Nieuws

Rb: risico voor activisten OLF Ethiopie

De vreemdeling legt aan zijn opvolgende asielaanvraag ten grondslag dat hij in Nederland politieke activiteiten is gaan ontplooien voor het Oromo Liberation Front (OLF). De staatssecretaris stelt dat de in Nederland door de vreemdeling ontplooide politieke activiteiten onvoldoende zwaarwegend zijn.

De rechtbank stelt allereerst vast dat de staatssecretaris onvoldoende heeft onderbouwd waarom hij de door de vreemdeling aangehaalde bronnen onvoldoende betrouwbaar acht. Zo heeft de vreemdeling immers de inhoud van de overgelegde bronnen in de zienswijze opgenomen, dan wel in de voetnoten een vindplaats vermeld. Daarnaast zijn de bronnen afkomstig van internationaal gerespecteerde mensenrechtenorganisaties, zoals Human Rights Watch en Amnesty International, of erkende Ethiopiëdeskundigen zoals T. Trueman, G. Schröder en F. Horne. Van deze Ethiopiëdeskundigen geeft de staatssecretaris niet aan waarom hij de deskundigheid betwist.

Tevens geeft de overgelegde landeninformatie een ander beeld dan de informatie waarop de staatssecretaris zich baseert. Als voorbeeld noemt de rechtbank het overgelegde rapport uit maart 2020 van Danish Immigration Service waaruit blijkt dat er sprake is van het sluiten van OLF-kantoren door de autoriteiten en massale detentie, aanvallen en doden onder (ook niet-militante) OLF-aanhangers bij diverse recente demonstraties. Gelet op de ook door de staatssecretaris erkende onstabiele situatie in Ethiopië oordeelt de rechtbank dat de staatssecretaris deze meest recente landeninformatie bij de beoordeling had moeten betrekken. Hierbij acht de rechtbank het ook van belang dat van de vreemdeling geen terughoudendheid mag worden verwacht bij het in Ethiopië voortzetten van zijn geloofwaardig geachte politieke activiteiten. 

Beroep gegrond.
Rb Middelburg, NL20.11624, 10.8.20

Rb: peilmoment om document als novum te beoordelen is eerdere asielbeslissing

Aan zijn opvolgende aanvraag legt de vreemdeling ten grondslag dat hij door de Tadzjiekse autoriteiten wordt vervolgd omdat hij ervan wordt beschuldigd dat hij zich in Nederland bij een terroristische organisatie heeft aangesloten. Daartoe overlegt hij een duplicaat van een arrestatiebevel. De aanvraag wordt afgewezen omdat de staatssecretaris stelt dat er geen novum is, nu de vreemdeling het arrestatiebevel reeds in beroep of hoger beroep in de vorige procedure kon inbrengen.

De rechtbank oordeelt dat het peilmoment voor nova niet de uitspraak op het beroep of hoger beroep is, maar de datum van het besluit in de vorige procedure. De staatssecretaris werpt de vreemdeling derhalve ten onrechte tegen dat hij de kopie van het duplicaat niet tijdens de beroepsfase in de vorige procedure heeft ingebracht en evenmin melding heeft gemaakt van de aanklacht.

Het besluit is derhalve niet zorgvuldig voorbereid en niet deugdelijk gemotiveerd.

Beroep gegrond.
Rb Arnhem, NL20.5105, 11.8.20

RvS: wisselende identiteitsgegevens in Italie maken identiteit in NL ook ongeloofwaardig

De staatssecretaris is er in beginsel terecht van uitgegaan dat de registratie van de geboortedatum en naam van de vreemdeling in Italië zorgvuldig heeft plaatsgevonden. Het is aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat de registratie in Italië onjuist is. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, betoogt de staatssecretaris terecht dat de vreemdeling met de enkele stelling dat in Italië geen tolk aanwezig was onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat in Italië fouten zijn gemaakt bij de registratie van zijn geboortedatum en naam. Nu de geboortedatum deel uitmaakt van de identiteit van de vreemdeling, heeft de staatssecretaris de door hem gestelde identiteit niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht.

Voorts betoogt de staatssecretaris niet ten onrechte dat de vreemdeling met de door hem overgelegde kopieën van zijn doopakte, en van de identiteitskaart en bewonerspas van zijn gestelde vader, zijn identiteit niet aannemelijk heeft gemaakt. De staatssecretaris heeft er ter zitting terecht op gewezen dat de overgelegde doopakte een kopie is die niet kan worden onderzocht en verder dat hij niet kan vaststellen of de man aan wie de overgelegde kopieën van de identiteitskaart en bewonerspas toebehoren daadwerkelijk de vader van de vreemdeling is. Ten slotte heeft de staatssecretaris niet ten onrechte geen geloof gehecht aan de illegale uitreis van de vreemdeling en bevreemdingwekkend geacht dat de vreemdeling geen voorbereidingen heeft getroffen voor de reis en zich niet heeft laten informeren over de reisagent, de te volgen route en de duur van de reis.

De grieven slagen. Het hoger beroep is gegrond.
RvS 202001125/1/V1, 5.8.20
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2020:1843

HvJ EU: ook bij status in ander EU-land bestaat altijd recht op een asielgehoor

The applicant, an Eritrean national, was granted leave to remain in Italy until 2015 after making a successful application for asylum in 2009. In 2011, he travelled to Germany and claimed refugee status, which was rejected as inadmissible on the basis that he had entered from a safe third country. At this point, the applicant did not have a personal interview to hear the arguments in relation to the new application.

The Court noted that where a MS has evidence to establish the existence of a risk in another MS which has granted an applicant international protection, the authorities are required to assess, inter alia, information which is objective, reliable and specific in relation to deficiencies in that MS. Moreover, it cannot be ruled out that an applicant would be able to provide evidence of the exceptional circumstances that would expose him to a risk of inhuman and degrading treatment. A personal interview is therefore of fundamental importance in assessing an individual's degree of vulnerability and must be conducted, inter alia, with confidentiality and with a person capable of assessing the personal and general circumstances of the applicant.

HvJ EU C-517/1, 16.7.20
http://curia.europa.eu/juris/document/document.jsf?text=&docid=228673&pageIndex=0&doclang=en&mode=req&dir=&occ=first&part=1&cid=12611640

Rb: geen Dublinoverdracht Spanje voor oudere vrouw met zoon in NL

De rechtbank is van oordeel dat eiseres aannemelijk heeft gemaakt dat zij als iemand van hoge leeftijd dient te worden beschouwd die afhankelijk is van zorg. Zij is 67 jaar oud en analfabeet, woont bij haar zoon in huis. Hij ondersteunt haar in haar dagelijkse leven en zij is afhankelijk van zijn zorg. Hij heeft ook schriftelijk bevestigd dat hij in staat is om voor haar te zorgen en dat hij dit wenst. Ook het COA gaat uit van de afhankelijkheid van eiseres van haar zoon, gelet op het feit dat eiseres is overgeplaatst naar een asielzoekerscentrum in de buurt van haar zoon.

Nu uit artikel 16 van de Dublinverordening volgt dat de afhankelijkheid ook uit het hebben van een hoge leeftijd kan bestaan, schiet de motivering van verweerder tekort. Door alleen naar het ontbreken van (medische) documenten te verwijzen, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank in dit geval onvoldoende gemotiveerd dat eiseres wegens haar hoge leeftijd niet afhankelijk is van de zorg van haar zoon.

Het beroep is gegrond.
Rb Haarlem NL20.12561, 11.8.20
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2020:7744

RvS: Dublinoverdracht Italie ondanks PTSS, bewijslast medische problemen bij asielzoeker

De staatssecretaris klaagt in zijn enige grief terecht dat de rechtbank de vraag of de overdracht van een vreemdeling aan een andere lidstaat een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van zijn gezondheidstoestand tot gevolg heeft, ten onrechte niet heeft onderscheiden van de vraag of in die andere lidstaat na de overdracht voor die vreemdeling passende medische zorg aanwezig is (zie de uitspraak van de Afdeling van 3 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2986).

Over de eerste vraag heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat niet is uit te sluiten dat de overdracht van de vreemdeling aan Italië tot een ernstige verslechtering van zijn gezondheidstoestand zal leiden. Het is namelijk in eerste instantie aan de vreemdeling om objectieve gegevens over te leggen die de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen van een overdracht daarvoor aantonen (zie de uitspraak van de Afdeling van 21 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4303). Daarin is de vreemdeling in deze zaak niet geslaagd. Hoewel uit de adviezen van de FMMU volgt dat hij gelet op zijn klachten niet in staat was om te worden gehoord over zijn asielrelaas, wordt in deze stukken niets gezegd over de gevolgen van een overdracht voor zijn gezondheidstoestand. Verder blijkt uit het psychiatrisch onderzoeksverslag alleen dat hij is gediagnostiseerd met PTSS en dat daarvoor een behandelplan wordt opgesteld. De staatssecretaris was dan ook niet gehouden nader onderzoek te verrichten naar de gezondheidstoestand van de vreemdeling en de gevolgen daarvoor van een overdracht (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 16 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:129).

Tegen deze achtergrond heeft de rechtbank over de tweede vraag ten onrechte overwogen dat aanvullende garanties van de Italiaanse autoriteiten nodig zijn om er zeker van te zijn dat de vreemdeling in Italië de medische zorg zal krijgen die hij nodig heeft. De staatssecretaris gaat ten aanzien van Italië namelijk terecht uit van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, ook wanneer het bijzonder kwetsbare vreemdelingen betreft (zie de uitspraak van de Afdeling van 8 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:986). Aanvullende garanties van de Italiaanse autoriteiten zijn daarom niet nodig in deze zaak.

Het hoger beroep is gegrond.
RvS 201808857/1/V3, 29.7.20
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2020:1802

RvS: intrekken voorzieningen asielzoeker mag niet als straf ingezet worden

In de eerste grief betoogt de asielzoeker dat uit het arrest van het Hof van Justitie van 12 november 2019, Haqbin, ECLI:EU:C:2019:956, volgt dat de strafmaatregelen die het COa aan hem heeft opgelegd in strijd zijn met artikel 20, vierde en vijfde lid, van de Opvangrichtlijn (PB 2013 L 180).

Zoals het Hof in het arrest Haqbin heeft overwogen, kan een lidstaat in geval van ernstige inbreuken op de regels van opvangcentra weliswaar maatregelen opleggen, maar daarbij kan een lidstaat niet overgaan tot, al was het maar tijdelijk, intrekking van alle materiële opvangvoorzieningen als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder f en g, van de Opvangrichtlijn. Een vreemdeling zou hiermee de mogelijkheid worden ontnomen om te voorzien in zijn meest elementaire behoeften, wat onverenigbaar is met het doel van de richtlijn te waarborgen dat de menselijke waardigheid ten volle wordt geëerbiedigd. Als lidstaten besluiten de materiële opvangvoorzieningen van een vreemdeling te beperken om een in artikel 20, vierde lid, van de Opvangrichtlijn bedoelde reden, moeten zij rekening houden met de in het vijfde lid van dat artikel genoemde vereisten, waarbij met name het evenredigheidsbeginsel en de menselijke waardigheid van belang zijn.

Gelet op deze overwegingen van het Hof slaagt de grief. Anders dan het COa als verweer heeft aangevoerd zien die overwegingen niet uitsluitend op minderjarige vreemdelingen. Wel stelt het Hof wegens de specifieke situatie van een minderjarige hogere eisen aan sancties die lidstaten aan een minderjarige opleggen. De rechtbank heeft dan ook niet onderkend dat de maatregelen waarbij het COa de materiële opvangvoorzieningen van de vreemdeling zonder stil te staan bij de waarborgen van artikel 20, vijfde lid, van de Opvangrichtlijn tijdelijk geheel heeft stopgezet, in strijd zijn met artikel 20, vierde en vijfde lid, van de Opvangrichtlijn.

Het hoger beroep is gegrond.
RvS 201908490/1/V1, 15.7.20
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2020:1622

Rb: schadevergoeding ivm te lange detentie want te weinig uitzettingshandelingen in coronatijd

De vreemdeling heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld en daarbij verzocht om een schadevergoeding. De vreemdeling stelt dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend te werk is gegaan en dat het zicht op uitzetting ontbreekt.
De rechtbank overweegt als volgt. Dat het vertrekgesprek op 4 maart niet kon plaatsvinden vanwege het coronavirus, leidt niet tot de conclusie dat de staatssecretaris vanaf die datum onvoldoende voortvarend handelde. Het betreft namelijk een uitzonderlijke situatie waarin de samenleving momenteel verkeert zodat de staatssecretaris logischerwijs diende te onderzoeken in welke vorm de vertrekgesprekken doorgang konden vinden. Op 10 april 2020 heeft vervolgens telefonisch een vertrekgesprek plaatsgevonden. Er is niet gebleken dat de staatssecretaris daarna heeft onderzocht welk uitzettingstraject wordt ingeslagen, noch dat hij naast het houden van een vertrekgesprek op 5 juni 2020 overige uitzettingshandelingen heeft verricht. Er is daarom vanaf 11 april 2020 onvoldoende voortvarend gehandeld, waardoor de maatregel vanaf die datum onrechtmatig was.

Van de vreemdeling kan echter wel worden verwacht dat hij zelf maatregelen neemt om de geleden schade te voorkomen of te beperken, bijvoorbeeld door het instellen van een beroep waarbij hij de rechtmatigheid van de vrijheidsontneming door de rechtbank kan laten toetsen en ook om schadevergoeding kan verzoeken. De schadevergoeding wordt gematigd met 50 procent, omdat de vreemdeling weigerachtig gedrag heeft vertoond en heeft nagelaten schadebeperkend te handelen, door niet eerder beroep in te stellen tegen de voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel. Er wordt een schadevergoeding tot een bedrag van €2.760,- toegekend.

Beroep gegrond.
Rb Den Haag, NL20.12140, 10.7.20

RvS: geen toelating buitenhuwelijkse kinderen Ghanees, persoonlijke banden niet aangetoond

De staatssecretaris heeft naar het oordeel van de Afdeling terecht aangevoerd dat de vereisten om gezinsleven aan te nemen cumulatief zijn (vgl. de uitspraken van de Afdeling van 26 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2580, en 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2366). Om in dit geval, waarbij de minderjarige vreemdelingen niet zijn geboren uit een huwelijk of een met een huwelijk op één lijn te stellen relatie, gezinsleven aan te nemen moet dus sprake zijn van biologisch of juridisch vaderschap én voldoende feitelijke invulling aan die onderlinge relatie worden gegeven.

De rechtbank heeft vooral van belang geacht dat referent tussen 2007 en 2018 zeer regelmatig geldbedragen aan de moeders van de vreemdelingen heeft overgemaakt onder vermelding van "family support". De staatssecretaris heeft zich echter terecht op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is gemaakt dat referent al vanaf de geboorte van de vreemdelingen financieel heeft bijgedragen en dat de bijdrages die hij heeft gedaan niet structureel waren. Zo hebben er bijvoorbeeld over de jaren 2013 en 2015 weinig betalingen plaatsgevonden. Bovendien volgt uit het gegeven dat referent geldbedragen heeft overgemaakt niet dat daadwerkelijk hechte persoonlijke banden bestaan, terwijl dat de essentie is van het bestaan van een gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM (zie de eerder genoemde uitspraak van de Afdeling van 18 juli 2018). Ook met de andere overgelegde stukken, in samenhang beschouwd met het voorgaande, zijn die banden niet aannemelijk gemaakt. Daarbij is vooral van belang dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat uit het feit dat referent herhaaldelijk naar Ghana is afgereisd niet volgt dat hij de vreemdelingen heeft bezocht en verzorgende en opvoedende taken op zich heeft genomen en ook dat de verklaringen van de moeders onder ede geen objectief bewijs zijn op grond waarvan moet worden aangenomen dat hij dat wel heeft gedaan.

De staatssecretaris heeft zich daarom, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat geen feitelijke invulling wordt gegeven aan het gestelde gezinsleven. Hij hoeft daarom geen onderzoek te doen naar de biologische band.

De grieven slagen.
RvS 201906100/1/V3, 15.7.20
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2020:1686

Rb: intrekken asielvergunning vanwege onjuiste info terecht, nieuw asielverzoek mogelijk

De staatssecretaris heeft de asielvergunningen van twee vreemdelingen ingetrokken vanwege het verstrekken van onjuiste informatie en tegelijkertijd uitzetting achterwege gelaten vanwege de aannemelijkheid dat zij bij terugkeer als alleenstaande Tamilvrouwen een reëel risico lopen op een behandeling in strijd met 3 EVRM.

De vreemdelingen stellen dat, alhoewel zij onjuiste gegevens hebben verstrekt, deze gegevens niet zouden hebben geleid tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag. Daarnaast voeren zij aan dat verweerder hen ten onrechte heeft verwezen naar Ter Apel, nu al voor de bestreden besluiten de personalia van de vreemdelingen in het BRP waren gecorrigeerd. Voorts voeren zij aan dat in redelijkheid van intrekking van de verleende verblijfsvergunningen moet worden afgezien.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de staatssecretaris bij de intrekkingen voldaan aan de lijn die volgt uit verschillende Afdelingsuitspraken (ECLI:NL:RVS:2013:BZ9020 en ECLI:NL:RVS:2018:66). Het is niet relevant of de vergunningen ook zouden zijn verleend als de vreemdelingen bij de aanvraag de juiste naam zouden hebben gebruikt of als de vreemdelingen hun personalia in de BRP hebben gewijzigd voordat de bestreden besluiten werden genomen. Ook oordeelt de rechtbank dat de staatssecretaris niet bij het intrekkingsbesluit moet beslissen over de verlening van een nieuwe asielvergunning. De vreemdeling zullen een nieuwe asielaanvraag moeten indienen, waarbij de rechtbank opmerkt dat zij deze nieuwe aanvraag aan zichzelf hebben te wijten en dit al veel eerder hadden kunnen indienen.

Tevens oordeelt de rechtbank dat de staatssecretaris zich niet ten onrechte op het standpunt stelt dat niet is gebleken van bijzondere feiten of omstandigheden die er toe leiden dat de verleende vergunningen niet zouden worden ingetrokken. Ondanks dat de vreemdelingen al langere tijd in Nederland verblijven en de procedure al langer loopt, moeten vreemdelingen die op basis van onjuiste informatie rechten verwerven, er rekening mee houden dat er op enig moment rechtsherstel kan plaatsvinden.

Beroepen gegrond.
Rb Arnhem, Sri Lanka, NL19.21864, NL19.21865 en NL19.21866, 17.7.20

Pagina's