bezoek ook: www.noo.nl / www.meldpuntvreemdelingendetentie.nl / www.basicrights.nl / www.iLegalevrouw.nl
De minister heeft de aanvraag op basis van het iMMO-rapport van de vreemdeling ingewilligd. Maar de minister weigert vergoeding omdat het iMMO-rapport door de vreemdeling zelf is opgesteld en ingebracht voordat de minister een besluit had genomen op de vierde asielaanvraag.
De rechtbank overweegt als volgt. … De kosten van een iMMO-rapport worden in opvolgende asielaanvragen doorgaans niet vergoed, ook als het rapport bijdraagt aan de inwilliging, tenzij er sprake is van uitzonderingen (bijv. als het rapport niet tijdig beschikbaar was of als redelijkerwijs niet van de vreemdeling kon worden verwacht het eerder in te dienen). Deze gedragslijn (IB 2025/4) is niet onredelijk, omdat er geen wettelijke verplichting is voor vergoeding en de minister maatwerk toepast bij uitzonderingen. Het onderscheid tussen eerste en opvolgende aanvragen wordt niet als onredelijk beschouwd. In dit geval heeft de vreemdeling geen aannemelijke feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit blijkt dat hij het iMMO-rapport redelijkerwijs niet eerder kon indienen.
Beroep ongegrond.
Rb Utrecht, NL25.30419, 2.4.26
MediFirst heeft in het rapport van 2021 aangegeven dat bij eiser beperkingen aanwezig zijn waarmee de hoormedewerkers rekening moeten houden. Uit de rapporten van de gehoren blijkt dat deze adviezen zijn opgevolgd. Het standpunt van eiser dat tijdens de gehoren op geen enkele wijze rekening is gehouden met een mogelijke lichtverstandelijke beperking deelt de rechtbank daarom niet. De rechtbank is daarom van oordeel dat de verklaringen die eiser tijdens zijn gehoren heeft afgelegd door de minister gebruikt konden worden bij de beoordeling van eisers asielaanvraag. …
Daarbij acht de rechtbank van belang dat de deskundige aangeeft dat het intelligentieonderzoek informatie geeft over wat er op dat moment, onder de op dat moment geldende omstandigheden, van eiser verwacht kan worden. Het onderzoek heeft in 2025 plaatsgevonden, ruim twee jaar na afname van het laatste gehoor. In de toelichting schrijft de deskundige dat het intelligentieniveau bij volwassenen doorgaans stabiel blijft gedurende het leven, maar anderzijds staat in het onderzoeksrapport ook dat stress en drugsgebruik van invloed kunnen zijn op de uitslag. Uit het advies van MediFirst blijkt dat hij marihuana (wiet) gebruikt. De rechtbank concludeert hieruit dat niet vaststaat dat de uitkomst van het onderzoek gelijk zou zijn geweest, zou deze in 2022 zijn afgenomen en dat dus niet vaststaat dat eiser op dat moment niet goed heeft kunnen verklaren.
Het beroep is ongegrond
Rb Zwolle NL23.23048, 3.4.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:8123
De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, omdat betrokkene bij terugkeer naar Italië een reëel risico loopt op een schending van artikel 3EVRM. Voor het toepassen van de Bahaddar-exceptie geldt echter het criterium dat zich feiten en omstandigheden moeten voordoen die onmiskenbaar zouden leiden tot een schending van artikel 3EVRM bij terugkeer van betrokkene naar Italië. Dit criterium moet worden toegepast omdat de advocaat in beroep geen gronden had ingediend.
De minister voert terecht aan dat betrokkene bij terugkeer naar Italië niet onmiskenbaar een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3EVRM. De minister mag voor statushouders, zoals betrokkene, nog steeds uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdeling onderkent de moeilijke positie van statushouders in Italië, maar dit leidt nog niet tot de conclusie dat de situatie voor statushouders in Italië onmiskenbaar in strijd is met artikel 3EVRM.
Het hoger beroep tegen Rb Middelburg NL24.50799, 12.3.25 is gegrond.
RvS 202501593/1/V1, 3.4.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:1877
NB: op dezelfde datum sprak Rb Arnhem uit dat er wel een 3EVRM-risico dreigt
Rb Arnhem NL25.44247, 3.4.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:8408
Verzoekster heeft, na een afwijzing van haar asielverzoek, in 2023 verzocht om uitstel van vertrek omdat zij lijdt aan sikkelcelziekte met ernstige pijnklachten die specialistische behandeling en medicatie, zoals oxybutynine, vereisen. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat behandeling daarvoor in Nigeria beschikbaar is, maar dit wordt in bezwaar door verzoekster gemotiveerd betwist. Naar aanleiding hiervan heeft de minister zich nogmaals tot het Bureau Medische Advisering gewend. De minister verzet zich er niet tegen dat verzoekster in afwachting daarvan en van de beslissing op bezwaar, in Nederland mag blijven.
Verzoekster heeft, ondanks dat haar asielaanvraag is afgewezen, opvang van het COa gekregen, ook nadat haar verzoek om uitstel van vertrek was afgewezen en zij eigenlijk geen recht op COa-opvang meer had. Toewijzing van het verzoek betekent dat verzoekster tijdens de bezwaarprocedure recht behoudt op die opvang. Daarmee heeft zij een duidelijk en zwaarwegend belang bij toewijzing. De minister heeft geen concrete tegenbelangen gesteld die een afwijzing rechtvaardigen. In dit geval ziet de voorzieningenrechter voldoende reden om te bepalen dat verzoekster voorlopig in COa-opvang moet kunnen blijven, omdat zij minderjarig is, een vrijheidsbeperkende locatie geen wenselijk plek voor minderjarigen is, de beslissing op het bezwaar al lang op zich laat wachten en omdat de minister onlangs heeft besloten om het BMA om nader advies te vragen en zich ook niet verzet tegen een voorlopig verblijf van verzoekster in Nederland.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe.
Rb Arnhem NL24.4143, 12.3.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:5212
In opdracht van het WODC onderzocht de universiteit Utrecht het aantal mensen zonder rechtmatig verblijf in Nederland. Het rapport wordt op 31 maart gepubliceerd.
Voor de periode medio 2022–2023 wordt het aantal mensen zonder rechtmatig verblijf geschat op ongeveer 17.000 tot 23.000. Deze schatting is vergelijkbaar met de eerdere schatting met dezelfde methodiek voor 2017–2018 (18.000 tot 27.000), wat wijst op een stabiel beeld. Uit IOM-cijfers bleek destijds dat er 58.000 ongedocumenteerde migranten waren, wat leidde tot een schatting tussen 23.000 en 58.000.
https://open.overheid.nl/documenten/1caaf44d-a434-48d3-ae4f-ec68ea990088/file, 26.3.26
Waar het gaat om de jongste zoon overweegt de Afdeling als volgt. Anders dan de minister betoogt, is de verplichting om een refoulementbeoordeling te maken niet beperkt tot gevallen waarin een vreemdeling eerder een asielprocedure heeft doorlopen. Uit het arrest Ararat volgt namelijk dat de minister in alle fasen van de terugkeerprocedure met het beginsel van non-refoulement rekening moet houden. De minister mag bovendien niet van een vreemdeling verwachten dat hij een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd indient om de volledige eerbiediging van het beginsel van non-refoulement tot gelding te laten komen. … De minister stelt zich echter deugdelijk gemotiveerd op het standpunt dat uit het dossier niet naar voren komt dat de jongste zoon in Armenië een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 4 van het EU Handvest.
Waar het gaat om de medische omstandigheden van de moeder en de dochter roept de minister de vraag op of hij gezondheidsproblemen van een vreemdeling moet betrekken in zijn beoordeling van een risico op refoulement als bedoeld in het arrest Ararat. Zoals de minister onderkent kunnen gezondheidsproblemen van een vreemdeling in uitzonderlijke omstandigheden leiden tot een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar een bepaald land. … Gelet daarop zal de minister om het beginsel van non-refoulement in een reguliere procedure te waarborgen, ook in aanmerking moeten nemen of eventuele gezondheidsproblemen van een vreemdeling zich verzetten tegen uitzetting van die vreemdeling naar een bepaald land. De minister heeft dat gedaan voor de gezondheidsproblemen van de moeder en de dochter in deze zaak. Daarbij heeft de minister terecht aangenomen dat uitzonderlijke omstandigheden als hierboven bedoeld niet volgen uit de gezondheidsproblemen van de moeder en de dochter. …
De Afdeling is van oordeel dat de minister een deugdelijke refoulementbeoordeling heeft verricht.
Het hoger beroep tegen Rb den Bosch 20/9630, 7.4.23 is ongegrond.
RvS 202302869/1/V1, 19.3.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:1604
Rb Roermond heeft op 12 maart 2025 prejudiciële vragen aan het Hof gesteld. De rechter stelt vast dat de subsidiaire beschermingsstatus van de Syrische vreemdeling, HG, is ingetrokken, waardoor hij illegaal op het grondgebied verblijft, terwijl vaststaat dat zijn verwijdering naar het land van herkomst is uitgesloten wegens strijd met het beginsel van non-refoulement. Tegen die achtergrond rijst de vraag of op grond van artikel 6 van de Terugkeerrichtlijn toch een terugkeerbesluit moet of kan worden vastgesteld.
Het Hof oordeelt als volgt. Artikel 5 Terugkeerrichtlijn … moet aldus worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat er een terugkeerbesluit wordt vastgesteld ten aanzien van een vreemdeling wiens subsidiaire beschermingsstatus is ingetrokken, wanneer vaststaat dat de verwijdering van deze vreemdeling naar het beoogde land van bestemming is uitgesloten op grond van het beginsel van non-refoulement. Een dergelijk besluit moet namelijk noodzakelijkerwijs een bestemming aanwijzen, wat niet kan worden vastgesteld indien die bestemming, wegens dat beginsel, niet rechtmatig kan worden gerealiseerd.
HvJEU, C-202/25 (Tadmur), 26.3.26
https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:62025CJ0202
Uit de uitspraak van Rb Roermond, van 29 november 2024 volgt dat verweerder ook bij de beoordeling van een reguliere verblijfsvergunning op medische gronden beoordeelt of de medische problematiek van de betrokkene zich duurzaam verzet tegen zijn uitzetting en of het blijvend onthouden van een verblijfsvergunning disproportioneel is. Uit het bestreden besluit blijkt niet dat deze beoordeling heeft plaatsgevonden.
Daarnaast heeft verweerder in zijn belangenafweging als belang aan de zijde van eiser enkel benoemd dat aan eiser uitstel van vertrek is verleend op grond van artikel 64 van de Vw, maar eisers specifieke individuele omstandigheden niet kenbaar betrokken. Zo wordt niet ingegaan op eisers verblijf op een gesloten afdeling van een verpleeghuis vanwege gevorderde dementie en de verwachting dat hij daar wegens een steeds verder verslechterende gezondheidssituatie tot aan zijn overlijden zal verblijven. Evenmin zijn eisers persoonlijke en gezinsomstandigheden kenbaar betrokken. Deze omstandigheden heeft eiser op de zitting nader toegelicht door aan te voeren dat de COa-verstrekking die hij krijgt zeer marginaal is en dat hij verder geen enkele uitkering (zoals AOW) krijgt en door zijn kinderen wordt onderhouden. Ook op de zitting is verweerder onvoldoende op eisers specifieke individuele omstandigheden ingegaan….
Daar komt bij dat eiser in beroep een brief van de arts ouderengeneeskunde heeft overgelegd, waarin is vermeld dat de (lichamelijke en psychische) gezondheid van eiser lijdt onder de aanvraag en dat zijn klachten jaarlijks verergeren ten tijde van de jaarlijkse toetsing van zijn verblijfsstatus. De beroepsgronden van eiser ten aanzien van de evenredigheid/ belangenafweging en de hoorplicht, slagen.
Rb Rotterdam NL25.21903, 2.3.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:5894
Naar het oordeel van de Afdeling is de situatie waarin appellant zich als facultatief tijdelijk beschermde bevond, niet gelijk te stellen met de situatie waarin een vreemdeling in een lidstaat mag werken en verblijven in afwachting van de beslissing van een bestuursorgaan of een rechterlijke uitspraak in een verblijfsprocedure. …. Dat de minister beoordelingsruimte had, maakt, anders dan de rechtbank heeft overwogen, niet dat appellant zich niet in een stabiele en bestendige situatie op de arbeidsmarkt bevond gedurende de periode waarin hij tijdelijke bescherming genoot….
Nu niet in geschil is dat appellant gedurende de periode dat hij tijdelijk werd beschermd, minimaal een jaar bij dezelfde Nederlandse werkgever reële en daadwerkelijke arbeid heeft verricht, heeft de minister zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat hij geen legale arbeid in de zin van artikel 6, eerste lid, eerste streepje, van het Besluit nr. 1/80 heeft verricht.
De grief tegen Rb Arnhem NL24.18126, 12.11.24 slaagt.
RvS 202407435/1/V2, 13.3.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:1453
Verweerder heeft miskend dat aan eiser een verblijfsrecht toekomt op basis van het Nederlands-Ethiopisch Handelsverdrag van 1926. Dit verdrag bevat namelijk een meestbegunstigingsclausule, waaruit volgt dat onderdanen van Ethiopië recht hebben op dezelfde behandeling als onderdanen van andere staten waarmee Nederland gunstiger afspraken heeft gemaakt over de toelating van zelfstandig ondernemers. …..
Artikel I van het Handelsverdrag bevat de meestbegunstigingsclausule en luidt: ‘De onderdanen en de voortbrengselen van elk der beide landen zullen over en weer in het andere land dezelfde behandeling en dezelfde voordeelen genieten ter zake van vestiging, handel en douane, als die welke thans zijn toegekend of die in de toekomst mochten worden toegekend aan de onderdanen en de voortbrengselen van de meestbegunstigde natie.’…
De rechtbank is met eiser eens dat het gebruik van de term ‘vestiging’ in het Handelsverdrag niet los kan worden gezien van het verblijfsrecht. …. De rechtbank volgt eiser daarnaast in zijn betoog dat een uitleg van de term ‘vestiging’ die alleen ziet op de onderneming en niet op de ondernemer, het nuttig effect ontneemt aan het Handelsverdrag. Om een onderneming te beginnen, is immers nodig dat de persoon van de ondernemer aanwezig is in het land van vestiging. … Al met al is het de rechtbank evident dat de opstellers van het Handelsverdrag ook hebben beoogd te regelen dat aan onderdanen die binnen de reikwijdte van het verdrag ondernemen, verblijfsrecht toekomt.
Verweerder heeft het bestreden besluit niet deugdelijk gemotiveerd en niet zorgvuldig voorbereid. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
Rb den Haag AWB 24/21097, 3.3.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:4245