Nieuws

Rb: tegen concludent iMMO-rapport moet IND deskundigenrapport inbrengen

Niet in geschil is dat de vreemdeling conform het advies van FMMU is gehoord. De vreemdeling stelt dat het rapport van iMMO niet bij de beoordeling van zijn asielrelaas is betrokken. De rechtbank haalt overwegingen van het iMMO rapport en overwegingen de Afdelingsuitspraak van 27 juni 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2084) aan. De rechtbank oordeelt dat, zoals vereist in de Afdelingsuitspraak aan van 27 juni 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2084), in het iMMO-rapport op concludente en inzichtelijke wijze is gesteld dat de psychische problematiek van hem ten tijde van de gehoren zeker interfereerde met zijn vermogen om consistent en coherent te verklaren. Er blijkt genoegzaam dat dit ziet op het gehele asielrelaas. Voorts is door het iMMO geconcludeerd dat de beschreven hoofdpijnklachten consistent zijn met zijn relaas en is de psychische problematiek typerend voor het gestelde relaas.

Gelet op de voornoemde Afdelingsuitspraak, is het in dit geval aan de staatssecretaris om de twijfel weg te nemen over de oorzaak van de psychische problematiek. De staatssecretaris heeft geen rapport van een deskundige overgelegd op grond waarvan getwijfeld moet worden aan de conclusies van het iMMO. Ook is niet overtuigend gemotiveerd waarom het relaas toch ongeloofwaardig moet worden geacht. Tenslotte is de staatssecretaris niet ingegaan op hetgeen in het iMMO-rapport is aangegeven over de eventuele bewustzijnsdaling, geheugenproblemen en cognitieve vermijding na de gestelde gebeurtenis, terwijl in het bestreden besluit wel wordt tegengeworpen die hierdoor verklaard zouden kunnen worden.

Rb Den Bosch, NL17.3704, 26.11.18

Rb (tussenuitspr): vlgs ambtsbericht zijn echte Guineese documenten niet eenvormig opgemaakt

De vreemdeling heeft voor de derde keer asiel aangevraagd. Hij heeft ter ondersteuning van zijn verhaal een overlijdensakte van zijn moeder, inclusief vertaling, overgelegd. ... De rechtbank stelt voorop dat voor het oordeel van de staatssecretaris dat geen sprake is van nieuwe elementen of bevindingen, van belang is dat het BD de overlijdensakte met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet echt heeft bevonden. In het ambtsbericht wordt echter vermeld dat in Guinee veel documenten – hoewel reglementair afgegeven - bizarre fouten of afwijkingen kunnen bevatten. Het gebeurt niet zelden dat ambtenaren van de burgerlijke stand, wegens gebrek aan opleiding of door problemen binnen de organisatie, fouten maken in aktes. Ook staat in het ambtsbericht dat zowel de ambtenaren van de burgerlijke stand als het politie- en juridisch personeel, vooral rechters en officieren van justitie, - doordat zij zeer weinig salaris ontvangen - bloot aan corruptie staan. Documenten van de burgerlijke stand, justitie of politie, kunnen daardoor – hoewel zij op reglementaire wijze door het bevoegd gezag zijn afgegeven - op frauduleuze manier zijn verkregen. Dergelijke documenten worden in Guinee ook wel vrais-faux documents (echt-valse documenten) genoemd, aldus het ambtsbericht.

Uit deze passage in het ambtsbericht maakt de rechtbank op dat ook officiële documenten in Guinee geen vaste verschijningsvorm, opmaak en afgifte hebben. Dan is het op voorhand niet begrijpelijk dat het BD uit de afwijkende verschijningsvorm, opmaak en afgifte van de overlijdensakte kan opmaken dat deze akte met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet echt is.

De staatssecretaris heeft ter zitting geen nog duidelijkheid kunnen geven over de discrepantie tussen het vermelde in het ambtsbericht en de onderzoeksbevindingen van het BD. In het belang van een spoedige beëindiging van het geschil, ziet de rechtbank daarom aanleiding de staatssecretaris in de gelegenheid te stellen nader te motiveren, eventueel door tussenkomst van het BD, waarom het BD aan de verschijningsvorm, opmaak en afgifte van de betrokken overlijdensakte kan zien dat deze niet echt is, terwijl van gestandaardiseerde akten in Guinee volgens het ambtsbericht geen sprake is. Het onderzoek wordt heropend en de staatssecretaris krijgt vier weken om het gebrek te herstellen.

Rb Arnhem, NL18.17216, 1.11.18

RvS: beoordelingswijze asielverzoek verwesterde vrouwen

Volgens de Afdeling is het feit dat een vrouwelijke vreemdeling in Nederland gebruik maakt van de rechten en vrijheden die zij hier heeft door zich op een bepaalde manier te gedragen op zichzelf geen godsdienstige of politieke overtuiging die door het vluchtelingenrecht wordt beschermd. Dat kan namelijk ook gebeuren doordat vrouwen gewoon gewend raken aan het verblijf hier in Nederland, zelfs als zij geen verblijfsvergunning hebben. Ook zijn vrouwen met een in Nederland ontwikkelde westerse levensstijl geen specifieke sociale groep waarvan alle leden beschermd moeten worden. Dat vrouwen in Nederland in meer vrijheid kunnen leven dan in landen van herkomst is geen reden hun een asielvergunning te verlenen. Daarvoor is het vluchtelingenrecht niet bedoeld.

Volgens de Afdeling kunnen vrouwen wél in aanmerking komen voor een asielvergunning als zij aannemelijk maken dat aan hun westerse levensstijl een godsdienstige of politieke overtuiging ten grondslag ligt. Als blijkt dat een vreemdeling alleen een westerse levensstijl heeft, zonder een godsdienstige of een politieke overtuiging, dan mag volgens de Afdeling van die vreemdeling worden verwacht dat zij terugkeert naar het land van herkomst. Daar moet die vreemdeling zich aanpassen aan de daar voor haar geldende normen en waarden, net zoals die vreemdeling zich eerder heeft aangepast aan Nederland.

Maar er zijn volgens de Afdeling ook situaties denkbaar waarin een vreemdeling zich na terugkeer niet volledig kan aanpassen. Er zijn dan uiterst moeilijk of nagenoeg onmogelijk te veranderen kenmerken, die een vreemdeling ook niet duurzaam kan verbergen. Volgens de Afdeling is niet uitgesloten dat een vreemdeling om die kenmerken toch een vervolgingsgrond wordt toegedicht. Een vreemdeling kan dat niet alleen aanvoeren, zij moet dat aannemelijk maken. De staatssecretaris dan beoordelen of aanpassing echt niet mogelijk is, en wat er gebeurt als een vreemdeling toch terug moet keren en zij zich bij terugkeer niet - volledig - kan aanpassen.

RvS 201701423/1/V2, 21.11.18
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2018:3735

zie ook RvS 201700575/1/V2, 21.11.18
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2018:3737

zie ook RvS 201704575/1/V2, 21.11.18
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2018:3736

RvS vovo: voorlopig nog geen Dublinoverdracht Italie

Voorlopige voorziening is, hangende het hoger beroep van de vreemdeling tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 12 oktober 2018 (NL18.16793), toegewezen. De vreemdeling heeft verzocht bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat zij niet wordt overgedragen aan Italië voordat op het hoger beroep wordt beslist. Het door de vreemdeling gemaakte bezwaar wordt aangemerkt als een aanvulling op het verzoek om een voorlopig voorziening. Gelet op wat is aangevoerd, komt het verzoek, in het licht van licht van de uitspraak van de voorzieningenrecht van de Afdeling van 20 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3350, op na te melden wijze voor toewijzing in aanmerking. De voorlopige voorziening wordt toegewezen zodat de vreemdeling totdat op het hoger beroep is beslist niet mag worden overgedragen aan Italië.

ABRvS, 201808250/2, 15.11.18

Rb: geen Dublinoverdracht afgewezen asielzoeker naar Bulgarije ivm detentierisico

De vreemdeling stelt – nu hij twee afwijzende asielbeschikkingen heeft ontvangen – te worden gedetineerd in Bulgarije. Ter onderbouwing hiervan heeft hij een rapport van VluchtelingenWerk Nederland van april 2018 met bijlagen overgelegd.

De rechtbank overweegt dat de autoriteiten het terugnameverzoek van de staatssecretaris hebben geaccepteerd op grond van artikel 18, eerste lid, onder d, Dv. De vreemdeling loopt daarom na overdracht het risico te worden beschouwd als irreguliere migrant en te worden gedetineerd. De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris in het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd dat ten aanzien van het risico op detentie en detentieomstandigheden in Bulgarije van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden. In reactie op de door de vreemdeling gestelde tekortkomingen in het detentieregime in Bulgarije, waarbij gewezen is op berichten die gaan over mishandelingen en vernederende behandelingen, overvolle cellen, slechte hygiënische omstandigheden, een gebrek aan adequaat voedsel en de beperkte toegang tot de asielprocedure vanuit detentie, heeft de staatssecretaris in het bestreden besluit enkel gesteld dat de bij de zienswijze meegezonden bijlagen niet tot een ander oordeel leiden dan verwoord in het voornemen en dat geen sprake is van concrete aanwijzingen dat Bulgarije zijn internationale verplichtingen niet nakomt. De staatssecretaris is onvoldoende gemotiveerd ingegaan op wat de vreemdeling stelt en de informatie zoals die uit de door vreemdeling overgelegde rapportages blijkt. Beroep gegrond.

Rb Zwolle, NL18.19040, 27.11.18

Werkinstructie 2018/12: bevoegdheid IND tot wijzigen identiteit

De IND is gemachtigd om de identiteitsgegevens in de volgende gevallen zelfstandig aan te passen:

  • De klant heeft een origineel en authentiek bevonden identificerend document overgelegd waaruit blijkt dat de eerder geregistreerde gegevens niet juist zijn.
  • De (aangevoerde) nationaliteit en/of geboortedatum van de ongedocumenteerde klant zijn/is niet juist of moeten/moet worden aangepast. Dit kan nodig zijn als gevolg van (nader) onderzoek door de IND (bijvoorbeeld een herkomstonderzoek (HIS-check) of leeftijdsonderzoek). De IND-medewerker geeft in INDiGO de reden van de wijziging aan.
  • De (actieve) identiteitsgegevens in INDiGO zijn overduidelijk onjuist (verschrijvingen/ overduidelijk verkeerd land of verkeerde nationaliteit: Guinee versus Guyana of Zaïrese (Congolese) versus Kongolese ).
  • Eerder is door een identificerende partij overduidelijk een onjuiste nationaliteit toegekend. Op basis van de nationaliteitswetgeving van het land van herkomst registreert de IND-medewerker de juiste nationaliteit in INDiGO (bijv. Staatloos versus Armeense).
  • Indien na overleg met de BRP-straat door gemeenten is vastgesteld dat de naam anders geschreven moet worden (toepassing Internationaal Privaatrecht en/of Namenrecht). De klant mag in deze gevallen nog niet zijn ingeschreven in de BRP . Als de klant wel is ingeschreven in de BRP, past de IND de identiteitsgegevens niet aan maar meldt de IND het onjuiste gegeven aan de gemeente.

WI 2018/12, 25.10.18
https://ind.nl/Documents/WI_2018-12.pdf

RvS: asielvergunning ingetrokken vanwege aanvraag paspoort, toeslagen terecht teruggevorderd

Uit de Wet op Toeslagen (Awir) volgt dat een vreemdeling zijn recht op toeslagen behoudt indien een periode van rechtmatig verblijf tijdens een procedure aansluit op een periode van rechtmatig verblijf met vergunning.

De aan [appellant] verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is met terugwerkende kracht ingetrokken, waardoor hij achteraf bezien vanaf die datum geen rechtmatig verblijf meer had.

In aansluiting op hetgeen de Afdeling eerder heeft overwogen, overweegt de Afdeling dat het woord ‘aansluitend’ niet zo strikt dient te worden uitgelegd dat die bepaling nimmer van toepassing kan zijn op een situatie waarin als gevolg van de intrekking van een verblijfs-vergunning met terugwerkende kracht tot een datum na de verleningsdatum, tussen twee perioden van rechtmatig verblijf een periode van onrechtmatig verblijf ontstaat. Dat kan ook het geval zijn indien laatstgenoemde periode niet van korte duur is. Voor de beoordeling of bij een tussenliggende periode van onrechtmatig verblijf artikel 9, eerste lid, van de Awir geacht moet worden van toepassing te zijn, heeft de Afdeling in de uitspraak van 29 maart 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:828) op niet uitputtende wijze een aantal elementen opgesomd.

Anders dan in de situatie die ten grondslag lag aan de uitspraak van 29 maart 2017, bestaat in de situatie van [appellant] geen aanleiding voor het oordeel dat hij ten tijde van de toekenning van de toeslagen redelijkerwijs niet heeft kunnen begrijpen dat de huur- en zorgtoeslag ten onrechte werden verleend. Nu hem een asielvergunning was verleend, had hij kunnen begrijpen dat het zich uit eigen beweging wenden tot de Afghaanse autoriteiten om in het bezit te komen van een Afghaans paspoort en het twee keer afreizen naar zijn land van herkomst, gevolgen zou kunnen hebben voor zijn verblijfsrecht en zijn aanspraak op toeslagen. Hij had kunnen begrijpen dat het rechtmatig verblijf dat hij op basis van die vergunning had, door die gedragingen onzeker was geworden. Deze gedragingen hadden dan ook gevolgen voor de aanspraak van [appellant] op toeslagen.

Gezien het voorgaande heeft de Belastingdienst/Toeslagen terecht geen aanleiding gezien om de periode van onrechtmatig verblijf tussen de perioden van rechtmatig verblijf die [appellant] had op basis van artikel 8, aanhef en onder a en h, van de Vw 2000 aan te merken als ‘aansluitend’ in de zin van artikel 9, eerste lid, van de Awir.

Het betoog faalt.
RvS 201707806/1/A2 en 201802043/1/A2, 7.11.18
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2018:3603

Rb: recht op opvang tijdens vovo in beroepsfase art64, belang vreemdeling prevaleert

De vreemdeling verblijft zonder recht of titel in het AZC. Nog daargelaten of art. 10 lid 2 Vw daadwerkelijk een toekomstige acute medische noodsituatie kan ondervangen, is voldoende aannemelijk gemaakt dat op dit moment het belang van de vreemdeling bij opvang prevaleert boven het belang van het COA om asielzoekers na beëindiging van het recht op opvang, zo spoedig mogelijk uit de opvang te verwijderen. Immers staat vast dat in de huidige situatie, waarbij de vreemdeling wordt opgevangen in het AZC, de voor hem ter voorkoming van een medische noodsituatie noodzakelijke medische behandeling gewaarborgd is. Daarbij komt dat de vreemdeling beroep heeft ingesteld tegen de beschikking en een vovo aanhangig heeft gemaakt, zodat nog beslist moet worden of de toepassing van art. 64 Vw, en daarmee rechtmatig verblijf en opvang in Nederland terecht is afgewezen.

Het COA heeft in het licht van deze omstandigheden in redelijkheid niet kunnen komen tot de beslissing om de opvang van de vreemdeling op dit moment te beëindigen. De vordering tot ontruiming wordt dan ook afgewezen.

Rb Breda, C/02/350412, 7.11.18

SvJ&V: detentie kinderen

Sinds 2014 vindt de uitvoering van de bewaring van gezinnen met minderjarige kinderen plaats in de GGV, worden gezinnen naar de GGV vervoerd in minimaal beveiligde en neutraal uitziende voertuigen en vindt de inbewaringstelling plaats op de GGV. Dit laatste gebeurde voorheen op het politiebureau, wat als onnodig bezwarend voor met name minderjarige kinderen werd beschouwd.

DT&V en de DV&O zijn naar aanleiding van de motie met elkaar in gesprek gegaan om de onderlinge informatie-uitwisseling ten aanzien van inbewaringstellingen, waaronder die van gezinnen met minderjarige kinderen, verder te versterken. Zo is al vóór de beslissing of een gezin daadwerkelijk in bewaring zal worden gesteld, een zo volledig mogelijk beeld beschikbaar van de situatie van het gezin en factoren die meegenomen worden in de risico-inschatting....

Het uitgangspunt bij een inbewaringstelling is dat de eenheid van het gezin wordt bewaard. In de praktijk blijkt dat hiervoor de ochtend het meest geschikt is, voordat de kinderen naar school gaan. Vanuit deze optiek is ervoor gekozen om een gezin in beginsel vroeg in de ochtend staande te houden. Hiermee wordt ook voorkomen dat kinderen overdag uit hun klas worden gehaald, wat voor zowel het kind zelf als de klas niet wenselijk wordt geacht. Ik hecht eraan om ook hier te benadrukken dat een inbewaringstelling, en het besef dat terugkeer aan de orde is, in de meeste gevallen veel impact zal hebben op de betrokken personen. Dit blijft, ongeacht het tijdstip waarop dit gebeurt.

Om te voorkomen dat een staandehouding leidt tot onrust op de locatie, is de inzet om te voorzien in een spoedige en zorgvuldige overdracht naar de GGV. Dit heeft tot gevolg dat de betreffende vreemdelingen op dat moment alleen de hoognodige spullen kunnen meenemen en er op dat moment geen gelegenheid is om afscheid te nemen. Dat weegt echter niet op tegen mogelijke beheers- en veiligheidsrisico’s die anders kunnen ontstaan en ik zie hier dan ook geen ruimte voor veranderingen. Overigens worden de overige bezittingen zo snel mogelijk overgebracht naar de GGV. Ook wordt er tijdens het verblijf in de GGV gelegenheid geboden om afscheid te nemen. Bezoek is toegestaan en het personeel probeert hierbij ook op andere manieren te faciliteren, bijvoorbeeld door het mogelijk maken van skype-gesprekken.

https://www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/kamerstukken/2018/11/14/tk-staandehouding-en-inbewaringstelling-gezinnen-met-minderjarige-kinderen/tk-staandehouding-en-inbewaringstelling-gezinnen-met-minderjarige-kinderen.pdf, 14.11.18

Rb: voor ongewenstverklaring  Bosnische 1F-er is toets op actuele bedreiging nodig

Aan de vreemdeling is eerder art. 1(F) van het Vv tegengeworpen en in geschil is of de ongewenst-verklaring van de vreemdeling zich verdraagt met art. 27(2) Verblijfsrichtlijn, waarin staat dat sprake moet zijn van gedrag dat een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt.

De rechtbank stelt ten eerste vast dat art. 1(F) Vv in rechte vaststaat. Voorts wordt overwogen dat het Europees Hof factoren heeft opgenoemd waarbij rekening dient te worden gehouden bij de vraag naar het bestaan van een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving. In het licht van deze voorgeschreven toets wordt geoordeeld dat de conclusie dat reeds vanwege de uitzonderlijke ernst van zijn gedragingen een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving, niet houdbaar is. Niet is immers gebleken dat de mate waarin de vreemdeling persoonlijk betrokken was bij de gedragingen, de historische context waarin deze zich hebben afgespeeld, het gevaar voor recidive, of de toepasselijkheid van uitsluitingsgronden bij de beoordeling is betrokken. Voorts wordt geoordeeld dat de unierechtelijke evenredigheidstoets, zoals volgt uit het arrest niet is uitgevoerd. Evenmin is beoordeeld of eventueel een minder vergaande maatregel kan worden getroffen die even doeltreffend is.

Rb Middelburg (MK) , AWB 15/22024, 13.11.18

Pagina's