Nieuws

Rb: samenwoning met kleinkinderen creëert ‘more than normal ties’

De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet wordt uitgegaan van familie- of gezinsleven tussen vreemdelinge en haar kleinkinderen. Er is immers sprake geweest van samenwoning, wat volgens de rechtspraak van het EHRM doorgaans tot de conclusie moet leiden dat sprake is van hechte persoonlijke banden. Daarbij komt dat dat de staatssecretaris erkend heeft dat vreemdelinge belangrijke ondersteuning aan haar kleinkinderen heeft geboden, zeker in de periode dat de vader afwezig was. Zonder nadere concretisering valt niet in te zien dat de omstandigheid dat de moeder van de kinderen aanwezig was om voor hen te zorgen en dat het steeds ging om tijdelijke periodes, afbreuk doet aan de band tussen vreemdelinge en haar kleinkinderen.

Beroep gegrond en de staatssecretaris wordt verboden om vreemdelinge uit NL te verwijderen.
Rb Utrecht, AWB 18/5533 en AWB 18/5534, 6.6.19

Rb: blonde christelijke vrouw kan niet naar Iran om bij partner te verblijven; vrijstelling mvv

De rechtbank heeft een tussenuitspraak gedaan en de staatssecretaris in de gelegenheid gesteld het in de tussenuitspraak gesignaleerde gebrek te herstellen. De staatssecretaris heeft een aanvullend besluit genomen: referente kan vreemdeling naar Iran volgen. Referente dient weliswaar enkele Nederlandse verworvenheden op te geven, maar het betreft geen objectieve belemmering om vreemdeling te volgen.

De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris het gebrek niet heeft hersteld. Niet kan worden aangenomen dat vreemdeling en referente in Iran ongehuwd zullen kunnen samenwonen. Het ongehuwd samenwonen is in Iran onder de autochtone bevolking al problematisch en dat geldt te meer voor een blonde christelijke westerse partner. Dit betekent dat referente alleen vreemdeling kan volgen indien zij ervoor kiest met vreemdeling te huwen. In de praktijk betekent dit dat referente zich moet bekeren tot de islam. De rechtbank weegt ook de specifieke omstandigheden van vreemdeling en referente mee, te weten de etniciteit van vreemdeling (Arabier) en dat referente een blonde westerse christelijke vrouw met medische klachten en psychische beperkingen is. Naar het oordeel kunnen de problemen van referente niet worden afgedaan als een certain degree of hardship, maar moet de staatssecretaris uitgaan van objectieve belemmeringen om vreemdeling te volgen.

De rechtbank bepaalt dat de staatssecretaris met vrijstelling van het mvv-vereiste de gevraagde vergunning aan vreemdeling verleend. Beroep gegrond.

Rb Amsterdam, AWB 18/4466 (einduitspraak), 7.6.19

CAT: status verleend aan Sierra Leonese vrouw ivm besnijdenis

Mr. J.J. Wedemeijer en mr. F.W. Verbaas hebben in mei 2016 een klacht ingediend bij het CAT namens een Sierra Leoonse vrouw en haar dochter. De vrouw en dochter vrezen voor besnijdenis bij terugkeer naar land van herkomst. Hun asielaanvragen zijn afgewezen.
Het CAT  heeft op 23 mei 2019 de klacht van de rol geschrapt, nu beide klagers een verblijfsvergunning is verleend.

CAT, 760/2016 (K. t. Nederland) – 23.5.19
https://undocs.org/CAT/C/66/D/760/2016

Rb: na vervallen verantwoordelijkheid eerdere Dublinclaim wordt tussenland verantwoordelijk

Eiser heeft eerst in Italië en vervolgens in Duitsland om asiel gevraagd. Tussen Duitsland en Italië is een claimakkoord tot stand gekomen. Binnen de termijn voor overdracht van Duitsland naar Italië gaat eiser naar Nederland en dient ook hier een asielaanvraag in. Ook tussen Nederland en Italië komt een claimakkoord tot stand. Voordat eiser door Nederland aan Italië wordt overgedragen verloopt de termijn voor overdracht van Duitsland naar Italië. Op grond van artikel 29 Dublinverordening III gaat de verantwoordelijkheid daardoor over van Italië naar Duitsland.

Verweerder wijst op de chain rule, zoals vastgesteld in 2007 tijdens een meeting van de Dublin II Contact Committee, en stelt dat de overdrachtstermijn van Duitsland is gestuit vanaf het moment dat eiser in Nederland een asielaanvraag heeft ingediend.

De rechtbank is van oordeel dat, los van de vraag of de chain rule onder Dublinverordening II formele status heeft, niet is gebleken dat deze regel (ook) onder Dublinverordening III geldt. De rechtbank is verder van oordeel dat artikel 29 van Dublinverordening III geen ruimte laat voor een uitleg conform de chain rule. Met het verantwoordelijk worden van Duitsland, is de verantwoordelijkheid van Italië vervallen. Het bestreden besluit wordt vernietigd.

Rb Roermond NL19.5853, 14.6.19
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2019:5973

RvS: geen risico bij Dublin-overdracht gezinnen met kinderen naar Italie

De staatssecretaris heeft in zijn nader stuk toegelicht dat, onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van 19 maart 2019, Jawo, ECLI:EU:C:2019:218, de situatie in Italië nu wezenlijk anders is dan die in het arrest van het EHRM van 4 november 2014, Tarakhel tegen Zwitserland, ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712. De verhouding tussen de instroom en opvangplaatsen in Italië is namelijk aanzienlijk verbeterd. Ook is niet gebleken van zodanig slechte opvangomstandigheden dat een reëel risico op een onmenselijke behandeling bestaat. Daarnaast hebben de Italiaanse autoriteiten in een brief van 8 januari 2019 aan de lidstaten gemeld dat de opvangcentra in staat zijn alle mogelijke personen te ontvangen teneinde de fundamentele rechten, met name de eenheid van het gezin en de bescherming van minderjarigen, te garanderen. Tot slot toont volgens de staatssecretaris het AIDA-rapport "Country Report: Italy. 2018 Update" van de European Council on Refugees and Exiles van 16 april 2019 geen ander beeld dan dat waarover de Afdeling al heeft geoordeeld. De vreemdeling zal dus opvang krijgen en kan volgens de staatssecretaris worden overgedragen aan Italië. (…)

Hoewel in Italië de algemene situatie en leefomstandigheden van asielzoekers bepaalde tekortkomingen kennen, heeft de staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat uit het AIDA-rapport niet volgt dat in Italië aan het systeem gerelateerde tekortkomingen bestaan in de asielprocedure en opvangvoorzieningen. …    Verder stelt de staatssecretaris terecht dat uit het AIDA-rapport ook niet volgt dat de opvang van gezinnen of ouders met minderjarige kinderen die aan Italië zijn overgedragen, structureel zodanig is verslechterd sinds het wetsdecreet dat voor deze vreemdelingen een reëel risico op een onmenselijke behandeling bestaat. Het AIDA-rapport (p.57) meldt dat de eerstelijns opvangcentra en CAS onvoldoende

De staatssecretaris heeft in het AIDA-rapport terecht geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de verklaring van de Italiaanse autoriteiten in de brief van 8 januari 2019 dat zij ook na het wetsdecreet bij de opvang van minderjarige kinderen de eenheid van het gezin en de bescherming van de minderjarige kinderen garanderen.

Het hoger beroep is kennelijk gegrond.
RvS 201809552/1/V3, 12.6.19
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2019:1861

RvS: Eritreer wel overdragen naar Zwitserland, ondanks verschillend toelatingsbeleid

Volgens de vreemdeling staat niet vast of hij in Zwitserland weer subsidiaire bescherming zal krijgen. Ook voert hij aan dat daar, anders dan hier, zijn illegale uitreis uit Eritrea onvoldoende is voor een vluchtelingenstatus en tegen een afwijzing van een opvolgend asielverzoek geen rechtsmiddel openstaat.

De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt stelt dat het verschil met Nederland nog niet betekent dat in Zwitserland een aan het systeem gerelateerde tekortkoming in de asielprocedure bestaat… De staatssecretaris heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat hij bij Zwitserland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgaat en daarom voor de vreemdeling geen reëel risico op een onmenselijke behandeling bestaat.

Het beroep is ongegrond.
RvS 201809564/1/V3, 12.6.19
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2019:1862

Rb vovo: nieuwe werkwijze uitstel Dublin-overdracht ivm aangifte mensenhandel

Tijdens de behandeling ter zitting op 18 juni 2019 is door verweerder aangegeven dat er inmiddels een nieuwe handelwijze is met betrekking tot de overdracht van vreemdelingen die aangifte willen doen van mensenhandel. Indien de vreemdeling te kennen geeft aangifte te willen doen van mensenhandel, maar daartoe (nog) niet de mogelijkheid heeft omdat de politie te weinig menskracht heeft om de aangifte op te kunnen nemen, zal verweerder niet tot de feitelijke overdracht overgaan zolang de vreemdeling niet in de gelegenheid is gesteld om daadwerkelijk aangifte te doen.

De rechtbank begrijpt de uitleg van verweerder ter zitting aldus dat deze handelwijze alleen wordt toegepast als de vreemdeling van aanvang af en serieus te kennen heeft gegeven daadwerkelijk aangifte te willen doen van mensenhandel. Voor zover de vreemdeling enkel aangeeft hierover te willen nadenken of eerst nadat de aanvraag buiten behandeling is gesteld omdat een andere lidstaat verantwoordelijk is gebleken voor de behandeling van de asielaanvraag de wens om naar de politie te gaan uit, zal de Dublin-procedure wel worden voortgezet en zal verweerder zich verzetten tegen toewijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening.

Rb den Bosch NL19.12053, 18.6.19
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2019:6206

Rb: geen intrekking vergunning mogelijk voor 2e generatie migrant

Eiser is in 2014 veroordeeld tot een gevangenisstraf en aan hem is een TBS-maatregel opgelegd. Naar aanleiding hiervan heeft de SvJ&V aan eiser kenbaar gemaakt om de aan eiser verleende VVR-onbep in te trekken en aan eiser een inreisverbod uit te vaardigen.

Eiser betoogt dat art. 21 lid 4 Vw, dat ziet op de weigering van een VVR-onbep analoog dient te worden toegepast en dat de door art. 22 Vw geboden bevoegdheid tot intrekking door art. 21 lid 4 wordt beperkt. De Rb volgt eiser in zijn standpunt dat dit betekent dat indien een aanvraag niet zou kunnen worden geweigerd, de vergunning ook niet kan worden ingetrokken en dat de door art. 22 Vw neergelegde bevoegdheid tot intrekking in zoverre geacht moet worden door art. 21 lid 4 Vw te worden beperkt. De Rb vindt steun voor dit oordeel in de door partijen aangehaalde wetsgeschiedenis waarin is vermeld dat art. 21 lid 4 strekt tot bescherming van het verblijfsrecht van de tweede generatie immigranten. Met die ratio is niet verenigbaar dat een verleende verblijfsvergunning ook weer zou kunnen worden ingetrokken. Dat in dit geval wel wordt voldaan aan de in art. 3.86 Vb genoemde voorwaarden kan niet tot een ander oordeel leiden. Art. 3.86 Vb kan geen ruimere strekking hebben dan art. 22 Vw gelet op het bepaalde in 21 lid 4 Vw. Beroep gegrond.

VK Rb Amsterdam, AWB 18/9052, 11.6.19

Rb: toch recht op opvang in procedure over terugkeer statushouder naar Griekenland

De rechtbank is van oordeel dat opposant terecht naar voren heeft gebracht dat in in de uitspraak onvoldoende is gemotiveerd dat buiten redelijke twijfel is dat de opvang die geopposeerde genoot niet beëindigd mocht worden totdat op zijn beroepschrift tegen de niet-ontvankelijkheidverklaring van zijn asielaanvraag zou zijn beslist. Het betreft een complexe rechtsvraag. Dit voorlopige oordeel had naar het oordeel van de rechtbank niet mogen volstaan om in redelijkheid geen twijfel mogelijk te achten over het recht op opvang in de situatie van geopposeerde.

De zaak wordt hierna alsnog op een zitting behandeld. Dit zal in beginsel door een meervoudige kamer gebeuren. Ter voorlichting merkt de rechtbank op dat ook na het onderzoek ter zitting het eindoordeel kan zijn dat het beroep gegrond is.

Rb den Haag AWB - 18 _ 8229, 17.5.19
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2019:5052

Rb: arbeid toegestaan in bezwaarfase na afwijzing Chavez-zaak

Verzoeker heeft in 2018 een aanvraag gedaan voor verblijf bij zijn Nederlandse minderjarige dochter. Ten tijde van de aanvraag is hem een verblijfssticker 'verblijfsaantekening voor gemeenschapsonderdanen' verstrekt, met de aantekening 'arbeid toegestaan, tewerkstellingsvergunning niet vereist'. Na het instellen van bezwaar tegen de afwijzing van zijn aanvraag, is verzoeker een verblijfssticker 'verblijfsaantekening voor gemeenschapsonderdanen' met de aantekening 'arbeid niet toegestaan' verstrekt. Het onderhavige verzoek tot treffen van een vovo ziet op deze laatste verblijfssticker en strekt ertoe de SvJ&V te gelasten aan verzoeker de aantekening 'arbeid is toegestaan' te verlenen.
Uit par. B10/2.2 Vc volgt dat de SvJ&V aan een familielid dat wil verblijven bij een Unieburger onmiddellijk na indiening van de aanvraag voor toetsing aan het EU-recht de 'Verblijfsaantekeningen gemeenschapsonderdanen' verstrekt met de aantekening dat het familie mag werken. Hieruit volgt dat het recht om arbeid te mogen verrichten gekoppeld is aan het rechtmatig verblijf. Uit par. B10/2.3 Vc blijkt ondubbelzinnig dat het instellen van bezwaar tegen een beslissing gericht op de vaststelling dat er geen rechtmatig verblijf is, opschortende werking heeft. Dit betekent dat de rechtsgevolgen van de afwijzing van de aanvraag, het ophouden van rechtmatig geacht verblijf en daaraan gekoppelde recht om arbeid te verrichten, worden opgeschort totdat is beslist op het bezwaar. Gedurende de procedure tot vaststelling van rechtmatig verblijf dient o.g.v. het geldende beleid de aantekening 'arbeid is toegestaan' te worden verleend.

De SvJ&V dient de arbeidsmarktaantekening 'arbeid is toegestaan' in het paspoort van verzoeker te plaatsen totdat op het bezwaar tegen de afwijzing van zijn aanvraag is beslist.

Vzr Rb Haarlem, AWB 19/3319, 10.5.19

Pagina's