Nieuws

RvS: niet automatisch Schorsende Werking asielbesluit tijdens hoger beroep bij de RvS

De Nederlandse wet regelt niet dat het instellen van hoger beroep in asielzaken automatisch betekent dat het onderliggende besluit daarmee is geschorst. Schorsende werking is er alleen voor de procedure bij de rechtbank. Dat betekent dat een vreemdeling de behandeling van zijn beroep bij de rechtbank wel in Nederland mag afwachten, maar zijn hoger beroep niet.

De Afdeling bestuursrechtspraak vroeg het Hof van Justitie in Luxemburg in maart 2017 of deze gang van zaken in overeenstemming is met het Europees recht. Het Hof beantwoordde die vragen in september 2018 en oordeelde daarbij dat de Europese Procedure- en Terugkeerrichtlijn zich niet verzetten tegen de Nederlandse regeling. Dat betekent dat uit die richtlijnen niet volgt dat hoger beroep 'van rechtswege' schorsende werking moet hebben. De Afdeling bestuursrechtspraak past dat antwoord in haar uitspraken van vandaag toe.

Dat betekent dat vreemdelingen niet automatisch de mogelijkheid hoeft te worden gegeven om hun hoger beroep in Nederland af te wachten.

RvS 201609659/1/V2 en 201609659/4/V2, 20.2.19
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2019:457

RvS: terecht wordt bij herhaalde aanvraag via voornemen nadere informatie gevraagd

De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat de staatssecretaris in strijd met de Awb en de Vw 2000 handelt, door een vreemdeling middels een voornemen in de gelegenheid te stellen een verzuim te herstellen. Weliswaar staat in het beleid dat de ééndagstoets begint met het indienen van model M35-0, maar hierbij staat óók, dat in of bij dat model moet worden toegelicht om welke redenen een vreemdeling een opvolgende aanvraag indient en dat daarbij zonodig bewijsmiddelen moeten zijn gevoegd. Ook staat hierin dat een vreemdeling om aanvullende informatie wordt gevraagd als het model niet volledig is ingevuld, de verstrekte informatie niet duidelijk is of als (aanvullende) bewijsmiddelen nodig zijn, terwijl de aanvraag buiten behandeling kan worden gesteld, als een vreemdeling niet antwoordt op dergelijke informatieverzoeken. Anders dan de vreemdeling heeft aangevoerd, kan de staatssecretaris dus ook volgens het beleid een aanvraag buiten behandeling stellen, als een vreemdeling na het onvolledig invullen van model M35-O desgevraagd verzuimt het gebrek te herstellen.    

Tot slot laat de omstandigheid dat de vreemdeling is overvallen door de veranderde werkwijze van de staatssecretaris, onverlet dat vreemdelingen zelf het moment kunnen kiezen om een opvolgende asielaanvraag in te dienen en zij altijd al verplicht waren om een complete aanvraag in te dienen, om zo een efficiënte behandeling van hun aanvraag te bewerkstelligen. Bovendien krijgt een vreemdeling middels het voornemen de mogelijkheid om zijn asielaanvraag te completeren en kan hij, als dat niet tijdig lukt, altijd een nieuwe asielaanvraag indienen.

De grief slaagt. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. 

RvS 201810080/1/V2, 21.2.19
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2019:574

RvS: terecht intrekken vergunning Marokkaan ivm strafblad, sinds 1987 (11jr) rechtmatig in NL

De staatssecretaris heeft niet ten onrechte in aanmerking genomen dat de vreemdeling vanaf 1986 bijna 80 misdrijven heeft gepleegd, waarvoor hij bijna zeven jaar van zijn leven in detentie heeft doorgebracht. Voorts heeft de staatssecretaris niet ten onrechte in aanmerking genomen dat de vreemdeling is veroordeeld, onder meer, op 18 mei 1993 tot 24 maanden gevangenisstraf, waarvan acht maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, voor onder meer poging tot doodslag, op 17 november 1994 tot 20 maanden gevangenisstraf voor onder meer diefstal, voorafgaand aan en vergezeld van geweld, op 28 mei 2003 tot vijf maanden gevangenisstraf voor onder meer straatroof, op 16 februari 2004 tot zes maanden gevangenisstraf voor vele gepleegde diefstallen, op 13 augustus 2010 voor een opiumdelict en op 25 juni 2014 tot 20 dagen gevangenisstraf, waarvan 15 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, voor bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. De staatssecretaris heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de veroordeling in 2014 voor bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht niet zo lang geleden is, dat deze niet langer als actueel kan worden gezien. Voor zover de rechtbank heeft overwogen dat de veroordeling in 1994 weliswaar een ernstig misdrijf betreft, maar dat het reeds lang geleden is gepleegd, stelt de staatssecretaris niet ten onrechte dat dit misdrijf nog niet aan actualiteit heeft ingeboet gelet op de aard van het delict en op het feit dat de vreemdeling nadien nog vele malen is veroordeeld voor het plegen van misdrijven, waaronder recent op 25 maart 2016 voor schuldheling, waarvoor hij in april 2016 nog in strafdetentie heeft verbleven.

Verder heeft de staatssecretaris niet ten onrechte in aanmerking genomen dat evenmin is gebleken dat de behandeling van de vreemdeling voor psychische problemen en verslavingsproblematiek reeds een zodanig resultaat oplevert dat aangenomen kan worden dat de vreemdeling tot inzicht is gekomen en geen recidivegevaar meer van hem uitgaat. In dit verband heeft de staatssecretaris niet ten onrechte van belang geacht dat de vreemdeling in het verleden vaker een bijzondere maatregel is opgelegd en zich diende te gedragen naar de aanwijzingen van hulpverleningsinstanties, maar dat dergelijke aanwijzingen niet hebben geleid tot het gewenste resultaat, gelet op de vele gepleegde misdrijven. De staatssecretaris heeft daarom niet ten onrechte niet doorslaggevend geacht dat de vreemdeling de meest ernstige misdrijven langer geleden heeft gepleegd.

Gelet op het voorgaande heeft de staatssecretaris alsnog deugdelijk gemotiveerd dat de vreemdeling een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt die een fundamenteel belang van de samenleving aantast.

De grief slaagt. Het hoger beroep is kennelijk gegrond.

RvS 201801609/1/V1, 20.2.19
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2019:562

EC: koppeling EU information systems for security, migration and border management

The European Parliament and the Council reached political agreement on the Commission's proposal to close important security gaps by making EU information systems for security, migration and border management work together in a more intelligent and targeted way. This interoperable framework will ensure that border guards and police officers have access to information to perform their duties

The new tools will allow the existing as well as future EU information systems, such as the Entry/Exit System (EES), the European Travel Information and Authorisation System (ETIAS) and European Criminal Records Information System (ECRIS-TCN) to talk to each other, preventing important pieces of information from going undetected.

Currently, EU information systems do not talk to each other enough – information is stored separately in unconnected systems, making them fragmented, complex and difficult to operate. This risks information slipping through the net. Overcoming the current shortcomings in data management and improving the interoperability of existing information systems has been a priority for the European Commission.

European Commission - Press release, 5.2.19

Rb: Rijk moet verzoek over geschikte opvang beoordelen

In deze procedure is de vraag aan de orde of verweerder kan volstaan met een aanbod van onderdak in de VBL dan wel dat hij onder bijzondere omstandigheden een andere vorm van onderdak moet aanbieden. ….

Naar het oordeel van de rechtbank zal een medisch deskundige moeten beoordelen of voor de vreemdeling - ter vermijding van een situatie die strijdig is met artikel 3 dan wel artikel 8 van het EVRM - medische zorg, anders dan door de huisartsenpost in de VBL geboden zorg, noodzakelijk is en of die geboden kan worden in de VBL, eventueel door het aanbieden van speciale voorzieningen, dan wel elders, zoals in een psychiatrische instelling of een beschermd wonen-setting. Het zal van de omstandigheden van het geval afhangen of een huisarts voldoende deskundig is dan wel dat meer specifieke deskundigheid is vereist. Wel is het naar het oordeel van de rechtbank verweerders verantwoordelijkheid ervoor zorg te dragen dat deze deskundige beoordeling plaatsvindt in een geval waarin de vreemdeling bij zijn aanvraag met actuele medische stukken een begin van bewijs inbrengt dat de VBL voor hem geen adequate vorm van onderdak is omdat de benodigde medisch noodzakelijke zorg daar niet beschikbaar is. Wat betreft deze bewijslast sluit de rechtbank aan bij de rechtspraak over de vraag of er bijzondere omstandigheden zijn op grond waarvan verweerder van de vreemdeling niet mag vergen dat hij meewerkt aan vertrek. Anders dan verweerder is de rechtbank van oordeel dat die beoordeling dan moet plaatsvinden vóórdat hij onderdak in de VBL aanbiedt, omdat dat onderdak, mogelijk niet adequaat is. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder ook degene die vervolgens verantwoordelijk is voor het aanbieden van wél adequaat onderdak aan eiser, zoals beschermd wonen, omdat dit niet alleen medische zorg omvat,maar tevens onderdak.

Uit het voorgaande volgt dat verweerder niet in alle gevallen waarin de vreemdeling bereid is te werken aan zijn terugkeer kan volstaan met een aanbod van onderdak in de VBL. Onder bijzondere omstandigheden zal hij voorafgaand. aan dit aanbod door een medisch deskundige onderzoek moeten laten doen, wat er eventueel toe kan leiden dat verweerder de vreemdeling een aanbod van onderdak elders zal moeten doen.

Rb Amsterdam: AWB 18/2967, 28.1.19

Gemeente Amsterdam: Subsidieregeling 24u opvang

In totaal komt er plaats voor vijfhonderd mensen, verspreid over tien locaties. De opvang van 360 van hen vindt plaats in het kader van de LVV-proef, waaraan het ministerie van Justitie en Veiligheid meebetaalt. De 140 plekken die Amsterdam zelf betaalt, probeert de gemeente in te zetten voor zogenoemde Dublin-claimanten, vreemdelingen die eerst in een ander Europees land (meestal is dat Italië) zijn geregistreerd.

https://www.nd.nl/nieuws/nederland/amsterdam-test-24-uursopvang-voor-asielzoekers.3284283.lynkx
Subsidieregeling: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2019-36807.html, 15.2.19

SvJ&V: Ongedocumenteerden kunnen basisrechten ontzegd worden

[Bij de onderhandelingen over de Global compact on Migration]… is ook aandacht gevestigd op het recht van landen om – met respect voor de fundamentele mensenrechtenstandaarden - onderscheid te maken tussen reguliere en irreguliere migranten, inclusief de toekenning van rechten op basis van verblijfsstatus. Hierbij is nadrukkelijk verwezen naar de verschillende mate van toegang tot bijvoorbeeld (basis) voorzieningen.

Kamerstuk 34964 nr. H, 7.2.19
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-34964-H.html

Rb: 1F-inreisverbod terecht omgezet in ongewenstverklaring vanwege Belgieroute

Eiser is in het bezit van een door de Belgische autoriteiten afgegeven F-kaart (verblijfskaart familielid van een burger van de Unie). Op grond van de Vw mag er daarom geen inreisverbod tegen hem worden uitgevaardigd. Verweerder heeft eiser vervolgens in het belang van de internationale betrekkingen van Nederland ongewenst verklaard omdat eisers asielverzoek vanwege 1F Vluchtelingenverdrag is afgewezen. Verweerder erkent aan het Unierechtelijke openbare orde-criterium te moeten toetsen. Verweerder heeft in het verweerschrift gesteld dat eiser terecht ongewenst is verklaard, een aanvullende motivering gegeven en de rechtbank verzocht om deze motivering bij de beoordeling te betrekken en zo mogelijk de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten....

De rechtbank oordeelt dat verweerder zich terecht en voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat het persoonlijk gedrag van eiser een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormde voor een fundamenteel belang van de samenleving. Verweerder heeft terecht gewicht toegekend aan de ernst van de misdrijven, het relatief geringe tijdsverloop, het gedrag van eiser nadien en het in strijd met het inreisverbod inreizen van Nederland.

De rechtbank stelt vast dat verweerder heeft overwogen dat de fundamentele belangen van Nederland liggen in redenen van openbare orde ter bescherming van de fundamentele waarden van de samenleving en de internationale betrekkingen, het behoud van de sociale samenhang, het publieke vertrouwen in de rechtsbedelings- en immigratiesysteem en de geloofwaardigheid van de inzet van Nederland voor de bescherming van de fundamentele waarden in de artikelen 2 en 3 van het VEU. Verweerder heeft terecht overwogen dat misdrijven en gedragingen als bedoeld in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag moeten worden beschouwd als een ernstige aantasting van de in deze artikelen genoemde fundamentele waarden. In dit kader heeft verweerder van belang mogen achten dat moet worden voorkomen dat eiser, door zijn verblijf in Nederland, in contact kan komen met eventueel in Nederland verblijvende slachtoffers van de verweten gedragingen.

Verweerder heeft voorts terecht overwogen dat het gezinsleven van eiser feitelijk niet wordt belemmerd doordat hij op Nederlands grondgebied ongewenst is verklaard, nu hij met zijn gezin in België woont. Voor wat betreft het familie- en privéleven van eiser heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt gesteld dat niet gebleken is dat er belemmeringen zijn om dat in België uit te oefenen. Verweerder heeft daarbij mogen betrekken dat niet gebleken is dat eisers familie in Nederland zich niet naar België kan begeven. Evenmin is gebleken dat het onmogelijk is om in België een bedrijf te starten, boodschappen te doen en zijn kind naar school te laten gaan. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het fundamentele belang van de Nederlandse samenleving in dit geval zwaarder heeft kunnen laten wegen dan eisers belang om zich naar Nederland te begeven en in Nederland te verblijven.

Rb Utrecht 18/3569, 28.1.19
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2019:859

RvS: bij inreizen voor afloop van het inreisverbod wordt de termijn tijdelijk geschorst

Gelet op de Terugkeerrichtlijn dient de staatssecretaris een inreisverbod uit te vaardigen voor een op de situatie van een vreemdeling toegespitste duur. De Terugkeerrichtlijn voorziet daarnaast niet in de mogelijkheid dat die duur wordt verlengd. Indien het standpunt van de staatssecretaris zou worden gevolgd dat de termijn van een inreisverbod opnieuw begint te lopen als een vreemdeling in strijd met een geldend inreisverbod de Europese Unie toch inreist, leidt dit feitelijk alsnog tot verlenging van die duur. Bovendien kan dit ook leiden tot situaties waarin de totale duur van een inreisverbod niet meer in verhouding staat tot de oorspronkelijke duur ervan. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan de situatie dat een vreemdeling zich een maand voor afloop van de termijn waarvoor het inreisverbod is uitgevaardigd op het grondgebied van de Europese Unie begeeft. Dit is tegen de achtergrond van de in de overwegingen van de Terugkeerrichtlijn opgenomen billijke regels en het beginsel van evenredigheid niet aanvaardbaar. Gelet op het voorgaande heeft de staatssecretaris zich dan ook ten onrechte op het standpunt gesteld dat de termijn geheel opnieuw begint te lopen als een vreemdeling in strijd met een geldend inreisverbod de Europese Unie inreist.

Gelet op het bovenstaande is de Afdeling dan ook van oordeel dat het inreisverbod wordt geschorst als een vreemdeling in strijd met een geldend inreisverbod de Europese Unie inreist. Dit betekent dat het lopen van de termijn tijdelijk wordt onderbroken en weer verder loopt zodra die vreemdeling het grondgebied van de Europese Unie opnieuw heeft verlaten.

RvS 201601334/1/V3, 4.2.19
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2019:301

IND: Afsluitingsregeling Kinderpardon

De IND beoordeelt mensen die mogelijk in aanmerking komen voor de Afsluitingsregeling als volgt:

  • alle lopende procedures inzake de Definitieve Regeling, waaronder (hoger) beroepsprocedures. De vreemdeling hoeft in dat geval geen nieuwe aanvraag in te dienen;
  • ambtshalve herbeoordeling van aanvragen op grond van de Definitieve Regeling, indien de eerdere afwijzing op grond van enkel het meewerkcriterium in rechte onaantastbaar is geworden. Vreemdelingen moeten zich hiervoor melden;
  • nieuwe aanvragen op grond van de Afsluitingsregeling, ingediend na 29 januari 2019 en uiterlijk op 25 februari 2019.

Om in aanmerking te komen moeten kinderen vóór 29 januari 2019 minstens 5jaar als minderjarige (ex)asielzoeker in Nederland hebben verbleven en steeds onder toezicht van de Rijksoverheid hebben gestaan. Lees de volledige regeling voor meer informatie.

staatscourant Nr. 8116, 11.2.19
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2019-8116.html

Pagina's