Nieuws

RvS: medische verklaring behandelaar onvoldoende

Deze zaak gaat over de onderbouwing van de psychische problemen van de echtgenote, die stelt dat haar man niet gemist kan worden voor haar verzorging, en de vraag of de staatssecretaris in de brieven van de behandelaar aanleiding had moeten zien om het BMA om advies te vragen. De rechtbank heeft overwogen dat de brieven van de behandelaar niet nopen tot inschakeling van het BMA.

In de richtlijnen van de KNMG, waarnaar de rechtbank verwijst, staat dat de behandelaar zich bij het geven van informatie op verzoek van derden beperkt tot feitelijke gegevens en bevindingen over de gezondheid van de patiënt. Hierbij kan worden gedacht aan het geven van gestelde diagnoses, feitelijke medische informatie en met medische feiten onderbouwde prognoses met een behandeldoel. Patiënten vragen hun behandelaar ook wel zelf om een geneeskundige verklaring. Deze verklaring bevat veelal een op medische gegevens gebaseerd waardeoordeel over de patiënt en zijn gezondheidstoestand en dient een ander belang dan de behandeling of begeleiding. Het wordt de behandelaar echter afgeraden om zo'n geneeskundige verklaring te geven. De redenen hiervoor zijn onder meer dat het bij zo'n verklaring vaak om een belang van de patiënt gaat dat buiten de deskundigheid en verantwoordelijkheid van de arts ligt en een ander doel dient dan behandeling of begeleiding. Ook is de arts veelal niet op de hoogte van de medische criteria waaraan de instantie die verklaring nodig heeft, de verklaring toetst. Als de vreemdeling meent dat zo'n geneeskundige verklaring toch noodzakelijk is, moet hij een onafhankelijk arts inschakelen die deskundig is op het gebied van de vraagstelling. Hierbij wordt in de richtlijn wel aangetekend dat de grens tussen een waardeoordeel dat de behandeling of begeleiding van de patiënt dient en een waardeoordeel dat dat niet doet, niet altijd scherp is te trekken. Een diagnose wordt niet gezien als een waardeoordeel. Dat geldt ook voor een met medische feiten onderbouwde prognose met een behandeldoel.

Als de behandelend arts in het kader van een procedure over een verblijfsvergunning een geneeskundige verklaring afgeeft die een waardeoordeel bevat, hoeft de staatssecretaris daarin geen aanleiding te zien het BMA onderzoek te laten doen naar de gezondheidstoestand van een vreemdeling. Dit kan anders zijn als de verklaring behalve waardeoordelen ook feitelijke gegevens en bevindingen over de gezondheid van de patiënt bevat. Dit valt immers ook volgens de richtlijnen wèl onder de expertise van de behandelaar. Ook in het protocol van het BMA staat dat zulke gegevens aanleiding kunnen zijn voor het BMA om, wanneer zij daartoe wordt verzocht, een (aanvullend) advies uit te brengen.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat de staatssecretaris in de brieven van de behandelaar terecht geen aanleiding heeft gezien om het BMA in te schakelen of aan te nemen dat voor de vreemdeling en referent een objectieve belemmering bestaat om in Sierra Leone hun gezinsleven uit te oefenen. De brieven bevatten de verklaring van de behandelaar, dat het voor referent niet verantwoord is om een nieuw bestaan op te bouwen in Sierra Leone en dat dit haar zeker binnen drie maanden in een crisis zal doen belanden. Deze verklaring dient geen behandeldoel. Daarbij zijn de conclusies van de behandelaar, net als de conclusie dat het vestigen in Sierra Leone tot ernstige angst- en depressieklachten zal leiden, in het geheel niet onderbouwd met medische gegevens waardoor het onduidelijk blijft waarop de behandelaar zich baseert. Daarmee zijn deze conclusies niet controleerbaar. Bovendien valt de aanname dat het leven in Sierra Leone referent zeker binnen drie maanden in een crisis zal doen belanden buiten de expertise van de behandelaar, nu niet is gebleken dat zij deskundig is op het gebied van de (medische) criteria waaraan zo'n oordeel normaal gesproken wordt getoetst door het BMA.

De grief faalt.
RvS 201903359/1/V2, 17.6.20
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2020:1383

RvS: vergoeding kosten psychische rapportage

De vreemdeling klaagt terecht dat de rechtbank niet heeft onderkend dat voor de vergoeding van de kosten van de door een psycholoog opgemaakte psychodiagnostische rapportage niet is vereist dat die rapportage zelf heeft bijgedragen aan het uiteindelijke oordeel van de rechtbank. De Afdeling heeft eerder overwogen dat de kosten van een deskundige voor vergoeding in aanmerking komen als het inroepen van die deskundige redelijk was en de deskundigenkosten zelf redelijk zijn. De rechtbank heeft in deze zaak ten onrechte niet getoetst of aan die criteria is voldaan, maar de proceskostenveroordeling op dit punt laten afhangen van de vraag of de ingebrachte deskundigenrapportage zélf tot een gegrond beroep heeft geleid.

In de uitspraak van 18 juni 2014 heeft de Afdeling meer in het bijzonder overwogen dat, om te bepalen of het inroepen van een niet-juridisch deskundige redelijk is, in het algemeen als maatstaf kan worden gehanteerd of degene die deze deskundige heeft ingeroepen, gezien de feiten en omstandigheden zoals die bestonden ten tijde van de inroeping, ervan mocht uitgaan dat de deskundige een relevante bijdrage zou leveren aan een voor hem gunstige beantwoording door de rechter van een voor de uitkomst van het geschil mogelijk relevante vraag. Aan dat criterium is in dit geval voldaan. De vreemdeling heeft de psychodiagnostische rapportage laten opstellen om met een contra-expertise inhoudelijk te reageren op het BMA-advies van 2 juni 2017 dat de staatssecretaris had laten opstellen.

Omdat het inroepen van de deskundige in dit geval dus redelijk was en de deskundigenkosten zelf redelijk zijn, heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat de kosten van de psychodiagnostische rapportage niet voor vergoeding in aanmerking komen. De grief slaagt. Het hoger beroep is gegrond. 

RvS 201900091/1/V3, 24.6.20
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2020:1448

RvS: telperiode 10-jr beleid 1F-er met 3EVRM-uitzetbeletsel

Deze uitspraak gaat over de vraag wanneer de 10jr ingaan voor het 3EVRM-uitzetbeletsel, op basis waarvan een 1F’er alsnog een status kan krijgen.

Volgens de staatssecretaris gaat het in gevallen als deze niet om de vraag per wanneer het uitzetbeletsel zich objectief voordoet, maar om het moment waarop een vreemdeling met een door hem ingediende asielaanvraag aannemelijk maakt dat zich dat beletsel voordoet.

De Afdeling heeft in de uitspraak van 23 juli 2015 overwogen dat het beleid in paragraaf C4/3.11.3.4. - nu paragraaf C2/7.10.2.6. - van de Vc 2000 zo moet worden uitgelegd dat voor de termijn van tien jaren moet worden gerekend vanaf de datum van de eerste asielaanvraag die ten grondslag ligt aan het besluit waarin is vastgesteld dat een vreemdeling een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM bij terugkeer naar het land van herkomst. Het is aan een vreemdeling om een asielaanvraag in te dienen op het moment waarop hij meent dit risico te lopen. De datum van de aanvraag (en het verzoek) waarin de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat zich een uitzetbeletsel voordoet, zijn doorslaggevend, niet het uitzetbeletsel als zodanig, zoals ook volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 18 juli 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BB1057, r.o. 2.2.3.

In zijn besluit van 25 april 2019 heeft de staatssecretaris voor het eerst vastgesteld dat de vreemdeling voormeld risico loopt. De staatssecretaris betoogt gelet op het vorenstaande terecht dat het niet van belang is of het uitzetbeletsel zich ook al voordeed voordat de vreemdeling op 19 december 2016 een opvolgende asielaanvraag deed en hem verzocht terug te komen van zijn eerdere besluit. Verder betoogt hij terecht dat het op de weg van de vreemdeling had gelegen om desgewenst eerder een asielaanvraag of een verzoek om heroverweging in te dienen, een beroep te doen op het uitzetbeletsel en dat zelf aannemelijk te maken.

De grief slaagt alleen al daarom.
RvS 201908874/1/V2, 24.6.20
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2020:1446

SvJ&V: pilot Syrische 1F-ers

Het 1F- heronderzoek heeft plaatsgevonden voor mannen met de Syrische nationaliteit, die een asielaanvraag hebben gedaan in de periode januari 2011 tot januari 2016 en die op het moment van de asielaanvraag tussen de 17 en 35 jaar oud waren. Dit betrof in totaal 12.570 ingewilligde asielzaken.

In 63 zaken zijn één of meerdere 1F-signalen geconstateerd. Hiervan zijn nu 55 onderzoeken afgesloten, omdat het onderzoek onvoldoende aanleiding gaf voor een 1F-tegenwerping. In één zaak is aan de vreemdeling een voornemen tot een 1F-tegenwerping uitgebracht en in zeven zaken is het onderzoek nog gaande. Het betreft in deze acht zaken asielaanvragen die gedaan zijn tussen 2014 en 2015. Ter vergelijking kan worden vermeld dat de IND in diezelfde periode (januari 2011-januari 2016) in zeven zaken (mannen tussen de 17 en de 35 jaar van Syrische nationaliteit) artikel 1F heeft tegengeworpen. Dit betroffen allemaal aanvragen uit 2013 en 2014.

Daarnaast lopen er momenteel nog twee 1F-onderzoeken naar Syrische ingewilligde asielzaken die niet gerelateerd zijn aan het project, maar wel binnen de criteria van de herbeoordeling vallen. Deze zaken zijn echter in onderzoek genomen naar aanleiding van arrestaties (en inmiddels strafrechtelijke veroordelingen) op grond van 1F-gedragingen. In deze zaken waren de 1Fsignalen bij de asielaanvraag niet eerder bij de IND bekend. In één van deze zaken is de beschikking onlangs uitgereikt, waarin 1F is tegengeworpen en de asielvergunning is ingetrokken. In deze twee zaken gaat het om asielaanvragen gedaan in 2015.....

Jaarlijks worden door de 1F-unit – op basis van de gehele asielinstroom – gemiddeld ongeveer 100 onderzoeken gestart, waarbij in zo’n 20 zaken een 1F-tegenwerping volgt.

https://www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/kamerstukken/2020/06/30/tk-herbeoordeling-syrische-asielzaken-op-1f-indicaties/tk-herbeoordeling-syrische-asielzaken-op-1f-indicaties.pdf, 30.6.20

SvJ&V: landeninfo zal gedeeld worden

Het aantal TOELT landenberichten bedraagt thans 30 à 40 per jaar en de verscheidenheid aan herkomstlanden waar geen actueel ambtsbericht voor beschikbaar is, is heel groot, in 2018 ruim 70....

Het informatiesysteem van de IND bevat veel door TOELT samengestelde en beheerde landeninformatie uit verschillende bronnen, ook over landen waar niet zoveel asielzoekers vandaan komen. Deze documenten zijn nu nog intern. Op aanbeveling van de ACVZ zal TOELT (nieuwe) documentatie in de regel openbaar maken zodat de transparantie beter geborgd is en de onderliggende methodiek inzichtelijk wordt. Een uitzondering om het bericht niet openbaar te maken zou bijvoorbeeld kunnen zijn als de informatie is te herleiden tot een vreemdeling of als het gaat om informatie waarmee de IND beter in staat is om de geloofwaardigheid van het relaas van een asielzoeker te beoordelen....

https://www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/kamerstukken/2020/07/02/tk-beleidsreactie-acvz-advies-weten-en-wegen/tk-beleidsreactie-acvz-advies-weten-en-wegen.pdf, 2.7.20

 

COA: corona-coulance beëindigd

Voor uitgeprocedeerde volwassen asielzoekers die geen recht op opvang meer hebben, gold tijdelijk een 'corona coulance'. Dit betekende dat we de opvang vanwege het coronavirus niet beëindigden. Het COA heeft de 'corona coulance' inmiddels opgeheven.

https://www.coa.nl/nl/coronamaatregelen-van-het-coa, 15.6.20

Rb: erkenning kind door NLse vader tijdens bigaam huwelijk niet rechtsgeldig

De minister heeft de paspoortaanvraag afgewezen, omdat minderjarige niet staande een rechtsgeldig huwelijk is geboren en daarom niet het Nederlanderschap aan vader kan ontlenen. Aan vader (eiser) is per 20 januari 1999 het Nederlanderschap verleend. Op 1 januari 2000 is eiser in Irak gehuwd met de Iraakse moeder van minderjarige. Minderjarige is in 2006 geboren. Op 19 oktober 2018 is ten behoeve van minderjarige een Nederlands paspoort aangevraagd. Eisers eerdere huwelijk met [A] is op 29 april 2019 door echtscheiding ontbonden.

De Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2017:942, 19.5.17) heeft overwogen dat, indien een kind is geboren uit een huwelijk waaraan naderhand het polygame karakter is ontvallen, het kind niet van rechtswege het Nederlanderschap verkrijgt. Pas na het beëindigen van de bigame situatie kan een erkenning van een kind plaatsvinden op grond waarvan het Nederlanderschap kan worden verkregen.

Er bestaat nog een mogelijkheid om het Nederlanderschap te verkrijgen. Omdat vreemdeling ouder is dan zeven jaar geldt hiervoor dat de biologische band moet worden aangetoond met een DNA-test. Beroep ongegrond.

Rb Den Haag SGR 19/4143, 19.5.20
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2020:5013

Rb: recht op bijstand ook na later ingetrokken negatieve bezwaarbeslissing

Eiseres betwist dat zij niet rechtmatig in Nederland verbleef. Bij brief van 9 augustus 2019 heeft de IND laten weten dat het besluit van 26 september 2018 is ingetrokken en dat opnieuw op het bezwaarschrift zal worden beslist. Bij besluit van 28 augustus 2019 heeft de IND het bezwaar gegrond verklaard en bepaald dat eiseres met ingang van 3 december 2018 rechtmatig in Nederland verblijft. Eiseres stelt dat zij door de intrekking van het besluit van 26 september 2018 weer in de bezwaarfase is beland, waardoor haar recht op een bijstandsuitkering is herleefd.....

Lopende de bezwaarprocedure had eiseres op basis van een procedureel verblijf recht op een bijstandsuitkering. Dit recht op procedureel verblijf is door de beslissing op bezwaar van 26 september 2018 beëindigd. De beslissing op bezwaar van 26 september 2018 is echter op 9 augustus 2018 ingetrokken. Met de intrekking van het besluit van 26 september 2018 is de procedure weer terug gekomen in de bezwaarfase. De bezwaarfase is doorgelopen tot 28 augustus 2019, de datum waarop de IND alsnog op het bezwaar van eiseres heeft beslist. Eiseres had aldus in de periode van 26 september 2018 tot en met 4 oktober 2018 procedureel rechtmatig verblijf. Verweerder heeft derhalve ten onrechte het ontbreken van een geldige verblijfstitel aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd.

Het beroep van eiseres slaagt.
Rb den Haag SGR19/1586, 20.5.20
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2020:4566

SvJ&V: bezetting detentie

Uw Kamer heeft mij gevraagd informatie te verstrekken over het aantal personen in vreemdelingendetentie. In reactie hierop meld ik u dat op peildatum 29 februari circa 440 personen in vreemdelingenbewaring zaten. Op peildatum 25 mei waren dat circa 270 personen: dit betreft circa 260 mannen en circa 10 vrouwen. Op peildatum 25 mei bevonden er zich geen gezinnen met kinderen en amv’s in bewaring.

kamerstuk 19637 nr. 2633, 9.6.20
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-19637-2633.html

Rb: terecht geen kinderpardon want geboren na asielprocedure ouders

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat, omdat eiser is geboren na afronding van het hoger beroep tegen de afwijzing van de eerste en enige asielaanvraag van eiseres, hij niet voldoet aan voorwaarde b zoals gesteld in de Afsluitingsregeling of de daarop geldende uitzondering.

Daarbij acht de rechtbank van belang dat de Afsluitingsregeling begunstigend beleid betreft tot het voeren waarvan verweerder niet op grond van enige internationale of wettelijke verplichting was gehouden. Bij het vaststellen van de criteria van dat beleid heeft verweerder een grote mate van beleidsruimte. Daarbij komt dat het hier niet een van de gestelde voorwaarden betreft, maar een uitzondering op een van de voorwaarden.

Rb Utrecht AWB 19/7952 en AWB 19/3725, 29.5.20
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2020:5056

Pagina's