Nieuws

Rb: risico suicide bij dreiging terugkeer vanwege confrontatie met oude traumatische ervaringen

Op basis van het rapport van het BMA en het in opdracht van het BMA verrichte onderzoek van het NIFP constateert de rechtbank dat bij eiseres sprake is van PTTS, een obsessieve-compulsieve stoornis met spanningsklachten en door dissociatieve periodes veroorzaakte suicidaliteit. Er zijn twee eerdere zelfmoordpogingen gerapporteerd en de deskundigen van het BMA en het NIFP zijn het met de behandelaars van eiseres erover eens dat de klachten een recidiverend beloop hebben en dat die fluctueren onder invloed van psychische en sociale (psychosociale) stressfactoren. De behandelaars hebben daaraan toegevoegd dat confrontatie met de omgeving van vroegere traumatische ervaringen (de rechtbank leest: terugkeer naar het land van herkomst) tot een 'nog diepere verstoring van het psychisch evenwicht en emstiger disfunctioneren' zal leiden. De deskundige van het BMA heeft overwogen dat te verwachten is dat enkel het perspectief van terugkeer naar het land van herkomst 'bij betrokkene angst, paniekgevoelens en suicidaliteit zal aanwakkeren'.

Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat naar het oordeel van deskundigen bij een perspectief op terugkeer naar het land van herkomst, maar in ieder geval bij feitelijke terugkeer naar het land van herkomst, tot een in medisch opzicht aanmerkelijke toename van het gevaar van zelfmoord leidt. Gelet hierop heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat geen medische noodsituatie binnen drie maanden te verwachten is.

Het beroep is daarom gegrond.
Rb Zwolle: NL17.7538, 1.2.19

Rb: ook mantelzorg door MOO meewegen bij benodigde zorg bij terugkeer

De rechtbank constateert dat verweerder zijn beleid in het bestreden besluit niet juist heeft toegepast. Verweerder heeft zich daarin slechts uitgelaten over mantelzorg verleend door rechtmatig in Nederland verblijvende gezins- of familieleden. De rechtbank is van oordeel dat eiseres aannemelijk heeft gemaakt dat zij mantelzorg krijgt van derden, namelijk MOO. Dit heeft verweerder echter niet betrokken in zijn besluitvorming, terwijl dat wel kan uitmaken voor het door eiseres beoogde uitstel van vertrek. Volgens eiseres kan de mantelzorg immers niet worden verleend door derden in Armenie. Dit motiveringsgebrek is in het verweerschrift niet gerepareerd.

De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat verweerder zijn standpunt ten aanzien van de mantelzorg niet voldoende heeft gemotiveerd. De beroepsgrond van eiseres slaagt dan ook. Naar het oordeel van de rechtbank had verweerder aanleiding moeten zien de informatie ten aanzien van de mantelzorg uit de e-mail van 16januari 2018 aan het BMA voor te leggen. Daarbij had het BMA dan ook de informatie over de noodzakelijke mantelzorg die de oudere huisgenoot van eiseres volgens eiseres verleend, zoals is verklaard bij de hoorzitting en verder is toegelicht op de zitting, moeten betrekken. Verweerder dient deze informatie dan ook alsnog voor te leggen aan het BMA. Het beroep is gegrond.

Rb Amsterdam: AWB 18/7468 en AWB 18/7469, 29.1.19

RvS: Chavez-status geldt met terugwerkende kracht

Het Hof van Justitie heeft in het arrest Chavez-Vilchez een uitleg gegeven aan artikel 20 van het VWEU. De vreemdeling betoogt terecht dat deze uitleg ook reeds gold ten tijde van het nemen van het besluit van 26 april 2017. De rechtbank heeft derhalve ten onrechte dit arrest en de daarin gegeven uitleg van artikel van het 20 van het VWEU niet bij de toetsing van dat besluit betrokken. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. 

RvS 201802279/1/V3, 29.1.19
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2019:278

RvS: Gülenisten lopen in Turkije wel risico op onmenselijke behandeling

De Afdeling ziet zich eerst gesteld voor de vraag of Gülenisten in Turkije een reëel risico lopen op arrestatie en detentie. (…) Uit de cijfers blijkt dat een aanmerkelijk aantal personen is vastgezet. Hoewel de staatssecretaris terecht betoogt dat uit deze cijfers niet volgt dat elke Gülenist strafrechtelijk wordt vervolgd, geeft de door de staatssecretaris en de vreemdeling overgelegde informatie blijk van een complexe en diffuse situatie in Turkije. Daarom heeft de staatssecretaris ondeugdelijk gemotiveerd dat Gülenisten in Turkije niet systematisch strafrechtelijk worden vervolgd en alleen al daarom ook niet als groep het risico lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM.

De vraag die daarnaast aan bod komt, is of Gülenisten in Turkije een reëel risico lopen tijdens arrestatie en detentie te worden blootgesteld aan een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. (…) De door de vreemdeling overgelegde informatie over het risico dat Gülenisten tijdens arrestatie en detentie worden blootgesteld aan een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM, dan wel dat Turkse autoriteiten hier niet tegen optreden, levert ook op dit punt het beeld op van een complexe en diffuse situatie, waarover de staatssecretaris ter zitting geen duidelijkheid heeft kunnen verschaffen. Alleen al daarom heeft de rechtbank terecht overwogen dat de staatssecretaris zijn standpunt dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een reëel en voorzienbaar risico loopt te worden blootgesteld aan een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM, ondeugdelijk heeft gemotiveerd.

Het hoger beroep van de staatssecretaris is ongegrond. Het door de vreemdeling ingestelde voorwaardelijk incidenteel hoger beroep is daarmee vervallen. De aangevallen uitspraak moet, gelet op wat onder 3.1. is overwogen, worden bevestigd met verbetering van de gronden.

RvS 201804801/1/V1, 13.2.19
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2019:377

idem RvS 201805676/1/V1, 13.2.19
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2019:379

idem RvS 201805543/1/V1, 13.2.19
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2019:378

Rb (tussenuitspraak): situatie gewijzigd, mogelijk nu wel risico homo in Azerbeidzjan

Hoewel uit het algemene ambtsbericht over Azerbeidzjan en het Human Rights Report blijkt dat homoseksualiteit geenszins algemeen aanvaard wordt in Azerbeidzjan en dat de behandeling en positie van LHBTI’ers is verslechterd, blijkt uit de bronnen eveneens dat homoseksualiteit niet strafbaar is en er geen discriminerende wetgeving bestaat. De vreemdeling wordt echter wél in zijn betoog gevolgd dat uit recente landeninformatie blijkt dat vanaf september 2017 sprake is van een toename van het aantal arrestaties van LHBTI’ers. Uit de stukken blijkt dat dit zonder precedent is.

De rechtbank volgt de staatssecretaris dus niet in zijn standpunt dat uit de bronnen waar de vreemdeling in zijn aanvullende gronden naar heeft verwezen niet een wezenlijk ander beeld volgt dan uit het algemeen ambtsbericht en de eerdere bronnen, omdat uit de recente landeninformatie blijkt dat sprake is van actieve politieacties gericht tegen LHBTI’ers, wat niet overeenkomt met informatie in het ambtsbericht. De staatssecretaris heeft derhalve onvoldoende gemotiveerd waarom uit de recente landeninformatie geen verslechtering van de positie van LHBTI’ers blijkt, zodat sprake is van een motiveringsgebrek. De staatssecretaris wordt in de gelegenheid gesteld de gebreken te herstellen. Hij moet de geloofwaardigheid van het relevante element opnieuw beoordelen en de meest actuele landeninformatie bij de besluitvorming betrekken. Daarbij dient aandacht te worden besteed aan de positie van homoseksuelen in het leger.

Rb Utrecht, tussenuitspraak, NL18.10559, 25.1.19

Rb: geen Dublinoverdracht Bulgarije voor Turkse met sympathie voor Gülen-beweging

Eiseres heeft onderbouwd dat haar broer [A] problemen heeft gehad met de Turkse autoriteiten vanwege zijn vermeende lidmaatschap van of betrokkenheid bij de FETÖ . In de documenten staat eiseres’ naam genoemd. Eiseres heeft ter zitting met de verwijzing naar het artikel “ igifleri Bakani Soylu: Bulgaristan, FETÖ konusunda kararli ” van Miliyet van 19 januari 2019 nogmaals de stelling onderbouwd dat de minister van binnenlandse zaken in Turkije afspraken maakt met de Bulgaarse autoriteiten om zich in te spannen om leden van de FETÖ terug te sturen. Eiseres heeft hiermee geconcretiseerd dat er afspraken zijn gemaakt tussen Turkije en Bulgarije over vermeende leden van FETÖ .

Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat verweerder in het geval van eiseres niet zonder meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan uitgaan ten aanzien van Bulgarije. Naar het oordeel van de rechtbank had verweerder nader moeten beoordelen of eiseres een risico loopt om naar Turkije te worden uitgezet. De beroepsgrond slaagt. Het beroep is gegrond.

Rb Utrecht NL19.408, 28.1.19
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2019:868

Rb Haarlem: Meervoudige Kamer moet beslissen over opvang Dublinclaimanten in Italie

De vraag of de situatie van asielzoekers, specifiek Dublinclaimanten, in Italie maakt dat niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel zal aan de orde worden gesteld bij een zitting van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats. Het belang van verzoeker om niet aan Italie te worden overgedragen voordat de rechtbank uitspraak heeft gedaan op zijn beroep, weegt onder die omstandigheden zwaarder dan het belang van verweerder om reeds voor die tijd tot overdracht van verzoeker over te kunnen gaan.

Rb Haarlem NL19.1681, 12.2.19

SvJ&V: aanpassing asielbeleid Russische Federatie, met name voor Jehova Getuigen

Met ingang van 17 juli 2017 zijn Jehovah’s Getuigen een verboden organisatie krachtens een uitspraak van het Russische Hooggerechtshof van 20 april 2017. Sinds mei 2017 zijn tientallen Jehova’s getuigen in heel Rusland in bewaring gesteld op verdenking van extremistische activiteiten. Jehova’s getuigen worden dikwijls geconfronteerd met ontslag van hun werk en met verstoringen van hun ordevieringen, discriminatie en brandstichting door Russische burgers. Bovenstaande is voor mij aanleiding om Jehova’s getuigen afkomstig uit de Russische Federatie te benoemen tot risicogroep. Dit betekent dat een individuele toets van het asielverzoek plaatsvindt, maar dat de vrees voor vervolging met geringe indicaties aannemelijk gemaakt kan worden.

Eerder is al besloten om politieke activisten en andere personen die significant kritiek leveren op het regeringsbeleid te benoemen tot risicogroep.

Ook is destijds al besloten dat er in Tsjetsjenië sprake is van systematische vervolging van lhbti’s. Als het geloofwaardig is dat iemand lhbti is en afkomstig is uit Tsjetsjenië, zal daarom een verblijfsvergunning verleend worden.

https://www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/kamerstukken/2019/02/15/tk-landenbeleid-russische-federatie/tk-landenbeleid-russische-federatie.pdf, 15.2.19

SvJ&V: wetsvoorstel verkorting duur vluchtelingenstatus naar RvS voor advies

De geldigheidsduur van een tijdelijke asielvergunning wordt ingekort. Straks wordt een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in eerste instantie voor drie jaar verleend en niet langer voor vijf jaar. Ook kan na afloop van deze periode nog geen aanvraag voor een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd of een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen worden ingediend. Daarvoor zal de vreemdeling eerst een aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd moeten indienen.

De ministerraad heeft ermee ingestemd het wetsvoorstel voor advies aan de Raad van State te zenden. De tekst van het wetsvoorstel en van het advies van de Raad van State worden openbaar bij indiening bij de Tweede Kamer.

https://www.rijksoverheid.nl/actueel/nieuws/2019/02/15/kabinet-verkort-geldigheidsduur-tijdelijke-asielvergunning

MvR/ SvJ&V: ex-Ante Uitvoeringstoets op wijzigingsvoornemen rechtsbijstand asiel

Met betrekking tot de kosten van rechtsbijstand in asielprocedures kan ik u melden dat er in 2017 voor ca. € 29,1 miljoen is uitgegeven aan vastgestelde toevoegingen (plus extra uren) voor asielprocedures; voor reguliere procedures ca. € 12,5 miljoen en voor vreemdelingenbewaring ca. € 2,8 miljoen. De berekening van deze uitgaven aan toevoegingen is gebaseerd op door de raad voor rechtsbijstand in 2017 uitbetaalde vastgestelde toevoegingen (zogenaamde «vaststellingen»). Dit kunnen declaraties betreffen van afgegeven toevoegingen in 2017, maar ook van voorgaande jaren. Het is niet mogelijk op basis van de gegevens van de raad voor rechtsbijstand aan te geven hoeveel asielzoekers in Nederland konden blijven als gevolg van uitgaven aan vaststellingen in asielprocedures. Het gemiddeld aantal afgegeven toevoegingen per vreemdeling komt in 2017 voor asielprocedures op gemiddeld 1,75 per cliënt (31.376 toevoegingen afgegeven aan 17.962 cliënten), voor reguliere procedures op gemiddeld 1,42 per cliënt (18.213 toevoegingen afgegeven aan 12.794 cliënten) en voor vreemdelingenbewaring op gemiddeld 1,56 per cliënt (6.792 toevoegingen afgegeven aan 4.363 cliënten).

Op 18 december jl. is in de Eerste Kamer de motie-Strik (GroenLinks) c.s. over uitvoering van een ex ante uitvoeringstoets aangenomen. In deze motie wordt de regering verzocht om voor de inwerkingtreding van deze algemene maatregel van bestuur een ex ante uitvoeringstoets uit te voeren bij zowel de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) als de rechterlijke macht. Daarnaast wordt de regering verzocht om de Eerste Kamer te informeren over de uitkomsten van deze uitvoeringstoets, voorzien van een conclusie over de wenselijkheid om al dan niet over te gaan op de afschaffing van de eerste twee fasen van rechtsbijstand. In lijn met de motie-Strik wordt in het eerste kwartaal 2019 het onderzoek naar de gevolgen van de maatregel afgerond. Daarna wordt de voorgestelde wijziging van het Bvr in voorhang en consultatie gebracht. Daarna wordt het voorstel om advies aan de Afdeling advisering van de Raad van State gezonden. Afhankelijk van de reacties naar aanleiding van de consultatie, de uitkomsten van de voorhang en het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State, kan het traject in 2019 doorlopen zijn.

De Staatssecretaris streeft naar inwerkingtreding halverwege 2020 zodat er voldoende tijd is voor zowel de rechtspraak als voor de IND en de advocatuur om zich hier op voor te bereiden.

Kamerstuk 31753 nr. 159, 28.1.19
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-31753-159.html

Pagina's