Nieuws

WBV 2019/21: verduidelijking criteria dienstweigeraar

Een verblijfsvergunning asiel kan worden verleend o.g.v. gewetensbezwaren indien het niet vervullen van de militaire dienst wegens onoverkomelijke gewetensbezwaren leidt tot oplegging van een onevenredige zware (straf)maatregel of tot oplegging van een samenstel van verschillende maatregelen die in samenhang kunnen worden aangemerkt als een onevenredige bestraffing.

WBV 2019/21, 6.12.19 in staatscourant 66564, 10.12.19
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2019-66564.html

Rb: Dari-tolk belemmert vrijheid verklaren over homoseksualiteit

De vreemdeling betoogt in beroep dat hij tijdens het gehoor niet vrijuit heeft kunnen spreken vanwege het feit dat de tolk een “stadsgenoot” (dat wil zeggen een Afghaanse landgenoot die uit dezelfde stad afkomstig is al de familie van de vreemdeling) was, van wie volgens de vreemdeling algemeen bekend is dat hij streng gelovig is. Hierdoor voelde hij zich ongemakkelijk om te verklaren over zijn homoseksualiteit.

De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris in het onderhavige geval vanuit het oogpunt van zorgvuldigheid de vreemdeling aanvullend had dienen te horen. De staatssecretaris had onder de omstandigheden zijn besluit niet mogen baseren op alleen het ene verhoor van de vreemdeling via de Dari-tolk. Hierbij wordt betrokken dat de vreemdeling ter zitting net als in zijn correcties en aanvulling nog op heeft gewezen dat het voor hem nagenoeg onmogelijk was om op de vragen van de hoormedewerker te antwoorden dat hij de tolk niet vertrouwde, althans niet in diens bijzijn durfde te verklaren over zijn geaardheid. In zijn cultuur is dit ondenkbaar. Dit komt niet volstrekt onaannemelijk voor. Beroep gegrond.

Rb Roermond, NL19.23941, 3.12.19

WBV 2019/21: nieuw beleid intrekken asielvergunning

  • Ook bij een zwaar inreisverbod wordt, volgend op de intrekking van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd of het niet verlengen van de geldigheidsduur daarvan, ambtshalve de aanspraken op art. 8 EVRM onderzocht, nav. de uitspraak van de ABRvS van 25 november 2019.
  • Ook is in het beleid opgenomen onder welke omstandigheden intrekking van de verblijfsvergunning plaatsvindt wegens het vertrek van de vreemdeling uit Nederland.
  • Tot slot heeft er een aanpassing plaatsgevonden t.a.v. de intrekkingsgrond 'verplaatsen hoofdverblijf'.

Naar analogie is ook het beleid bij een voornemen tot intrekken van een asielvergunning onbepaalde tijd aagepast.

WBV 2019/21, 6.12.19 in staatscourant 66564, 10.12.19
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2019-66564.html

Rb: prejudiciele vragen over nova in hasa

De rechtbank overweegt dat de vraag rijst hoe het begrip “nieuwe elementen en bevindingen” zoals benoemd in artikel 40 van de Procedurerichtlijn dient te worden uitgelegd om te bezien of de Nederlandse regelgeving en beleid in overeenstemming zijn met het recht van de Unie.

In de huidige Nederlandse praktijk betrekt de beslissingsautoriteit bij een eerste asielaanvraag documenten waarvan de authenticiteit niet vaststaat bij de beoordeling. Daarentegen vormt bij een volgende asielprocedure onzekerheid over de authenticiteit op zichzelf al reden voor de beslissingsautoriteit om te concluderen dat geen sprake is van nieuwe elementen of bevindingen, wat leidt tot niet-ontvankelijkheid van de opvolgende aanvraag. Deze gevolgen worden door de beslissingsautoriteit ook verbonden aan de overlegging van een kopie bij een volgend verzoek en bij documenten die afkomstig zijn uit een niet-objectief verifieerbare bron.

De rechtbank wenst van het HvJ-EU te vernemen of deze categorieën van documenten buiten beschouwing mogen worden gelaten bij de beoordeling van volgende verzoeken enkel vanwege deze kwalificatie. De rechtbank wil tevens weten of lidstaten bij de beoordeling van documenten in een asielprocedure onderscheid mogen maken tussen een eerste en opvolgende aanvraag en of lidstaten bij opvolgende aanvragen minder invulling hoeven te geven aan de samenwerkingsplicht.

Rb den Bosch NL19.20920, 17.12.19
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2019:13451

Rb: 1F voor minderjarige anders wegen

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser met zijn handelen gijzeling heeft gefaciliteerd en daarmee sprake is van ‘personal participation’ op de momenten dat eiser het slot op de deur heeft gedaan en daarmee op die momenten heeft gezorgd dat mensen niet de keuze hadden om de magazijnen te verlaten.

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of verweerder terecht heeft aangenomen dat er voor wat betreft het faciliteren van gijzeling tevens sprake is van ‘knowing participation’

De rechtbank is van oordeel dat uit het bestreden besluit onvoldoende blijkt op welke wijze verweerder zowel de minderjarigheid van eiser als hetgeen hij op jonge leeftijd heeft meegemaakt bij zijn beoordeling heeft betrokken.

De rechtbank betrekt hierbij dat eiser heeft verklaard dat de redenen van zijn verblijf in derde landen zijn gelegen in de inval van IS, het geweldsniveau in Libië en de aard van zijn verhouding met zijn vader en zijn keuzes als 14-jarige dus geen verband houden met ongedwongen reizen voor ontspanning, school of werk. … Eiser was minderjarig ten tijde van de handelingen die in deze zaak door verweerder zijn beoordeeld en minderjarig ten tijde van zijn asielaanvraag in Nederland, dus de procedurele regels en waarborgen die zien op minderjarigen zijn integraal en onverkort van toepassing. Verweerder moet deze minderjarigheid –kenbaar- betrekken bij zijn besluit en de zogenaamde 1F-tegenwerping en heeft dit onvoldoende gedaan. De rechtbank wijst in dit verband tevens op de door eiser overgelegde brief van Nidos, waarin naast op de minderjarigheid van eiser tevens op de opeenstapeling van traumatische ervaringen van eiser is gewezen….

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet zonder nader onderzoek door een ontwikkelingspsycholoog en/of orthopedagoog naar de specifieke situatie van eiser zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat er bij eiser voor wat betreft het faciliteren van de gijzeling sprake is van ‘knowing participation’ en dat eiser – indien niettemin zou moeten worden aangenomen dat er wel sprake is van ‘knowing and personal participation’ - niet kan worden gevrijwaard van verantwoordelijkheid vanwege dwang.

Rb Den Bosch NL19.4708, 19.12.19
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2019:13721

 

Rb: identiteitsdocumenten voor vergunning bij NLs kind bewijzen ook identiteit voor asielaanvraag

Vreemdelingen zijn in het kader van nareis naar Nederland gekomen, waarna op aanvraag vbt-a is verleend. Bij besluit heeft de staatssecretaris de verleende/verzochte verblijfsvergunningen ingetrokken/afgewezen, omdat zij bij hun asielaanvragen onjuiste gegevens hebben verstrekt dan wel gegevens hebben achtergehouden.

Vreemdelingen hebben staatssecretaris verzocht om terug te komen van de besluiten tot intrekking/afwijzing, stellende dat staatssecretaris de identiteit en Somalische nationaliteit van de voormalige echtgenote van referent op grond van de drie door haar overgelegde documenten nu wel aannemelijk acht gelet op het feit dat staatssecretaris aan haar als verzorgende ouder van een Nederlands kind een document heeft afgegeven als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw (Chavez). Vreemdelingen (voormalig gezinsleden) hebben drie soortgelijke documenten overgelegd, te weten een geboorteverklaring, een nationaliteitsverklaring en een bevestigende verklaring van de Somalische ambassade. … Er is niet deugdelijk gemotiveerd waarom overige vreemdelingen hun identiteit en nationaliteit met de drie documenten niet ook aannemelijk hebben gemaakt. De rechtbank stelt staatssecretaris middels tussenuitspraak in de gelegenheid het gebrek te herstellen, hetzij door de gestelde identiteit en nationaliteit aannemelijk te achten en hun verzoek inhoudelijk te beoordelen, hetzij om alsnog deugdelijk te motiveren waarom dit niet is gedaan. Beroep gegrond.

Rb Rotterdam, NL19.26336, 29.11.19

MvJ&V: cijfers over asielverzoeken, inwilligen, Dublin-procedures en overdrachten

MvJ&V: Aantal asielverzoeken in spoor 4 t/m sept19 en inwilligingspercentage

Syrie

1500

92%

Turkije

490

90%

Eritrea

310

80%

Jemen

290

95%

Iran

210

46%

Onbekend

130

52%

Staatloos

70

52%

China

50

81%


MvJ&V: Inwilligingspercentages t/m sept19

  • Het inwilligingspercentage in spoor 1 (Dublinprocdure) is 0%.
  • Het inwilligingspercentage in spoor 2 (Veilig land of verblijf in ander EU-land) is 0%.
  • Het inwilligingspercentage in spoor 4 (Algemene Asielprocedure) is 58%.
  • Afgewezen aanvragen vanwege Dublin: in 2018 40%; eerste 6 maanden van 2019 39%

https://www.eerstekamer.nl/behandeling/20191121/verslag_houdende_een_lijst_van/document3/f=/vl3wn7f838z8.pdf vragen 371 en 380, 21.11.19


MvJ&V: inwilligingspercentages

  • Het inwilligingspercentage voor Syriërs was in het eerste half jaar van 2019 97%,
  • Het inwilligingspercentage voor Afghanen was dit 39%
  • Het inwilligingspercentage voor Eritreeërs was dit 82%.

Zaken die afgedaan zijn op grond van de Dublin verordening zijn niet meegenomen in de totalen van deze nationaliteiten.

https://www.eerstekamer.nl/behandeling/20191121/verslag_houdende_een_lijst_van/document3/f=/vl3wn7f838z8.pdf vraag 373, 21.11.19


MvJ&V: Dublinclaims 2014-2018 totaal

Duitsland

12.820

Italië

6.110

Frankrijk

1.910

Hongarije

1.130

Spanje

1.120

https://www.eerstekamer.nl/overig/20191121/tabellen_behorend_bij/document3/f=/vl3wn7f839za.pdf, 21.11.19


MvJ&V: aantallen Dublinclaims en Dublinoverdrachten

In 2018 heeft de IND 11.770 uitgaande Dublinclaims geregistreerd, in 2019 (t/m september) 10.320.

In 2018 zijn 5.730 vreemdelingen uitgestroomd uit de caseload van DT&V bij wie een Dublin claim aanwezig is geweest. In 1.870 (33%) van deze zaken heeft aantoonbaar vertrek op Dublin claim naar het claim land plaatsgevonden. In 2019 t/m september zijn er 4.960 vreemdelingen uitgestroomd bij wie een Dublin claim aanwezig is geweest. In 1.760 (35%) van deze zaken heeft aantoonbaar vertrek op Dublin claim naar het claim land plaatsgevonden.

https://www.eerstekamer.nl/behandeling/20191121/verslag_houdende_een_lijst_van/document3/f=/vl3wn7f838z8.pdf vraag 81, 21.11.19

Rapp vreemdelingenketen: vertrek eerste halfjaar 2018 en 2019

 

totaal vertrek

gedwongen vertrek

aantoonbaar zelfstandig vertrek

zelfstandig vertrek zonder toezicht

2018-1

10.430

3.100

1.240

6.090

2019-1

12.730

3.170

2.620

6.950

% verschil

+22%

+2%

+111%

+14%

Uit deze cijfers blijkt dat 41% van de vertrekplichtige vreemdelingen aantoonbaar is vertrokken

rapp vreemdelingenketen jan-jun19
https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2019/11/15/rapportage-vreemdelingenketen-periode-januari---juni-2019, 15.11.19

RvS: achteraf blijkt detentie onrechtmatig ivm status met terugwerkende kracht

De vreemdeling is op 6 september 2019 in vreemdelingenbewaring gesteld. De Rb heeft op 27 september het beroep tegen de bewaring ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De vreemdeling heeft aan haar verzoek om heropening van het onderzoek o.m. een besluit van 24 september 2019 ten grondslag gelegd, waarin de SvJ&V haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleent, geldig van 11 mei 2019 tot 11 mei 2024.

De Rb kan het onderzoek heropenen, indien zij van oordeel is dat dit niet volledig is geweest (art. 8:68 lid 1 Awb). Dit is een discretionaire bevoegdheid van de Rb. Doorgaans hoeft de Rb de beslissing over de toepassing daarvan niet nader toe te lichten. In dit geval had de Rb, nu uit het besluit van 24 september 2019 blijkt dat de vreemdeling achteraf bezien gedurende de bewaring steeds rechtmatig verblijf heeft gehad, het verzoek niet zonder nadere motivering mogen afwijzen.

Hoger beroep vreemdeling kennelijk gegrond; vernietigt VK Utrecht 27 september 2019, NL19.21265; wijst de zaak terug.
ABRvS, 201907392/1/V3, 8.11.19
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2019:3787

RvS: niet automatisch zwaar inreisverbod bij 1F

Deze zaak gaat over de vraag welke elementen betrokken moeten worden indien de staatssecretaris een zwaar inreisverbod tegen een vreemdeling, aan wie artikel 1(F) is tegengeworpen, wil uitvaardigen. De staatssecretaris moet daarbij beoordelen of de vreemdeling een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormt, als bedoeld in het arrest van het Hof van 11 juni 2015, Z.Zh. en I.O., ECLI:EU:C:2015:377.

Dat artikel 1(F) op een vreemdeling van toepassing is, kan blijkens het arrest van 2 mei 2018 niet automatisch tot het oordeel leiden dat die vreemdeling een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormt. De staatssecretaris had ook andere omstandigheden kenbaar in zijn besluitvorming moeten betrekken, wat hij heeft nagelaten. De staatssecretaris zal dit alsnog moeten motiveren.

Het hoger beroep is gegrond.
RvS 201602747/1/V2, 22.11.19
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2019:3954

Pagina's