bezoek ook: www.noo.nl / www.meldpuntvreemdelingendetentie.nl / www.basicrights.nl / www.iLegalevrouw.nl
De rechtbank heeft na het arrest Multan op 12 maart 2026 in een tussenuitspraak bepaald dat verweerder -zelf- kennis moet nemen van de onderliggende stukken van het individueel ambtsbericht en van de stukken die zien op de wijze waarop Buitenlandse Zaken in Pakistan het onderzoek heeft verricht. De rechtbank heeft tevens bepaald dat eiser door tussenkomst van een ‘special advocate’ kennis moet kunnen nemen van al deze stukken. Verweerder heeft medegedeeld dat hij niet zal voldoen aan de tussenuitspraak, zodat de rechtbank nu een einduitspraak doet.
Omdat verweerder niet van de gehele inhoud van het dossier kennis heeft genomen, is de beschermingsbehoefte reeds hierdoor niet grondig genoeg onderzocht en is (het handhaven van) het besluit onzorgvuldig voorbereid en ontoereikend gemotiveerd.
De rechtbank stelt na kennisname van de onderliggende stukken van het individueel ambtsbericht en van de stukken die zien op de wijze waarop Buitenlandse Zaken in Pakistan het onderzoek heeft verricht vast dat de inhoud van het individuele ambtsbericht niet voldoende wordt gedragen door deze stukken, dat niet inzichtelijk is hoe tot de (diverse deel)conclusies is gekomen, dat de vragen van de aanvrager onvoldoende worden beantwoord en dat de methode van onderzoek onvoldoende zorgvuldig en niet volledig is geweest. Dit betekent dat verweerder het individueel ambtsbericht niet ten grondslag kan leggen aan de afwijzing van de opvolgende aanvraag van eiser.
De rechtbank overweegt voorts dat gelet op de wijze waarop het onderzoek in Pakistan heeft plaatsgevonden en zoals dit uit het onderzoeksverslag blijkt, niet kan worden uitgesloten dat het onderzoek op zichzelf, een risico voor eiser bij terugkeer tot gevolg heeft. De rechtbank kan dit thans onvoldoende grondig onderzoeken en kan thans ook niet beoordelen of eiser reeds vanwege deze wijze van onderzoek in aanmerking moet worden gebracht voor internationale bescherming. De rechtbank hecht daarbij nadrukkelijk betekenis aan de omstandigheid dat eiser zijn verdedigingsrechten niet volledig in overeenstemming met het Unierecht heeft kunnen uitoefenen.
Beroep gegrond.
Rb Roermond NL22.10458, 20.4.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9429
Niet in geschil is dat eiser ten tijde van het bestreden besluit gevangengezet was. De rechtbank overweegt dat nu de geplande overdracht van eiser wegens de gevangenzetting niet kon worden uitgevoerd, verweerder bevoegd was de overdrachtstermijn te verlengen tot maximaal een jaar.
Dat eiser mogelijk na afloop van de strafrechtelijke detentie nog binnen de reguliere termijn van zes maanden overgedragen had kunnen worden, betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat verweerder geen verlengingsbesluit had mogen nemen. Door de gevangenzetting was eiser op het geplande overdrachtsmoment immers niet beschikbaar voor een overdracht, waardoor het voor de Nederlandse autoriteiten materieel onmogelijk was om de overdracht van eiser uit te voeren.
Het beroep is ongegrond.
Rb Rotterdam NL25.64036, 11.3.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9591
De minister betoogt allereerst terecht dat, ook indien de wijze waarop de Bulgaarse autoriteiten de verzoeken van Turkse asielzoekers beoordelen systematische gebreken vertoont, binnen het nationale rechtsstelsel in Bulgarije effectieve bescherming kan worden gezocht. … Van dit uitgangspunt mag alleen worden afgeweken als een vreemdeling aannemelijk maakt dat wat betreft de asielprocedure en de opvangvoorzieningen sprake is van systeemfouten waardoor niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan. Ook met zijn schriftelijke uiteenzetting in hoger beroep heeft betrokkene niet aannemelijk gemaakt dat voor hem als Turkse asielzoeker in Bulgarije geen effectief rechtsmiddel openstaat tegen een mogelijke afwijzing van zijn asielverzoek.
De minister voert verder terecht aan dat een laag inwilligingspercentage op zichzelf niets zegt over de wijze waarop een lidstaat de asielverzoeken van een specifieke groep asielzoekers behandelt en over de vraag of die behandeling mogelijk gebreken vertoont. Het lage inwilligingspercentage vormt daarom op zichzelf geen aanwijzing dat er sprake is van een systeemfout bij de behandeling van aanvragen van Turkse asielzoekers. …
Gelet op het voorgaande betoogt de minister terecht dat de rechtbank niet heeft kunnen concluderen dat de minister niet zonder nader onderzoek en zonder nadere motivering voor betrokkene mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Bulgarije.
De grieven tegen Rb Haarlem NL24.36498, 12.11.24 slagen.
RvS BRS.24.000429, 20.4.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:2133
De Oegandese vreemdeling stelt dat er structurele tekortkomingen zijn in de asielprocedure voor LHBTIQ+-personen in Polen.
De Afdeling oordeelt als volgt. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de vreemdeling onder verwijzing naar objectieve landeninformatie, gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat de minister niet of niet zonder meer van het vermoeden kan uitgaan dat Polen aan zijn internationale verplichtingen zal voldoen.
Hoger beroep tegen Rb Amsterdam NL25.44452, 12.12.25 ongegrond.
ABRvS, BRS.25.002559, 15.4.26
De minister heeft de LVV-opvang van verzoeker beëindigd. De voorzieningenrechter komt tot het oordeel dat de minister had dienen te onderzoeken wat de gevolgen zijn voor verzoeker, die als kwetsbaar moet worden gezien nu de gemeente Amsterdam hem feitelijk opvang bleef verlenen, indien de opvang wordt beëindigd. Omdat het recente verleden heeft laten zien dat verzoeker het in zijn eentje op straat niet redt, is het namelijk een kwestie van tijd voordat verzoeker weer tijdelijke opvang zal moeten worden geboden om verdere achteruitgang tijdelijk tegen te gaan. Waarna verzoeker weer alleen op straat komt te staan et cetera, et cetera.
De voorzieningenrechter ziet de situatie waar verzoeker in verkeert aldus als een vicieuze cirkel, waarbij de vraag zich aandringt of daarmee geen sprake is van een onmenselijke behandeling als bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Verzoeker heeft in ieder geval groot belang bij het verlaten van deze cirkel en de voorzieningenrechter stelt vast dat de minister daarin tot op heden geen verantwoordelijkheid neemt.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe.
Rb Amsterdam AWB 26/2656, 13.3.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:6630
Volgens de onderzoekers zijn er in NL tussen de 17-23.000 (20.000) ongedocumenteerde mensen in 2023. Hiervan zouden ongeveer 5.000 uit Europa komen waarvan 2.000 uit de EU.
Eiseres is Tunesische nationaliteit en geboren in 1984. Haar zoon is geboren in 2017 en de dochter in 2020. … De rechtbank is van oordeel dat de zoon en de dochter ten onrechte niet zijn gehoord en dat ten onrechte niet naar hun mening is gevraagd voorafgaand aan het opleggen van de maatregel van bewaring…..
De rechtbank volgt de minister niet in de stelling dat niet is gesteld of gebleken dat de kinderen de leeftijd en rijpheid hadden om naar hun mening over de maatregel te worden gevraagd. Ten eerste is dat niet wat artikel 12 IVRK voorschrijft, de volgorde is anders. De kinderen wordt om hun mening gevraagd en aan die mening wordt passend belang gehecht, in overeenstemming met de leeftijd en rijpheid. ….
De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat de maatregelen van bewaring van de zoon en de dochter onrechtmatig waren vanaf het begin. Deze onrechtmatigheid werkt door in de maatregel van bewaring van eiseres, die daardoor ook van aanvang af onrechtmatig is.
Rb Den Bosch 26.14874, 26.14880 en 26.14888, 31.3.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:7646
Eiser stelt dat hij de afgelopen jaren in de LVV heeft verbleven en daarmee in beeld bij zowel de Nederlandse autoriteiten als DtenV was. De minister heeft het verblijf van eiser in de LVV per 31 december 2024 beëindigd waardoor niet aan eiser kan worden verweten dat hij bij de minister uit beeld is geraakt. Eiser heeft zich daarna éénmaal gemeld bij de vreemdelingenpolitie en hij is bij de autoriteiten in beeld gebleven door middel van zijn postadres.
De rechtbank oordeelt dat eiser na zijn verblijf in de LVV, tot zijn inbewaringstelling geen melding gemaakt van zijn onrechtmatig verblijf in Nederland. Hiermee heeft eiser zich dus geruime tijd aan het toezicht onttrokken. Verder bezit eiser geen identiteitsbewijs en heeft hij geen aantoonbare activiteiten ondernomen om aan vervangende documenten te komen. Voor zover eiser contact heeft met een casemanager, heeft dit tot op heden nog niet geleid tot vertrek….
De beroepsgrond slaagt niet.
Rb Utrecht NL26.11918 NL26.12030, 23.3.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:8547
minister heeft er terecht op gewezen dat betrokkene tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling heeft verklaard dat hij niet wil terugkeren naar Algerije of Libië, meldplichten heeft gemist, illegaal in Nederland heeft verbleven en na het terugkeerbesluit niet zelfstandig is vertrokken. De minister betoogt terecht dat hij hiermee deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij niet met een lichter middel kon volstaan, ondanks de verklaring van betrokkene dat hij bij stichting INLIA verblijft en via die organisatie een traject zou starten waarbij hij zou werken en tegelijkertijd aan de terugkeer naar zijn land van herkomst zou werken.
De grief slaagt.
Het hoger beroep tegen Rb Groningen NL24.19061, 14.5.24, is gegrond.
RvS BRS.24.000182, 9.4.26
ECLI:NL:RVS:2026:1902
De minister heeft de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. De vreemdeling voert aan dat de minister ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan het beleid inzake mensenhandel.
De rechtbank overweegt als volgt. … De vreemdeling heeft verklaard dat zij bij haar reis is geholpen door een Zuid-Afrikaanse pastor en dat zij niets betaald heeft voor haar reis. Gelet op deze verklaring has de minister toepassing moeten geven het beleid slachtoffers mensenhandel. Dat moet de minister immers al doen bij de geringste aanwijzing dat sprake is van mensenhandel, waar in dit geval sprake van is. Nu uit het beleid ook volgt dat de bewaring wordt opgeheven als de bedenktijd wordt verleend heeft de minister onzorgvuldig gehandeld door de detentie niet na het aanmeldgehoor op te heffen.
Beroep gegrond.
Rb Amsterdam NL26.9822, 5.3.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:5834