Nieuws

EHRM Interim Measure: geen Dublinoverdracht Italië van gezin met medische problemen

Het Hof wijst de Nederlandse overheid op de maatregel, genomen onder Rule 39, die inhoudt dat de vreemdeling en haar kinderen niet uitgezet mogen worden voor 4 oktober 2019.

Het Hof vraagt de Nederlandse overheid op basis van Rule 54 (2) (a), om de volgende informatie:

  1. Heeft de Nederlandse overheid (medische) informatie over de vreemdeling en haar kinderen uitgewisseld met de Italiaanse overheid en heeft de Nederlandse overheid zekerheid verkregen van de Italiaanse overheid ter zake de ontvangst van de vreemdeling en haar kinderen en ter zake de daaropvolgende medische zorg (met referentie naar Tarakhel t. Zwitserland en daaropvolgende jurisprudentie)?
  2. Hoe zullen de vreemdeling en haar kinderen worden ontvangen op de plek van bestemming? Waar zullen zij worden opgevangen wanneer zij in Italië zijn?

De overheid wordt uitgenodigd om deze informatie te verstrekken voor 20 september 2019.
EHRM, 46595/19, M.T. t. Nederland, 6.9.19

Rb: recht op onderdak NLs gezin, teruggekeerd uit Engeland

Het Nederlands-Somalische gezin met vier jonge kinderen kwam eind juli terug naar Nederland om bij een vriendin in te trekken. Er zou sinds 2016 sprake zijn van geweldsdreiging. Op het moment dat het gezin in Nederland aankwam is de vriendin van gedachten veranderd. Kort daarna vroegen zij opvang aan in Leiden en Alphen aan den Rijn. Die gemeenten weigerden om opvang te verlenen. Daarop deed het gezin een aanvraag bij de gemeente Almere. Vanaf 2 augustus werd het gezin opgevangen in een buurthuis in Almere en konden zij tijdelijk overnachten in de woning van een medewerker. Zij kon het gezin niet langer onderdak bieden.

De gemeente Almere vindt dat er geen sprake is van een spoedeisende situatie en zag geen aanleiding om een spoedmaatregel te treffen, omdat het gezin onvoorbereid uit Engeland is vertrokken en zelfredzaam zou zijn. Vandaag bleek tijdens de zitting dat de gemeente hier nog onderzoek naar doet. In afwachting daarvan is de rechter van oordeel dat de gemeente nu tijdelijk opvang moet bieden totdat het onderzoek is afgerond en op de aanvraag heeft beslist. Daarbij heeft de voorzieningenrechter de belangen van de kinderen - het gaat om een gezin met vier zeer jonge en kwetsbare kinderen die een groot belang hebben bij onderdak - doorslaggevend geacht.

Rb Utrecht AWB - 19 _ 3082, 23.8.19
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2019:3941

SvBZK: stadspas Amsterdam moet in lijn met vreemdelingenbeleid Rijk

Het voorstel dat in de gemeenteraad van Amsterdam voorligt, gaat over de toepassing van de «Amsterdam Pas». De initiatiefnemers (GroenLinks Amsterdam, BIJ1 en Denk) stellen voor te onderzoeken of de huidige Stadspas kan worden uitgebreid naar een Amsterdam Pas voor álle Amsterdammers, ongeacht papieren. Voor ongedocumenteerden stellen de initiatiefnemers voor ook de mogelijkheden van de pas uit te breiden met «de mogelijkheid tot identificatie met pasfoto en eventueel registratienummer. Hiermee kan toegang tot zorg en veiligheid worden georganiseerd.» In het voorstel zelf is er geen sprake van de benaming «paspoort». Ook heeft deze pas (zoals welke andere stadspas dan ook) op geen enkele wijze de status of waarde van een document zoals bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht.

De verantwoordelijkheid voor de beoordeling en eventuele besluitvorming ten aanzien van dit voorstel ligt primair bij de gemeente Amsterdam. Ik hecht eraan te benadrukken dat maatregelen op het gebied van (onrechtmatig verblijvende) vreemdelingen, ook op lokaal niveau, binnen de kaders van wet- en regelgeving moeten passen en in lijn zijn met het migratiebeleid. Dit geldt in het bijzonder voor het koppelingsbeginsel zoals dat is geformuleerd in artikel 10 van de Vreemdelingenwet 2000. Ten slotte is het van belang dat maatregelen op lokaal niveau in lijn zijn met het terugkeerbeleid van de overheid. Daarom is het van belang dat onrechtmatig verblijf niet wordt gefaciliteerd.

kamerstuk 19637-2523, 20.8.19
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-19637-2523.html

Rb: bij opleggen vreemdelingendetentie te weinig rekening gehouden met situatie kind

De rechtbank overweegt dat volgens de wet een minderjarige juridisch handelingsonbekwaam is. De rechtbank stelt vast dat in de Vw 2000 en bijbehorende regelgeving in het geheel niet is voorzien in specifieke procedurele waarborgen als het gaat om vreemdelingenbewaring van niet-begeleide minderjarigen. De rechtbank acht dit, gelet op het ingrijpende karakter van vrijheidsbeperking en vrijheidsontneming, buitengewoon ernstig omdat dit in strijd is met de rechten van het kind zoals die zijn neergelegd en uitgewerkt in internationale en Europese Verdragen en het Europese recht dat deel uitmaakt van de Nederlandse rechtsorde.

De rechtbank acht het ontluisterend dat, omdat een nationale wettelijke bepaling hiertoe ontbreekt, de autoriteiten die vanuit de vreemdelingenketen, in welke hoedanigheid ook, te maken hebben met niet-begeleide minderjarige vreemdelingen nalaten een vaste handelwijze of protocol te hanteren voor de omgang met niet-begeleide minderjarige vreemdelingen die in lijn is met de rechten van het kind. Ook indien de nationale wetgever in gebreke is met het vastleggen van rechten en waarborgen die specifiek toekomen aan minderjarigen die op vreemdelingrechtelijke gronden worden gedetineerd, heeft te gelden dat de autoriteiten in de gehele vreemdelingenketen gehouden zijn de rechten van het kind zoals die – onder meer – zijn neergelegd in het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind en het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (het Handvest) te eerbiedigen en naleving te waarborgen.

De rechtbank constateert dat in de maatregel die thans ter toetsing voorligt er dermate ernstige gebreken kleven aan de oplegging van de maatregel dat onmiddellijke opheffing van de maatregel zal worden bevolen. Gelet op de ernst van de geconstateerde gebreken en de grove schending van de rechten van het kind, betrekt de rechtbank, ondanks dat dit alles niet is aangevoerd in de gronden van beroep, expliciet het voortraject, het gehoor, de motivering van de maatregel alsook de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring bij haar ambtshalve onderzoek. Ook zal de rechtbank vanwege de ernst van de gebreken een hogere schade-vergoeding toekennen dan de bedragen die normaliter worden toegekend, waarbij de rechtbank uitdrukkelijk overweegt dat dit ook ambtshalve geschiedt en niet op verzoek van eiser.

Rb Den Bosch NL19.18769 en NL19.18836, 19.8.19
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2019:8709

Rb: voor kinderpardon hoeft kind niet tijdens asielprocedure geboren

De voorzieningenrechter overweegt allereerst dat uit de beleidsregel kinderpardon niet valt op te maken dat het desbetreffende kind moet zijn geboren tijdens een lopende asielprocedure, om te voldoen aan voorwaarde b van deze paragraaf. Immers, omschreven is enkel dat het kind – wanneer deze nog niet geboren is – “na de start” van de procedure moet zijn geboren, en niet dat die procedure op dat moment nog open moet staan. De voorzieningenrechter volgt verweerder dan ook niet zonder meer, wanneer hij stelt dat dit vereiste besloten ligt in de bedoelde paragraaf van de Vc.

De voorzieningenrechter gaat ervanuit dat verweerder met dit beleiid beoogt ervoor te zorgen dat vreemdelingen niet ongemerkt en onrechtmatig in Nederland kunnen verblijven zonder een aanvraag voor een verblijfsvergunning in te dienen, en dan na een aantal jaren alsnog aanspraak maken op deze regeling. Van die situatie is in dit geval echter geen sprake. De rechter wijst op de omstandigheid dat verzoekster in april 2013 een aanvraag als bedoeld in artikel 64 van de Vw heeft ingediend in verband met haar zwangerschap. Hierover wordt ook in het primaire besluit gesproken, alsmede over de geboorte van [verzoeker] in juni 2013. [verzoeker] heeft zijn hele leven met zijn moeder in de gezinslocatie verbleven.

Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter voorlopig oordelend niet in hoe verweerder zonder nadere motivering een vereiste kan tegenwerpen dat niet (expliciet) in het beleid is opgenomen. Verweerder heeft zowel in de besluitvorming als ter zitting niet toegelicht waarom de situatie van [verzoeker] anders zou zijn als er na zijn geboorte nogmaals een asielprocedure zou zijn gestart. Verweerder heeft wel aangegeven dat het niet de bedoeling is het opeenstapelen van asielprocedures aan te moedigen. Het bezwaar heeft daarom een redelijke kans van slagen.

Overigens heeft verweerder sinds de geboorte van [verzoeker] tot nu geen uitzettings-handelingen verricht. Het belang van verweerder om verzoekers alsnog uit te zetten weegt daarom minder zwaar dan het belang van [verzoeker] en zijn moeder. Het verzoek zal daarom worden toegewezen

Rb Utrecht AWB 19/3377, 23.8.19
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2019:9055

IND: tijdelijke regeling kinderen met kinderbeschermingsmaatregel

Met ingang van 1 oktober 2019 treedt het 'beleidskader kinderen met een kinderbeschermings-maatregel' in werking. Het beleidskader regelt in welke situaties een (tijdelijke) verblijfsvergunning kan worden verleend aan een minderjarige vreemdeling waarvoor een kinderbeschermingsmaatregel is uitgesproken. Deze verblijfsvergunning is gebaseerd op 'tijdelijke humanitaire gronden'. Of de minderjarige vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning wordt onder andere bepaald door de zwaarte, de duur en de overdraagbaarheid van de opgelegde kinderbeschermingsmaatregel.

Een kind kan in aanmerking komen voor verblijf als er een ondertoezichtstelling is uitgesproken die is opgelegd voor ten minste een jaar en de OTS niet kan worden overgedragen aan een ander land, meestal het land van herkomst. Als de OTS wel kan worden overgedragen aan een ander land, dan komt het kind niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning, omdat er dan vanuit gegaan wordt dat de OTS ook in dat land uitgevoerd kan worden.

https://ind.nl/nieuws/Paginas/Tijdelijke-verblijfsvergunning-kinderen-met-kinderbeschermingsmaatregel.aspx, 26.8.19

Rb: afweging toelating langdurig verblijvende jongvolwassene (26jr) bij legale moeder

Deze jongvolwassene beoogt verblijf bij zijn moeder (referente), die sinds 2015 NLse is.

Verweerder wordt niet gevolgd in zijn stelling dat eiser, doordat hij een aantal jaren bij zijn grootmoeder heeft verbleven vanwege het vertrek van referente naar Nederland, niet altijd feitelijk tot het gezin van referente heeft behoord. De rb neemt hierbij in aanmerking dat eiser in die periode minderjarig was en heeft aangegeven dat zijn moeder hem in deze periode meerdere keren per week belde en zij de belangrijke beslissingen die op hem betrekking hadden nam. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom in dit geval sprake is van een zeer uitzonderlijke situatie op grond waarvan de gezinsband beëindigd zou zijn.

Nu de gezinsband niet als verbroken kan worden beschouwd ligt de stelplicht en bewijslast bij verweerder om tot verbreking van de gezinsband te concluderen. Voor zover verweerder zich beroept op de relatie van eiser met zijn vriendin als onderbouwing van een verbreking van de gezinsband, is het besluit niet deugdelijk gemotiveerd. Niet iedere relatie van een jongmeerderjarige is een contra-indicatie voor het aannemen van een feitelijke gezinsband tussen hem en zijn ouders. Gelet op het arrest Butt  staat eisers leeftijd (26 jaar) er niet aan in de weg om te worden aangemerkt als jongvolwassene. Uit dit arrest volgt immers dat geen sprake is van een strikte leeftijdsgrens voor dit beleid.

De keuze om naar Nederland te komen en hier te verblijven zonder verblijfsrecht is in de eerste plaats de keuze van referente. Ook overweegt de rb dat verweerder de omstandigheid dat eiser bij binnenkomst in Nederland aan de voorwaarden voldeed voor het verlenen van een verblijfsvergunning voor verblijf bij zijn moeder, bij de belangenafweging had dienen te betrekken.

Verweerder heeft niet onderzocht of bij terugkeer naar Kaapverdië mogelijk sprake zal zijn van 'social and professional difficulties', zoals in het arrest Butt. Eiser verblijft inmiddels bijna dertien jaar in Nederland. In deze periode heeft hij banden opgebouwd met Nederland en zijn de banden met Kaapverdië afgenomen. Dat eiser bekend is met de taal en cultuur van zijn land van herkomst en dat hij daar familie heeft, is onvoldoende om aan te nemen dat geen sprake zal zijn van 'social en professional difficulties'. Verweerder dient dat nader te motiveren.

De rb verwijst tot slot naar de EHRM-zaak A.A. - VK. Verweerder heeft niet een geïntegreerde beoordeling onder art. 8 EVRM toegepast, maar onderscheid gemaakt tussen familieleven en privéleven en zich bovendien op het standpunt gesteld dat er privéleven is, maar dat in dat kader opgebouwde sociale netwerk inherent is aan een verblijf van meerdere jaren in Nederland. Verweerder heeft ten onrechte niet bij de belangenafweging betrokken dat dit sociale netwerk tevens ziet op de persoonlijke banden met referente en onvoldoende gemotiveerd welk gewicht aan die banden toekomt. Beroep gegrond.

VK Rb Amsterdam, AWB 19/164, AWB 19/165, 26.7.19

Rb: oordeel persoonlijke omstandigheden nodig bij verzoek vrijstelling mvv

De rechtbank concludeert dat verweerder dient over te gaan tot een inhoudelijke beoordeling van een in Nederland ingediende aanvraag om een verblijfsvergunning voor gezinshereniging, ook al wordt niet aan het mvv-vereiste voldaan. De aanvrager dient dan wel om vrijstelling van het mvv-vereiste te hebben verzocht vanwege bijzondere, persoonlijke feiten en omstandigheden. Wanneer vervolgens blijkt dat eiser aan de materiële vereisten voor gezinshereniging voldoet dient verweerder die omstandigheid in combinatie met de door eiser aangevoerde bijzondere, persoonlijke feiten en omstandigheden, die wellicht op zichzelf genomen niet voldoende zijn voor vrijstelling van het mvv-vereiste, in zijn beoordeling te betrekken of de vreemdeling in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste.

Verweerder heeft in onderhavige aanvraag de door eiser aangevoerde bijzondere, persoonlijke feiten en omstandigheden weliswaar betrokken bij de beoordeling van de vraag of eiser in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste, maar heeft ten onrechte niet beoordeeld of het, gelet op deze omstandigheden, onevenredig bezwarend zou zijn om vast te houden aan het mvv-vereiste, indien hij daarnaast aan alle materiële vereisten zou voldoen. Verweerder heeft immers in het geheel niet beoordeeld of eiser aan de materiële vereisten voldoet. Door dit na te laten, heeft verweerder het bestreden besluit ondeugdelijk gemotiveerd. Het beroep van eiser is daarom gegrond.

Rb den Haag AWB - 19 _ 4080, 16.8.19
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2019:8906

Rb: geen algemene onveiligheid Soedan

De staatssecretaris heeft toegelicht dat hij de huidige situatie in Soedan heeft beoordeeld en daarin geen aanleiding heeft gezien het landenbeleid t.a.v. Soedan aan te passen. Hij heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat door het afzetten van Al-Bashir geen sprake is van een dermate verslechterde situatie in Omdurman, dat dit niet langer als vestigingsalternatief kan worden tegengeworpen. De landeninformatie waar de vreemdeling naar verwijst laat bovendien zien dat er ook sprake is van positieve zaken.

Rb Haarlem, NL19.16243, 13.8.19
(NB: nieuw ambtsbericht Soedan verwacht in oktober)

Rb: erkennning door niet-biologische vader (NLer) blijft in stand ivm gevolgen voor kind

1. Onvoldoende is komen vast te staan dat sprake is van een schijnerkenning. Uit de overgelegde stukken en de verklaringen van de man en de vrouw ter zitting is onvoldoende gebleken dat de man het kind enkel heeft erkend om ervoor te zorgen dat het kind de Nederlandse nationaliteit zou verkrijgen en de vrouw dan een afgeleid verblijfsrecht zou krijgen. Zowel de man en de vrouw hebben verklaard dat zij elkaar in de kerk hebben ontmoet en een affectieve relatie met elkaar zijn aangegaan. Zij hadden het voornemen om met elkaar in het huwelijk te treden. De man en de vrouw verklaren dat de man vanuit dat oogpunt het kind heeft erkend. Dat het huwelijk niet is doorgegaan en dat partijen ook niet hebben samengewoond, maakt niet dat kan worden vastgesteld dat sprake is van een schijnerkenning. Het verzoek van het OM zal op deze grond dan ook niet worden toegewezen. 

2. Verder stellen zowel het OM als de bijzondere curator dat het in het belang van het kind is dat de feitelijke situatie in overeenstemming wordt gebracht met de juridische situatie. Dit pleit ervoor om de erkenning van het kind door de man te vernietigen. Ter zitting is echter ook gebleken dat zowel het OM als de bijzondere curator er niet mee bekend zijn wat de gevolgen van deze vernietiging zijn m.b.t. de nationaliteit van het kind, alsmede het verblijfsrecht van de vrouw. Mocht de vernietiging van de erkenning tot gevolg hebben dat het kind staatloos wordt, dan behoudt het kind o.g.v. art. 14 lid 8 Rijkswet op het Nederlanderschap haar nationaliteit. Het is echter ook mogelijk dat het kind a.g.v. de vernietiging van de erkenning de Surinaamse nationaliteit herkrijgt, waardoor de vrouw haar verblijfsrecht verliest. In dit geval zouden het kind en de vrouw moeten terugkeren naar Suriname. Het is onzeker wat de gevolgen zijn van de vernietiging van de erkenning m.b.t. de nationaliteit van het kind, die grotendeels is opgegroeid in Nederland. De onzekerheid is niet in het belang van het het kind.

Om die reden is het belang dat het kind heeft bij het behoud van de Nederlandse nationaliteit groter dan het belang om de feitelijke situatie in overeenstemming te brengen met de juridische situatie. Daar komt bij dat het erkennen van een kind geen waarheidshandeling is, zodat ook het feit dat de man niet de biologische vader van het kind is niet per se leidt tot de noodzaak van vernietiging van de erkenning. Uit de verklaringen van de vrouw blijkt dat het kind op dit moment geen hinder ondervindt van het feit dat sprake is van een erkenner die niet haar verwekker is, ook heeft zij geen last van het feit dat zij een andere achternaam draagt. Wijst de verzoeken van het OM en de bijzondere curator af.

Rb Midden-Nederland, C/16/461250/FORK 18-879, 17.7.19

Pagina's