Nieuws

RvS: equality of arms principe bij beoordelen documenten identiteit

De Afdeling ziet zich naar aanleiding van deze klacht gesteld voor de beantwoording van de vraag wanneer in een asielzaak het beginsel van 'equality of arms' wordt geschonden en wanneer de bestuursrechter bij schending van dat beginsel moet zorgen voor enige vorm van compensatie voor de vreemdeling door bijvoorbeeld een onafhankelijk deskundige te benoemen.

De Afdeling beantwoordt deze vraag in het kort als volgt. Het enkele feit dat Bureau Documenten een overgelegd document vals heeft bevonden en het niet mogelijk is om een contra-expertise te overleggen, betekent nog niet dat een vreemdeling hiervoor moet worden gecompenseerd vanwege het beginsel van 'equality of arms'. Een vreemdeling heeft namelijk ook in dat geval de mogelijkheid om met ander relevant bewijs te komen. Hij krijgt hier ook de gelegenheid toe in één of meer gehoren. Brengt een vreemdeling concrete aanknopingspunten voor twijfel naar voren aan het rapport van Bureau Documenten dan mag de staatssecretaris hier bovendien niet zonder nadere motivering van uitgaan. De vreemdeling heeft in deze zaak geen ander relevant bewijs geproduceerd. Ook heeft zij geen concrete aanknopingspunten voor twijfel naar voren gebracht aan het rapport van Bureau Documenten en is de staatssecretaris dus niet ten onrechte van dit rapport uitgegaan. De rechtbank heeft daarom terecht geen aanleiding gezien om haar vanwege het beginsel van 'equality of arms' compensatie te bieden.

De grief faalt.
RvS 201906014/1/V1, 19.8.20
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2020:1904

Rb: na afgewezen bezwaarprocedure over feitelijke Dublinoverdracht gaat 6mnd termijn opnieuw lopen

De uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 februari 2020 schortte het eerdere overdrachtsbesluit op. De overdrachtstermijn is opnieuw gaan lopen nadat op 24 maart 2020 is beslist op het bezwaar. De (sucsidiaire) stelling van eiser, dat na afloop van de opschorting slechts het restant van de zesmaandentermijn is hervat, faalt. Uit de tekst van artikel 29, eerste lid, van de Dublinverordening is immers af te leiden dat de volledige termijn van zes maanden gaat lopen vanaf de definitieve beslissing op het bezwaar wanneer dit schorsende werking heeft.

De termijn van overdracht verstrijkt dus pas op 24 september 2020.
Rb Middelburg NL20.8138, 24.8.20
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2020:8325

Rb: geen Dublinoverdracht Italië want kwetsbare jongere is afhankelijk van zorg door familie in NL

De rechtbank oordeelt als volgt. De staatssecretaris mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel t.o.v. Italië. Er is geen sprake van een structurele verslechtering van de opvangomstandigheden in Italië. Voorts heeft de vreemdeling niet aannemelijk gemaakt dat hij bijzonder kwetsbaar is in de zin van het Tarakhel-arrest. Zijn standpunt dat overdracht zal leiden tot een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van zijn gezondheidstoestand wordt ook niet gevolgd omdat hij heeft geen objectieve gegevens overgelegd die dit aantonen....

Ten slotte doet de vreemdeling een beroep op artikel 17 Dublinverordening. Volgens hem zal overdracht van onevenredige hardheid zal getuigen nu hij jong is, psychische problemen ondervindt door de ondergane martelingen in Irak en zijn familie, van wie hij afhankelijk is, in Nederland verblijft. Volgens de staatssecretaris treft dit geen doel nu de vreemdeling eenentwintig jaar oud is en heeft verklaard voor zichzelf te zorgen. Uit de motivering van de staatssecretaris blijkt niet dat de staatssecretaris alle relevante feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang heeft bezien en bij zijn beoordeling heeft betrokken. Niet is betwist dat de vreemdeling wegens zijn verlamde arm door zijn in Nederland verblijvende familie wordt verzorgd, hij in Italië geen familie of bekenden heeft, hij als kwetsbaar kan worden aangemerkt, hij vier suïcidepogingen heeft ondernomen en hiervoor in behandeling is. Het standpunt van de staatssecretaris is niet deugdelijk gemotiveerd en de verklaring van de vreemdeling is ten onrechte betrokken omdat deze in de correcties en aanvullingen is genuanceerd. 

Beroep gegrond.
Rb Haarlem, NL20.13299, 13.8.20

Rb: wel Dublinoverdracht Frankrijk, opvangsituatie verbeterd sinds uitspraak EHRM

De staatssecretaris heeft de aanvraag niet in behandeling genomen omdat Frankrijk  daarvoor verantwoordelijk is. De vreemdeling voert aan dat niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel omdat hij bij overdracht op straat zal belanden zonder enige vorm van hulp, financiën of onderdak, hetgeen een schending oplevert van artikelen 3 EVRM en 4 Handvest.

De rechtbank overweegt als volgt. De staatssecretaris mag in zijn algemeenheid uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel t.o.v. Frankrijk en de vreemdeling is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat dit in zijn geval niet kan. Uit het overgelegde AIDA-rapport blijkt dat de situatie in Frankrijk voor asielzoekers zorgelijk is, maar niet dat het gebrek aan opvang dermate structureel is dat bij overdracht aan Frankrijk op voorhand sprake is van een reëel risico op schending van artikel 4 Handvest. Voorts heeft Frankrijk met het claimakkoord gegarandeerd de asielaanvraag in behandeling te nemen in overeenstemming met de internationale verplichtingen. In de eerste asielprocedure in Frankrijk kreeg de vreemdeling opvang en financiële ondersteuning, die zijn beëindigd na afwijzing van de aanvraag. In Nederland zou dat niet anders gaan. Bovendien is de Dublinverordening opgesteld om te voorkomen dat asielzoekers gaan ‘shoppen’ om in een andere lidstaat hetzelfde asielrelaas inhoudelijk opnieuw te laten beoordelen. Er bestaat er geen aanleiding voor de staatssecretaris om het asielverzoek aan zich te trekken.

Voorts is de situatie van de vreemdeling niet vergelijkbaar met de situatie in het arrest N.H. e.a. tegen Frankrijk (EHRM 28820/13, 2.7.20). Die uitspraak gaat over de periode 2012-2015, waarna de Franse Autoriteiten inspanningen hebben verricht om de opvangcapaciteit uit te breiden en de asielprocedure te verkorten.

Beroep ongegrond.
Rb Rotterdam, NL20.13818, 4.8.20

Rb: spoedvovo opvang toegewezen want nova moeten inhoudelijk onderzocht worden en vreemdeling is kwetsbaar

De staatssecretaris heeft de opvolgende asielaanvraag van de vreemdeling niet-ontvankelijk verklaard, hiertegen heeft de vreemdeling beroep ingesteld. Op 17 juli 2020 heeft de vreemdeling om een vovo verzocht en op 19 juli gevraagd om met spoed een uitspraak te doen op dat verzoek. De voorzieningenrechter acht de spoedeisendheid van het verzoek aangetoond, nu het onduidelijk is of het huidige onderdak van de vreemdeling voortgezet kan worden. 

De beoordeling van de voorzieningenrechter zal zich, gelet op de spoed van het geval, beperken tot de vraag of de vreemdeling gebruik kan maken van de verstrekkingen die volgen uit de Rva 2005. De vreemdeling heeft bij zijn opvolgende aanvraag stukken ingebracht die dateren van na zijn eerste asielaanvraag. Hoewel de staatssecretaris aanvoert dat hier geen sprake is van nieuwe elementen of bevindingen, stelt de voorzieningenrechter vast dat dat nog getoetst moet worden. Verder zijn er geen aanwijzingen dat de opvolgende asielaanvraag louter is ingediend om het terugkeerbesluit te verhinderen. Hiermee staat er niets in de weg voor de voorzieningenrechter om een vovo toe te wijzen.

De staatssecretaris stelt zich op het standpunt dat de vreemdeling geen recht heeft op verstrekkingen. De voorzieningenrechter ziet aanleiding tot het toewijzen van de vovo, mede gelet op de medische omstandigheden die worden aangevoerd door de vreemdeling. Zij schorst alle rechtsgevolgen van het bestreden besluit, waardoor de opvang en de verstrekkingen op grond van de Rva 2005 moeten worden hervat. De datum van de inhoudelijke behandeling zal op korte termijn worden vastgesteld. Omdat de vreemdeling een contra-expertise wil laten verrichten, gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat de staatssecretaris zal meewerken met het verstrekken van het daarvoor benodigde originele document.

Vovo toegewezen.
Rb Roermond NL20.14200, 28.7.20
ECLI:NL:RBLIM:2020:5438

SvJ&V: reactie op Periodiek Beeld Terugkeer

Het Periodiek Beeld Terugkeer van de Inspectie Justitie en Veiligheid geeft een overzicht van de problemen die optreden tijdens uitzettingen. De staatssecretaris reageert in deze brief op de aanbevelingen.

Het rapport benadrukt het belang van het voorkomen van categoraal gebruik van vrijheidsbeperkende middelen tijdens vervoer. De SvJ&V merkt op dat bij een extra beveiligd vervoer-classificatie in de regel sprake is van een beheers- dan wel veiligheidsrisico. Overigens ligt hier altijd een schriftelijke onderbouwing aan ten grondslag, volgens de staatssecretaris.

Wat betreft de aanbevelingen inzake de informatie-uitwisseling is het doorgeven van informatie over persoonskenmerken, gedrag en gezondheidsinformatie eenduidiger geworden volgens de staatssecretaris.

Ook erkent de staatssecretaris het belang van het juist opvoeren in de systemen van de persoonlijke bezittingen van de vreemdeling. Hierin treden bij vertrek vanuit het detentiecentrum vaak last minute wijzigingen op, waardoor de informatie in eerste instantie via het warm contact wordt gedeeld en pas daarna in de systemen kan worden verwerkt. DJI heeft aangegeven last minute wijzigingen zo snel mogelijk te verwerken om eventuele problemen verderop in de keten te voorkomen.

De Inspectie J&V heeft de Kamer vorig jaar al geïnformeerd over het voornemen om het toezicht op terugkeer te beperken tot een vorm en intensiteit die bij de inmiddels geldende risico's in het terugkeerproces passen. Besloten is om in de jaren 2020 en 2021 het bestaande toezicht aan te passen tot een toezichtmodel waarin inspecties van individuele terugkeeroperaties worden aangevuld met thematische onderzoeken en het monitoren van door de uitvoeringsorganisaties zelf opgestelde rapportages over het verloop van het terugkeerproces.

https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2020/08/10/tk-beleidsreactie-ijenv-rapport-periodiek-beeld-terugkeer-2019, 10.8.20
rapport: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2020/08/10/tk-bijlage-periodiek-beeld-toezicht-op-terugkeer-2019

Rb: vrijlating detentie want gegarandeerde verblijfplaats en IOM helpt bij terugkeer

De rechtbank heeft op 26 juni 2020 de ondertekende garantverklaring van de heer [A] ontvangen, woonachtig op de [adres] te [woonplaats] . Daarin verklaart hij dat eiser bij hem kan verblijven en dat hij in het levensonderhoud van eiser zal voorzien. De handtekening op de garantverklaring komt overeen met de handtekening op het – eveneens overgelegde - legitimatiebewijs van de heer [A] . Verder blijkt uit de aangiftes inkomstenbelasting dat de heer [A] over voldoende inkomen beschikt.

Daarnaast is eerst op de zitting duidelijk geworden dat eiser op 25 juni 2020 een gesprek heeft gehad met de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) en dat de IOM bereid is om eiser te begeleiden bij zijn terugkeer naar Brazilië. Eiser is al eens eerder vertrokken met het IOM naar Brazilië, maar is vervolgens weer teruggekomen naar Nederland. Ondanks het feit dat eiser weer teruggekomen is naar Nederland heeft het IOM toegezegd om eiser nogmaals te begeleiden bij zijn vertrek.

Eiser heeft tijdens het gehoor voor de inbewaringstelling op 21 juni 2020 en ter zitting verklaard dat hij een vriendin heeft in Nederland, maar desondanks wel graag terug wil naar Brazilië. Zijn ouders zijn eind 2019 voorgoed vertrokken naar Brazilië en eiser heeft een dochtertje in Brazilië.

Al deze omstandigheden zijn door verweerder niet weersproken.

Gelet op het bovenstaande had verweerder naar het oordeel van de rechtbank kunnen volstaan met een lichter middel dan de bewaring. Hoewel uit de voorgeschiedenis van eiser blijkt van ontwijken of belemmeren van terugkeer, moet, ter beantwoording van de vraag of thans ter uitvoering van de terugkeer met een lichter middel kan worden volstaan, naar het oordeel van de rechtbank waarde worden gehecht aan deze omstandigheden. Daarbij acht de rechtbank met name van belang dat ter zitting is gebleken dat het IOM bij uitzondering eiser voor de tweede keer wil begeleiden bij zijn vertrek. Daarnaast heeft verweerder desgevraagd niet toegelicht op basis van welke grondslag het enkel aan de regievoerder is om een beslissing te nemen over de toepassing van een lichter middel. Verweerder heeft ter zitting ook niet aangeboden om de stukken betreffende de garantverklaring alsnog voor te leggen aan de regievoerder. Nu pas ter zitting is gebleken dat eiser in gesprek is met het IOM waaruit kan worden geconcludeerd dat eiser wenst te vertrekken en dit doorslaggevend is voor het oordeel dat kan worden volstaan met een lichter middel, dient de bewaring per heden te worden opgeheven.

Het beroep is gegrond en de maatregel van bewaring is vanaf vandaag onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van vandaag.

Rb Utrecht NL20.12783, 30.6.20
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2020:7469

RvS: nieuw oordeel nodig over financiële positie en toegankelijkheid medische zorg Pakistan

De vreemdeling heeft aannemelijk gemaakt dat de kosten voor de benodigde medicatie hoog zijn in verhouding tot het gemiddelde inkomen in Pakistan -wat in hoger beroep niet bestreden is - en daarom moet de staatssecretaris deze omstandigheid alsnog bij zijn beoordeling of de benodigde behandeling en medicatie voor de vreemdeling feitelijk toegankelijk is betrekken. De staatssecretaris zal de vreemdeling ook moeten horen over zijn financiële positie en de aanwezigheid van een sociaal netwerk dat hem financieel zou kunnen ondersteunen.

RvS201907032/1/V3, 5.8.20
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2020:1887
(tegen Rb Amsterdam 19/915, 22.8.19)

Rb: behandeling epilepsie en hartziekten in Kabul mogelijk

Eiser kan voert aan dat de noodzakelijke medische behandeling in Afghanistan niet toegankelijk is voor hem. Eiser onderbouwt dit met een bericht van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) waaruit blijkt dat de benodigde medicatie in Afghanistan van slechte kwaliteit is en dat goede zorg voor epilepsie en hartziektes niet mogelijk is in een publiek ziekenhuis. Voorts overlegt eiser een verklaring van een arts waarin de kosten voor zijn benodigde medicatie worden genoemd. Nu eiser geen inkomsten genereert en gezien het hoge bedrag van de medicatie, zal eiser niet in staat zijn om de medicatie te betalen.

Eiser betoogt verder dat verweerder een nieuw BMA-advies had moeten aanvragen, omdat een vermoeden bestaat van een angst- en stemmingsstoornis en sprake is van suïcidale uitingen. Eiser overlegt hiertoe een verwijsbrief voor een verwijsafspraak bij de GGZ.

De rechtbank oordeelt als volgt. Nu uit het BMA-advies blijkt dat de benodigde behandeling voor eiser aanwezig is in Afghanistan dient eiser aannemelijk te maken dat deze zorg voor hem feitelijk niet toegankelijk is. Eiser is daarin naar het oordeel van de rechtbank niet geslaagd. De rechtbank overweegt hiertoe dat verweerder in het bestreden besluit gemotiveerd heeft dat eiser niet heeft onderbouwd dat de kosten voor de medische behandeling te hoog zijn voor hem. Eiser heeft enkel gesteld dat de medische behandeling voor hem niet betaalbaar en daardoor niet toegankelijk is. De in beroep overgelegde verklaring van een arts leidt niet tot een ander oordeel, omdat uit deze verklaring niet blijkt hoe de arts tot het gestelde bedrag is gekomen en welke medicijnen de arts heeft betrokken in zijn berekening. Voorts heeft verweerder mogen overwegen dat eiser niet heeft aangetoond dat zijn familie niet financieel kan bijdragen of dat hij geen arbeid kan verrichten.

De rechtbank volgt eiser evenmin in zijn betoog dat verweerder zijn persoonlijke en bijzondere omstandigheden niet heeft betrokken. De omstandigheden dat eiser geen inkomen zou hebben in Afghanistan, afkomstig is uit Paktia, dat eiser al langdurig verblijft in Nederland en dat zijn echtgenote woonachtig is in Nederland heeft verweerder, in tegenstelling tot hetgeen eiser betoogt, betrokken.

Beroep ongegrond.
Rb den Haag AWB - 19 _ 5880, 7.7.20
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2020:7731

Rb: twijfel over beschikbaarheid nierdialyse Nigeria

Eiser is niet staat om te reizen, tenzij voortzetting van de hemodialyse voor vertrek is geregeld. Eiser kan niet reizen op dialyse dagen, de reis kan niet langer duren dan 48 uur tenzij er een tussenstop is in te lassen voor een dialyse en de voortzetting van de dialyse moet voor vertrek geregeld zijn. De hemodialyse is o.a. beschikbaar in het University College Hospital in Ibadan. Er is door het BMA een indicatie gegeven voor een zware reisvoorwaarde aan de hand waarvan de SvJ&V heeft geoordeeld dat de uitzetting van eiser wordt opgeschort zolang de fysieke overdracht niet is geregeld.

Eiser heeft aangevoerd dat het heel moeilijk is om hemodialyse te regelen in Nigeria, o.m. vanwege tekorten aan apparatuur en elektriciteitstekorten. T.a.v de kosten worden zeer hoge bedragen genoemd. De patiënt moet zelf voor zijn medicijnen zorgen. Er is een lange wachtlijst, in geval van nood is er geen dialyse beschikbaar. Dit blijkt uit algemene informatie van twee artsen van het University College Hospital. Daarnaast is er onduidelijkheid over de mogelijkheid voor opvang en steun voor eiser in Nigeria  en van zijn familie in Amerika ook is onduidelijk of een NGO bereid is om eiser te helpen. Ter zitting is aan de SvJ&V gevraagd of de uitzetting van eiser in de gegeven omstandigheden praktisch ooit te realiseren zal zijn. In antwoord heeft de SvJV gewezen op de ervaring van de DT&V en aangegeven dat die dienst contact zal opnemen met een ziekenhuis waar eiser terecht kan. Voor het geval de hemodialyse niet beschikbaar is, zal de overdracht niet plaatsvinden.

Enerzijds was de SvJ&V i.h.k.v. de toepassing van een aanvraag om toepassing van art. 64 Vw 2000 ook gehouden zich uit te laten over de feitelijke reisvereisten die kunnen worden gesteld en anderzijds heeft eiser tenminste serieuze twijfel aangevoerd over de toegankelijkheid voor hemodialyse voor hemzelf. In de gegeven omstandigheden had het gepast om voor de praktische/feitelijke uitvoerbaarheid van de voorliggende zware reisvereisten niet uitsluitend te verwijzen naar de ervaring van de dienst DT&V. De SvJ&V had in de gegeven omstandigheden aanleiding kunnen vinden enig nader indicatief onderzoek te doen naar de feitelijke uitvoerbaarheid van de reisvereisten die hij heeft betrokken i.h.k.v. de aanvraag.

Beroep gegrond.
VK Rb Amsterdam, AWB 20/239, 20/240, 6.8.20

Pagina's