Nieuws

WBV 2018/10: NLs inreisverbod kan opgelegd worden aan statushouder in ander EU-land

Juridische ontwikkelingen geven aanleiding om de Vc aan te passen: indien een derdelander in het bezit is van een door een andere lidstaat afgegeven geldige verblijfsvergunning, staat dat niet in de weg aan het opleggen van een (zwaar) inreisverbod. Deze handelwijze wordt ingegeven door de wens om bij derdelanders die in het bezit zijn van een door een andere lidstaat afgegeven geldige verblijfsvergunning en waarbij er sprake is van ernstige openbare orde aspecten, te voorzien in de mogelijkheid de toegang tot Nederland voor langere tijd te ontzeggen ter bescherming van de samenleving.

Zware inreisverboden kunnen alleen nog worden opgelegd als er sprake is van een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging van een fundamenteel belang van de samenleving. Beoordeling van asielgerelateerde aspecten, waaronder artikel 3 EVRM, dient derhalve ten volle plaats te vinden in het kader van dit inreisverbod.

WBV 2018/10, 20.9.18 in staatscourant 52887, 25.9.18
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2018-52887.html

RvS: geen status schrijnend voor Servier die in 1993 als 2-jarige naar NL kwam

Het praktijkdocument is een vaste gedragslijn die de staatssecretaris volgt bij de beoordeling van een aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking 'overige humanitaire redenen' te verlenen. Als de staatssecretaris zo'n aanvraag afwijst, moet hij deugdelijk motiveren waarom die aanvraag, gelet op de factoren die in het praktijkdocument staan en waarop een vreemdeling zich heeft beroepen, niet voor inwilliging in aanmerking komt.

Uit de uitspraak blijkt dat de staatssecretaris de gehele periode, inclusief de periode waarin de vreemdeling een verblijfsvergunning of rechtmatig verblijf tijdens een verblijfsprocedure had, bij zijn beoordeling heeft betrokken en heeft afgezet tegen andere factoren. Deze grieven slagen.

In het praktijkdocument staat dat het (meerdere keren) net niet hebben voldaan aan voorwaarden van bestaande of ontwikkelde beleidskaders en het dus 'net buiten de boot vallen' een omstandigheid is die de staatssecretaris in de afweging betrekt. Niet in geschil is dat de vreemdeling niet in aanmerking kwam voor het Generaal Pardon, omdat zijn moeder hem als minderjarige enkele maanden naar Frankrijk heeft meegenomen voor het indienen van een asielverzoek. Daarnaast is niet in geschil dat hij vier maanden te oud was voor het Kinderpardon. Deze overschrijdingen met enkele maanden heeft de rechtbank terecht aangemerkt als het net niet hebben voldaan aan de voorwaarden van bestaande of ontwikkelde beleidskaders als bedoeld in het praktijkdocument. De staatssecretaris heeft niet gemotiveerd waarom de omstandigheid dat de vreemdeling twee keer net buiten de boot is gevallen niet ertoe leidt dat zijn situatie schrijnend is. Maar de staatssecretaris heeft in zijn verweerschrift in beroep alsnog de ontbrekende motivering gegeven. Hij heeft de overschrijdingen afgezet tegen de latere keuzes van de vreemdeling om als enige van het gezin niet mee te werken aan vertrek, terwijl hij door de herhaalde afwijzingen in verblijfsrechtelijke procedures erop was gewezen dat op hem een rechtsplicht rust om Nederland te verlaten. De staatssecretaris heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat hieraan meer gewicht toekomt. De grieven slagen in zoverre.

RvS 201803855/1/V1, 24.9.18
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2018:3090

WBV 2018/10: permanente status voor slachtoffers mensenhandel bij start vervolging

Een slachtoffer mensenhandel kan voortaan in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning humanitair niet-tijdelijk als wordt aangetoond dat de Officier van Justitie overgaat tot vervolging in de betreffende strafzaak.

In het oude beleid werd de humanitaire vergunning pas verleend als het strafproces uiteindelijk tot een veroordeling heeft geleid. Destijds is overwogen dat een veroordeling van de dader een inherent risico met zich meebrengt op represailles. Bepleit kan echter worden dat het risico op represailles al ontstaat op het moment dat het OM overgaat tot strafrechtelijke vervolging. Daarnaast kan een dader vanwege formele redenen (denk aan vormfouten e.d.) uiteindelijk niet schuldig worden bevonden in het strafproces, terwijl het OM wel terecht tot vervolging is overgegaan. Tot slot is van belang dat het voor een slachtoffer van waarde is om al bij aanvang van de rechtszaak (dus vanaf het moment van dagvaarden; en niet pas bij een veroordeling) zekerheid te hebben omtrent de verblijfsstatus. Dit zal mogelijk een positief effect hebben op de aangiftebereidheid en de bereidheid van slachtoffers om mee te werken aan het strafproces.

Ook minderjarige slachtoffers die niet kunnen of willen meewerken aan het strafrechtelijk opsporingsonderzoek kunnen een vergunning humanitair niet-tijdelijk krijgen. Hierbij is van belang dat de minderjarigheid wordt aangetoond middels documenten; het vereiste om een geldig document voor grensoverschrijding te tonen geldt onverkort bij deze aanvragen.

WBV 2018/10, 20.9.18 in staatscourant 52887, 25.9.18
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2018-52887.html

RvS: moeder Franse zoon krijgt status want nieuwe legale partner garandeert inkomen

Deze Nigeriaanse woont ongehuwd samen met haar partner, van Soedanese nationaliteit. De partner heeft een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen. De vrouw en haar partner hebben twee minderjarige dochters. Daarnaast heeft zij uit een eerdere relatie een minderjarige zoon met de Franse nationaliteit. De vrouw heeft een vergunning gevraagd om bij haar zoon, die burger van de Unie is, te verblijven en beroept zich daarbij op het inkomen van haar partner. Deze uitspraak gaat over de vraag of de vreemdeling en haar zoon geacht kunnen worden over dit inkomen te beschikken.

Het staat vast dat de vreemdeling op één adres woont met haar partner, haar zoon en hun twee minderjarige dochters, en dat zij een gemeenschappelijke huishouding voeren. Verder is niet in geschil dat de partner op basis van een detacheringsovereenkomst werkt als chauffeur bij een gemeente en beschikt over een inkomen. Dat hij de kostwinner van het gezin is en ook de zoon van de vreemdeling onderhoudt, wordt bevestigd door de overgelegde stukken, waaronder polisbladen van een zorgverzekering van de zoon, waarop de partner is vermeld als verzekeringnemer, en betalingsbewijzen waaruit blijkt dat hij de ouderbijdrage voor de basisschool heeft betaald. Ook heeft de vrouw bankafschriften overgelegd, waaruit blijkt dat haar partner vrijwel maandelijks een bedrag van € 50,00 heeft gestort op de bankrekening van haar zoon.

De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat de vreemdeling en haar zoon niet kunnen beschikken over de middelen van haar partner. De grief slaagt.

RvS 201800455/1/V3, 18.9.18
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2018:3076

Rb: voor Chavez is affectieve relatie met vader belangrijk, niet juridisch vaderschap

Eiser heeft aangevoerd dat hij een Nederlandse partner en een pas geboren zoontje met de Nederlandse nationaliteit heeft. Hij heeft een faciliterend visum aangevraagd omdat hij aanspraak wil maken op verblijf in Nederland op grond van het arrest Chavez-Vilchez.

De rechtbank oordeelt eerst dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij juridisch dan wel biologisch vader van zijn gestelde zoontje is. Ook heeft verweerder eiser terecht geen DNA-onderzoek aangeboden.

Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie leidt de rechtbank vervolgens af dat bij de vraag of een derdelander aanspraak kan maken op een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 van het VWEU, enkel beoordeeld dient te worden of er tussen deze derdelander en de burger van de Unie een zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat dat een ontzegging van het verblijfsrecht aan de derdelander tot gevolg heeft dat de burger van de Unie het grondgebied van de Europese Unie moet verlaten. Of eiser de juridische en/of biologische vader van zijn gestelde zoontje is, kan wel een relevant gegeven zijn, maar alleen in het kader van de beoordeling van de gestelde afhankelijkheid. Verweerder heeft dus ten onrechte de afhankelijkheidsverhouding niet beoordeeld. Beroep gegrond.

Rb Arnhem AWB 18/4239 en AWB 18/5852, 2.10.18
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2018:11833

RvS: geen vergunning bij NLse partner op grond van EU-recht, onvoldoende afhankelijk

De situatie dat de burger van de Unie zijn recht om op het grondgebied van de Unie te verblijven wordt ontzegd, doet zich voor als de burger van de Unie zodanig afhankelijk is van de burger van een derde land, dat hij als gevolg van de besluitvorming van een bestuursorgaan feitelijk wordt gedwongen met de burger van het derde land het grondgebied van de Unie te verlaten. Dit geldt niet alleen in situaties waarbij een minderjarige burger van de Unie betrokken is (zie het arrest Chavez-Vilchez), maar ook in uitzonderlijke situaties kan sprake zijn van een afhankelijkheidsrelatie met een meerderjarige burger van de Unie. Uitgangspunt daarbij is evenwel dat meerderjarigen in beginsel in staat zijn om onafhankelijk van hun familieleden een leven te leiden.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft in dit geval op goede gronden aangenomen dat [partner] aan artikel 20 van het VWEU geen rechten kan ontlenen. Daarbij is van belang dat de staatssecretaris reeds eerder had geoordeeld dat [partner] een dergelijk recht niet toekomt. Alleen onder bijzondere omstandigheden kan in een dergelijke situatie aanleiding bestaan om hierop een uitzondering te maken. Deze doen zich hier niet voor. Het betoog faalt.

RvS 201709258/1/A2, 5.9.18
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2018:2929

Rb: mogelijk risico voor vervolging als Gülen-aanhanger in Turkije

De vreemdeling vreest als Gülenist voor vervolging. Hij heeft documenten overlegd waaruit blijkt dat hij wordt van verdacht van lidmaatschap.

Overwogen wordt dat hij al het mogelijke heeft gedaan om aannemelijk te maken dat hij wordt gezocht door de autoriteiten zodat onvoldoende is gemotiveerd waarom hem op dit punt niet het voordeel van de twijfel wordt gegund. Van belang hierbij is dat hij documenten heeft overgelegd waarvan de echtheid niet in twijfel is getrokken. Voorts zijn de verklaringen samenhangend en aannemelijk bevonden en in grote lijnen als geloofwaardig beschouwd. Gelet op het bovenstaande houdt de stelling dat niet aannemelijk is gemaakt dat terugkeer zal leiden tot strijd met art. 3 EVRM , geen stand.

Uit de bronnen blijkt dat er wellicht geen sprake is van een eerlijk proces en de staatssecretaris erkent dat niet duidelijk is welke rol het zijn van Gülenist zal spelen in het strafproces. Tot slot overweegt de rechtbank, in het verlengde van o.a. de uitspraak van rechtbank Utrecht van 28 juni 2018 (NL18.10464) dat de staatssecretaris dient te onderzoeken of je als Gülenist deel uitmaakt van een bevolkingsgroep waar in Turkije het risico bestaat op behandeling i.s.m. art. 3 EVRM.

Rb Roermond, NL18.13279, 2.10.18
vgl Rb Roermond, NL18.13278, 2.10.18
vgl Rb Roermond, NL18.13280, 2.10.18

RvS: Somalische vrouw die zonder haar man terugkeert geldt niet als alleenstaand

De staatssecretaris heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdeling is gehuwd en ook feitelijk een relatie heeft met haar echtgenoot met wie zij, zoals zij zelf ter zitting bij de rechtbank nogmaals heeft bevestigd, hier in Nederland samenwoont. Evenzeer terecht heeft de staatssecretaris van belang geacht dat de verblijfsvergunning van de echtgenoot niet is verleend op asielgerelateerde gronden. Indien dergelijke gronden niet in de weg staan aan terugkeer, kan onder die omstandigheden tot uitgangspunt worden genomen dat de vreemdeling niet als alleenstaand is te beschouwen. Dat de echtgenoot ter zitting bij de rechtbank heeft gezegd niet met de vreemdeling mee te zullen gaan, maakt niet dat de staatssecretaris bij de beoordeling van het asielrelaas met de gezinssamenstelling, zoals deze thans is in Nederland, geen rekening hoeft te houden of mag houden.

De rechtbank heeft dan ook ten onrechte overwogen dat de staatssecretaris er vanuit moet gaan dat de vreemdeling een alleenstaande vrouw is, zoals bedoeld in het beleid.

Het hoger beroep is kennelijk gegrond.
RvS 201709051/1/V2, 28.9.18
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2018:3164

SvJ&V: nieuw asielbeleid China

Leden van oppositiepartijen, politieke activisten, dissidenten en mensenrechtenadvocaten worden aangemerkt als risicogroep. Het ambtsbericht meldt dat de situatie voor leden van bovenstaande groepen in de beschreven periode is verslechterd.

Van de groep politieke activisten en dissidenten kunnen journalisten en bloggers deel uitmaken indien zij zich in hun publicaties als zodanig uiten, bijvoorbeeld door het leveren van significante kritiek op de overheid en/of de partij. In dat geval, en als zij door de overheid als dissident of politiek activist worden aangemerkt, vallen zij onder die risicogroep.

WBV 2012/11 in Staatscourant 54606, 28.9.18
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2018-54606.html

SvJ&V: rol Raad voor Kinderbescherming in vreemdelingenzaken

De RvdK formuleert geen voorwaarden voor terugkeer, maar doelen die door ouders (of andere gezagsdragers) met behulp van hulpverlening moeten worden behaald om zorgen over de ontwikkeling van het kind af te wenden.

De IND en DT&V en de RvdK krijgen bij de uitvoering van hun taken ieder vanuit hun eigen context te maken met het belang van het kind. De RvdK komt op voor de belangen van het kind en stelt een rapport op over hoe een stabiele en veilige ontwikkeling van het kind kan worden geborgd. De IND en DT&V houden rekening met de positie van minderjarigen door het belang van het kind een duidelijke plaats te geven in verschillende beleidskaders en in de wijze waarop vreemdelingenrechtelijke procedures, inclusief de voorbereiding van het vertrek, zijn ingericht. Dat wil evenwel niet zeggen dat dit belang in de toelatingsprocedure dan ook altijd de doorslag behoeft te geven ten aanzien van het verlenen van verblijf.

Dit verschil in context betekent geenszins dat de autoriteit van de RvdK om op te komen voor het belang van het kind niet door haar partners in de migratieketen wordt gerespecteerd of vice versa. De RvdK, IND en DT&V werken al geruime tijd samen in vreemdelingrechtelijke zaken, waarin het belang van het kind een rol speelt. Hierbij wordt algemene kennis over en weer actief gedeeld.

antwoord kamervraag 79, 26.9.18
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/ah-tk-20182019-78.html

Pagina's