocedure. De opgelegde maatregel kan daarmee niet strekken tot het gestelde doel van de maatregel en is reeds hierdoor onrechtmatig. ….
Het karakter van vrijheidsontneming verdraagt zich niet met het verbieden van een pre-toets in een procedure als de onderhavige. … Al het handelen van verweerder, en zeker als dit handelen de vrijheidsontneming van een asielzoeker tot gevolg heeft, moet immers door de rechter kunnen worden gecontroleerd en in een zodanige fase van de procedure dat deze controle ook effectief is in die zin dat een onrechtmatige situatie onverwijld kan worden beëindigd door de rechter.
Het is evident in strijd met het Unierecht om aan een asielzoeker een vrijheidsontnemende maatregel op te leggen uitsluitend vanwege de indiening van een verzoek om internationale bescherming. Dit betekent ook dat het standaardmatig in de asielgrensprocedure behandelen van asielaanvragen die aan de buitengrens worden ingediend, behoudens de resultaten van een te beperkt onderzoek naar de kwetsbaarheid, en het bij wijze van automatisme in grensdetentie nemen van iedere asielzoeker die aan de buitengrens een verzoek indient behoudens dat zelfde te beperkte onderzoek naar de kwetsbaarheden, niet verenigbaar is met het Unierecht.
Rb Roermond NL26.39342, 31.7.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:21600
Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat een vreemdeling aan wie aan de grens de toegang wordt geweigerd en aan wie een vrijheidsontnemende maatregel wordt opgelegd, in het geval dat de vreemdeling geen asiel aanvraagt, niet automatisch aan een advocaat wordt gekoppeld. De vreemdeling wordt met een informatiefolder op de mogelijkheid gewezen om zelf een advocaat in te schakelen.
De rechtbank stelt vast dat deze informatiefolder in de Engelse taal, een taal die eiser machtig is, aan eiser is uitgereikt. Het is aan eiser, indien gewenst, om zelf op zoek te gaan naar een rechtsbijstandsverlener. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met deze toelichting voldoende heeft gemotiveerd dat eiser toegang heeft gehad tot een effectief rechtsmiddel.
Rb Middelburg NL26.43303 en NL26.43305, 7.8.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:22123