Nieuws

SvJ&V: nieuwe schrijnendheid-elementen

Met deze brief informeert de SvJ&V de Kamer dat besloten is om twee nieuwe categorieën vreemdelingen aan te wijzen.
►De eerste categorie betreft vreemdelingen die in aanmerking komen voor het getuigen-beschermings-programma. Medewerking van een getuige, bij opsporing of vervolging van strafbare feiten, kan aanleiding geven tot een dreiging. Soms is die dreiging zo ernstig en staat deze in zodanig direct verband met de verleende medewerking, dat er voor de overheid een zorgplicht ontstaat de betrokken persoon voor de duur van de dreiging te beschermen.

►De tweede categorie betreft kinderen t.a.v. wie de Kinderrechter een kinderbeschermings-maatregel heeft opgelegd t.b.v. het wegnemen van een ontwikkelingsbedreiging bij het kind. In dat geval wordt bezien of de kinderbeschermingsmaatregel formeel kan worden overgedragen aan het land van herkomst of aan een Dublin-partner of een ander land binnen de EU waar het kind bescherming geniet, o.g.v. het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Is de kinderbeschermings-maatregel niet formeel overdraagbaar, dan moet de maatregel in Nederland ten uitvoer worden gelegd. Eindigt de maatregel, dan komt de grond voor verblijf te vervallen. Het verblijfsrecht blijft echter in stand indien de Kinderrechter het noodzakelijk acht de maatregel te verlengen omdat de ontwikkelingsdreiging niet is opgeheven. Ook in het geval het gezag van de ouders op verzoek van de RvdK door de rechter wordt beëindigd, krijgt het kind een verblijfsvergunning.

Als de maatregel wel overdraagbaar is maar dat na anderhalf jaar nog niet is gelukt, wordt alsnog beoordeeld of verblijf kan worden verleend.

TK - Brief SvJ&V inzake twee nieuwe tijdelijk humanitaire vergunningen. 30.7.19

RvS: beoordeling duurzaam verblijf parter EU-burger zonder inkomen en zonder bijstand

Aan de vreemdeling, van Turkse nationaliteit, is o.g.v. zijn relatie met zijn Duitse partner op 18 november 2010 een verblijfsdocument familielid van Unieburger afgegeven. Zijn partner is in 2011 overleden. Op 13 augustus 2015 heeft de vreemdeling een aanvraag voor een document "duurzaam verblijf Unieburgers" ingediend. De vreemdeling is tot 22 december 2011 werkzaam geweest in loondienst. In de periode daarna heeft de vreemdeling niet aangetoond dat hij over voldoende middelen van bestaan heeft beschikt. De SvJ&V heeft daarom vastgesteld dat de vreemdeling vanaf 22 december 2011 geen rechtmatig verblijf meer heeft.

De vreemdeling voert aan dat hij nooit een beroep heeft gedaan op het socialebijstandsstelsel en dat hij altijd in zijn levensonderhoud heeft kunnen voorzien. Daarnaast stelt hij dat hij arbeid in loondienst en als zelfstandige heeft verricht.

1. Volgens het beleid van de SvJ&V kunnen Unieburgers of hun familieleden als werknemer of zelfstandige worden aangemerkt als zij reële en daadwerkelijke arbeid verrichten. In het beleid over zelfstandigen ontbreekt de beoordelingswijze m.b.t. de vraag wanneer de economische activiteit als 'alleen marginaal en bijkomstig' moet worden bestempeld. De SvJ&V moet ook in dat geval, net als bij werknemers, een algehele beoordeling maken van de economische activiteit. Gelet hierop heeft de SvJ&V onvoldoende onderzocht of de vreemdeling vanaf 22 december 2011 zelfstandige was.
2. Uit Hofjurisprudentie in samenhang met de richtsnoeren volgt dat de vreemdeling voor de status ‘duurzaam verblijf’ vijf jaren moet beschikken over voldoende middelen van bestaan. De bewijslast ligt bij de vreemdeling. De nationale autoriteiten van het gastland mogen van de vreemdeling verlangen dat hij inzicht geeft in het bestaan van beschikbare middelen, de hoogte en de rechtmatigheid ervan alsook dat die voorzien in een zeker bestaansminimum.
3. Indien het familielid in de relevante periode daadwerkelijk geen beroep heeft gedaan op het socialebijstandsstelsel, heeft het familielid hiermee enig bewijs geleverd dat hij met de middelen die hij tot zijn beschikking heeft gehad, kon leven, zonder ten laste te komen van het socialebijstandsstelsel. De SvJ&V moet, in het geval de economisch inactieve burgers van de Unie of hun familieleden aantonen te beschikken over middelen die aanzienlijk onder een normbedrag liggen, aan de omstandigheid dat zij geen beroep hebben gedaan op het socialebijstandsstelsel dan ook uitdrukkelijk betekenis toekennen.

4. De SvJ&V heeft de omstandigheid dat de vreemdeling geen beroep heeft gedaan op het socialebijstandsstelsel, onvoldoende bij zijn beoordeling betrokken, althans niet deugdelijk gemotiveerd waarom deze omstandigheid niet leidt tot een ander standpunt. Hij heeft onvoldoende in ogenschouw genomen dat ook sprake kan zijn van voldoende middelen van bestaan wanneer geringe middelen tegenover structureel lage uitgaven staan, te meer nu de vreemdeling geen beroep heeft gedaan op het socialebijstandsstelsel.
Hoger beroep vreemdeling gegrond; vernietigt VK Middelburg 14 april 2017, nrs. 16/26302 en 16/29683; beroepen gegrond.

ABRvS, 201704060/1/V3, 25.7.19
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2019:2502

RvS: beter motiveren intrekken status zoon, 20 jaar in NL, vaders status ingetrokken ivm fraude

De staatssecretaris heeft de omstandigheid dat de zoon niet zelf verantwoordelijk is voor de door de vader gepleegde fraude en dat hij daarvan niet op de hoogte was, slechts betrokken door te overwegen dat fraude niet mag lonen en dat voor de intrekking van de verblijfsvergunningen van de zoon niet is vereist dat hij zelf wist van de fraude die aan de verkrijging van die verblijfsvergunningen ten grondslag heeft gelegen. Hij heeft deze situatie daarmee ten onrechte niet daadwerkelijk in de besluitvorming betrokken. De staatssecretaris had moeten beoordelen of intrekking van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd evenwichtig en redelijk is gelet op de omstandigheid dat de zoon gedurende langdurig verblijf banden met Nederland heeft opgebouwd terwijl hij niet wist dat dat verblijf op fraude was gebaseerd en hij zelf niet verantwoordelijk is voor die fraude. Daarbij is tevens van belang dat de zoon gedurende zijn periode van langdurig verblijf in Nederland is opgeleid, een universitaire studie volgt en sociale banden heeft opgebouwd en dat uit het arrest niet volgt dat aan die omstandigheden eerst doorslaggevend belang toekomt indien die omstandigheden als bijzonder kunnen worden aangemerkt. Gelet daarop, heeft de staatssecretaris geen evenwichtige en redelijke beoordeling van alle in het geding zijnde belangen verricht en staat artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn in de weg aan de intrekking van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd van de zoon. De grief, voor zover het de zoon betreft, slaagt.

Wat betreft de moeder, heeft de staatssecretaris evenmin in de besluitvorming betrokken dat zij niet zelf verantwoordelijk is voor de door de vader gepleegde fraude en dat zij daarvan niet op de hoogte was. De grief, voor zover het de moeder betreft, slaagt alleen al daarom.

De staatssecretaris zich ten opzichte van de moeder niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat hij een evenwichtige en redelijke beoordeling van alle in het geding zijnde belangen heeft verricht. Voor haar staat artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn niet in de weg aan de intrekking van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd.

RvS 201604795/3/V1, 16.7.19
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2019:2405

Rb: Marokkaanse activist toch A-status, ondanks afgewezen asielaanvraag en beroep

De vreemdeling betoogt dat hij zijn actieve deelname aan demonstraties in de Rif en een tweetal buitengerechtelijke arrestaties, laatstelijk in juni 2017, aannemelijk heeft gemaakt en Marokko voor hem geen veilig land van herkomst is. De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris terecht heeft vastgesteld dat de vreemdeling na zijn problemen in juni 2017 nog ruim een half jaar in Marokko zijn leven heeft geleid en daarna in staat is geweest Marokko legaal te verlaten. Hierbij neemt de rechtbank ook in overweging dat de vreemdeling na juni 2017 heeft deelgenomen aan een demonstratie en dat hij van deze gebeurtenis ook foto's heeft gepost op sociale media, en dat hij hierdoor in Marokko kennelijk geen problemen heeft ondervonden aan de zijde van de autoriteiten. Dat de politie een bezoek zou hebben gebracht aan de woning van de vreemdeling heeft hij, zoals de staatssecretaris terecht heeft gesteld, onvoldoende onderbouwd. Het is derhalve niet aannemelijk dat de vreemdeling op enigerlei (strafrechtelijk) zal worden vervolgd, noch dat hij zich bij voorkomende problemen niet zou kunnen wenden tot andere (hogere) autoriteiten, dan de autoriteiten waarmee hij in het Rif-gebied in de problemen zou zijn gekomen.

NB: ondanks deze uitspraak is een A-status verleend.

Rb Rotterdam, NL18.9397, 11.6.19

WBV 2019/12: nieuw landenbeleid Iran

Ik heb besloten om niet langer transseksuelen als groep apart op te nemen in het landenbeleid Iran. De LHB’s (dus zonder de Transseksuelen) wijs ik in het nieuwe beleid aan als risicogroep. LHBT’s komen hiermee te vervallen als groep van bijzondere aandacht.

Voor wat betreft de categorie ‘tot het christendom bekeerde moslims die hun geloof openlijk belijden, bijvoorbeeld door het bijwonen van kerkdiensten’ geldt dat deze niet langer als een aparte groep in het beleid behouden wordt. Wanneer moslims zich bekeren tot het christendom en vervolgens hun geloof openlijk belijden, kunnen zij afhankelijk van de omstandigheden van het individuele geval behoren tot een van de volgende groepen die in het landenbeleid aangewezen zijn:

  • christenen die actief zijn voor ‘nieuwe kerken’ of evangeliseren;
  • leden van huiskerken die bijeenkomsten bijwonen;
  • afvalligen van het islamitisch geloof die hun afvalligheid actief uitdragen (risicogroep).

De risicogroepen yarsani’s en de christenen komen te vervallen in het landenbeleid Iran. Tevens zal de risicogroep christenen komen te vervallen.

Het huidige ambtsbericht geeft aan dat afvalligen negatief in de belangstelling van de autoriteiten kunnen komen te staan als zij daar openlijk voor uitkomen. Dit kan leiden tot arrestaties en strafrechtelijke vervolging. Daarom is besloten deze groep te behouden als risicogroep.

De risicogroep Soefies is in het landenbeleid aangescherpt tot Gonabadi soefi’s.

WBV 2019/12, 22.7.19 in staatscourant42462, 26.7.19
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2019-42462.html

Rb: mogelijk 3 EVRM risico voor Hazara uit district Muqur, provincie Ghazni

De vreemdeling beroept zich (oa) op de veiligheidssituatie in Afghanistan en in het bijzonder het district Muqur in de provincie Ghazni. ... De staatssecretaris heeft de beslissing onvoldoende gemotiveerd nu daarin enkel verwezen wordt naar het ambtsbericht van 7 maart 2019. Uit de ingebrachte informatie blijkt dat in mei 2019 12 districten in Ghazni onder controle staan van de Taliban en dat 7 districten worden betwist. Er is dus geen sprake meer van overheidscontrole. Voorts is er op gewezen dat het geweld van de Taliban in het bijzonder gericht is tegen Hazara’s.

De staatssecretaris dient aan de hand van de feitelijke situatie bezien of een etnische of religieuze groep binnen zijn leefomgeving in een kwetsbare positie verkeert doordat hij door een andere groep negatief wordt bejegend. De staatssecretaris heeft onvoldoende gemotiveerd waarom, gelet op de recente stukken die de vreemdeling heeft overgelegd, aan de stelling van de vreemdeling dat hij als Hazara uit Muqur behoort tot een risicogroep omdat hij afkomstig is uit een leefgebied waar hij tot de (gemarginaliseerde) etnische minderheid behoort die aldaar ernstige problemen ervaart, voorbij is gegaan.

Rb Groningen, NL19.13880, 11.7.19

WBV 2019/11: nieuw landenbeleid Afghanistan

Uit het ambtsbericht blijkt dat burgers die geassocieerd worden met – of die beschouwd worden als ondersteunend aan – de Afghaanse regering, pro-regering gewapende groepen, het Afghaanse maatschappelijk middenveld en de internationale gemeenschap in Afghanistan, waaronder internationale strijdkrachten, extra risico lopen op gericht geweld van met name de Taliban en ISKP.

Groepen die (verhoogd) risico lopen slachtoffer te worden van willekeurig geweld zijn:

  1. vreemdelingen die afkomstig zijn uit een leefgebied waar zij tot een (gemarginaliseerde) etnische minderheid behoren, die aldaar ernstige problemen ondervindt;
  2. vreemdelingen die afkomstig zijn uit een leefgebied waar zij tot een (gemarginaliseerde) religieuze minderheid behoren, die aldaar ernstige problemen ondervindt; én
  3. niet-Moslims, vooral bekeerlingen (tot het Christendom bekeerden), afvalligen, Christenen, Bahai en Sikhs/Hindoes.

WBV 2019/11, 16.7.19 in staatscourant 41281, 16.7.19
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2019-41281.html

Rb: veel documenten in Guinee slordig opgesteld vlgs ambtsbericht, verklaring BD voldoet niet

Verweerder moet zich, indien hij een deskundigenadvies aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, er van vergewlssen dat dit naar wijze van totstandkoming zorgvuldig en naar inhoud inzichtelijk en concludent is. Als dat het geval is, kan verzoeker de uitkomst van het advies slechts met succes bestrijden door een andersluidende contra-expertise van een deskundige in te brengen.

De conclusie van BD is gebaseerd op de constatering dat de 'opmaak en afgifte afwijkt' en 'een essentieel element ontbreekt'. Verweerder veronderstelt dat er vanuit mag worden gegaan dat bij het onderzoek is betrokken dat 'veel documenten bizarre fouten of afwijkingen bevatten' (tekst ambtsbericht), maar de rechtbank vindt hiervoor geen houvast in de verklaring of enig ander document in het dossier. Verweerder heeft niet verzocht om de originele exemplaren van de reactie van de Guineese ambassade, die in het bezit zijn van de gemachtigde van eiser, om de reactie vervolgens voor te leggen aan BD voor een weerwoord. Gelet op voornoemd ambtsbericht volstaat de huidige reactie niet.

Rb Groningen AWB 18/7575, 8.7.19

Rb: terugkeer psychisch zieke Nigeriaanse vll onverantwoord, kan zich niet staande houden

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder niet deugdelijk gemotiveerd dat van eiser redelijkerwijs verwacht kan worden dat hij zich in (een voor hem objectief gezien veilig deel van) Nigeria vestigt. Verweerder acht het asielrelaas van eiser geloofwaardig. Daarvan uitgaande is eisers angst voor de Ogboni-sekte en Boko Haram, hoewel objectief gezien niet reëel, begrijpelijk. Verweerder heeft niet toegelicht waarom het ondanks deze (grote) angst redelijk is van eiser te verwachten dat hij terugkeert naar Nigeria. Eiser kampt als gevolg van zijn ervaringen in Nigeria met verschillende psychische problemen. Hoewel behandeling van deze problemen in Nigeria volgens het advies van het BMA mogelijk is, heeft verweerder geen standpunt ingenomen over de vraag of het redelijk is van eiser te verlangen deze behandeling in Nigeria te ondergaan ondanks zijn vrees voor de Ogboni-sekte en Boko Haram. Daarnaast heeft verweerder niet specifiek gereageerd op eisers stelling dat het voor eiser, mede gelet op zijn persoonlijke situatie, niet mogelijk zal zijn om bij terugkeer in zijn levensonderhoud te voorzien.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder in het bestreden besluit en de verweerschriften niet deugdelijk gemotiveerd dat eiser geen recht heeft op een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd vanwege zijn vrees voor confrontatie met de wandaden van Boko Haram.

De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Het is aan verweerder om opnieuw te beoordelen of van eiser redelijkerwijs verwacht kan worden zich in een voor hem veilig deel van Nigeria te vestigen en, als verweerder meent dat dit het geval is, dat deugdelijk te motiveren.

Rb Rotterdam NL19.8615, 19.7.19
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2019:7819

Rb: Afghaanse 1F-beoordeling sinds 1998 niet verlopen, want onvoldoende spijt

De rechtbank is van oordeel dat verweerder in de aanvullende motivering van het bestreden besluit, neergelegd in het verweerschrift van 29 november 2018, voldoende deugdelijk heeft gemotiveerd dat eiser blijkens zijn persoonlijke gedrag nog steeds een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt. Het tijdsverloop sinds de gedragingen waarmee eiser in verband wordt gebracht en het feit dat het vroegere gedrag van eiser zich heeft voorgedaan in de specifieke historische en maatschappelijke context van zijn land van herkomst, die zich niet opnieuw zal voordoen in Nederland, heeft verweerder niet voldoende hoeven achten om anders te oordelen. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank van eiser mogen verlangen dat hij laat zien dat bij hem sprake is van een concrete positieve gedragsverandering, om aannemelijk te maken dat van voornoemd risico geen sprake meer is. Eisers verklaring die hij bij de gronden van 30 januari 2019 heeft overgelegd, waarin hij heeft verklaard afstand te doen van de ernstige gedragingen gepleegd door het Afghaanse leger en [groep] , heeft verweerder in dit verband terecht onvoldoende geacht. Eiser heeft deze verklaring pas in een zeer laat stadium in deze procedure overgelegd én de verklaring is opgesteld in het kader van een andere procedure, namelijk die waarin zijn aanvraag tot afgifte van een Europees verblijfsdocument is afgewezen. Met verweerder kan de rechtbank zich niet aan de indruk onttrekken dat deze verklaring is ingegeven door recente rechtspraak, waarin in een soortgelijke zaak waarde werd gehecht aan een aanwijsbare positieve gedragsverandering.

Ter zitting heeft eiser erkend dat hij heeft gewerkt bij het Afghaanse leger, aldaar een hoge rang had en daardoor deel uitmaakte van het Afghaanse regime. Tijdens de vele procedures die eiser heeft gevoerd, heeft hij echter nooit kenbaar afstand genomen van de misdrijven die door het Afghaanse leger en de [groep] zijn gepleegd. Niet gebleken is dat hij openlijk betrokkenheid heeft getoond met de vele slachtoffers van het regime waarin hij een hoge positie had. Evenmin heeft hij contact gezocht met slachtoffers en nabestaanden of zich op een andere manier ingespannen om het door het regime veroorzaakte leed te verzachten. Eiser heeft wel te kampen met psychische problemen die voortkomen uit de uitzichtloosheid van zijn eigen situatie, maar niet is gesteld of gebleken dat eiser wakker ligt van de destijds door het Afghaanse leger dan wel de [groep] gepleegde misdaden.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat uit de verklaringen van eiser noch uit het verdere procesdossier een positieve gedragsverandering blijkt. De beroepsgrond slaagt dan ook niet.

Rb Amsterdam AWB 16/4779, 11.6.19
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2019:7720

Pagina's