Nieuws

MvJ&V: Corona maatregelen

Ook binnen de migratieketen is bezien welke maatregelen nodig zijn. Daarbij speelt uiteraard mee dat van vreemdelingen die nu Nederland bereiken niet steeds en op voorhand bekend is waar zij verbleven hebben voor hun komst naar Nederland. Besloten is daarom met ingang van 16 maart alle contacten tot een minimum te beperken.

  • Vreemdelingen die in Nederland aankomen zullen niet tot de COA-opvang worden toegelaten. Er zal geen identificatie en registratie plaatsvinden en gehoren (zowel asiel als regulier) door de IND zullen niet langer doorgang vinden.
  • Dat geldt in beginsel ook voor terugkeergesprekken die de DT&V voert. Nu immers reisbewegingen beperkt zijn en de mogelijkheden tot terugkeer daardoor ook beperkt zijn, zal in bijna alle gevallen het te verwachten resultaat van een terugkeergesprek niet opwegen tegen de risico’s uit het oogpunt van volksgezondheid.
  • De loketfunctie van de IND wordt beperkt tot spoedzaken.
  • Voor zover door bovenstaande maatregelen niet binnen bij wettelijk voorschrift bepaalde termijnen kan worden beslist, is er sprake van een situatie van overmacht, als bedoeld in artikel 4:15, tweede lid, onderdeel c, van de Algemene wet bestuursrecht.

En overigens zal zo spoedig mogelijk een nadere uitwerking van de maatregelen volgen.

https://www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/kamerstukken/2020/03/15/onderwerp-vervolgmaatregelen-aanpak-coronavirus/Vervolgmaatregelen+aanpak+coronavirus.pdf, 15.3.20

Rb: verblijf in ziekenhuis is geen vreemdelingendetentie

De vreemdeling voert aan dat hij wegens ziekenhuisopname van voor 18 december 2019 detentieongeschikt is en dat de bewaringsmaatregel daarom had moeten worden opgeheven. Voor de vraag of de vreemdeling detentieongeschikt is, acht de rechtbank het van belang waar de bewaringsmaatregel ten uitvoer wordt gelegd. De staatssecretaris heeft medegedeeld dat de vreemdeling sinds 18 december 2019 in het Sint Franciscus ziekenhuis verbleef, en aansluitend in het Universitair Medisch Centrum in Groningen. De rechtbank erkent dat deze plaats geen locatie is waarin het voortduren van de bewaringsmaatregel ten uitvoer kan worden gelegd. De wijze van tenuitvoerlegging van de maatregel is dan ook onrechtmatig, nu een wettelijke grondslag hiervoor ontbreekt. Daarmee is geen ruimte voor het verrichten van een belangenafweging. Voorts is er geen aanleiding de plaats van tenuitvoerlegging vervolgens nog te wijzigen, sinds op een reeds onrechtmatig bevonden maatregel niet op dergelijke wijze kan worden voortgeborduurd.

De maatregel is onrechtmatig vanaf 18 december 2019 en de rechtbank zal de opheffing van de maatregel van bewaring bevelen.

Rb Den Bosch, NL19.31501, 7.1.20

Rb: geen asiel voor vrouw met vluchtelingstatus in Malta en man met vluchtelingstatus in NL

De staatssecretaris heeft de asielaanvraag van de vreemdeling niet-ontvankelijk verklaard omdat vast is komen te staan dat zij internationale bescherming geniet in Malta. De vreemdeling voert aan dat de staatssecretaris ten onrechte niet heeft beoordeeld wat het belang van het ongeboren kind is. De vreemdeling en haar ongeboren kind zullen worden gescheiden van de partner/vader, erkend vluchteling in Nederland.

De rechtbank overweegt als volgt. Hoewel de wens van de vreemdeling om samen met haar kind in Nederland te mogen blijven duidelijk is, kan van de vreemdeling worden verwacht dat zij zich wendt tot de (hogere) Maltese autoriteiten om te klagen over de eventuele onmogelijkheden rondom gezinshereniging. Dat zij momenteel zwanger is staat daarna niet in de weg. De vreemdeling heeft niet aannemelijk gemaakt da de Maltese autoriteiten niet zouden willen of kunnen helpen. Ook het beroep op artikel 3 IVRK en de belangen van het kind, kunnen haar niet baten. De staatssecretaris mag ervan uitgaan dat Malta zijn verdragsverplichtingen nakomt.

Rb Amsterdam, NL20.1102 en NL20.1103, 14.2.20

RvS: Oekraïense overheid beschermt transgender met hiv

De staatssecretaris heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat uit de verklaringen van de vreemdeling blijkt dat hij in Oekraïne toegang heeft gehad tot medische zorg. Dat de vreemdeling deze medicatie zelf heeft moeten betalen, doet hieraan niet af. De vreemdeling heeft verder niet gestaafd dat uitsluitend LHBTI hun medicatie voor HIV moeten betalen.

Dat de vreemdeling deze medicatie niet kan betalen omdat hij inmiddels geen werk heeft, maakt niet dat sprake is van discriminatie in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Hoewel de vreemdeling ontslag heeft genomen als gevolg van de discriminatoire behandeling die hij op zijn werk ondervond, heeft hij niet gestaafd dat het nemen van ontslag voor hem onontkoombaar was en dat hij meer in het algemeen door die discriminatoire behandeling zo ernstig wordt beperkt in zijn bestaansmogelijkheden dat hij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kan functioneren. Hierbij weegt de Afdeling mee dat de vreemdeling niet heeft bestreden dat discriminatie op het werk op grond van seksuele geaardheid en genderidentiteit in Oekraïne sinds 2015 verboden is.

De grief slaagt.

RvS 201801206/1/V2, 21.2.20
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2020:550

Rb: authenticiteit Afghaans document niet te bewijzen, geen expert beschikbaar

De vreemdeling heeft aan zijn opvolgende asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij documenten heeft (vrijwilligerswerk contract en een gewaarmerkte brief Afdeling Terrorisme Bestrijding kabel gericht aan politiekorps Kabul) die zijn asielrelaas ondersteunen.

De bewijslast om de authenticiteit van de documenten in een opvolgende aanvraag aan te tonen ligt in beginsel bij de vreemdeling. De staatssecretaris heeft toch onderzoek laten verrichten door het Bureau Documenten. Vervolgens was het aan de vreemdeling om de authenticiteit van het document aan te tonen, omdat uit het onderzoek een voor de vreemdeling ongunstige conclusie werd getrokken. De door de vreemdeling ingeschakelde contra-expert heeft de authenticiteit van de documenten kunnen vaststellen.

De rechtbank overweegt dat, gelet op de inhoud van het rapport, de staatssecretaris terecht twijfels heeft over de expertise van de contra-expert. Echter kan, onder deze specifieke omstandigheden, niet zonder nadere motivering aan de vreemdeling worden tegengeworpen dat hij niet heeft voldaan aan zijn bewijslast. Tevens zijn er geen andere gecertificeerde experts beschikbaar om de authenticiteit van de documenten te onderzoeken. Voorts overweegt de rechtbank dat de vreemdeling op geen enkele wijze de authenticiteit kan vaststellen, hij dit wel heeft geprobeerd en dat de staatssecretaris hieraan heeft meegewerkt, omdat hij het originele document aan de contra-expert heeft verstrekt. Derhalve verkeert de vreemdeling in een bewijsnood en ook de staatssecretaris kan niets zeggen over de authenticiteit. De staatssecretaris kan niet tot de conclusie komen dat er geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden, enkel omdat de authenticiteit van het document niet door de vreemdeling kan worden aangetoond.

Rb Amsterdam, NL19.20580, 11.2.20

EHRM: geen risico terugkeer Sikh familie naar Afghanistan

The Court has held that humanitarian conditions in a country of return could give rise to a breach of Article 3 of the Convention only in a very exceptional case where the humanitarian grounds against removal are “compelling".

The Court notes that both sets of spouses in the present applications consist of apparently healthy adults who have previously resided in Kabul, where the men – who are still of working age – were able to provide for their families. Furthermore, the applicants will not be the only Sikhs in Kabul and it has also not been established that either the authorities or the entire Muslim population of that city will be nothing but hostile to them. Furthermore, it appears that at least one school for Sikh children is open in Kabul.

The Court therefore finds that the severity threshold has not been met in the present case. The Court concludes that the removal of the applicants to Afghanistan would not be in breach of Article 3 of the Convention.

A.S.N. AND OTHERS v. THE NETHERLANDS (68377/17 and 530/18), 25.2.20
http://hudoc.echr.coe.int/eng?i=001-201330

Rb: medisch onderzoek nodig bij herhaalde asielaanvraag tijdens toegewezen art-64

De vreemdeling heeft in mei 2019 verzocht om toepassing van art. 64 Vw. De staatssecretaris heeft vervolgens een BMA-advies opgevraagd waaruit blijkt dat de vreemdeling psychische klachten heeft, afhankelijk is van alcohol en misbruik van andere middelen en dat er sprake is van zwakbegaafdheid en gedragsproblemen. Volgens het BMA wordt een medische noodsituatie op korte termijn verwacht indien de medische behandeling uitblijft. Hierdoor heeft de staatssecretaris de vreemdeling uitstel van vertrek verleend tot mei 2020.

In juni 2019 heeft de vreemdeling een opvolgende aanvraag ingediend waarin hij de staatssecretaris heeft verzocht hem medische te laten onderzoeken door het FMMU voorafgaande aan het gehoor. De staatssecretaris heeft dit besluit afgewezen omdat het niet aannemelijk is dat een nieuw medisch advies iets zou toevoegen, nu aan de vreemdeling recent uitstel van vertrek is verleend en niet aannemelijk is dat de medische situatie van hem sindsdien is gewijzigd.

De rechtbank oordeelt allereerst dat er voor de staatssecretaris geen verplichting bestaat om medisch onderzoek aan te bieden aan een vreemdeling die een opvolgende aanvraag heeft ingediend. Maar aangezien de staatssecretaris op de hoogte was van de psychische problematiek van de vreemdeling en gezien het verzoek van de gemachtigde, lag het naar het oordeel van de rechtbank op de weg van de staatssecretaris om zich voorafgaand aan het gehoor te vergewissen of sprake was van een medische belemmering bij de vreemdeling om gehoord te worden. Nu de staatssecretaris dit heeft nagelaten is het bestreden besluit naar het oordeel van de rechtbank onzorgvuldig voorbereid.

De stelling van de staatssecretaris dat uit het BMA-advies niet blijkt dat de vreemdeling niet gehoord kon worden doet aan het vorenstaande niet af. Het BMA onderzoek is er namelijk niet op gericht vast te stellen of er medische belemmeringen zijn om de vreemdeling te horen.

Rb Groningen, NL19.31277, 18.2.20

RvS vovo toegewezen: Dublinoverdracht gezin naar Italië kan waarschijnlijk wel

De rechtbank (Rb Rotterdam, NL19.23267 en NL19.23271, 29.10.19) stelde eerder vast dat de vreemdelingen zijn aan te merken als kwetsbaar als bedoeld in het arrest Tarakhel. In de door het EHRM getroffen interim measures zag de rechtbank reden tot twijfel aan het uitgangspunt dat ook iedere kwetsbare asielzoeker, zoals de vreemdelingen, adequate opvang zou krijgen. Door geen garanties te vragen heeft de staatssecretaris zich er onvoldoende van vergewist dat de opvang voor de vreemdelingen in Italië voldoet aan de eisen die het arrest Tarakhel daaraan stelt.

Maar de voorzieningenrechter van de Raad van State oordeelt voorlopig dat het niet aannemelijk is dat de uitspraak van de rechtbank in stand blijft. Daarom treft hij een voorlopige voorziening. De overdrachtstermijn wordt opgeschort.

RvS 201908019/3/V1, 11.2.20
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2020:41

Rb: geen Dublinoverdracht Italië man met HIV en kanker

De vreemdeling voert aan dat hij vanwege zijn medische klachten moet worden aangemerkt als een kwetsbare asielzoeker in de zin van het Tarakhel arrest. De vreemdeling heeft een HIV-infectie en heeft het medicijn triumeq in gebruik. Ook is er bij de vreemdeling Kapsoi Sarcoma (een kankersoort wat het meest voorkomt bij aidspatiënten) geconstateerd en dat chemotherapie niet kan worden uitgesloten.

De voorzieningen rechter overweegt dat het EHRM in het arrest Tarakhel heeft vastgesteld dat in Italië de opvang van asielzoekers zodanig tekortschiet, dat onder meer personen die – door het leiden aan een ernstige ziekte – als extra kwetsbaar moeten worden aangemerkt niet zonder aanvullende garanties aan dat land kunnen worden overgedragen. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter is er sprake van zodanige extra kwetsbaarheid bij de vreemdeling. Bij dit oordeel neemt de voorzieningenrechter de ernst van de ziektes waarna de vreemdeling leidt, de verklaring dat hij eerder in Italië geen juiste behandeling heeft gekregen en het belang van continuïteit van de behandeling in aanmerking. Vanwege de bestaande onduidelijkheid over de overdracht van bijzonder kwetsbare asielzoekers aan Italië kan op dit moment niet worden uitgesloten dat overdracht aan Italië tot onomkeerbare gevolgen voor de verzoeker kan leiden.

Rb Zwolle, NL19.24467, 14.2.20

RvS: afwegingen over rechtmatig verblijf bij asielprocedure in detentie

In haar uitspraak van 19 december 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:4358) heeft de Afdeling overwogen dat voor het mogen afwachten van de rechtsmiddelentermijn bij opvolgende aanvragen asiel een onderscheid bestaat tussen situaties waarin de hoofdregel van toepassing is en die waarin de twee uitzonderingen van toepassing zijn.

Of de hoofdregel van toepassing is, volgt rechtstreeks uit artikel 82, tweede en zesde lid, van de Vw 2000, gelezen in samenhang met artikel 7.3, eerste lid, van het Vb 2000. Deze hoofdregel houdt in dat het instellen van beroep geen schorsende werking heeft, maar de vreemdeling mag een uitspraak op een door hem ingediend verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afwachten. Als de hoofdregel van toepassing is heeft dat tot gevolg dat de rechtsgevolgen van het eerder genomen terugkeerbesluit worden geschorst tijdens de rechtsmiddelentermijn.

Of een uitzondering van toepassing is, is onder meer afhankelijk van het antwoord op de vraag of nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn gekomen die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag en die inhoudelijke vraag moet door de rechter in de asielprocedure worden beantwoord.

In deze zaak is de uitzondering en niet de hoofdregel voor het mogen afwachten van de rechtsmiddelen-termijn bij een tweede aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd van toepassing: de staatssecretaris heeft bepaald dat de vreemdeling de uitspraak op het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet mag afwachten, omdat hij de tweede asielaanvraag alleen heeft ingediend om de uitvoering van het eerder genomen terugkeerbesluit te vertragen of te verhinderen.

Daaruit volgt dat de rechtbank ten onrechte de door de vreemdeling daarover aangevoerde beroepsgrond in haar beoordeling heeft betrokken. De rechter die belast is met de toetsing van de rechtmatigheid van de maatregel van bewaring kan deze beroepsgrond niet beoordelen.

Nu op grond van de uitspraak van de rechtbank in de asielprocedure in rechte vaststaat dat de vreemdeling geen rechtmatig verblijf had, heeft de rechtbank terecht overwogen dat hij op die dag op de juiste wettelijke grondslag in bewaring is gesteld.

De grief faalt. Het hoger beroep is ongegrond.
RvS 201809944/1/V3, 29.1.20
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2020:245
idem RvS 201807803/1/V3, 29.1.20
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2020:246
idem RvS 201904478/1/V3, 29.1.20
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2020:243
idem RvS 201908773/1/V3, 30.1.20
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2020:327

Pagina's