Nieuws

EHRM: beter onderzoek nodig naar beschikbare ambulante psychiatrische hulp in Turkije

The applicant, a Turkish national, entered Denmark in 1991, at the age of six, with his mother and four siblings for family reunification with his father. In 2007, he was sentenced to 7 years imprisonment for assault under highly aggravating circumstances, resulting in the death of the victim. His expulsion to Turkey was subsequently ordered.

During appeal proceedings, he underwent psychological evaluations and was transferred to a secure residential institution for the severely mentally impaired. The applicant's guardian requested a review of the expulsion order on the basis of his mental state. The High Court reversed a positive initial decision of the City Court on the basis that the applicant could access to the same medical treatment for free in Konya, his region of origin. The applicant subsequently complained that his return to Turkey would be in violation of Article 3 of the Convention.

The Court reiterated its position in previous case law regarding the factors to be taken into consideration when assessing exceptional removal cases related to a naturally occurring illness covered by Article 3 ECHR. The authorities in the returning State must verify on a case-by-case basis whether the care generally available in the receiving State is sufficient and appropriate in practice for the treatment of the applicant's illness so as to prevent him or her being exposed to treatment contrary to Article 3. They must also consider, inter alia: the extent to which the individual in question will have access to this care and related facilities in the receiving State, including the distance the patient will need to travel; the cost of medication and treatment; and the existence of a social and family support network.

The Court affirmed that a follow-up and control scheme was essential for the applicant's psychological outpatient therapy and for the prevention of any degeneration of his immune system, a potential side effect of his medication. For that reason he would, at least, need assistance in the form of a regular and personal contact person. The Danish authorities ought to have assured themselves that, upon his return to Turkey, such assistance would have been available to the applicant. Accordingly, the Court found it was unclear whether the applicant had a real possibility of receiving the relevant psychiatric treatment, including the necessary follow-up and control in connection with intensive outpatient therapy, if returned to Turkey. That uncertainty raised serious doubts as to the impact of removal on the applicant. When such serious doubts persisted, the returning State had to either dispel such doubts or obtain individual and sufficient assurances from the receiving State, as a precondition for removal, that appropriate treatment would be available and accessible to the persons concerned so that they did not find themselves in a situation contrary to Article 3.

EHRM Savran v Denmark (Application No. 57467/15), 1.10.19
http://hudoc.echr.coe.int/eng?i=001-196152

Rb: verblijf vader bij NLs kind; rapport Raad voor Kinderbescherming wijst op belang voor kind

Naar het oordeel van de rechtbank dient het rapport van de Raad voor Kinderbescherming te worden beschouwd als een deskundigenadvies aan verweerder ten aanzien van de beoordeling van de afhankelijkheidsverhouding tussen eiser en [kind] .

Het standpunt van verweerder in zijn verweerschrift van 9 augustus 2019, dat volgens het arrest Chavez-Vilchez doorslaggevend is de vraag of sprake is van een zodanige afhankelijkheids-verhouding tussen de ouder en het kind, dat het kind gedwongen zou zijn het grondgebied van de Europese Unie te verlaten als aan de ouder verblijfrecht wordt geweigerd, is naar het oordeel van de rechtbank niet helemaal in overeenstemming met het beleid van verweerder. In het beleid is immers de wijze van beoordeling van de afhankelijkheidsverhouding nader ingevuld, waarbij verweerder in het bijzonder de omstandigheid betrekt van het risico dat voor het evenwicht van het kind zou ontstaan als het van de vreemdeling zou worden gescheiden. De rechtbank is van oordeel dat de Raad over deze omstandigheid een heldere conclusie heeft getrokken, dat verweerder niet zonder deugdelijke motivering naast zich neer kan leggen.

Daarnaast heeft eiser, anders dan verweerder heeft gesteld, in de bezwaarfase wel degelijk relevante nieuwe omstandigheden naar voren gebracht. Eiser heeft immers in bezwaar aangevoerd dat hij inmiddels vanuit Den Haag naar Enschede is verhuisd om dichter bij zijn dochter te wonen, dat hij daar werk heeft gevonden en meer financiële ruimte heeft om bij te dragen in het levensonderhoud van zijn dochter. Dit is een relevante omstandigheid, gelet op het feit dat de Raad in haar rapport nog heeft vermeld dat de grote reisafstand van eiser (Den Haag – Zutphen) de omgang praktisch gezien bemoeilijkt.

Het beroep is gegrond en het bestreden besluit zal worden vernietigd.
Rb Arnhem AWB 18/9252, 16.9.19
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2019:10055

HvJ EU: EU-kind ook verblijfsrecht als niet-EU-ouder hem met illegale inkomsten onderhoudt

Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:
Art.7, lid 1, onder b, van richtlijn 2004/38/EG betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, moet aldus worden uitgelegd dat een minderjarige Unieburger ook over voldoende bestaansmiddelen beschikt om te voorkomen dat hij tijdens zijn verblijf een onredelijke belasting vormt voor het socialebijstandsstelsel van het gastland, als deze bestaansmiddelen afkomstig zijn van de inkomsten die zijn vader, een derdelander die in dat gastland niet beschikt over een verblijfs- en arbeidsvergunning, verwerft uit arbeid die op onrechtmatige wijze wordt verricht.

HvJEU, C-93/18 (Bajratari), 2.10.19
https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=ecli:ECLI:EU:C:2019:809

Rb: uitzoeken of verblijf bij NLs kind in Italie mogelijk is

Aanvraag tot afgifte van een verblijfsdocument EU/EER voor verblijf bij zijn minderjarige dochter (referente), die de Nederlandse nationaliteit heeft, afgewezen.

De Rb overweegt dat verweerder ten onrechte niet heeft gereageerd op de door eiser aangevoerde omstandigheden, op basis waarvan hij stelt dat de Italiaanse autoriteiten aan referente geen rechtmatig verblijf zullen verlenen. Als zij eiser niet naar Italië kan vergezellen kan het zijn dat zij door haar gestelde afhankelijkheid gedwongen wordt zich met hem buiten de EU te vestigen. In dat geval zou eiser toch een verblijfsrecht in Nederland kunnen ontlenen aan het arrest Chavez-Vilchez (HvJEU 10 mei 2017)

Beroep gegrond.
VK Rb Utrecht, AWB 19/2704, AWB 19/2703, 29.8.19

Rb: afweging belang kinderen met zelfstandig verblijfsrecht voor verblijf moeder

Eiseres heeft verschillende verblijfsrechtelijke procedures doorlopen sinds 2003 en is nimmer in het bezit geweest van een verblijfsvergunning. Zij verblijft bij haar minderjarige kinderen die in Nederland zijn geboren. Ze hebben de Nigeriaanse nationaliteit en sinds 2018 in het bezit van een zelfstandig verblijfsrecht. In geschil is de vraag of verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de belangenafweging in het nadeel van eiseres uitvalt en dat er geen sprake is van schending van art. 8 EVRM indien aan eiseres een verblijfsrecht wordt geweigerd. De Rb heeft bij uitspraak van 21 maart 2019 reeds geoordeeld dat verweerder niet alle relevante feiten en omstandigheden bij de beoordeling heeft betrokken.

Het standpunt van verweerder, dat de reactie van de kinderen op de keuze van eiseres een onzekere toekomstige, en derhalve speculatieve gebeurtenis is, valt niet te rijmen met de door hem niet betwiste conclusie uit het orthopedagogisch rapport dat een scheiding tussen eiseres en haar kinderen zeer schadelijk voor de kinderen is. Gelet hierop heeft verweerder niet in de belangenafweging betrokken wat de gevolgen zouden kunnen zijn voor de kinderen als eiseres gedwongen zou worden Nederland te verlaten, terwijl de kinderen in het bezit zijn van een zelfstandig verblijfsrecht. Verweerder erkent dat de gevolgen voor de kinderen zeer ernstig zijn maar motiveert niet welk gewicht daaraan in de belangenafweging wordt toegekend. Het ingenomen standpunt dat een scheiding een eigen keuze van moeder is waar verweerder buiten staat is daartoe onvoldoende en voldoet geenszins aan de door deze Rb gegeven opdracht. Verweerder heeft het bestreden besluit dan ook ontoereikend gemotiveerd.

De Rb merkt bovendien op, dat indien verweerder het orthopedagogisch rapport onvoldoende vindt om uitvoering te geven aan de opdracht van de Rb, verweerder nader onderzoek dient te doen naar de gevolgen voor de kinderen bij een gedwongen uitzetting van eiseres.

Beroep gegrond.
VK Rb Amsterdam, AWB 19/3180, AWB 19/3181, 3.9.19

RvS: mogelijk wel risico politiek aktieve Koerd bij terugkeer naar Turkije

De vreemdeling klaagt terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris zijn besluit voldoende heeft gemotiveerd. In het besluit staat dat, gelet op de ongeloofwaardig geachte elementen, de vreemdeling op geen enkele manier aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de negatieve belangstelling staat van de Turkse autoriteiten wegens zijn deelname aan een demonstratie in Den Haag die op de Turkse televisie is uitgezonden. Mede gelet op de inhoud van het overgelegde rapport van de United Kingdom Home Office van augustus 2018 over de situatie in Turkije en het overigens verhandelde ter zitting bij de Afdeling, heeft de staatssecretaris in het besluit niet deugdelijk gemotiveerd dat de activiteiten van de vreemdeling in Nederland te marginaal zijn om aannemelijk gemaakt te achten dat de Turkse autoriteiten hem aanmerken als een politiek actieve Koerd en dat hij om die reden in de negatieve belangstelling van die autoriteiten is gekomen. De staatssecretaris heeft daarom onvoldoende gemotiveerd dat de vreemdeling geen gegronde vrees voor vervolging of geen reëel risico loopt op ernstige schade.

De grieven slagen. Het hoger beroep is gegrond.
RvS 201903320/1/V2, 26.9.19
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2019:3284

SvJ&V: nog geen wijziging asielbeleid Syrie; nieuw ambtsbericht voorjaar 2020

Het ambtsbericht geeft mij geen aanleiding om het thans geldende beleid voor asielzoekers uit Syrië aan te passen. Dit betekent dat bij de beoordeling van een aanvraag voor een asielvergunning voor bepaalde of onbepaalde tijd het uitgangspunt is dat de vreemdeling bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade. Een uitzondering hierop vormt een vreemdeling waarvan is gebleken dat hij een actieve aanhanger is van het regime.

Vanaf de zomer van 2015 was sprake van een zeer hoge instroom van vreemdelingen uit Syrië. Dit betekent dat voor een groot aantal Syrische vreemdelingen de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, verleend voor de duur van vijf jaar, in de tweede helft van 2020 afloopt. Het aantal verblijfsvergunningen voor bepaalde tijd van vreemdelingen met de Syrische nationaliteit dat in 2020 afloopt, bedraagt circa 30.000 . Ik blijf de situatie in Syrië nauwgezet volgen en heb het ministerie van Buitenlandse Zaken gevraagd om in de eerste helft van 2020 een algemeen ambtsbericht op te stellen, op basis waarvan het landenbeleid ten aanzien van Syrië opnieuw zal worden beoordeeld. Bij de beoordeling van het landenbeleid wordt tevens standaard het beleid van de ons omringende lidstaten betrokken.

kamerstuk 19637 nr. 2532, 3.10.19
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-19637-2532.html

Rb: UNHCR-rapport mbt veiligheid Sunnietische moslims in Mosul meewegen

In geschil is de vraag of de vreemdeling kan terugkeren naar Mosul aangezien er niet langer sprake is van een 15c-situatie en indien dit niet het geval is moet er worden beoordeeld of Bagdad een binnenlands vestigingsalternatief kan zijn. De vreemdeling heeft aan het beroep ten grondslag gelegd dat de staatssecretaris er niet langer vanuit kan gaan dat er voor hem sprake is van een binnenlands vestigingsalternatief in Bagdad. Daarnaast kan ook niet van hem gevergd worden dat hij naar Mosul kan terugkeren aangezien zijn familieleden tijdens de bezetting van Mosul door IS zijn gevlucht. De vreemdeling wijst op een rapport van UNHCR van 1 mei 2019 waaruit blijkt dat mannelijke strijdbare soennitische Arabieren, afkomstig uit (voormalig) IS-gebied, afhankelijk van de omstandigheden van hun geval, in aanmerking dienen te komen voor bescherming op grond van het Vluchtelingenverdrag.

De rechtbank stelt vast dat sinds de eerdere afwijzende besluiten op de aanvragen van de vreemdeling er sprake is van een gewijzigde situatie in Irak aangezien er door de inwerkingtreding van WBV 2018/8 niet langer wordt uitgegaan van de omstandigheid dat in Mosul sprake is van een 15c-situatie. Daarnaast blijkt uit het UNHCR rapport dat de vreemdeling tot een bepaalde categorie behoort die voor een vluchtelingenstatus in aanmerking komt. Volgens de rechtbank heeft de staatssecretaris onvoldoende gemotiveerd waarom het rapport van UNHCR niet als nieuw element kan worden aangemerkt. De tegenwerping dat niet duidelijk is waarom de vreemdeling nu moet worden gezien als strijdbare soennitische Arabier en dat hij dit eerder naar voren had kunnen brengen volstaan niet. Daarnaast is er onvoldoende gemotiveerd weerlegd dat de gelieerde familie met de Baath-partij niet als relevant ground kan worden gezien in de zin van voornoemd UNHCR-rapport. De staatssecretaris heeft daarnaast in het licht van de vermelde criteria in het voornoemd UNHCR-rapport evenmin voldoende onderzoek gedaan naar het binnenlands vestigingsalternatief Bagdad en heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als niet-ontvankelijk.

Beroep gegrond.
Rb Haarlem, NL19.19478, 19.9.19

EHRM: IM voor Afghaanse Hazara die lang in Iran woonde

Het EHRM heeft vragen gesteld aan Finland over een mogelijke schending van o.a. artikel 3 EVRM in de zaak van een Afghaanse jongeman, behorend tot de Hazara. Hij is verhuisd van Afghanistan naar Iran toen hij vijf was en heeft tot zijn vijftiende bij zijn pleegouders in Iran gewoond. Hij bleef alleen achter in Iran nadat zijn pleegvader vluchtelingenstatus kreeg in de VS en zijn pleegmoeder overleed. Hij heeft tot twee keer toe een asielaanvraag gedaan maar deze is beide keren afgewezen. Hij klaagt bij het Hof dat hij onder meer bijzonder kwetsbaar is vanwege psychische problemen die zouden zijn toegenomen als gevolg van een verkrachting in Iran in 2015. Ook voert hij aan dat hij niet terug kan omdat hij geen werk, familie of ander netwerk heeft in Kabul en bijna zijn hele leven in Iran heeft gewoond.

EHRM, nr. 42255/18 (M.H. v Finland), 2.9.19

Rb: IND moet documenten beoordelen, ook als BD geen referentiemateriaal heeft

Het gaat in deze zaak om twee oproepen van de politie. Tussen partijen is niet in geschil dat dit originele documenten betreffen die eiser, gezien de datum, niet in de eerdere procedures heeft kunnen overleggen. Ook is niet in geschil dat Bureau Documenten de echtheid niet heeft kunnen vaststellen vanwege het ontbreken van referentiemateriaal, eiser geen contra-expertise heeft laten uitvoeren en dat verweerder bij de beoordeling deze documenten vervolgens ter zijde heeft geschoven nu de authenticiteit niet kan worden vastgesteld.

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) is geen sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden, indien de authenticiteit van de stukken waarmee de desbetreffende vreemdeling de door hem gestelde nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden wil aantonen niet is vastgesteld (zie onder meer de uitspraak van 23 mei 2011 in zaak nr. 201007949/1/V2). Het is aan de vreemdeling om de authenticiteit van de aan zijn opvolgende aanvraag ten grondslag gelegde documenten aan te tonen (zie onder meer de uitspraken van 8 oktober 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BB5763, 7 april 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BM0709 en 23 mei 2011, ECLI:NL:RVS:2011:4709). Verweerder kan de vreemdeling daarbij tegemoet komen door zelf de authenticiteit van de documenten te laten beoordelen, maar dat laat de eigen verantwoordelijkheid van de vreemdeling onverlet.

Dat het aan eiser is om de authenticiteit van de documenten aan te tonen bij een opvolgende aanvraag is naar het oordeel van de rechtbank niet in strijd is met het doeltreffendheidsbeginsel uit artikel 42, lid 2 van de Procedurerichtlijn (Pri), zoals eiser wel betoogt. (...)

Uit het arrest M.D. en M.A. tegen België volgt dat verweerder aandachtig en nauwkeurig onderzoek moet doen naar de schending van artikel 3 EVRM en dat het weigeren van documenten zonder beoordeling van de authenticiteit, relevantie en bewijskracht een te formalistische aanpak is. Het ter zijde schuiven van de documenten omdat geen oordeel gegeven kan worden over de echtheid van het document en dat alleen al daarom niet uitgegaan wordt van de inhoud daarvan, is naar het oordeel van de rechtbank een formalistische opstelling die, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, kan leiden tot een onzorgvuldig (voor)onderzoek.

Ook als de authenticiteit niet kan worden vastgesteld moet verweerder zich rekenschap geven van de aard van de documenten, de wijze waarop eiser aan de documenten is gekomen en hun relevantie voor het asielrelaas. Die aspecten, samen met de onzekerheid over de authenticiteit, leiden tot een zorgvuldig oordeel over de bewijswaarde van het stuk en antwoord geven op de vraag of sprake is nieuwe feiten en omstandigheden overeenkomstig het arrest M.D. en M.A. tegen België.

Nu verweerder de originele oproepen ter zijde heeft geschoven zonder bij zijn motivering de aard van de documenten, de wijze waarop eiser daaraan is gekomen en hun relevantie voor het relaas te betrekken, kunnen de rechtsgevolgen van het besluit niet in stand blijven. De rechtbank draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met in achtneming van deze uitspraak.

Rb den Bosch NL19.10582. 6.9.19
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2019:10251

Pagina's