Nieuws

Rb: terecht controle in woning

Uit het dossier volgt dat er meerdere meldingen bij de politie zijn gedaan over een adres waar overlast werd veroorzaakt door personen die bekend zijn bij de Afdeling Vreemdelingen, Identificatie en Mensenhandel (AVIM). De rechtbank oordeelt dat er op grond van deze meldingen voldoende reden was om het adres te bezoeken. Ter zitting heeft de gemachtigde van de minister verder toegelicht dat de verbalisanten met toestemming van een van de bewoners de woning hebben betreden, waarna ze eiser aantroffen. Toen ze eiser vroegen om zijn identiteitsdocument, antwoordde hij dat hij geen identiteitsdocument had. Toen eiser zijn naam opgaf, bleek uit de politiesystemen dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland had. Uit het voorgaande blijkt dat de ambtenaren voldoende aanleiding hadden om naar de woning te gaan, dat zij met toestemming van een van de bewoners de woning betraden, en dat er, toen eiser aangaf geen identiteitsdocument te hebben en vervolgens uit het systeem bleek dat hij geen rechtmatig verblijf in Nederland had, voldoende aanleiding was om eiser vreemdelingrechtelijk staande te houden.

De beroepsgrond slaagt niet.
Rb Utrecht NL25.55973, 24.11.25
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:27228

RvS: aanwezigheid partner voorwaarde voor beschikbaarheid zorg in Nigeria

Uit het BMA-advies van 4 februari 2025 volgt dat 24-uurs aanwezig is in Abuja, maar de BMA-arts heeft ook aangegeven dat, gelet op de specifieke afhankelijkheid van de echtgenoot in het voorkomen van een medische noodsituatie, zij de beschikbare alternatieven voor de zorg die door de echtgenoot worden geleverd voor eiseres, onvoldoende acht. De rechtbank stelt vast dat ter zitting door de minister nadrukkelijk is gesteld dat de aanwezigheid van de 24 uur-uurs zorg in Abuja in deze specifieke situatie afhankelijk is van de aanwezigheid van de echtgenoot van eiseres. Zo is door de minister gesteld dat, indien de echtgenoot van eiseres er niet is, niet aan de voorwaarden van het BMA-advies kan worden voldaan. Nu eiseres voldoende aanknopingspunten heeft aangedragen voor twijfel aan de toelating van de Ghanese echtgenoot tot Nigeria, is de rechtbank van oordeel dat de minister onvoldoende gemotiveerd heeft dat en op welke wijze aan de randvoorwaarde zoals door de BMA-arts is gesteld kan worden voldaan. …

In haar enige grief klaagt de minister over het oordeel van de rechtbank dat zij ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat de noodzakelijke zorg voor betrokkene, in de vorm van mantelzorg door haar partner in Nigeria, beschikbaar is. Volgens haar rust de bewijslast dat Nigeria feitelijk toegankelijk is voor haar partner, op betrokkene.

De Afdeling concludeert dat het in deze zaak niet gaat om de vraag of betrokkene aannemelijk heeft gemaakt dat de noodzakelijke zorg voor haar feitelijk toegankelijk is, maar of die zorg beschikbaar is. Voor de beantwoording van de vraag of de zorg beschikbaar is, ligt de bewijslast bij de minister. De minister moet toelichten hoe zij voldoet aan het door het BMA gestelde vereiste dat de partner in Nigeria aanwezig is. De verwijzing naar een openbare bron waaruit volgens de minister blijkt dat de partner van betrokkene bij de Nigeriaanse autoriteiten een verblijfsvergunning van de Economische Gemeenschap van West-Afrikaanse Staten kan aanvragen, waarmee hij rechtmatig verblijf zou kunnen krijgen, is onvoldoende. De minister heeft hiermee niet aannemelijk heeft gemaakt dat de Nigeriaanse autoriteiten de partner van betrokkene een verblijfsvergunning zullen verlenen. Evenmin is de toelichting van de minister dat zij betrokkene niet zal uitzetten als zij, gelet op de reisvereisten, de medische overdracht niet kan regelen, voldoende. De aanwezigheid van de partner van betrokkene is niet alleen een reisvereiste, maar tevens een beschikbaarheidsvereiste. Is die partner aanwezig, dan bestaat er in het kader van de beschikbaarheid van de noodzakelijke zorg geen risico op schending van artikel 3 van het EVRM. Echter, de minister heeft niet gewaarborgd dat de noodzakelijke zorg in de vorm van de partner beschikbaar was op het moment dat zij besloot betrokkene geen uitstel van vertrek te verlenen.

De grief tegen Rb Groningen NL25.6915, 14.5.25 slaagt niet.
RvS BRS.25.000701, 26.1.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:390

Rb: Prejudiciële vraag: moet IND ikv non-refoulementscheck ook toegankelijkheid zorg toetsen?

Eiser is ernstig ziek en wordt thans in Nederland behandeld. Uit het BMA-advies volgt dat indien de medische behandeling niet wordt voortgezet, er binnen een indicatieve termijn van drie tot zes maanden een medische noodsituatie zal ontstaan. In het BMA-advies is vermeld dat de noodzakelijke medische behandeling beschikbaar is in Guinee.

De rb overweegt dat, indien een medische behandeling die noodzakelijk is om een medische noodsituatie te voorkomen beschikbaar, maar na terugkeer niet daadwerkelijk feitelijk toegankelijk zal zijn voor de ernstig zieke vreemdeling, de medische noodsituatie zich zal voordoen. In het hoofdgeding rijst in dit verband de vraag of verweerder, die gedurende de tenuitvoerlegging van richtlijn 2008/115 onder meer verplicht is om rekening te houden met de gezondheidssituatie van verzoeker en het beginsel van non-refoulement moet eerbiedigen, zich ook moet vergewissen van de feitelijke toegankelijkheid van de noodzakelijke medische behandeling en niet kan volstaan met het nagaan of deze of een vergelijkbare medische behandeling in het land waar de terugkeerverplichting op ziet in het algemeen beschikbaar is. Op grond van de nationale rechtspraak en het beleid moet de ernstig zieke derdelander aantonen dat de medische behandeling die noodzakelijk is om een medische noodsituatie te voorkomen na terugkeer voor hem niet feitelijk toegankelijk zal zijn. De rb vraagt zich af of deze bewijslastverdeling verenigbaar is met het Unierecht.

Meer in het bijzonder vraagt de rb zich af of verweerder, gelet op het absolute karakter van het refoulementverbod en de verplichtingen die verweerder heeft, hij zich ook moet vergewissen van de feitelijke toegankelijkheid van de noodzakelijke medische zorg om na te gaan of het refoulementbeginsel zich niet verzet tegen de vaststelling van het terugkeerbesluit en de verwijdering van een ernstig zieke vreemdeling. 

De rb acht het noodzakelijk om gelet op deze rechtsvraag een nadere verduidelijking van het Hof te verkrijgen en stelt daarover een prejudiciële vraag. Schorst de behandeling van het beroep en houdt iedere verdere beslissing aan.

Rb Roermond, NL23.12804, 27.1.26
ECLI:NL:RBDHA:2026:1324

Rb: alsnog vrijstelling mvv vereiste verblijf bij doodzieke partner (inmiddels overleden)

Eiseres heeft op 8 mei 2024 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning met het doel ‘verblijf als familie of gezinslid’ om bij haar Nederlandse echtgenoot te verblijven. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat eiseres niet beschikt niet over een mvv en niet in aanmerking komt voor vrijstelling daarvan. Op 16 juni 2025 is referent overleden. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiseres geen procesbelang heeft bij de beroepszaak….

De rechtbank is van oordeel dat verweerder bij de belangenafweging in het kader van het recht van eiseres op uitoefening van gezinsleven met haar echtgenoot onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van referent. Hierbij acht de rechtbank van belang dat verweerder onvoldoende is ingegaan op de overgelegde verklaring van de longarts waaruit blijkt dat referent uitgezaaide longkanker had, dat zijn levensverwachting onzeker is, maar er een reële kans is dat deze korter is dan drie maanden. …  Vervolgens heeft verweerder in het bestreden besluit het standpunt ingenomen dat referent mee kan gaan naar Marokko.

De rechtbank acht het onbegrijpelijk dat verweerder tegenwerpt dat referent – in de laatste maanden van zijn leven – mee zou kunnen reizen naar Marokko, dan wel van eiseres verlangt dat zij haar echtgenoot in deze situatie achterlaat om in Marokko te een mvv te halen, wetende dat hij waarschijnlijk in die tussentijd zou sterven. Met de nodige terughoudendheid toetsend is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het vasthouden aan het mvv vereiste in deze zaak niet heeft geleid tot schending van artikel 8 van het EVRM.

Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond en vernietigt de rechtbank het bestreden besluit.

Het beroep is gegrond. Verweerder zal een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen en daarin beoordelen of eiseres op enig moment kan worden geacht aan de voorwaarden van de vergunning te hebben voldaan en vervolgens of zij om die reden nu recht heeft op een vergunning verband houdend met niet-tijdelijke humanitaire gronden, dan wel of zij op grond van de huidige situatie in aanmerking komt voor een vergunning verband houdend met artikel 8 van het EVRM.

Rb den Haag NL25.14983 en NL24.35610, 27.11.25
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:27134

Rb: risico politiek activist Venezuela

De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiseres bij terugkeer naar Venezuela geen reëel risico loopt op ernstige schade. Uit de door eiseres overgelegde informatie blijkt dat de huidige situatie in Venezuela erg onzeker is.

De rechtbank acht de aanvullende motivering van de minister in het verweerschrift onvoldoende concreet en volledig om op basis daarvan te concluderen dat er voor eiseres gelet op haar politieke overtuiging geen risico bestaat op schending van artikel 3 van het EVRM. Bovendien blijkt uit deze informatie ook dat als gevolg van de afgekondigde noodtoestand meer politie, leger en collectivos op straat aanwezig zijn en dat er checkpoints zijn ingesteld waar mensen worden gefouilleerd en wordt gecontroleerd of zij online berichten hebben geplaatst over de militaire actie van de Verenigde Staten.

Gelet hierop is het beroep gegrond.
Rb Groningen NL25.50019, 6.2.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:1999

Rb: risico koerdische regio Syrië

De rechtbank is met eiser van oordeel dat de minister zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eiser als atheïstische Koerd afkomstig uit Hasaka in Syrië geen gegronde vrees voor vervolging heeft in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt. Naar het oordeel van de rechtbank kan, in het licht van de recente ontwikkelingen in het Koerdisch gebied in het Noordoosten van Syrië, op dit punt niet worden volstaan met het verwijzen naar het landgebonden beleid. Dit is gebaseerd op het Algemeen Ambtsbericht Syrië van mei 2025 waarin geen rekening is gehouden met de recente ontwikkelingen in Noordoost-Syrië.

De minister heeft zijn standpunt, dat eiser geen gegronde vrees voor vervolging heeft op grond van zijn atheïsme, ook nog gebaseerd op de belofte van al-Sharaa dat eenieder ongestoord zijn religie kan blijven uitoefenen en op een grondwettelijke verklaring van 13 maart 2025 die vrijheid van geloof garandeert. De rechtbank oordeelt dat ook dit, mede in het licht van de recente ontwikkelingen en de onduidelijke machtsverhoudingen in Noordoost-Syrië, onvoldoende is om tot de conclusie te komen dat eiser niet vervolgd zal worden vanwege zijn atheïsme.

Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd is. Het beroep van eiser is daarom gegrond.
Rb Utrecht NL25.51035, 6.2.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:2607

Rb: onvoldoende afweging risico afvallige en huidige situatie Iran

Verweerder heeft in het aanvullend besluit gemotiveerd dat het voor eiser, ter behoud van zijn religieuze identiteit, niet noodzakelijk is dat hij zich Iran openlijk uit over zijn afvalligheid. De tussenuitspraak bood verweerder echter geen ruimte om hierover een nader standpunt in te nemen.

De tweede reden voor vernietiging van de besluiten is gelegen in de actuele situatie in Iran. Het ligt op de weg van verweerder, in het kader van de samenwerkingsplicht, om te onderzoeken hoe de Iraanse autoriteiten op dit moment aankijken tegen en omgaan met Iraniërs die terugkeren na een langer verblijf in het Westen en om de twijfel weg te nemen dat deze groep bij terugkeer naar Iran te maken zal krijgen met vervolging of ernstige schade enkel als gevolg van hun verblijf in het Westen. Dergelijk onderzoek heeft verweerder niet verricht.

Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen op de asielaanvraag. Daarin dient verweerder een geloofwaardigheidsbeoordeling te maken ten aanzien van de bekering van eiser en een risico-inschatting te maken ten aanzien van de geloofwaardige afvalligheid en de terugkeer vanuit het Westen, tegen de achtergrond van de actuele situatie en gebeurtenissen in Iran. Beroep gegrond.

Rb Rotterdam NL24.33712, 5.2.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:2065

Rb: mogelijk risico politiek activist Georgië

Verweerder volgt eiser in zijn verklaring dat hij gedurende zo’n acht maanden bijna dagelijks heeft deelgenomen aan demonstraties. De duur van deze periode en de frequentie van het demonstreren roepen de vraag op waarom dit als marginaal wordt gezien, ook als aangenomen moet worden dat eiser een niet van andere demonstranten te onderscheiden rol had tijdens deze demonstraties en hij buiten het demonstreren geen andere politieke activiteiten heeft verricht.

Voorts ziet de rechtbank zonder nadere motivering niet in waarom de omstandigheid dat eiser zich in Nederland nog niet politiek heeft geuit, zou onderstrepen dat hij slechts een matige politieke overtuiging heeft. Daarbij is van belang dat eiser ten tijde van het nader gehoor nog maar twee maanden in Nederland was. Eiser heeft bovendien onweersproken gesteld dat hij in de beginperiode last had van stress en dat hij zijn ervaringen uit zijn land van herkomst nog moest verwerken.

Verder is verweerder er in het besluit vanuit gegaan dat eiser bij terugkeer naar Georgië hoogstens in dezelfde mate als voorheen politieke activiteiten zal verrichten. Verweerder heeft echter tijdens het nader gehoor niet gevraagd naar de activiteiten die eiser bij terugkeer wil verrichten of hoe eiser anderszins zijn opvatting, mening of gedachte zou willen uiten, en wat de gevolgen daarvan zouden zijn.

De rechtbank stelt tot slot vast dat het bestreden besluit er geen blijk van geeft dat verweerder bij de vraag of aannemelijk is dat eiser in de negatieve belangstelling van de Georgische autoriteiten staat of zal komen te staan, relevante landeninformatie over Georgië heeft betrokken. Ter zitting heeft verweerder erkend dat dit niet is gebeurd. Dat betekent dat het bestreden besluit ook op dit punt een gebrek kent.

Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit niet zorgvuldig tot stand is gekomen en niet deugdelijk is gemotiveerd. De beroepsgrond slaagt.
Rb Rotterdam NL25.47314, 27.1.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:2173

HvJ EU: voorwaarden vaststellen veilig derde land

Het Hof oordeelt als volgt. Een aanvraag die inhoudelijk wordt onderzocht kan worden afgewezen als niet-ontvankelijk op grond van het feit dat een derde land wordt beschouwd als een veilig derde land voor de vreemdeling, zelfs wanneer de bevoegde autoriteit heeft vastgesteld dat de vreemdeling voldoet aan de voorwaarden voor het verlenen van internationale bescherming.

Verder wordt herhaald dat de toepassing van “veilig derde land” gemaakt moet worden op grond van een individuele beoordeling. Lidstaten moeten ervoor zorgen dat de nationale wetgeving duidelijke manieren biedt om, gelet op de individuele omstandigheden van de vreemdeling, te beoordelen of het derde land voor hem of haar als veilig kan worden aangemerkt.

Daarnaast zijn de lidstaten verplicht om in hun nationale wetgeving criteria vast te stellen voor het aantonen van een band tussen de vreemdeling en het derde land. Die band moet sterk genoeg zijn om redelijkerwijs te kunnen verwachten dat de aanvrager naar dat land reist. Een enkele veronderstelling hiervan is onvoldoende. Daarbij is de noodzaak voor effectieve rechtsbescherming ook van belang. Nationale rechtbanken moeten kunnen beoordelen of er een daadwerkelijke band bestaat tussen de vreemdeling en het derde land waarop een beroep wordt gedaan, zelfs wanneer het nationale recht niet uitdrukkelijk de bevoegdheid geeft om een ​​dergelijk onderzoek uit te voeren.

HvJEU C-718/24 (Aleb), 5.2.26
ECLI:EU:C:2026:68

RvS: onderzoek echtheid documenten onvoldoende inzichtelijk

De Afdeling oordeelt als volgt. De rechtbank heeft haar oordeel mede gebaseerd op bevindingen van Bureau Documenten. Echter heeft de minister geen stukken van Bureau Documenten toegevoegd aan het dossier, waar deze bevindingen in staan. De vreemdeling heeft zich hierdoor niet goed kunnen uitlaten over deze bevindingen, nu hij hier geen kennis van heeft kunnen nemen.  

De minister heeft onderzoek laten verrichten naar de kopie van de fatwa van de vreemdeling door TOELT. De minister heeft hierbij nagelaten mede te delen wanneer TOELT is benaderd, wat de uitkomst van dit verzoek is geweest en om welke informatie van TOELT het precies gaat. Ook blijkt niet waarom de informatie van TOELT bijdraagt aan de conclusie dat het ongeloofwaardig is dat de fatwa tegen de vreemdeling is uitgesproken. Hiermee heeft de rechtbank niet onderkend dat het besluit ondeugdelijk is gemotiveerd.

Hoger beroep tegen Den Haag NL25.38993, 20.10.25 gegrond.
ABRvS BRS.25.001701, 10.2.26
ECLI:NL:RVS:2026:700

Pagina's