Nieuws

SvJ&V: aantallen en inwilligingen

Vanaf maart 2018 bleek het aantal eerste asielaanvragen toe te nemen. Uiteindelijk zijn er in 2018 ruim 5.500 eerste asielaanvragen meer gedaan dan verwacht.

Het inwilligingspercentage in asielzaken is gedaald van 56% in 2016 tot 20% in 2018. De daling van het inwilligingspercentage is terug te voeren op de verschuiving in de samenstelling van de asielpopulatie. Dit heeft gevolgen voor de doorlooptijden van in het bijzonder spoor 4 (algemene en verlengde asielprocedure): een afwijzende beoordeling kost de IND meer tijd dan een inwilligende.

Ook het aantal herhaalde aanvragen steeg vanaf juni 2018. Dit lijkt het gevolg van jurisprudentie op grond waarvan opvang moet worden geboden aan vreemdelingen die een herhaalde aanvraag indienen, ook tijdens de beroepstermijn.

Door deze verhoogde en veranderde instroom heeft de IND zich in 2018 vooral geconcentreerd op het op orde houden van de voorkant van het asielproces. Dit betekent het tijdig afnemen van een aanmeldgehoor en het met prioriteit afhandelen van kansarme asielaanvragen in de sporen 1 (Dublin) en 2 (veilige landen). Deze twee sporen omvat circa 50% van de asielinstroom.

kamerstuk 19637: 2492, 17.4.19
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-19637-2492.html

SvJ&V: voor Rvb hoeft slachtoffer mensenhandel niet in vrouwenopvang te wonen; en uitbreiding voor EU-burgers

Deze regeling bevat een aantal aanpassingen van artikel 2 van de Regeling verstrekkingen bepaalde categorieën vreemdelingen (hierna: Rvb). Het vereiste van verblijf in een instelling voor vrouwenopvang wordt niet meer gesteld aan slachtoffers van mensenhandel. Hierdoor blijft het mogelijk dat op grond van de Rvb in hun noodzakelijke bestaansvoorwaarden wordt voorzien als zij ambulante zorg ontvangen.

Het vereiste van verblijf in een instelling voor vrouwenopvang blijft gelden voor slachtoffers van eergerelateerd en huiselijk geweld. De reden hiervan is dat bij eergerelateerd geweld en huiselijk geweld andere voorwaarden aan de verlening van de verblijfsvergunning worden gesteld. Hier volstaat een melding bij de politie en daarnaast moet de aanvraag worden onderbouwd met verklaringen van artsen en hulpverleners. Het huiselijk geweld heeft doorgaans plaatsgevonden in de eigen woonomgeving. De noodzaak van opvang in een instelling voor vrouwenopvang is dus een indicatie dat het geweld heeft plaatsgevonden. Aan opvang gaat een intake vooraf. Bij eergerelateerd geweld is die noodzaak van opvang er ook omdat de dreiging met eergerelateerd geweld zich binnen de familie afspeelt. Bij een aanvraag op deze grond wordt advies ingewonnen bij het Landelijk Expertisecentrum Eergerelateerd geweld van de Nederlandse politie.

Voorts wordt het recht op Rvb-verstrekkingen van gemeenschapsonderdanen uitgebreid. Zij komen volgens de huidige regelgeving in aanmerking voor verstrekkingen gedurende de periode van drie maanden na inreis. In de praktijk blijkt echter dat slachtoffers van eergerelateerd geweld, huiselijk geweld en mensenhandel zich geregeld pas na een langere periode dan drie maanden na inreis aan die situatie kunnen onttrekken of daaruit bevrijd worden, waardoor de termijn van drie maanden al verstreken is. In de onderhavige aanpassing van de Rvb wordt bepaald dat, indien deze termijn geheel of gedeeltelijk verstreken is, onder voorwaarden recht op verstrekkingen bestaat voor de duur van ten hoogste drie maanden.

Regeling nummer 2521728, 19.3.19 in Staatscourant 17966, 2.4.19
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2019-17966.html

Rb: afwegen of VBL geschikt is

Verweerder kan niet in alle gevallen waarin de vreemdeling bereid is te werken aan zijn terugkeer, volstaan met een aanbod van onderdak in de VBL. Onder bijzondere omstandigheden zal hij voorafgaand aan dit aanbod door een medisch deskundige onderzoek moeten laten doen, wat er eventueel toe kan leiden dat verweerder de vreemdeling een aanbod van onderdak elders zal moeten doen. Verweerder heeft dit in het bestreden besluit niet onderkend.

De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen, voor zover het betrekking heeft op het bezwaar tegen de weigering eiseres beschermd wonen aan te bieden.

Rb Amsterdam AWB 18/2814 en 18/7171, 21.2.19
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2019:3397

DT&V: in zes jaar drie LP’s voor Bangladesh verstrekt, één gedwongen terugkeer

In de periode van 1 januari 2013 tot 28 februari 2019 is voor 96 personen een aanvraag voor (vervangende) reisdocumenten ingediend bij de Bengaalse autoriteiten. Er zijn in deze periode 57 presentaties geweest. Er is 7 keer sprake geweest van een nationaliteitsbevestiging, hiervan was de vreemdeling in 3 gevallen gedocumenteerd. Er is 3 keer een (vervangend) reisdocument afgegeven. In één geval is met een LP gedwongen teruggekeerd naar Bangladesh.

WOB-verzoek 28.3.19
https://www.dienstterugkeerenvertrek.nl/binaries/Scan%20informatieverzoek%20Bangladesh_tcm49-384610.pdf

DT&V: aantallen gedwongen terugkeer Afghanistan

  1. Op 11 januari 2019 bevinden zich ca 145 Afghanen tussen 17 en 20jr in de caseload van DT&V.
  2. In 2016, 2017 en 2018 zijn respectievelijk minder dan 5, circa 10 en minder dan 5 personen binnen 3 maanden na de 18de verjaardag in vreemdelingenbewaring gesteld.
  3. In 2016, 2017 en 2018 zijn respectievelijk minder dan 5, minder dan 10, en minder dan 5 personen binnen 3 maanden na de 18de verjaardag gedwongen teruggekeerd naar Afghanistan.
  4. De gemiddelde duur tussen het moment van de achttiende verjaardag en de gedwongen uitzetting naar Afghanistan, bedraagt voor deze personen circa 39 dagen.
  5. Aanvullend: In 2016, 2017 en 2018 zijn respectievelijk 0, 5 en 3 17-jarigen afkomstig uit Afghanistan in bewaring gesteld.

WOB-verzoek, 28.1.19
https://www.dienstterugkeerenvertrek.nl/binaries/Scan%20informatieverzoek%20Afghanistan_tcm49-384613.pdf

Aanvullend WOB verzoek, 5.3.19
https://www.dienstterugkeerenvertrek.nl/binaries/Scan%20informatieverzoek%20Afghanistan%20aanvullende%20vragen_tcm49-384621.pdf

Rb: Dublindetentie mag tot 6wkn na claimakkoord, verlopen door asielverzoek

De rechtbank is van oordeel dat de termijn van zes weken voor het realiseren van de overdracht betrekking heeft op een persoon die op het moment van het claimakkoord op grond van artikel 59a van de Vw in bewaring wordt gehouden. Omdat er op 5 februari 2019 een claimakkoord voor Noorwegen ligt, is de termijn op 5 februari ingegaan en liep deze tot en met 19 maart 2019.

Het standpunt van de staatssecretaris dat de overdrachtstermijn wordt opgeschort door de indiening van haar asielaanvraag berust niet op een nationale wettelijke grondslag en kan om die reden niet worden gevolgd. De maatregel van bewaring was vanaf 20 maart onrechtmatig.

Rb Utrecht, NL19.6067, 26.3.19

MvJ&V: afschaffen discretionaire bevoegdheid per 1 mei

 

In de huidige inrichting van het stelsel behoudt een vreemdeling hoop op een verblijfsvergunning tot het allerlaatste moment door het bestaan van de mogelijkheid dat met toepassing van de algemene discretionaire bevoegdheid alsnog in het verblijf wordt berust. Dat leidt er mede toe dat het verblijf wordt gerekt. Daarmee groeit ook de kans dat men tijdens het verblijf in een schrijnende situatie terecht komt en er uiteindelijk aan vreemdelingen een vergunning wordt verstrekt terwijl er tot in hoogste rechterlijke instantie is vastgesteld dat er geen aanspraak bestaat op verblijf in Nederland op de gebruikelijke gronden.

Om dit te voorkomen komt de discretionaire bevoegdheid, vervat in artikel 3.4, derde lid, van het Vb 2000, te vervallen.

In plaats van de algemene discretionaire bevoegdheid is in artikel 3.6ba van het Vb 2000 een grondslag opgenomen die het mogelijk maakt om tijdens de eerste aanvraagprocedure in Nederland ambtshalve te beoordelen of een verblijfsvergunning kan worden verleend onder een andere beperking dan voorzien in het Vb 2000. De toepassing van deze bevoegdheid, die is opgedragen aan de hoofddirecteur van de IND, kan plaatsvinden tot aan de beslissing in hoger beroep tegen de afwijzende beslissing op de aanvraag. Zij is alleen van toepassing indien geen aanspraak bestaat op verblijf op een van de gebruikelijke gronden en er evenmin grond is om ambtshalve een verblijfsvergunning te verlenen. Zo wordt bereikt dat in de eerste verblijfsrechtelijke procedure aspecten worden beoordeeld die van belang zijn voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een schrijnende situatie die maakt dat verblijf in Nederland aangewezen is. Er dient daarvoor sprake te zijn van een samenstel van bijzondere omstandigheden die de vreemdeling betreffen.

Bij de beoordeling kan specifiek aandacht worden gegeven aan de omstandigheden van het kind. De IND kan verzoeken om onafhankelijk advies. Of advies wordt gevraagd, wie om advies zal worden gevraagd en waarover advies wordt gevraagd, zal afhangen van de specifieke situatie.

Indien er geen reden is de bedoelde verblijfsvergunning te verlenen, zal dit in de afwijzende beslissing op de asiel- of reguliere aanvraag worden vermeld. Deze beslissing is vanzelfsprekend aan rechterlijke toetsing onderworpen. Nadat de rechter zijn finale oordeel heeft gegeven, bestaat er geen mogelijkheid meer om op grond van deze bevoegdheid een verblijfsvergunning te verkrijgen.

De vreemdeling zal zich bij het oordeel van de rechter moeten neerleggen. Omstandigheden die zich daarna voordoen, dienen voor zijn risico te blijven. Wel resteert de mogelijkheid om op grond van nieuwe feiten of omstandigheden een herhaalde asielaanvraag in te dienen of een (al dan niet herhaald) verzoek te doen om verlening van een verblijfsvergunning regulier onder een bestaande beperking. Indien het laatste aan de orde is, zal uitsluitend nog worden beoordeeld of op grond van één van de in het Vb 2000 genoemde gronden verblijf kan worden toegestaan. Voor zover de in het Vb 2000 genoemde gronden een zekere beoordelingsruimte toelaten, zal daarbij uiteraard met de bijzondere, persoonlijke omstandigheden van het geval rekening moeten worden gehouden.

Voor beleidsregels zoals neergelegd in de Vreemdelingencirculaire 2000 geldt bovendien de inherente afwijkingsbevoegdheid van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het gebruik maken van de aanwezige beoordelingsruimte of van de inherente afwijkingsbevoegdheid van artikel 4:84 Awb kan en mag echter uitsluitend plaatsvinden binnen het kader van de bestaande beperkingen.

Besluit van 8 april in Staatsblad 143, 8.4.19
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-2019-143.html

Rb: twijfel over crisisbehandeling in Armenie

De vreemdeling is een Armeense vrouw die om uitstel van vertrek vraagt op grond van artikel 64 Vw. De staatssecretaris heeft op grond van overgelegde BMA-adviezen haar verzoek afgewezen omdat medische behandeling voor haar in Artmed Medisch Centrum te Yerevan (Artmed) aanwezig is. De vreemdeling heeft met een dienstdoende arts op het Stress Centrum, een onderdeel van Artmed gesproken, waarbij het BMA-advies is doorgenomen. Deze gaf aan dat het Artmed niet geschikt is voor een patiënt met recente suïcidepogingen dan wel suïcidale ideaties, omdat het Rehabilitation Center alleen over een open afdeling beschikt met niet-afgesloten (open) ramen.

De voorzieningenrechter heeft naar aanleiding van deze informatie overwogen dat de staatssecretaris het BMA om een reactie had moeten vragen. In bezwaar heeft het BMA een nieuw medisch advies uitgebracht. Anders dan de staatssecretaris betoogt, volgt uit de bijgevoegde documenten niet dat crisisbehandeling mogelijk is in Artmed. De rechtbank volgt de vreemdeling dan ook in haar standpunt dat er twijfel bestaat aan de juistheid van het BMA-advies en dat de staatssecretaris dit advies daarom niet zonder meer aan het bestreden besluit ten grondslag kan leggen.

Het HCA-rapport betreft voorts een algemene beschrijving van de gesteldheid van de psychiatrische gezondheidszorg in Armenië en meer in het bijzonder van de omstandigheden waaronder patiënten in de psychiatrische instellingen leven. Nu uit het BMA-advies volgt dat crisisbehandeling noodzakelijk is, sluit de rechtbank niet uit dat de in het HCA-rapport omschreven omstandigheden voor patiënten in psychiatrische instellingen in dit geval relevant zijn. Het BMA heeft niet onderzocht of de door het HCA geconstateerde misstanden nog actueel zijn.

Rb Haarlem, AWB 18/7738, AWB 18/7739, 25.3.19

RvS: art-64 want levering medicijnen nierziekte Armenie onzeker

De Raad van State heeft de uitspraak van de rechter bevestigd.

De vreemdeling heeft opschorting van vertrek aangevraagd o.g.v. art. 64 Vw. De staatssecretaris heeft de aanvraag afgewezen omdat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat de medicatie die zij nodig heeft in het land van herkomst niet beschikbaar is. Nu de vreemdeling haar identiteit en nationaliteit niet aangetoond heeft middels origineel documenten en hiervoor geen verschoonbare reden heeft, kan zij niet aannemelijk maken dat de noodzakelijke medische zorg in het land van herkomst voor haar niet toegankelijk is.

De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat er een medische noodsituatie zal ontstaan indien de vreemdeling niet kan beschikken over het medicijn Tacrolimus. Uit het BMA advies blijkt dat dit medicijn voor geregistreerde patiënten altijd beschikbaar is bij ‘the Arakbir medical center’ maar de vreemdeling is niet geregistreerd bij dit medisch centrum waardoor niet duidelijk is of het medicijn ook voor haar beschikbaar zal zijn. De andere apotheken hebben een levertijd van een week en de verkrijgbaarheid is instabiel. Ook blijkt uit het BMA-advies dat in Armenië onderbrekingen van de medicijnvoorraden voorkomen die ene maand of langer duren, en er is derhalve sprake van een situatie als genoemd in art. De medische behandeling is daarom niet beschikbaar in het land van herkomst.

Rb Groningen, 17/16494, 15.5.18
RvS 201804887/1/V1, 4.4.19
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2019:1074

 

SvJ&V: ook vervolgstatus als slachtoffer arbeidsuitbuiting mogelijk

Toegevoegd wordt dat slachtoffers van arbeidsuitbuiting met een vvr-bep met als doel 'niet tijdelijk humanitair' kan aanvragen na verblijf als slachtoffer of slachtoffer-aangever van arbeidsgerelateerde uitbuiting.

WBV 2019/5, 21.3.19 in staatscourant 16905, 29.3.19
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2019-16905.html

Pagina's