Nieuws

RvS: terecht verzoek opheffing ongewenstverklaring ivm korte bezoeken aan NL na België-route

De staatssecretaris heeft niet bestreden dat de vreemdeling zich niet in Nederland wil vestigen en slechts met het oog op verblijven van korte duur om opheffing van zijn ongewenstverklaring heeft verzocht. Volgens het arrest McCarthy moet de staatssecretaris de Belgische verblijfskaart van de vreemdeling erkennen, tenzij concrete aanwijzingen die verband houden met het betrokken individuele geval en die de slotsom rechtvaardigen dat sprake is van rechtsmisbruik of fraude, ernstige twijfel doen rijzen over de authenticiteit van deze kaart en over de juistheid van de gegevens daarop. De staatssecretaris heeft gesteld noch gemotiveerd dat die uitzonderingssituatie zich in dit geval voordoet. Daarom heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat hij niet is gehouden op basis van de verblijfskaart aan te nemen dat de vreemdeling rechten kan ontlenen aan de Verblijfsrichtlijn.

De grief slaagt. Het hoger beroep is alleen al hierom kennelijk gegrond.
RvS 201704105/1/V3, 18.2.19
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2019:470

RvS: Belgisch inreisverbod maakt verblijf in NL nog niet strafbaar

Uit de wetsgeschiedenis blijkt niet dat de wetgever heeft beoogd ook verblijf in Nederland in weerwil van een door een andere lidstaat opgelegd inreisverbod strafbaar te stellen. De staatssecretaris voert daarom terecht aan dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, verblijf met een inreisverbod niet strafbaar is bij een door de Belgische autoriteiten uitgevaardigde inreisverbod.

De grief slaagt. Het hoger beroep is kennelijk gegrond.
RvS 201702284/1/V1, 21.2.19
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2019:565

RvS: Chavez-uitspraak kan dwingen tot verblijf bij afhankelijke NLse partner (maar niet hier)

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld uitspraak van 6 november 2013) doet de in onder meer het arrest Ruiz Zambrano bedoelde situatie dat de burger van de Unie zijn recht om op het grondgebied van de Unie te verblijven wordt ontzegd zich voor als de burger van de Unie zodanig afhankelijk is van de burger van een derde land, dat hij als gevolg van de besluitvorming van een bestuursorgaan feitelijk wordt gedwongen met de burger van het derde land het grondgebied van de Unie te verlaten. Dit geldt niet alleen in situaties waarbij een minderjarige burger van de Unie betrokken is (zie het arrest Chavez-Vilchez). In uitzonderlijke situaties kan ook sprake zijn van een afhankelijkheidsrelatie met een meerderjarige burger van de Unie, namelijk in gevallen waarin de betrokkene, gelet op alle relevante omstandigheden, op geen enkele wijze kon worden gescheiden van het familielid van wie het afhankelijk is. Uitgangspunt daarbij is evenwel dat meerderjarigen in beginsel in staat zijn om onafhankelijk van hun familieleden een leven te leiden. Indien sprake is van een afhankelijkheidsrelatie, moet, gezien hetgeen het Hof heeft overwogen, worden aangenomen dat het recht van burgers van derde landen om te verblijven op het grondgebied van de lidstaten rechtstreeks voortvloeit uit artikel 20 van het VWEU. In dit verband wordt ook verwezen naar de uitspraak van de Hoge Raad van 14 februari 2014, waarin ook de Hoge Raad tot dat oordeel is gekomen.

In dit geval wordt op goede gronden aangenomen dat de echtgenoot en toeslagpartner van [appellante] aan artikel 20 van het VWEU geen verblijfsrecht kan ontlenen. De stelling van [appellante], dat zij en haar destijds minderjarige kind afhankelijk zijn van haar echtgenoot, wordt niet gevolgd. Weliswaar blijkt uit de overgelegde stukken dat [appellante] is gediagnosticeerd met een posttraumatisch stress syndroom en met een depressie, maar zij heeft niet aannemelijk gemaakt dat de zorg voor haar en haar destijds minderjarige kind, vanwege haar gezondheidssituatie, in de periode in geding volledig berustte bij haar echtgenoot. In dit verband is van belang dat de overige vier kinderen van [appellante] in de periode in geding meerderjarig waren en deze derhalve in staat moeten worden geacht om bepaalde zorgtaken, ten behoeve van [appellante] en het destijds minderjarige kind, uit te voeren. Dat zij hiertoe niet in staat zijn geweest, is door [appellante] niet onderbouwd met gegevens. Wat de door [appellante] gestelde afhankelijkheidsrelatie tussen haar echtgenoot en haar destijds minderjarige kind betreft, acht de Afdeling nog van belang dat geen sprake is van een volledig van de zorg van derden afhankelijk kind. Het kind van [appellante] was in de periode in geding zestien jaar oud, zodat een bepaalde mate van zelfstandigheid kan worden verondersteld.

Het betoog faalt. Het hoger beroep is ongegrond.
RvS 201804733/1/A2, 20.2.19
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2019:545

Rb: voor verblijfsvergunning bij NLs kind moet identiteit onderbouwd zijn

De rechtbank stelt voorop dat verweerder niet het paspoortvereiste aan eiseres tegenwerpt maar enkel dat eiseres haar identiteit en nationaliteit niet op enigerlei wijze heeft onderbouwd. De vraag is of dat terecht is.

De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. Daarbij is van belang dat als algemeen uitgangspunt geldt dat een lidstaat van een vreemdeling mag verlangen dat hij zijn identiteit en nationaliteit aannemelijk maakt indien hij op het grondgebied van die lidstaat wil verblijven. De omstandigheid dat in het beleid, zoals dat gold ten tijde van de aanvraag van eiseres, het aantonen van de identiteit en nationaliteit niet expliciet als voorwaarde was opgenomen, leidt niet tot een ander oordeel. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende toegelicht dat de toevoeging van identiteitsvaststelling in het beleid enkel een verduidelijking betreft van het algemeen geldende uitgangspunt dat verweerder pas kan vaststellen of sprake is van rechtmatig verblijf als (familielid van) een gemeenschapsonderdaan indien de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling duidelijk is.

Rb Haarlem AWB 18/7510 en 18/7511, 28.1.19
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2019:1462

Rb: individueel oordeel over inkomen referent vereist

De MVV-aanvraag van eiser is afgewezen wegens het niet voldoen aan het middelenvereiste. Referent heeft een arbeidsovereenkomst Fase A, zonder uitzendbeding met uitsluiting van loondoorbetalingsverplichting.
Uit het Khachab arrest en de daarin opgenomen verwijzing naar o.m. het Chakroun arrest volgt dat er altijd een evenredigheidstoets moet plaatsvinden en een afweging dient te worden gemaakt van de individuele omstandigheden. Het standpunt dat, reeds omdat in de uitzendovereenkomst van referent geen doorbetalingsverplichting is opgenomen niet wordt voldaan aan de voorwaarde dat de middelen nog zes maanden beschikbaar zijn, volstaat in dat opzicht niet. Getoetst dient te worden of waarschijnlijk is dat de middelen in die periode beschikbaar zijn. Bij deze individuele beoordeling wordt de ontwikkeling van de inkomenspositie van de gezinshereniger voorafgaand aan dat verzoek betrokken. In dit geval heeft eiseres aangevoerd dat referent nooit een beroep heeft gedaan op de publieke middelen en reeds sinds 9 juni 2011 in dienst is van het bedrijf en sinds 17 november 2016 onafgebroken voor deze werkgever arbeid heeft verricht, terwijl zijn uitzendovereenkomst die ten tijde van de aanvraag nog zes maanden geldig was, daarna zou worden omgezet in een fase-B overeenkomst. Deze omstandigheden zijn ten onrechte niet bij de beoordeling betrokken.

Voorts is de tegenwerping dat referent niet voldoet aan de inkomensnorm op zichzelf onvoldoende om te oordelen dat referent niet over voldoende middelen van bestaan heeft beschikt. Daarbij is niet alleen de hoogte van het verschil met die norm van belang, maar tevens het feit dat referent geen beroep heeft gedaan op het stelsel van sociale bijstand en aldus voldoet aan het in de Gezinsherenigingsrichtlijn gestelde vereiste dat de gezinshereniger beschikt over stabiele en regelmatige inkomsten.
Beroep gegrond.

VK Rb Haarlem, AWB 18/3448 1.2.19

RvS: risico homo’s in Rusland, geen terughoudendheid vereist

Beide vreemdelingen hebben verklaard dat en hoe zij zich in hun land van herkomst terughoudend hebben opgesteld wat betreft hun gerichtheid om zo problemen te voorkomen. Zij hebben in dit verband uitdrukkelijk gewezen op het verslechterde klimaat voor homoseksuelen in hun land van herkomst.

De voorzieningenrechter acht van belang dat de verklaringen van de vreemdelingen over het homofobe klimaat in Rusland en de geloofwaardig geachte problemen die zij ondanks hun terughoudendheid alsnog in hun land van herkomst hebben ondervonden, passen in het beeld dat uit de landeninformatie naar voren komt over de positie van homoseksuelen in Rusland.

De grief slaagt. Het hoger beroep is kennelijk gegrond.
RvS 201609659/1/V2 en 201609659/4/V2, 20.2.19
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2019:457

Rb: vlgs ambtsbericht risico bekeerlingen in Koerdische Autonome Regio (Irak)

Beroep gegrond. De staatssecretaris vindt de bekering naar het christendom geloofwaardig, maar stelt zich op het standpunt dat de vreemdeling niet kan worden aangemerkt als een vluchteling in de zin van het vluchtelingenverdrag.

De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris zijn conclusie dat de vreemdeling bij terugkeer naar Erbil niet te vrezen heeft voor vervolging en dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op artikel 3 EVRM onvoldoende heeft gemotiveerd. Hiervoor is paragraaf 59 van het Ambtsbericht 2018 van belang. Daargelaten de vraag of deze paragraaf in het Ambtsbericht 2018 ook ziet op bekeerlingen, blijkt hieruit niet wat het concreet inhoudt dat de situatie in de KAR beter is. Dat is voor de vreemdeling juist van belang, zeker in het licht van de omstandigheid dat de staatssecretaris christenen uit Zuid- en Centraal Irak aanmerkt als kwetsbare minderheidsgroepen en de situatie in die gebieden voor christenen niet per definitie goed is. Uit het ambtsbericht 2018, pagina 61 volgt verder dat indien iemand al te openlijk afstand doet van zijn geloof, dit kan leiden tot problemen vanuit de familie of de gemeenschap, bijvoorbeeld in de vorm van eergerelateerd geweld. De vreemdeling heeft terecht opgemerkt dat de evangelische activiteiten naar hun aard met zich brengen dat hij openlijk afstand doet van zijn geloof en hij volgens het Ambtsbericht 2018 dus te maken kan krijgen met eergerelateerd geweld. Dat er volgens het ambtsbericht twee kerken staan in Erbil en Suleymaniyah, steden in KAR, is onvoldoende voor de conclusie dat bekeerlingen zich zonder grote problemen kunnen handhaven in de KAR.

Rb Utrecht, NL19.902, 13.2.19

RvS: Baghdad geen vestigingsalternatief voor Sunniet uit Salaheddin

De vreemdeling is soenniet en afkomstig uit de provincie Salaheddin. Toen IS deze provincie is binnengevallen is hij met zijn gezin naar Bagdad vertrokken waar hij twee weken is verbleven. Zijn broer is daar ontvoerd door de milities. Bij terugkeer naar Bagdad vreest de vreemdeling door deze milities te worden ontvoerd en vermoord omdat hij soenniet is en afkomstig uit Salaheddin.

De rechtbank overwoog (Rb Utrecht, 17-2401, 13.12.17) dat toelating tot Baghdad afhankelijk is van een sponsor. Het sponsorvereiste is niet wettelijk gereglementeerd en wordt willekeurig toegepast. Toegangsbeperkingen zijn niet altijd duidelijk gedefinieerd, implementatie ervan kan variëren en de toelatingsvoorwaarden zijn onderhevig aan frequente willekeurige veranderingen. Op basis van discriminerende criteria wordt regelmatig toegang en verblijf in relatief veilige gebieden geweigerd ook al wordt voldaan aan de toelatingseisen. Eenduidige, transparante en actuele toelatingsvoorwaarden voor ontheemden ontbreken dan ook. De rechtbank was van oordeel dat hieruit volgt dat het onzeker is dat de vreemdeling toegang kan verkrijgen tot Bagdad en dat hij zich daar vestigt in het kader van een vestigingsalternatief.

Het hoger beroep van de staatssecretaris is kennelijk ongegrond. Hiermee staat in rechte vast dat de staatssecretaris onvoldoende heeft gemotiveerd waarom Bagdad voor de vreemdeling een vestigingsalternatief is.

ABRvS, 201800346/1, 22.2.19

RvS: HIV-besmetting geen asielgrond voor Chinese vrouw

De staatssecretaris heeft in het besluit bevestigd dat uit algemene informatie, waaronder het bij de zienswijze overgelegde rapport 'HIV and AIDS Related Employment Discimination in China' van 14 januari 2011, volgt dat het in China voor hiv-geïnfecteerden moeilijker is dan voor andere personen om werk te vinden. Hij voert echter terecht aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de vreemdeling niet nader heeft geconcretiseerd op welke wijze en in welke mate zij persoonlijk is gediscrimineerd in het vinden van werk. Daarbij heeft de staatssecretaris in het verweer in beroep, gelet op wat de vreemdeling in het eerste gehoor heeft verklaard, terecht van belang geacht dat de vreemdeling ook vóór haar hiv-infectie moeite had met het vinden van passend werk.

De grief slaagt. Het hoger beroep is kennelijk gegrond.
RvS 201804386/1/V1, 14.2.19
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2019:454

Rb: verwestering Afghaanse jongere meewegen, halve leven in NL

Naar het oordeel van de rechtbank kan, anders dan de staatssecretaris lijkt te betogen, ook in het geval verwestering geen fundamenteel onderdeel uitmaakt van de identiteit of niet een gevolg is van een gewortelde overtuiging, sprake zijn van vluchtelingschap of van een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM. Dit is het geval als de vreemdeling zeer moeilijk of nagenoeg onmogelijk te veranderen kenmerken heeft, die bij terugkeer leiden tot een risico op een door artikel 3 EVRM verboden behandeling of tot vervolging vanwege een aan de vreemdeling toegedichte godsdienstige of politieke overtuiging.

In deze zaak heeft de vreemdeling betoogd dat hij al negen jaar, de helft van zijn leven, in Nederland verblijft en bovendien zijn vormende jaren hier heeft doorgebracht, grotendeels zonder enig ander familielid in zijn naaste omgeving. Zijn broer, waarmee hij ooit naar Nederland is gereisd, is al in 2012 uit Nederland vertrokken. De rechtbank oordeelt dat de vreemdeling met deze omstandigheden aannemelijk gemaakt dat sprake is van kenmerken die bij terugkeer niet gemakkelijk te veranderen zijn. De staatssecretaris kon hier niet zonder nader onderzoek aan voorbijgaan. De rechtbank oordeelt dat de staatssecretaris op zijn minst de vreemdeling had moeten horen over zijn verwestering, de kenmerken die hij tijdens zijn verblijf hier heeft ontwikkeld en de eventuele mogelijkheden om zich weer aan te passen aan de normen en gebruiken in Afghanistan. Nu de staatssecretaris het besluit heeft genomen zonder de vreemdeling hierover te horen, is het besluit naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende zorgvuldig voorbereid en niet draagkrachtig gemotiveerd.

Rb Amsterdam (MK), NL18.10038, 7.2.19

Pagina's