Nieuws

Rb: integrale afweging incl non-refoulementscheck nodig bij paspoortvereiste en mvv-plicht

De Afghaanse ambassade heeft aan eiser een verklaring afgegeven dat zonder een tazkera geen paspoort kan worden aangevraagd. De door eiser overgelegde informatie van de Afghaanse ambassade acht de rechtbank dermate concreet, dat verweerder niet zonder meer van de informatie in het Ambtsbericht heeft kunnen uitgaan. Gelet op het bovenstaande heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom eiser niet in aanmerking komt voor vrijstelling van het paspoortvereiste….

De rechtbank oordeelt vervolgens dat verweerder het mvv-vereiste ten onrechte en in strijd met het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel aan eiser heeft tegengeworpen. De rechtbank acht hiertoe van belang dat uit het arrest Yön volgt dat de verplichting om vóór binnenkomst in een lidstaat te beschikken over een visum, niet verder mag gaan dan noodzakelijk is om het daarmee nagestreefde doel te verwezenlijken. Uit het arrest Yön volgt verder dat verweerder alle omstandigheden in hun onderlinge samenhang moet beoordelen. …

De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende alle omstandigheden in samenhang heeft betrokken. Eiser verblijft sinds 2017 in Nederland, is getrouwd met referente die al ruim 25 jaar in Nederland woont en de Nederlandse nationaliteit bezit, en die in zekere mate afhankelijk van hem is. …

Bovendien dient verweerder in alle fasen van de terugkeerprocedure het beginsel van non-refoulement te eerbiedigen. … De rechtbank constateert dat verweerder ten onrechte heeft nagelaten onderzoek te verrichten naar het risico voor eiser op een behandeling in strijd met artikel 4 van het Handvest bij een terugkeer naar Afghanistan en hierbij ten onrechte geen actuele refoulementbeoordeling heeft toegepast met inachtneming van wat eiser heeft aangevoerd.

Rb Middelburg NL25.11394 en NL25.29166, 5.8.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:21909

Rb: afweging verblijf bij (inmiddels overleden) partner, zorgtaken en vrijstelling mvv

Eiseres van Indonesische nationaliteit heeft in 2024 een aanvraag ingediend voor 'verblijf bij partner’. De partner is eind 2024 overleden.
Allereerst heeft eiseres nog procesbelang. Als zij de verblijfsvergunning zou hebben gekregen, zou zij als gevolg van het overlijden van referent in aanmerking kunnen komen voor een verblijfsvergunning niet-tijdelijke humanitaire gronden.

Als bijzondere omstandigheden heeft eiseres aangevoerd dat referent terminaal ziek was, dat zij zorg aan hem verleende, dat zij al sinds 2017 met hem samenwoonde en dat zij al lang in Nederland verbleef. … De rb is van oordeel dat in de gegeven omstandigheden niet van eiseres gevraagd had kunnen worden om de ondersteuning door een derde te laten verlenen. Referent was terminaal ziek, en uiteindelijk is ook gebleken dat zijn ziekte dusdanig ernstig was dat hij daar na een korte periode al aan is overleden. De rb vindt het meer dan logisch dat eiseres de ondersteuning van haar partner in zo'n verdrietige periode niet door een derde heeft laten verlenen.

De rb vindt ook dat het in die situatie niet van eiseres verwacht had kunnen worden om terug te gaan naar haar land van herkomst om een mvv aan te vragen. Daarbij neemt de rb mee dat het aanvragen van een mvv doorgaans langer duurt dan de daarvoor gestelde termijn van drie maanden. 
Beroep gegrond.

Rb Amsterdam, NL25.6355, NL25.6356, 21.7.26

Rb: meerderheidsclan beschermt niet altijd in Mogadishu

De rechtbank is van oordeel dat de minister zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eiser kan rekenen op voldoende bescherming van zijn clan. De rechtbank overweegt dat er verdeeldheid bestaat in de Hawiye-clan, waartoe eiser behoort, en dat de clan is onderverdeeld in supporters en tegenstanders van Al-Shabaab. Eiser heeft daartoe gewezen op een rapportage van Armed Conflict Location & Event Data (ACLED) van maart 2023 en op twee artikelen van de Horn Observer. De minister heeft deze landeninformatie niet bestreden. Daarmee is het betoog dat in [plaats] evenzogoed clanleden van eiser wonen die sympathiek staan tegenover Al-Shabaab niet onaannemelijk. Nu de minister de problemen van eiser met Al-Shabaab geloofwaardig vindt is dan ook niet zonder meer aannemelijk dat eiser zonder hechtere (familie) banden bescherming kan vinden bij Hawiya-clanleden. … Eisers eerdere verblijf van 20 dagen in Mogadishu en de omstandigheden waaronder dat heeft plaatsgevonden geeft de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel, nu eiser daar slechts zeer kort heeft verbleven, alleen contact heeft gehad met zijn onderdakgever en verder niet heeft deelgenomen aan het maatschappelijk leven.

Verder blijkt uit door eiser overgelegde landeninformatie dat Mogadishu slechts in uitzonderlijke gevallen kan worden aangemerkt als beschermingsalternatief. Steeds moet rekening worden gehouden met persoonlijke kenmerken en een redelijk beschermingsalternatief in Mogadishu is daarom slechts in uitzonderlijke gevallen mogelijk - enkel voor alleenstaande en gezonde jonge mannen of kinderloze koppels zonder kwetsbaarheden, die behoren tot een lokale meerderheidsclan en die voldoende mogelijkheden hebben om in hun eigen onderhoud te voorzien. …

De rechtbank is van oordeel dat de minister zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat in geval van eiser sprake is van een dergelijk bijzonder geval waarvoor een beschermingsalternatief in Mogadishu bestaat. …

Uit voorgaande volgt dat het bestreden besluit meerdere motiveringsgebreken kent en dat het daarom moet worden vernietigd. Het beroep is gegrond. 

Rb Arnhem NL25.33138, 31.7.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:21736

Rb: terugkeer naar Eritrea na legale uitreis geen risico, liegen over asielaanvraag mogelijk

De rechtbank volgt verweerders standpunt dat de datum op het uitreisvisum inhoudt dat eiseres voor die datum Eritrea moet hebben verlaten. Na vertrek kan de houder op elk willekeurig moment naar Eritrea terugkeren. Zoals de rechtbank heeft overwogen blijkt nergens uit dat eiseres Eritrea illegaal heeft verlaten. Verder overweegt de rechtbank dat, hoewel uit het AAB blijkt dat een terugkeerder die in het buitenland asiel heeft aangevraagd risico loopt op ondervraging en detentie, van eiseres mag worden verwacht dat zij bij terugkeer ontkent asiel te hebben aangevraagd. Gesteld noch gebleken is dat dit niet van eiseres mag worden verwacht.

De beroepsgrond slaagt niet.
Rb Haarlem NL26.30722 en NL26.30724, 28.7.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:22424

Rb: toelichting intrekkingsprocedure Armeense Syriers ikv gelijkheidsbeginsel

De minister heeft het volgende uiteengezet: In 2013/2014 kwamen er aanwijzingen dat in een aantal zaken van etnische Armenen uit Syrië (en Irak) was verzwegen dat zij ook de Armeense nationaliteit hadden. Naar aanleiding daarvan is door de minister onderzoek ingesteld. Dat is eerst gebeurd door het Belgische Vision systeem te raadplegen waaruit treffers kwamen op basis van persoons-gegevens. In de periode 2015-2016 is besloten om bij een Visiontreffer een standaard voornemen tot intrekking uit te brengen. Bij het uitbrengen van deze voornemens is niet van tevoren (uitvoerig) gekeken naar de individuele dossiers. In de besluitvormingsfase werd, rekening houdend met de zienswijzen, nader onderzocht of de minister daadwerkelijk kon overgaan tot intrekking van de vergunning. Er is geen centrale projectlijst waarop deze zaken eenvoudig zijn terug te vinden. Deze zaken zijn evenmin in Indigo.

Na een Visiontreffer werd er verder onderzoek gedaan, bijvoorbeeld in het land waar het visum was afgegeven. Als een visumdossier werd ontvangen waarin een kopie aanwezig was van het Armeense paspoort waar de Armeense nationaliteit uit bleek, bestond er in beginsel geen aanleiding voor nader onderzoek door de minister en ging hij in principe over tot intrekking van de verleende asielvergunning. Verder kon er eerder via Dienst Terugkeer en Vertrek een onderzoek worden uitgezet bij de Armeense autoriteiten om te verifiëren of de vreemdeling die nationaliteit daadwerkelijk had. Nadat de diplomatieke betrekkingen tussen de minister en de Armeense autoriteiten hierdoor op gespannen voet kwamen te staan, is Dienst Terugkeer en Vertrek gestopt met het toepassen van deze onderzoeksmethode. In enkele zaken is een individueel ambtsbericht uitgezet. Om dat onderzoek op te kunnen starten is toestemming van de vreemdeling vereist. Het waren ook langdurige en kostbare onderzoeken waardoor ook dit instrument niet altijd even geschikt bleek. Naast deze ervaringen met verschillende onderzoeksmethodes, is het streven volgens de minister telkens geweest om proceseconomisch en zo efficiënt mogelijk te voldoen aan de bewijslast. Door tijdsverloop tussen het moment van afgifte van het visum, de Visiontreffer en het moment van nader onderzoek, was hetzelfde onderzoek ook niet altijd mogelijk. Zo waren visumdossiers daardoor soms niet meer beschikbaar ivm de bewaartermijn bij de diplomatieke post. Het was bij een Visiontreffer bovendien niet van meet af aan helder wanneer aan de bewijslast voor intrekking was voldaan. …

De minister heeft alle door eiser ingebrachte 25 zaken uiteindelijk kunnen herleiden tot personen in Indigo en hun zaken beoordeeld. Hieruit is in deze zaken van Syrische personen met de Armeense nationaliteit en een Visiontreffer de volgende lijn te halen.

> Bij de zaken die wel tot een intrekking hebben geleid was in de regel wel een compleet visumdossier ontvangen waardoor wel een persoonsmatch kon worden gemaakt met de treffer in Vision en/of er was sprake van andere informatie op grond waarvan duidelijk werd dat deze personen de Armeense nationaliteit hadden.

> In de andere zaken kon de minister niet voldoen aan de bewijslast voor intrekking van de asielvergunning. Veelal ontbrak er een visumdossier van een of meer personen in het dossier. …. Daarnaast speelde er soms een bijzondere omstandigheid, bijvoorbeeld wanneer één van de gezinsleden overleden was in Nederland of dat er (jonge) kinderen in het gezin waren die al lange tijd (meer dan 5 jaar) in Nederland waren….

De rechtbank stelt vast dat de beroepsgronden van eiser in essentie een beroep op het gelijkheidsbeginsel inhouden, onder verwijzing naar 25 zaken waarin de minister uiteindelijk niet in alle zaken tot intrekking van de verblijfvergunning is overgegaan….

In eerdere uitspraken is kortgezegd geoordeeld dat de minister zijn vaste gedragslijn en het verschil in onderzoeksmethoden voldoende heeft gemotiveerd en dat niet gebleken is dat sprake is geweest van willekeur. …. De rechtbank is van oordeel dat de minister aannemelijk heeft gemaakt dat de overige gevallen waarin de minister niet over is gegaan tot intrekking niet rechtens gelijk, althans vergelijkbaar zijn. Hieruit volgt dat het beroep van eiser op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt.

Rb Amsterdam NL23.32412 en NL23.32413, 12.8.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:22636

Rb: legalisatie door Burundese ambassade zwaarwegender dan negatief BD-oordeel

De rechtbank stelt vast dat voor alle documenten geldt dat Bureau Documenten de conclusies dat de legalisaties (met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid) frauduleus zijn verkregen baseert op de eigen oordeel omdat deze qua verschijningsvorm, opmaak en afgifte afwijken van het beschikbare vergelijkingsmateriaal. De Burundese ambassade heeft aangegeven minutieus onderzoek te hebben gedaan naar de documenten in samenwerking met de autoriteiten die bevoegd zijn tot opmaak en afgifte van de documenten en verklaart dat de documenten authentiek zijn. Niet valt in te zien dat de Burundese autoriteiten over minder vergelijkingsmateriaal zouden beschikken dan Bureau Documenten.

In de reactie gaat Bureau Documenten hier niet op in. Bureau Documenten stelt slechts dat de ambassade niet de juiste technieken heeft gebruikt omdat de ambassade niet beschikte over de originele documenten.

De rechtbank overweegt in de eerste plaats dat uit deze reactie niet duidelijk wordt op welke technieken Bureau Documenten doelt. Daarnaast valt niet in te zien waarom andere technieken, waaronder verificatie bij de tot afgifte bevoegde instanties, niet zouden kunnen leiden tot het oordeel dat de documenten wel authentiek zijn. Daar komt bij dat zoals eiseres er terecht op heeft gewezen dat haar de mogelijkheid is ontnomen om de originele stukken naar de Burundese ambassade te sturen voor nader onderzoek. De documenten liggen namelijk nog steeds bij Bureau Documenten en eiseres kan deze zelf niet opvragen, omdat Bureau Documenten deze enkel aan de minister of aan deskundigen verstuurt. …. Nu er voldoende aanknopingspunten zijn voor twijfel aan de door Bureau Documenten getrokken conclusies en deze niet inzichtelijk en concludent zijn, had de minister deze verklaringen van Bureau Documenten niet aan het bestreden besluit ten grondslag mogen leggen. Deze beroepsgrond slaagt.

Rb Zwolle NL25.44856, 3.7.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:21711

Rb: verhuizingen binnen Somalie leiden tot N-Somalisch taalgebruik in Marka

De rechtbank stelt vast dat de minister aanneemt dat eisers de Somalische nationaliteit hebben, dat tussen partijen niet in geschil is dat eisers geen Zuid-Somalisch dialect spreken en dat de taalanalyse op dat punt ook niet door eisers wordt bestreden. Wel is tussen partijen in geschil of de minister er (met de taalanalist) terecht van uitgaat dat van eisers mag worden verwacht dat zij een Zuid-Somalisch dialect spreken en, nu dat niet het geval is, de herkomst van eisers daardoor niet aannemelijk is.

De taalanalist van het TOELT heeft geconcludeerd dat het Somalisch van eisers in geen enkel opzicht overeen komt met een Somalisch dialect zoals gangbaar is in de regio Shabeellaha Hoose en Benaadir (Zuid-Somalië), maar geheel overeenkomst met het Somalisch zoals dat gangbaar is in de omgeving van Laascaanood (Noord-Somalië). Het Somalisch strookt volgens de taalanalyse dus niet met wat gangbaar is in het door eisers gestelde herkomstgebied.

Eisers hebben tegen de resultaten van het onderzoek geen contra-expertise ingebracht. Eiseres heeft toegelicht dat zij in Zuid-Somalië is geboren, maar ook lange tijd in Noord-Somalië heeft gewoond, waar haar ouders oorspronkelijk vandaan kwamen. Daarom spreekt eiseres, net als haar ouders, Noord-Somalisch. Eiser heeft verklaard dat hij in Noord-Somalië is geboren. Om die reden spreekt ook eiser Noord-Somalisch. Eisers hebben op ongeveer vijf jaar na samen altijd in Zuid-Somalië gewoond en de kleinkinderen hebben hun hele leven in Zuid-Somalië gewoond, maar zij spreken in de omgeving nog hun oorspronkelijke taal, Noord-Somalisch. Zo hebben de kinderen dit ook geleerd. Eisers hebben ook twee kaarten overgelegd van ‘Translators without borders’  waaruit volgt dat in het gebied in Zuid-Somalië waar zij vandaan stellen te komen ook door 22% van de bevolking Noord-Somalisch wordt gesproken. Ook hebben eisers verwezen naar bronnen over de (recente) taalontwikkeling in Somalië…. In de taalanalyse is niet op de kaartjes en de genoemde bronnen ingegaan omdat de minister deze informatie niet heeft voorgelegd aan het TOELT. …

De rechtbank is van oordeel dat de door eisers ingebrachte informatie over de taalontwikkeling in Somalië concrete aanknopingspunten voor twijfel biedt ten aanzien van het rapport van het TOELT. …

De minister heeft de aanvragen ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond.
Zus: Rb Groningen NL26.14239 en NL26.14240, 4.8.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:21732

broer: Rb Groningen NL26.14241, 4.8.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:21733

Rb: verlengingsdatum bepaalt verlengingstermijn UOD

Het overgangsrecht van de AMBV bepaalt dat de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een vóór 12 juni 2026 ingediend verzoek om internationale bescherming, wordt bepaald volgens de in de Dublinverordening vastgelegde criteria. Dit overgangsrecht is niet van toepassing omdat het in deze zaak gaat om de verlenging van de overdrachtstermijn en niet over de vaststelling van de verantwoordelijke lidstaat. Die vaststelling heeft immers al plaatsgevonden.

Het verlengingsbesluit van de overdrachtstermijn dateert van 26 juni 2026, en daarmee ná de inwerkingtreding van de AMBV. Gelet op de onmiddellijke werking van de AMBV is die verordening dus van toepassing.

Rb Utrecht NL26.36897, 3.8.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:22329

Rb: twijfel toegankelijkheid rechtsbijstand Bulgarije nav nieuw AIDA rapport

De rechtbank is van oordeel dat er al geruime tijd zorgen zijn over de situatie in de asielopvang, de omstandigheden in detentiecentra en de toegankelijkheid van rechtsbijstand in Bulgarije. … De rechtbank is, anders dan verweerder, van oordeel dat uit het AIDA-rapport van mei 2026 volgt dat ten aanzien van de toegankelijkheid van rechtsbijstand in Bulgarije sprake is van een wezenlijke verslechtering.

De rechtbank stelt vast dat de rechtsbijstand aan asielzoekers die tot voor kort werd verleend, vanaf 1 januari 2026 c.q. 30 juni 2026 is beëindigd. ... De rechtbank volgt eiser dan ook in de stelling dat hij na zijn overdracht aan Bulgarije een opvolgende asielaanvraag moet indienen en dat hij dan problemen zal ondervinden vanwege het ontbreken van (gratis) rechtsbijstand. Deze verslechtering is niet door de Afdeling in de uitspraak van 17 november 2025 betrokken. … Het standpunt van verweerder dat eiser over die omstandigheden kan klagen bij de Bulgaarse autoriteiten, volgt de rechtbank niet. Het ontbreken van hulporganisaties die rechtsbijstand verlenen, kan immers ook van invloed zijn op de mogelijkheid voor eiser om over deze omstandigheden te klagen.

De beroepsgrond slaagt.
Rb Haarlem NL26.20326 en NL26.20327, 10.7.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:21688

Rb: prejudiciele vragen beoordeling asielverzoek Griekse statushouder na MOB-melding

Verzoeker heeft de Eritrese nationaliteit en heeft in Nederland een verzoek om internationale bescherming ingediend. Verweerder heeft het verzoek niet-ontvankelijk verklaard omdat verzoeker een Griekse asielstatus heeft. Verzoeker heeft inmiddels de opvanglocatie verlaten en de advocaat heeft geen contact meer. Verweerder gaat er van uit dat verzoeker zich nog op het grondgebied van de Unie bevindt. …

Op grond van vaste rechtspraak zou de rechtbank verzoeker vanwege de mob-melding niet-ontvankelijk moeten verklaren. Indien de rechtbank echter het beroep inhoudelijk zou beoordelen, zou de rechtbank vaststellen dat het beginsel van non-refoulement zowel aan de terugkeer naar Griekenland, als aan de terugkeer naar Eritrea in de weg staat en zou de rechtbank verweerder opdragen om aan verzoeker internationale bescherming te verlenen. Dat kan namelijk ook als verweerder niet onverwijld in staat is om een verblijfsvergunning aan verzoeker te geven omdat hij “mob is”.

De rechtbank vraagt het Hof daarom of uit het Unierecht volgt dat de rechtbank bevoegd is om een inhoudelijk oordeel te geven over het bevel om naar Griekenland te gaan en of de rechtbank bevoegd is om een bindende uitspraak te doen over de gegrondheid van het verzoek om internationale bescherming. De rechtbank schorst de behandeling van het beroep in afwachting van het arrest van het Hof.

Rb Roermond NL25.25896, 14.8.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:22813

Pagina's