Nieuws

RvS: EASO-rapport geen reden wijziging Afghanistan-beleid

De vreemdeling heeft ter onderbouwing van zijn betoog verwezen naar onder meer het ambtsbericht van mei 2018, het rapport van het EASO, 'Country of Origin Information Report Afghanistan, Security Situation - Update', van mei 2018 en de Country Guidance Afghanistan van het EASO van juni 2018 (hierna: de Country Guidance).

In het ambtsbericht van mei 2018 staat dat de veiligheidssituatie in Afghanistan in 2017 zorgelijk was en het aantal burgerslachtoffers hoog. Het ambtsbericht vermeldt verder dat de controle over een gebied snel kan veranderen en dat de veiligheidssituatie in veel opzichten complex en diffuus is. Volgens het ambtsbericht vormden gewapende conflicten in 63% van de gevallen de oorzaak van de veiligheidsincidenten. Het ambtsbericht vermeldt verder dat van januari tot en met mei 2018 meerdere grote aanslagen plaatsvonden. Deze aanslagen vonden met name plaats in de hoofdstad Kaboel. In het ambtsbericht staat verder vermeld dat UNAMA in de eerste drie maanden van 2018 2.258 burgerslachtoffers registreerde, waarvan 763 personen overleden en dat deze cijfers niet veel afwijken van de aantallen over dezelfde periode in 2017. Dit staat ook in het rapport van het EASO van mei 2018. IED's en complexe aanvallen veroorzaakten de meeste slachtoffers. De tweede oorzaak voor burgerslachtoffers vormden grondgevechten. Doelgerichte aanslagen, overblijfselen van oorlogsexplosieven en luchtaanvallen vormden de derde oorzaak voor burgerslachtoffers. In de Country Guidance van juni 2018 staat vermeld dat in het eerste kwartaal van 2018 de door de overheidstroepen veroorzaakte burgerslachtoffers met 13 % daalden. Hieruit kan worden afgeleid dat, zoals ook blijkt uit voormelde uitspraak van de Afdeling van 21 maart 2018, sprake is van voortdurende inzet van de overheidstroepen om burgerslachtoffers te beperken.

Hoewel het EASO een glijdende schaal gebruikt voor de beoordeling van de algemene veiligheidssituatie en die beoordeling een andere opzet kent dan de door de staatssecretaris verrichte beoordeling, komt uit de Country Guidance naar voren dat ook het EASO vindt dat er in Afghanistan geen gebieden zijn waarin de algemene veiligheidssituatie zo slecht is dat een vreemdeling reeds om die reden daarnaar niet kan terugkeren. Uit de hiervoor vermelde rapporten komt verder naar voren dat ook in de eerste helft van 2018 het aantal burgerslachtoffers hoog bleef. Uit de stukken, die voor een groot deel ook de veiligheidssituatie in 2017 beschrijven, komt echter geen wezenlijk ander beeld naar voren dan volgt uit de stukken die in voormelde uitspraak van de Afdeling van 21 maart 2018 aan de orde waren. Deze stukken geven de Afdeling daarom geen aanleiding om anders te oordelen over de veiligheidssituatie in Afghanistan. De grief faalt.

RvS 201806537/1/V2, 1.10.18
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2018:3176

RvS: intrekken NLerschap en vluchtelingschap met terugwerkende kracht terecht (vanaf 1997)

De staatssecretaris heeft de vergunning van de vreemdelingen ingetrokken omdat zij bij de aanvraag om toelating als vluchteling en een vergunning tot verblijf op destijds een onjuiste identiteit hebben opgegeven en dat zij daarmee de onderzoeksmogelijkheden naar hun eerder verblijf in Duitsland en de daar gevoerde asielprocedure onmogelijk hebben gemaakt. Als ten tijde van die aanvragen bekend zou zijn geweest dat zij zich bedienden van een valse identiteit zou hij nooit met ingang van 4 april 1997 zijn overgegaan tot verlening van vergunningen tot verblijf zonder beperkingen op asielgerelateerde gronden (hierna: de C-status). Het verstrekken van onjuiste gegevens over de identiteit waardoor mogelijkheden van onderzoek, bijvoorbeeld over verblijf in een derde land, worden belemmerd, vormt immers een contra-indicatie voor statusverlening. De vreemdelingen wisten of konden vermoeden dat het vermelden van de juiste identiteit en de asielprocedure in Duitsland van groot belang was voor de beoordeling van de aanvragen, aldus de staatssecretaris.

(...) Het hoger beroep is ongegrond.
RvS 201710178/1/V1, 3.10.18
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2018:3143

RvS: TOELT kan niets zeggen over niet-beheersen Arabisch voor koerdische vrouw uit Mosul

De vreemdeling klaagt dat de staatssecretaris zich ten onrechte alleen op basis van een rapport taalanalyse en een weerwoord van TOELT op het standpunt stelt dat ongeloofwaardig is dat zij uit Mosul komt. In Mosul wordt ook het Koerdisch gesproken dat zij spreekt en met de verklaring over haar verblijfsomstandigheden is geen rekening gehouden. De staatssecretaris heeft in het besluit geen op eigen onderzoek gebaseerd standpunt ingenomen over de vraag of haar langdurige verblijf binnenshuis een verklaring vormt voor haar gebrekkige beheersing van het Arabisch. Dat had hij wel moeten doen. Hij heeft echter zonder meer op basis van het onderzoek van TOELT geconcludeerd dat haar herkomst ongeloofwaardig is en zij hem dus heeft misleid door valse informatie over haar herkomst te verstrekken. De rechtbank heeft niet onderkend dat het besluit daarmee ondeugdelijk is gemotiveerd. Zij is ook ten onrechte niet ingegaan op het door haar overgelegde rapport van het Buro Kleurkracht. Dat rapport concludeert onder verwijzing naar twee Iraakse bronnen dat een Iraakse vrouw van Koerdische afkomst uit Mosul mogelijk wordt gedwongen thuis te blijven waardoor zij het Arabisch niet beheerst.

De grief slaagt.

Anders dan de rechtbank heeft overwogen, houdt de verklaring van de vreemdeling over de redenen waarom zij geen Arabisch spreekt wél verband met het onderzoek naar haar herkomst, alleen al omdat zij die verklaring heeft gegeven in het kader van een onderzoek naar haar taalbeheersing. Dat een dergelijke verklaring - ook volgens TOELT - niet bij een taalanalyse kan worden betrokken, betekent verder niet dat die niet hoeft te worden beoordeeld; een onderzoek naar de herkomst van een vreemdeling is de verantwoordelijkheid van de staatssecretaris en is niet beperkt tot een taalanalyse. Als een taalanalyse geen uitsluitsel geeft over de herkomst van een vreemdeling, maar de staatssecretaris zijn standpunt handhaaft dat een gestelde herkomst ongeloofwaardig is, zal hij moeten motiveren waarop die ongeloofwaardigheid gebaseerd is. Hij zal daarbij een door een vreemdeling overgelegd rapport zoals dat van Buro Kleurkracht moeten betrekken.

Het hoger beroep is kennelijk gegrond.
RvS 201805022/1/V2, 4.10.18
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2018:3243

Rb: geen Dublinoverdracht Italie, opvangvoorzieningen onduidelijk

Eiseres heeft onder andere een beroep gedaan op een decreet van de Italiaanse autoriteiten van 24 september 2018, in werking getreden op 5 oktober 2018. In dit decreet is onder andere de toegang tot het SPRAR-opvangsysteem beperkt tot personen die internationale bescherming genieten en niet-begeleide kinderen. Asielzoekers en personen met een humanitaire beschermingsstatus zouden daardoor van opvang in een SPRAR-locatie worden uitgesloten en alleen toegang hebben tot grootschalige eerstelijns en tijdelijke opvangcentra (CAS) waar de levensomstandigheden vaak kritiek zijn.

De rechtbank is van oordeel dat dit decreet een relevant nieuw feit is. Het beperken van de toegang tot de SPRAR-opvanglocaties kan gevolgen hebben voor de andere opvangvoorzieningen (CAS), terwijl uit diverse (recente) rapporten blijkt dat die opvangvoorzieningen toch al behoorlijk onder druk stonden. Zie onder meer het rapport van Médecins Sans Frontières van 8 februari 2018, het jaarlijks rapport van USDOS over mensenhandel van 27 juni 2017, het bericht van IRIN van 15 juni 2017, het rapport van ECRE van mei 2017, het AIDA-rapport van februari 2017 en de publicatie “Veel gestelde vragen Dublin Italië” van augustus 2017 op Vluchtweb (op welke publicaties eiseres ook een beroep heeft gedaan). Verweerder mocht de aanvraag dus niet met toepassing van artikel 4:6 van de Awb afwijzen, maar had inhoudelijk op dit punt in moeten gaan.

Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat hij nader gaat onderzoeken wat de gevolgen van dit decreet zijn voor gezinnen met minderjarige kinderen, die nu niet meer in de SPRAR-locaties terecht kunnen. Verweerder heeft zich echter op het standpunt gesteld dat dergelijk onderzoek in het geval van eiseres niet nodig is, omdat zij geen minderjarige kinderen heeft en de SPRAR-locaties alleen voor gezinnen met minderjarige kinderen waren. Uit rapporten blijkt echter dat de SPRAR-locaties niet alleen bedoeld waren voor gezinnen met minderjarige kinderen, maar ook voor andere kwetsbare asielzoekers. Dat is in dit geval relevant omdat eiseres psychische klachten heeft en verweerder in de vorige procedure heeft erkend dat eiseres een kwetsbaar persoon is. Verweerder is verder niet ingegaan op de bredere gevolgen die het beperken van de opvang in de SPRAR-locaties kan hebben voor de opvangvoorzieningen in Italië in het algemeen.

Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende gemotiveerd heeft dat in Italië geen sprake is van ernstige structurele tekortkomingen in de asielprocedure en opvangvoorzieningen.

Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. 
Rb Amsterdam NL18.17753, 18.10.18
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2018:12421
idem Rb Amsterdam NL18.17748, 18.10.18
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2018:12420

RvS: leges mvv gezinsleven nog te hoog

De rechtbank Amsterdam heeft eerder vastgesteld dat een verblijfsvergunning regulier voor verblijf als gezinslid ongeveer negen maal zo duur is als een nationale identiteitskaart, terwijl het Hof in het arrest Commissie tegen Nederland heeft geoordeeld dat een legesbedrag van ongeveer zeven maal de kosten van een nationale identiteitskaart in ieder geval te hoog is.

Bij brief van 2 mei 2018 heeft de Afdeling de staatssecretaris, onder verwijzing naar deze uitspraak, onder meer gevraagd hoe de hoogte van de leges voor een mvv zich volgens hem verhoudt tot die van de leges voor een nationale identiteitskaart. Daarbij heeft de Afdeling hem verzocht in te gaan op het arrest Commissie tegen Nederland.

In haar reactie heeft de staatssecretaris volstaan met het vrijwel letterlijk herhalen van passages uit het eerdere besluit , die al bij de Afdeling bekend waren. De staatssecretaris heeft niet bestreden dat de leges voor een verblijfsvergunning regulier voor verblijf als gezinslid ongeveer negen maal zo hoog zijn als die voor een nationale identiteitskaart. Hij heeft verzuimd in te gaan op het arrest Commissie tegen Nederland.

Daarmee heeft de staatssecretaris niet deugdelijk gemotiveerd waarom heffing van leges ter hoogte van negen maal het bedrag dat verschuldigd is voor een nationale identiteitskaart, verenigbaar is het arrest Commissie tegen Nederland. De beroepsgrond slaagt.

ABRvS, 201605302/1/V3, 8.10.18
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2018:3249

SvJ&V: inwilligingspercentages reguliere vergunningen

2018 eerste helft

met MVV

inwilliging

zonder MVV

inwilliging

Uitwisseling

620

97%

940

94%

Studie

 4.050

 98%

1.170

98%

Arbeid tijdelijk

 150

 75%

110

87%

Arbeid regulier

 810

 79%

250

66%

Kennis & Talent

 6.240

 97%

2.510

83%

Familie & Gezin

 14.740

 71%

6.180

88%

Humanitair tijdelijk

 <5

 100%

310

72%

Humanitair niet-tijdelijk

 20

 45%

260

29%

Bijzonder verblijf

 <5

 67%

20

63%

Totaal

 26.630

 82%

11.750

86%

https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2018/10/17/tk-bijlage-rapportage-vreemdelingenketen, 17.10.18

RvS: terecht terugvorderen toeslagen ivm intrekken vergunning met terugwerkende kracht, want in strijd met de vergunning in loondienst gewerkt

De Afdeling overweegt dat ook recht op toeslagen blijft bestaan wanneer als gevolg van de intrekking van een verblijfsvergunning met terugwerkende kracht tot een datum na de verleningsdatum, tussen twee perioden van rechtmatig verblijf een periode van onrechtmatig verblijf ontstaat. Voor de criteria heeft de Afdeling in de uitspraak van 29 maart 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:828) op niet uitputtende wijze een aantal elementen opgesomd.

Dit geval voldoet niet aan die criteria volgens de Afdeling. De verblijfsvergunning van [appellant sub 2] met als beperking ‘arbeid als zelfstandige’ is met terugwerkende kracht ingetrokken omdat hij in strijd met die beperking arbeid in loondienst heeft verricht. Hij had derhalve redelijkerwijs kunnen begrijpen dat de huurtoeslag, zorgtoeslag en het kindgebonden budget ten onrechte werden verleend. Hij had kunnen begrijpen dat het in strijd handelen met de aan zijn verblijfsvergunning verbonden beperking gevolgen zou kunnen hebben voor zijn verblijfsrecht en zijn aanspraak op toeslagen. De Belastingdienst/Toeslagen heeft aldus terecht aangevoerd dat het ontbreken van een verblijfsrecht aan toekenning van tegemoetkomingen in de weg staat.

Het betoog slaagt.
RvS 201702503/1/A2¸ 5.9.18
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2018:2908

RvS: geen huurtoeslag want inwonend gehandicapt kleinkind zonder vergunning

Met de koppelingswet wordt beoogd te voorkomen dat illegaal in Nederland verblijvende vreemdelingen door ontvangst van tegemoetkomingen en voorzieningen, in staat worden gesteld tot voortzetting van hun niet rechtmatig verblijf, het verwerven van een schijn van legaliteit of het opbouwen van een zodanige sterke rechtspositie - of de schijn hiervan - dat zij na ommekomst van de procedure zo goed als onuitzetbaar blijken. Het koppelingsbeginsel in de Awir strekt erto te voorkomen dat de niet rechtmatig in Nederland verblijvende medebewoner zou kunnen meeprofiteren van de tegemoetkomingen die aan de vreemdeling met een verblijfsrecht worden toegekend. Ter beoordeling staat of de uitsluiting van huurtoeslag in een redelijke, proportionele verhouding tot het hiervoor omschreven legitieme doel staat.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de door [appellante] aangevoerde omstandigheden niet zijn aan te merken als zeer bijzondere omstandigheden op grond waarvan het onthouden van toeslagen in strijd is met artikel 14, gelezen in verbinding met artikel 8, van het EVRM. Uit de overgelegde verklaringen van de huisarts, het leefzorgplan en de verklaring van een zestal bij het gezin betrokken hulpverleners komt weliswaar naar voren dat de kleinzoon al voor 1 april 2016 jarenlang belast was met de zorg voor [appellante], maar daaruit volgt niet dat [appellante] in de periode tot 1 april 2016 al zodanig van haar kleinzoon afhankelijk was dat niet op een andere manier in haar verzorging kon worden voorzien. De omstandigheid dat de kleinzoon door Stichting Nidos bij [appellante] is geplaatst is eerst ter zitting aangevoerd en moet buiten beschouwing worden gelaten.

Het betoog faalt.
RvS 201802527/1/A2, 19.9.18
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2018:3040

Rb: recht op opvang tijdens beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring asielverzoek

De staatssecretaris heeft de opvolgende aanvraag van de vreemdeling niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een novum. De vreemdeling heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om een vovo.

De voorzieningenrechter overweegt dat bij een beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van een opvolgende asielaanvraag tot gevolg heeft dat een eerder terugkeerbesluit herleeft. Als daarbij niet wordt voorzien in schorsende werking, zou dat kunnen leiden tot uitvoering van het terugkeerbesluit en daarmee tot verwijdering van de vreemdeling. Dat verhoudt zich niet tot het bepaalde in het Gnandi-arrest. Om die reden is de voorzieningenrechter van oordeel dat het verzoek voor toewijzing in aanmerking komt. Zoals in het Gnandi-arrest is bepaald, heeft dit tot gevolg dat de vreemdeling de rechten moet kunnen genieten die voortvloeien uit de Opvangrichtlijn totdat op het beroep is beslist.

Rb Middelburg (vovo), NL18.16543, 27.9.18

Rb: presentatie tijdens asielprocedure mag wel; kan over geprocedeerd worden

De vreemdeling is gepresenteerd bij de Ghanese diplomatieke vertegenwoordiging en heeft bezwaar gemaakt tegen nog een geplande presentatie. Deze voorgenomen presentatie is vervolgens geannuleerd omdat zijn afgewezen asielaanvraag werd ingetrokken.

De wetgever heeft gewenst dat op alle besluiten tegenover vreemdelingen, op grond van art. 72(3) Vw bezwaar kan worden gemaakt, ook tegen een handeling zoals een presentatie.

In het kader van de finale geschilbeslechting wordt vervolgens als volgt overwogen. De staatssecretaris was grond van het beleid bevoegd hem te presenteren bij de autoriteiten. Dit beleid is niet kennelijk onredelijk of i.s.m. de Procedurerichtlijn is. Hij was tijdens de presentatie niet verplicht om te melden dat hij in Nederland asiel heeft aangevraagd en evenmin om welke reden hij dat heeft gedaan. Hij heeft uit zichzelf gemeld dat hij asiel heeft aangevraagd i.v.m. zijn homoseksuele geaardheid. Dit maakt de (voorgenomen) presentatie(s) nog niet onrechtmatig. Van belang hierbij is dat hij niet heeft te vrezen voor de autoriteiten, maar voor de bevolking. Beroep gegrond.

Rb Rotterdam, AWB 17/4944 en AWB 18/622, 31.8.18

Pagina's