Nieuws

Rb: vovo over opvang vanwege medische nood toegewezen

Uit het laatste advies van 1 mei 2019 van het BMA blijkt dat verzoekster onder behandeling staat van een internist, longarts, reumatoloog, psychiater, neuroloog, anesthesist en een oogarts. Ze is bekend met suikerziekte en hoge bloeddruk. Ze staat onder behandeling van een reumatoloog in verband met diffuse pijnklachten. Tevens is ze bekend met een depressieve stoornis met psychotische kenmerken en een PTSS. Daarvoor staat verzoekster onder behandeling en krijgt ze medicatie. Volgens het BMA zal bij verzoekster bij uitblijven van een medisch behandeling voor suikerziekte, hoge bloeddruk en de psychische klachten sprake zijn van een medische noodsituatie op korte termijn.

Voor de psychiatrische aandoeningen wordt verzoekster twee tot drie maal per week bezocht voor een steunend en structurerend contact en voor observatie van het psychiatrisch beeld. Blijkens het BMA advies zou verzoekster nog te instabiel zijn voor een traumabehandeling. Een verbetering valt te verwachten indien er gestart kan worden met een traumabehandeling, deze is echter niet mogelijk door de slechte psychiatrische conditie. Een prognose is niet duidelijk te geven, maar de verwachting is dat er meer in de orde van jaren dan in maanden gedacht moet worden.

Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter is niet uit te sluiten dat die noodzaak tot stabilisatie onverenigbaar is met de situatie waarin verzoekster, als dak- en thuisloze met psychische klachten en andere klachten, na beëindiging van de feitelijke opvang zal belanden. Dat mogelijk – zoals verweerder heeft gesteld – de (kosten van de) behandeling als medische verstrekking ook na beëindiging van de feitelijke opvang op een of andere wijze geheel of gedeeltelijk worden vergoed, maakt die essentiële stabiliserende fase niet mogelijk.

Derhalve doet zich hier een situatie voor waarbij op medische gronden gezegd moet worden dat beëindiging van de feitelijke opvang tot een acute medische noodsituatie kan leiden. Onder die omstandigheden weegt bij de door de voorzieningenrechter te maken belangenafweging het belang van verzoekster bij het vermijden van een acute medische noodsituatie zwaarder dan het belang van verweerder bij het gedurende een beperkte periode niet hoeven verlenen van feitelijke opvang.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en beveelt verweerder de opvang van verzoekster te continueren totdat uitspraak is gedaan op het aan het verzoek samenhangende beroep van verzoekster.

Rb Haarlem AWB 20/2816, 23.4.20
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2020:4627

Rapp Vreemdelingenketen: opvang COA in 2019

Soort uitstroom uit COA in 2019

 

2019

percentage

aantoonbaar vertrek

3.160

10%

bewaring

1.180

4%

MOB

13.410

43%

naar gemeente

12.540

40%

andere locatie

1.060

3%

overleden

30

0,1%

totaal

31.380

 

Aantal bewoners Gezinslocatie en VBL

 

2018

2019

% verschil

Gezinslocatie

1.260

940

-25%

VBL

170

200

+13%

rapp vreemdelingenketen 2019, 25.5.20
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-19637-2606.html

Rapp Vreemdelingenketen: terugkeercijfers 2019

Vertrek 2019

 

totaal

aantoonbaar

MOB

percentage MOB

gedwongen

zelfstandig

ketenbreed

25.600

6.570

5.100

13.940

54%

DT&V

16.880

2.760

4.460

9.660

57%

Dublingroep DT&V

6.370 (38%)

1.380 (50%)

1.050 (24%)

3.940 (41%)

62%

 

LP-aanvragen en T&O aanvragen 2019

 

LP = Laissez-Passer

T&O = Terug- en Overnameovereenkomst

verzoeken

 

1.870

1.280

werkvoorraad

 

1.830

120

antwoorden

positief

480

1.090

negatief

130

90

ingetrokken DT&V

1.710

60

totaal antwoorden

2.320

1.230

akkoorden

 

420

840

ontvangen

 

250

250

Aangevraagde LP’s: 17% Algerije, 14% Marokko, 5% Nigeria; 5% Afghanistan; 5% Irak
Aangevraagde T&O’s: Servie 21%; Georgie 21%; Albanie 12%; N-Macedonie 9%; Bosnie 5%.

rapp vreemdelingenketen 2019, 25.5.20
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-19637-2606.html

Rapp Vreemdelingenketen: cijfers Kinderpardon

Aantallen oude regeling:

Aangevraagd 2.250; Afghandeld 2.220; Toegekend 130; Afgewezen 1.980

Aantallen afsluitingsregeling

 

inwilliging

afwijzing

overig

totaal

 

kind

volw

kind

volw

kind

volw

 

herbeoordeling

240

210

30

30

 

<5

500

aanvraag

330

290

410

480

90

80

1.690

totaal

570

500

440

510

90

80

2.190

Rapp Vreemdelingenketen 2019,. 25.5.20
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-19637-2606.html

Rb: geen verblijf bij nét-volwassen NLs kind

In artikel 2 van de Verblijfsrichtlijn staat dat als familieleden in de zin van die richtlijn gelden rechtstreekse bloedverwanten beneden de leeftijd van 21 jaar. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat daaruit niet volgt dat 21 jaar ook de EU-rechtelijke leeftijdsgrens voor meerderjarigheid is. De beroepsgrond slaagt niet.

Eiser betoogt daarnaast dat het moment van indienen van de aanvraag bepalend moet zijn voor de vraag of hij een afgeleid verblijfsrecht heeft op grond van het EU-recht. Eiser verwijst naar het arrest A. en S. van het HvJEU2. Uit dat arrest blijkt volgens eiser dat voor de vraag of recht op gezinsleven bestaat, wordt uitgegaan van de leeftijd zoals die was op de datum van indiening van de aanvraag. Alhoewel het in dat arrest niet ging om een aanvraag op grond van het arrest Chavez-Vilchez, moet gelet op de uniforme uitleg van het EU-recht volgens eiser daarbij in dit geval wel aansluiting worden gezocht. Ook doet eiser een beroep op de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 5 juni 2019 (ECLI:NL:RBDHA:2019:6144), waarin de minderjarigheid van een vreemdeling werd aangenomen in een Dublinzaak toen de aanvrager al twee dagen 18 jaar was geworden.

Overigens stelt verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser geen EU-verblijfsrecht kan ontlenen aan de minderjarigheid van [A] . Zij is namelijk 1 dag na de aanvraag 18 jaar geworden, en daarmee meerderjarig, gelet ook op wat hiervoor is overwogen. Dat betekent dat zij niet langer minderjarig is in de zin van het arrest Chavez-Vilchez. Ook in zoverre slaagt eisers betoog niet.

Rb Utrecht AWB 19/7903 en AWB 19/7904 VK, 1.4.20
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2020:4794

Rb: mvv-vereiste voor kind van 2 dat nu al bij moeder (en halfbroers) in NL verblijft

De rechtbank volgt eiser niet. Verweerder heeft beoordeeld of de tijdelijke afwezigheid van eiser en zijn moeder in strijd is met artikel 8EVRM, en deze belangenafweging niet ten onrechte in het nadeel van eiser laten uitvallen. Verweerder heeft in dit kader van belang mogen achten dat er geen sprake is van inmenging in het recht op respect voor gezinsleven, omdat de Nederlandse overheid niet door verlening van een verblijfsvergunning heeft ingestemd met het verblijf van eiser in Nederland. Over de objectieve belemmeringen voor die tijdelijke afwezigheid overweegt de rechtbank dat de moeder van eiser in 2019 met al haar kinderen naar [woonplaats] is vertrokken op basis van een terugkeervisum, en dat de moeder van eiser eerder ook zonder haar twee oudste kinderen naar [woonplaats] is vertrokken tijdens haar zwangerschap. Verweerder heeft zich dan ook op het standpunt kunnen stellen dat er geen objectieve belemmeringen zijn voor eiser en zijn moeder om tijdelijk buiten Nederland te zijn voor de mvv-aanvraag. Verweerder heeft mogen verwachten dat de moeder van eiser in die periode, bij achterblijven van haar twee oudste kinderen in Nederland, tijdelijk de gezinsband met hen kan onderhouden met moderne communicatiemiddelen.

De rechtbank acht bij de beoordeling van de belangenafweging tevens van belang dat, mocht de tijdelijke afwezigheid langer duren, niet ter discussie staat tussen partijen dat eiser en zijn moeder nog steeds binding hebben met het land van herkomst. Daarbij is van belang dat eiser jong is en zich daar makkelijk zal kunnen aanpassen, en dat eiser zijn moeder nog maar kort in Nederland is en dat niet is gebleken dat zij al is ingeburgerd.

Verder stelt de rechtbank vast dat niet in geschil is dat niet aan het middelenvereiste is voldaan. Verweerder heeft dat dan ook niet ten onrechte in het nadeel van eiser betrokken bij de belangenafweging.

De beroepsgrond slaagt niet.
Rb Utrecht AWB 19/8303 en AWB 19/8304, 30.3.20
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2020:4793

EHRM: geen risico uitzetting Darfuri naar Soedan

The applicant, a Sudanese national, entered The Netherlands in 2010 and made two applications for asylum in 2011 and 2014, which were both rejected. He alleged, inter alia, that if returned to Sudan he would be at risk of being perceived as an opponent to the regime as he belonged to the Tunjur, a non-Arab ethnic group associated with Darfuri rebel groups, but the national authorities did not believe his account to be credible. His removal was halted on the basis of the Rule 39 of the Rules of Court. The applicant argued that his return to Sudan would expose him to a real risk of ill-treatment contrary to Article 3 ECHR. He further complained under Article 13 that he did not have an effective remedy for the alleged violation of Article 3 of the Convention.

The Court observed that the assessment of the presence of a real risk of treatment contrary to Article 3 ECHR must be rigorous, focus on the foreseeable consequences of the applicant's removal to the country of destination in light of the general situation there, and individual's personal circumstances. It added that the general situation in Sudan, which was discussed in previous rulings, was not of such a nature as to entail, in itself, a breach of the Article 3. The Court also affirmed that national authorities are most capable and best placed to assess the credibility of the applicant's account. In the present case the domestic authorities did not find the applicant's account to be credible and the Court sees no grounds to depart from their conclusions. It added, inter alia, that the ill-treatment of nationals of non-Arab ethnic origin was not systematic in nature, concluding that his return to Sudan would not present a risk that would be in violation of Article 3. As regards the applicant's Article 13 complaint, the Court noted that there was evidence of ample opportunity for the applicant to present his case and challenge decisions at a domestic level.

EHRM, S.A. v Netherlands No. 49773/15, S.A. v The Netherlands, 2.6.20
http://hudoc.echr.coe.int/eng?i=001-202705

SvJ&V: Afghaanse Bacha Bazi toch risico-groep, nav aangenomen motie

Ik ben van mening dat het huidige beschermingsbeleid en de uitvoering daarvan voldoende waarborgen biedt om slachtoffers van bacha-bazi misbruik daar waar nodig bescherming te bieden. In voorkomende gevallen kan het traumatabeleid van toepassing zijn.

Hoewel er geen noodzaak is om in aanvulling daarop de slachtoffers van bachabazi misbruik aan te merken als risicogroep, ben ik daartoe wel bereid. Redengevend is voor mij daarvoor het gevoelen van uw Kamer, zoals dit blijkt uit eerdergenoemde motie, tezamen met de constatering dat er geen hogere rechtsnorm aan deze aanwijzing als risicogroep in de weg staat. De Vreemdelingencirculaire zal hier spoedig op worden aangepast. Aangezien een passende bescherming waar nodig reeds was gewaarborgd, verwacht ik dat het aanmerken van slachtoffers van Bacha-bazi misbruik een beperkt effect zal hebben.

https://www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/kamerstukken/2020/06/02/antwoorden-kamervragen-over-het-voornemen-de-aangenomen-motie-over-afghaanse-misbruikslachtoffers-niet-uit-te-voeren/antwoorden-kamervragen-over-het-voornemen-de-aangenomen-motie-over-afghaanse-misbruikslachtoffers-niet-uit-te-voeren.pdf, 2.6.20

Rb: wijze van beoordeling politieke overtuiging als vervolgingsgrond (Darfur-activiste)

Uit het Handbook on Procedures and Criteria for Determining Refugee Status under the 1951 Convention and the 1967 Protocol relating to the Status of Refugees (Handbook) van de United Nations High Commissioner for Refugees (UNHCR) volgt dat het relatieve belang èn de sterkte van de politieke overtuiging van een vreemdeling factoren zijn die van belang zijn voor de beoordeling van deze vervolgingsgrond, waaronder de beoordeling of autoriteiten op de hoogte zullen raken van de politieke overtuiging van een vreemdeling. Dit volgt naar het oordeel van de rechtbank ook uit de Afdelingsjurisprudentie. De RvS overwoog eerder dat voor het slagen van een beroep op de vervolgingsgrond politieke overtuiging, vereist is dat deze politieke overtuiging zo fundamenteel is voor de identiteit of morele integriteit van een vreemdeling dat niet mag worden gevraagd dat de vreemdeling die opgeeft.

Eiseres heeft gesteld dat niet helder is wanneer volgens verweerder sprake is van een fundamentele politieke overtuiging, nu een (openbaar) toetsingskader in de vorm van een werkinstructie of vaste gedragslijn van verweerder ontbreekt en ook anderszins niet duidelijk is wat onder dit begrip moet worden verstaan. Naar het oordeel van de rechtbank slaagt dit betoog. Hoewel, zoals hiervoor is overwogen, voor de beoordeling van belang is in hoeverre een gestelde politieke overtuiging ook de nodige substantie heeft, kan uit het Vluchtelingenverdrag, de Kwalificatierichtlijn, noch de nationale regelgeving worden afgeleid wat precies onder een ‘fundamentele politieke overtuiging’ moet worden verstaan en wanneer hiervan sprake is.

Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende inzichtelijk op welke wijze verweerder heeft beoordeeld of bij eiseres van een gestelde fundamentele politieke overtuiging sprake is, zodat verweerder in het bestreden besluit ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat geen gegronde vrees voor vervolging bij terugkeer bestaat.

Gelet hierop is het beroep naar het oordeel van de rechtbank gegrond.
Rb Zwolle NL19.20634, 20.5.20
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2020:4634

Rapp Vreemdelingenketen: aantallen asielzoekers en vergunningen 2019

Aantallen asielzoekers

 

totaal

eerste aanvr

hasa

nareiziger

herplaatsing

hervestiging

2018

31.790

20.350

3.560

6.460

160

1.250

2019

31.360

22.530

2.720

4.180

10

1.920

% verschil

-1%

+11%

-24%

-35%

-95%

+53%

Nationaliteiten eerste asielaanvragers 16% Syrisch, 9% Nigeriaans, 7% Iraans

Aantallen asielvergunningen

 

totaal asielverg

vanuit 1e asielaanvr

vanuit hasa

vanuit herplaatsing

vanuit hervestiging

terugverwezen rb

nareizigers

2018

12.540

3.170

360

140

1.230

1.190

6.470

2019

11.920

4.500

350

10

1.880

1.000

4.180

Inwilligingspercentage eerste asielaanvragen 25% (van 18.190 beslissingen)
Aantal Dublin-beroepszaken in 2019: 9.530 ingediend en 9.180 afgehandeld

Rapp Vreemdelingenketen 2019, 25.5.20
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-19637-2606.html

Pagina's