Nieuws

Rb: garanties nodig voor opvang moeder+baby bij overdracht Fr; en afweging belang kind met NLse vader

De rechtbank is van oordeel dat eiseres en [dochter] in december 2018, toen zij in Frankrijk op straat hebben moeten leven, zijn blootgesteld aan een onmenselijke en vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest EU. [dochter] was nog maar een paar maanden oud. Eiseres was ziek en moest in haar eentje voor [dochter] zorgen. Ondanks deze omstandigheden zijn [dochter] en eiseres na één nacht opvang op straat gezet, terwijl het vroor. Ook de dagen daarna was de temperatuur onder nul graden. De omstandigheid dat eiseres zelf niet heeft geklaagd bij de Franse autoriteiten, maakt dit niet anders. Weliswaar Immers, het zijn de Franse autoriteiten geweest die haar in eerste instantie in deze onmenselijke situatie hebben gebracht door haar na één nacht uit de opvang zetten. Niet is gebleken dat de autoriteiten hebben geprobeerd andere opvang voor haar te regelen. Mr. Helmink heeft, vanuit Nederland, meermaals tevergeefs geprobeerd om verschillende Franse instanties te bewegen om eiseres op te vangen. Ter zitting heeft verweerder uitdrukkelijk verklaard dat hij dit niet betwist.

De rechtbank overweegt dat een schending van artikel 4 van het Handvest EU niet (zonder meer) betekent dat eiseres daar bij overdracht aan Frankrijk opnieuw aan zal worden blootgesteld. Verweerder mag immers in het algemeen uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. In dit geval echter had verweeerder, om zich te kunnen beroepen op het interstatelijk vertrouwensbeginsel– voordat een overdrachtsbesluit kon worden genomen – de garantie van de Franse autoriteiten moeten krijgen dat eiseres en [dochter] goed zullen worden opgevangen, om een herhaling van de hiervoor geschetste situatie te voorkomen. Het bestreden besluit is daarom naar het oordeel van de rechtbank niet zorgvuldig voorbereid. De beroepsgrond slaagt.

De rechtbank overweegt dat verweerder in het kader van zijn discretionaire bevoegdheid als bedoeld in artikel 17 van de Dublinverordening rekenschap moet geven van de belangen van het kind …De rechtbank stelt vast dat verweerder op geen enkele wijze kenbaar heeft gemaakt dat, en in welke mate, hij het belang van het kind op contact met zijn vader heeft gewogen. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat het bestreden besluit voor zover het artikel 17 van de Dublinverordening betreft niet deugdelijk is gemotiveerd.

Ook deze beroepsgrond slaagt.
Rb Arnhem NL19.13266, 25.7.19
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2019:7606

SvJ&V: leeftijdsschouw minderjarige asielzoekers tijdens AVIM en IND-contact

Bij uitspraak van 9 mei 2019, 201804963/1 (ECLI:NL:RVS:2019:1510) heeft de Raad van State geoordeeld dat de leeftijdsschouw door twee personen onafhankelijk van elkaar uitgevoerd moet worden. Dit is echter niet de bedoeling geweest van het beleid. Beoogd is dat er twee sessies plaatsvinden. De samenstelling van de deze twee sessie is als volgt: één sessie met één ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen en één sessie met twee medewerkers van de IND, dan wel één sessie met twee ambtenaren belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen en één sessie met één medewerker van de IND. Per sessie zien de ambtenaren de vreemdeling apart van de andere sessie en in elke sessie wordt een eigen conclusie getrokken.

In de praktijk vinden deze sessies van de leeftijdsschouw plaats tijdens de intake door AVIM dan wel Kmar én tijdens het aanmeldgehoor door de IND. De leeftijdsschouw is dus onderdeel van gesprekken die de diensten met de (gestelde) minderjarige vreemdeling voeren tijdens de aanmeldprocedure. Door vast te houden aan twee sessies wordt voorkomen dat het proces en daarmee ook de (gestelde) minderjarige vreemdeling extra wordt belast door nog een derde sessie en derhalve een extra gesprek tijdens de aanmeldprocedure. Ook wordt het belang van onafhankelijke oordeelsvorming voldoende gewaarborgd door de twee sessies onafhankelijk van elkaar te laten plaatsvinden.

Met dit besluit wordt naar aanleiding van de Afdelingsuitspraak de beoogde wijze van leeftijdsschouwen, namelijk in twee sessies, alsnog in het beleid neergelegd.

WBV 2019/10, 10.7.19 in staatscourant40593, 25.7.19
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2019-40593.html

WBV 2019/10: nieuwe procedure mensenhandelslachtoffers met Dublinclaim

Dublinclaimanten komen enkel in aanmerking voor een verblijfsvergunning als slachtoffer mensenhandel wanneer het OM heeft vastgesteld dat de aanwezigheid van deze vreemdeling in Nederland noodzakelijk is voor het strafrechtelijk onderzoek.

Met deze beleidswijziging wordt onder andere beoogd te voorkomen dat Nederland verantwoordelijk wordt voor de inhoudelijke behandeling van de asielaanvraag van een vreemdeling, terwijl het OM de aanwezigheid van die vreemdeling in Nederland niet noodzakelijk acht voor de opsporing en vervolging van mensenhandel. Alleen wanneer het OM dit noodzakelijk acht, zal voortaan nog een verblijfsvergunning als slachtoffer mensenhandel aan Dublinclaimanten worden verstrekt. De verwachting is dat deze aanvragen daarom vaker zullen worden afgewezen. Dit brengt naar verwachting tegelijkertijd met zich mee dat er (vaker) rechtsmiddelen zullen worden aangewend tegen deze afwijzingen. Gedurende de behandeling van dit rechtsmiddel kan de vreemdeling jegens wie een overdrachtsbesluit is uitgevaardigd in de regel niet worden overgedragen. Het indienen van een bezwaarschrift of voorlopige voorziening schort in dat geval de overdrachtstermijn op.

WBV 2019/10, 10.7.19 in staatscourant 40593, 25.7.19
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2019-40593.html

RvS: vaststellen datum verlopen visum, ivm Dublin-verantwoordelijkheid

Volgens de Dublinverordening is het land wat een visum heeft verstrekt verantwoordelijk voor het asielverzoek. In de Visumcode is een onderscheid gemaakt tussen de geldigheidsduur, de toegestane verblijfsduur en het aantal toegestane binnenkomsten van een visum, en daaruit volgt volgens de rechtbank dat het overschrijden van elk van die grenzen tot gevolg heeft dat een visum is 'verlopen'. Gelet op de doelstelling van de Dublinverordening om een duidelijke en hanteerbare methode te bieden om vast te stellen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek, heeft de staatssecretaris echter terecht de hoofdregel gehanteerd dat de geldigheidsduur bepalend is voor de vraag wanneer een visum is verlopen.

Anders dan de rechtbank heeft overwogen, was het visum van de vreemdeling op het moment van zijn asielaanvraag minder dan zes maanden geleden verlopen. Daaraan doet niet af dat hij de toegestane verblijfsduur van zijn visum al eerder had overschreden. … De rechtbank heeft dus ten onrechte overwogen dat de staatssecretaris de asielaanvraag van de vreemdeling ten onrechte niet in behandeling heeft genomen.

RvS 201807240/1/V3, 23.7.19
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2019:2486

CBS: groei immigratie in 2019 vooral Europees

In het eerste halfjaar werden bijna 82 duizend kinderen geboren en overleden ruim 77 duizend mensen. De natuurlijke aanwas kwam daarmee uit op bijna 5 duizend, waar dat in het eerste halfjaar van 2018 nog duizend was. Het aantal immigranten steeg in de eerst helft van 2019 tot bijna 113 duizend, in de eerste zes maanden van 2018 was dat 101 duizend. Het aantal emigranten nam toe van 70 duizend naar 72 duizend. Per saldo kwamen er 41 duizend mensen bij door buitenlandse migratie, 10 duizend meer dan in de eerste helft van 2018.

Vooral het aantal migranten uit Europa nam toe, per saldo van ruim 14 duizend in de eerste helft van 2018 naar bijna 21 duizend in de eerste helft van 2019. Ook steeg het aantal migranten met een Aziatische en Amerikaanse achtergrond. Vanuit Afrika bleef het aantal migranten ongeveer gelijk, ruim 5 duizend. Uit Eritrea en Ethiopië vestigden zich per saldo minder mensen in Nederland, maar uit andere Afrikaanse landen nam de migratie juist toe, zoals van mensen met een Zuid-Afrikaanse of Marokkaanse achtergrond.

CBS, 31.7.19
https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2019/31/immigratie-in-eerste-helft-2019-toegenomen

RvS: ontoegankelijkheid medicijnen en psychiater in Guinee onvoldoende aangetoond

De staatssecretaris voert terecht aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de vreemdeling niet heeft aangetoond wat de daadwerkelijke kosten zijn van de volgens het BMA noodzakelijke medische behandeling in Guinee. Dat zoals de vreemdeling stelt er geen officiële prijzen bekend zijn van de voor hem noodzakelijke medicijnen, heeft hij niet gestaafd. Ook heeft hij niet gestaafd dat hij geen indicatie van de kosten kan geven. Ook met de stelling dat de medicijnen slechts verkrijgbaar zijn bij een private apotheek heeft de vreemdeling dit niet gedaan (zie de uitspraak van de Afdeling van 19 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:983).

Verder heeft de rechtbank niet onderkend dat de staatssecretaris zich in het besluit van 4 oktober 2018 terecht op het standpunt heeft gesteld dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet beschikt over financiële middelen en geen familieleden en sociaal netwerk heeft, die hij kan aanspreken om hem financieel bij te staan. De staatssecretaris heeft terecht aangevoerd dat het asielrelaas weliswaar geloofwaardig is geacht wat betreft de problemen tussen de vreemdeling en zijn vader, maar dat daarmee niet aannemelijk is gemaakt dat de vreemdeling geen hulp zou kunnen krijgen van andere familieleden. Voorts heeft de staatssecretaris terecht aangevoerd dat de vreemdeling weliswaar heeft gesteld dat hij vanwege zijn psychische problemen geen inkomsten kan verwerven, maar dat hij dit niet heeft gestaafd. Nu de vreemdeling niet heeft voldaan aan zijn bewijslast, heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de staatssecretaris nader onderzoek moet doen naar de daadwerkelijke toegang van de vreemdeling tot de medische zorg in Guinee, als bedoeld in het arrest Paposhvili (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 28 september 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2629).

De grief slaagt. Het hoger beroep van de staatssecretaris is kennelijk gegrond. ...

De vreemdeling heeft in beroep aangevoerd dat in Guinee een uiterst gering aantal psychiaters werkzaam is. In dat verband heeft hij verwezen naar het rapport van de Organisation Suisse d’Aide aux Refugiés "Guinée Conakry: possibilités de pris en charge psychiatrique et traitement des PTSD" van 14 oktober 2010 en het rapport van International Medical Corps "Mental Health and Psychosocial Support in Guinea-Conakry" van december 2015, waaruit volgt dat er vijf psychiaters beschikbaar zijn voor de gehele bevolking van Guinee. Ook heeft de vreemdeling verwezen naar een interview van prof. Mory Fodé van 25 november 2016, waaruit volgt dat de vraag naar psychiaters in Guinee groter is dan het aanbod.

De rapporten en het interview die zijn genoemd onder 5 zien op de algemene situatie in Guinee. Weliswaar kan hieruit worden afgeleid dat er weinig psychiaters zijn in Guinee, maar hieruit kan niet worden afgeleid dat er geen psychiater beschikbaar zal zijn voor de vreemdeling in de in het BMA-advies van 1 februari 2018 genoemde instelling. De beroepsgrond faalt.

RvS 201902512/1/V3, 12.7.19
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2019:2392

SvJ&V: nieuw mensenhandelbeleid Dublinclaimanten: tijdelijke B8/3 ingeval opsporingsindicaties

T/m mei zijn al ruim 475 verzoeken ontvangen om aangiftes op te nemen, waarbij het in ruim 80% van de verzoeken gaat om Dublinclaimanten. Hierdoor is de wachttijd voor aangiften enorm opgelopen, komt de DT&V in de knel bij het overdragen van Dublinclaimanten en ziet de IND een sterke toename van het aantal verleende B8/3-vergunningen.

Daarom wordt de B8/3-verblijfsregeling mensenhandel op korte termijn aangepast voor Dublin-claimanten. Wanneer een Dublinclaimant aangifte doet van mensenhandel, zullen de politie en het OM de aangifte binnen een streeftermijn van vier werkweken behandelen en beoordelen of er voldoende opsporingsindicaties in Nederland zijn, waarvoor de aanwezigheid van de vreemdeling in Nederland noodzakelijk moet worden geacht. Wanneer dit het geval is, zal de IND een tijdelijke B8/3-vergunning verlenen. Wanneer het OM oordeelt dat aanwezigheid in Nederland niet noodzakelijk is, wordt door de IND geen verblijfsvergunning verstrekt en zal de overdracht voortgezet worden. Voor niet-Dublinclaimanten blijft de huidige B8/3-verblijfsregeling hetzelfde.

kamerstuk 28638: 165, 28.6.19
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-28638-165.html

RvS: geen ‘more than normal ties’ oude hulpbehoevende Syrische moeder met zoon in NL

De Syrische vreemdeling is 70 jaar oud, weduwe en heeft medische klachten. Zij beoogt verblijf in Nederland bij haar 48 jaar oude zoon, houder van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De staatssecretaris heeft de aanvraag afgewezen, omdat de vreemdeling volgens hem niet aannemelijk heeft gemaakt dat tussen haar en referent 'more than the normal emotional ties' bestaan, zodat geen familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM bestaat.

Uit de uitspraak van de Afdeling bij uitspraak van 4 april 2018, ECLI:NL:RVS:2019:1003, volgt dat de staatssecretaris bij de beoordeling of tussen de vreemdeling en referent 'more than the normal emotional ties' bestaan, onder meer moet betrekken of de gestelde afhankelijkheid tussen hen exclusief is. De rechtbank heeft ten onrechte aan de vraag of de vreemdeling exclusief van referent afhankelijk is, geen gewicht toegekend.

De grief slaagt. Het hoger beroep is kennelijk gegrond.

Beroep

De staatssecretaris heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat tussen de  moeder en zoon geen 'more than the normal emotional ties' bestaan. Hoewel de moeder tot aan het vertrek van de zoon met hem heeft samengewoond, volgens haar behandelaar aan zenuwinzinkingen en een zware obsessieve stoornis lijdt en in een onveilig gebied verblijft, heeft de staatssecretaris aan zijn standpunt dat voormelde 'ties' niet bestaan terecht ten grondslag gelegd dat de moeder met de door haar overgelegde medische verklaringen van haar behandelaar niet met objectieve bewijsstukken heeft onderbouwd dat zij hulpbehoevend is en dat zij voor financiele en morele steun uitsluitend van de zoon afhankelijk is. Dit is van belang, omdat de moeder in Syrië nog een dochter heeft, bij wie zij na het vertrek van de zoon heeft verbleven en bij wie zij nu weer verblijft. Ten slotte heeft de staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat de moeder niet heeft gestaafd dat zij financieel afhankelijk is van de zoon en dat hij de enige is die haar rustig krijgt als zij een zenuwinzinking heeft.

De beroepsgrond faalt. Het beroep is ongegrond.
RvS 201803271/1/V1, 12.7.19
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2019:2402

Rb: nareis grootouders bij kleinkinderen in NL; voldoende afhankelijk

De Afdeling heeft in haar uitspraak van 4 april 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1003), geoordeeld dat voor de vaststelling van beschermenswaardig familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM tussen ouder en een niet-jongvolwassen meerderjarig kind is vereist dat ‘more than the normal emotional ties’ bestaan, dat voor de vaststelling of hiervan sprake is onder meer financiële of materiële afhankelijkheid van belang kan zijn en dat verweerder hierbij zwaarwegend maar niet doorslaggevend gewicht mag toekennen aan het antwoord op de vraag of er een reële mogelijkheid bestaat dat ook andere familieleden of derden de door het afhankelijke familielid benodigde zorg geven. Gelet op deze jurisprudentie is voor de vaststelling of sprake is van more than the normal emotional ties de ‘exclusiviteit’ van de afhankelijkheid slechts één van de factoren die verweerder bij de beoordeling mag betrekken, maar, zo blijkt uit de uitspraak van de Afdeling, verweerder mag daar geen doorslaggevend gewicht aan toekennen.

Naar het oordeel van de rechtbank hanteert verweerder in het onderhavige geval een te strenge maatstaf door te toetsen of gebleken is van een zodanige afhankelijkheid, dat eisers zonder referente niet kunnen functioneren. Immers, blijkens de arresten van het EHRM is voor de beoordeling of sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie van belang dat er daadwerkelijk hechte persoonlijke banden bestaan tussen eisers en referente, waarbij onder meer dient te worden betrokken het feit dat referente enig kind is van eisers, de samenwoning van eisers en referente, de mate van emotionele afhankelijkheid tussen eisers en referente over en weer, de gezondheid van eisers, de banden met het land van herkomst en de overige door eisers en referente genoemde omstandigheden, zoals de banden van eisers met de kleinkinderen en de algemene (veiligheids)situatie in Syrië waardoor eisers steeds moeten verhuizen en het verkrijgen van hulp, voedsel en medicijnen wordt bemoeilijkt. Voor zover verweerder deze omstandigheden in zijn overwegingen heeft betrokken, zien deze overwegingen steeds op de vraag of eisers exclusief afhankelijk zijn van referente. Gelet hierop moet worden geoordeeld dat verweerder ten onrechte niet beoordeeld heeft of alle genoemde, en niet bestreden, omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, maken dat sprake is van daadwerkelijke hechte persoonlijke banden, die maken dat sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie, waarbij de beoordeling of ook anderen dan referente zorg kunnen dragen voor eisers slechts een element vormt van die toets.

De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder daarbij in dit specifieke geval te veel gewicht toekent aan de omstandigheid dat eisers zich tot op heden staande hebben kunnen houden in het land van herkomst. Verweerder heeft onvoldoende betrokken dat eisers, gelet op hun leeftijd en medische situatie, daartoe in steeds afnemende mate in staat zullen zijn. Verder heeft verweerder op dit punt te veel gewicht toegekend aan het feit dat eisers door derden als vrijwilligers of moskeeën zijn geholpen, zonder daarbij acht te slaan op de niet bestreden verklaringen van referente tijdens de hoorzitting, te weten dat eisers door de veiligheidssituatie vaak moeten verhuizen, dat zij af en toe wat hulp krijgen, dat de hulp nu niet meer wordt geboden omdat zoveel mensen hulp nodig hebben, dat de schoonfamilie van referente eisers niet kan helpen omdat ze te ver weg wonen en reizen gevaarlijk is en zij een te laag inkomen hebben en dat de moeder van referente moeilijk kan bewegen en zij tekortkomt aan eten en medicijnen.

Gelet op het voorgaande slaagt de beroepsgrond. Het beroep is reeds hierom gegrond. De rechtbank ziet echter aanleiding ook de hierna volgende beroepsgrond bespreken….

De rechtbank stelt vast dat verweerder heeft erkend dat de kleinkinderen problemen ondervinden. De stelling van verweerder, dat verwacht mag worden dat de kleinkinderen, gelet op hun leeftijd, zich aan de situatie kunnen aanpassen, betreft een aanname van verweerder die niet nader is geconcretiseerd of onderbouwd. … Ook om deze reden is het besluit onvoldoende deugdelijk gemotiveerd en komt het voor vernietiging in aanmerking. Verweerder dient bij een nieuw te nemen besluit tevens acht te slaan op de informatie die in de beroepsfase is ingebracht met betrekking tot de situatie van de kleinkinderen, te weten een e-mailbericht van [naam 3] van de school van de kleinkinderen en verslagen van oudergesprekken van de leerkrachten van de kleinkinderen met referente en haar echtgenoot, alsmede eventuele nadere stukken.

De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen.
Rb Haarlem AWB 19/103, 11.7.19
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2019:6870

Rb (MK): terecht intrekken homo-vergunning want 3 kinderen gekregen; geen 8EVRM bij kind

De staatssecretaris heeft aan de vreemdeling een asielvergunning voor bepaalde tijd verleend omdat hij aannemelijk vond dat de vreemdeling vanwege zijn homoseksuele gerichtheid gegronde vrees voor vervolging in Uganda heeft. Later heeft de staatssecretaris deze vergunning ingetrokken, omdat hij de seksuele gerichtheid niet langer geloofwaardig acht. Hij heeft daaraan ten grondslag gelegd dat de vreemdeling tijdens zijn verblijf bij twee vrouwen drie kinderen heeft verwekt. De rechtbank oordeelt dat de staatssecretaris zich niet ten onrechte op het standpunt stelt dat op grond hiervan niet langer geloofwaardig is dat de vreemdeling ten tijde van de asielprocedure oprecht homoseksueel was.

De vreemdeling heeft vervolgens aangevoerd dat de staatssecretaris ten onrechte een verblijfsvergunning regulier heeft geweigerd in het kader van art. 8 EVRM. Uit rechtspraak van het EHRM  volgt dat de staatssecretaris bij de belangenafweging in het kader van art. 8 EVRM een ‘fair balance’ moet vinden tussen het belang van de vreemdeling en het kind enerzijds en het Nederlandse algemeen belang dat is gediend bij het uitvoeren van een restrictief toelatingsbeleid anderzijds. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de staatssecretaris bij de beoordeling of de weigering van de verblijfsvergunning aan de vreemdeling zich verdraagt met het in art. 8 EVRM beschermde recht alle door de vreemdeling naar voren gebrachte belangen in voldoende mate betrokken. Daarbij stelt de staatssecretaris zich niet ten onrechte op het standpunt dat door de vreemdeling slechts beperkte invulling wordt gegeven aan het gezinsleven met zijn oudste kind.

Rb Utrecht (MK), NL19.246, 12.7.19

Pagina's