Nieuws

Rb (MK): individuele omstandigheden meewegen als moeder NLs kind geen ID heeft

De rb leidt uit de arresten Chavez, Oulane en MRAX het volgende af. In gevallen waarin een derdelander ouder vanwege zijn banden met zijn kind, dat Unieburger is, onder de reikwijdte van art. 20 VWEU valt, mag aan die derdelander in beginsel de eis worden gesteld zijn identiteit te bewijzen. Bijzondere individuele omstandigheden kunnen echter meebrengen dat het onverkort vasthouden aan die eis in strijd is met het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel. Het is aan de desbetreffende vreemdeling om het bestaan van dergelijke omstandigheden aannemelijk te maken.

Het dossier bevat een duidelijke aanwijzing dat eiseres een derdelander is, zoals een taalanalyse uit een eerdere asielprocedure, en geen enkele aanwijzing dat ze onderdaan is van een lidstaat of er verblijfsrecht heeft. Bovendien heeft verweerder eiseres zelf als derdelander aangemerkt door haar een terugkeerbesluit op te leggen en haar te houden aan de verplichting om onmiddellijk het grondgebied van de Unie te verlaten. Daarbij heeft ze een door de Soedanese autoriteiten afgegeven huwelijksakte overgelegd waarvan verweerder de echtheid niet heeft weersproken. Ook staat vast dat eiseres en haar ex-echtgenoot de biologische en juridische ouders van hun drie kinderen zijn. Voorts is niet in geschil dat eiseres met haar opgegeven identiteit in de BRP staat geregistreerd. Er is dan ook sprake van bijzondere individuele omstandigheden.

Beroep gegrond.
Rb 's-Hertogenbosch (mk), AWB 18/9913, 12.6.20

RvS: werkloosheids- en ziektegelduitkeringen tellen mee bij inkomen voor gezinshereniging

De vreemdeling betoogt terecht dat de staatssecretaris ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat de invulling van artikel 3.24b van het VV 2000, dat werkloosheids- en ziektewetuitkeringen niet worden meegenomen, in overeenstemming is met de Gezinsherenigingsrichtlijn. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Artikel 7, eerste lid, aanhef en onder c, van de richtlijn vereist dat referent beschikt over stabiele en regelmatige inkomsten die voldoende zijn om zichzelf en de gezinsleden te onderhouden, zonder een beroep te doen op het stelsel van sociale bijstand van de betrokken lidstaat. Uit de jurisprudentie van het Hof blijkt dat het doel van het middelenvereiste uit artikel 7, eerste lid, aanhef en onder c, is dat de betrokken lidstaat zich ervan kan verzekeren dat referent en zijn gezinsleden tijdens hun verblijf niet ten laste van de sociale bijstand dreigen te komen (zie de arresten Chakroun, punt 46, en Khachab, punt 39). Het begrip sociale bijstand gaat over bijstand van overheidswege, ongeacht of het om het nationale, regionale of lokale niveau gaat, waarop een beroep wordt gedaan door een persoon die niet beschikt over inkomsten die volstaan om in zijn eigen onderhoud en dat van zijn gezin te voorzien (zie het arrest Chakroun, punt 46). Zoals de Afdeling eerder in het kader van de duurzaamheid van de middelen heeft overwogen, valt een werkloosheidsuitkering hier niet onder (zie de uitspraak van 2 oktober 2017). Deze uitkering wordt niet van overheidswege verstrekt. Om in aanmerking te komen voor een werkloosheidsuitkering moet een betrokkene namelijk in zijn hoedanigheid van werknemer premies hebben afgedragen. Van een beroep op het stelsel voor sociale bijstand is dan ook geen sprake (vgl. de arresten van het Hof van 25 februari 1999, Ferreiro Alvite, punt 26, ECLI:EU:C:1999:90, en 25 februari 2016, García-Nieto, punt 53, ECLI:EU:C:2016:114). Hetzelfde geldt voor een ziektewetuitkering. Daar moeten ook premies voor worden afgedragen.

Hieruit volgt dat de omstandigheid dat referent werkloosheids- en ziektewetuitkeringen heeft ontvangen, onvoldoende is om te oordelen dat zij niet aan het middelenvereiste voldoet. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, moet artikel 3.24b van het VV 2000 zo worden uitgelegd dat werkloosheids- en ziektewetuitkeringen als inkomsten verkregen uit arbeid in loondienst moeten worden beschouwd.   De grief slaagt. Het hoger beroep is gegrond.

RvS 201904319/1/V3, 3.6.20
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2020:1306

Rb: voor gehuwde stellen is geen relatieverklaring verplicht, tenzij schijnhuwelijk

De rechtbank constateert dat verweerder de geldigheid van het huwelijk niet betwist en zich niet op het standpunt stelt dat sprake is van een schijnhuwelijk. Immers vermelden het bestreden besluit en het verweerschrift slechts dat een schijnhuwelijk “niet kan worden uitgesloten”. Ook heeft verweerder de indicaties (namelijk het leeftijdsverschil en het tijdstip van het afleggen van het inburgeringexamen) voor het stellen van de vragen niet uitdrukkelijk en kenbaar ten grondslag gelegd aan het bestreden besluit. Naar het oordeel van de rechtbank kan verweerder zich onder die omstandigheden niet op het standpunt stellen dat niet aan de voorwaarde van artikel 3.14, onder a, van het Vb is voldaan.

Beroep gegrond.
Rb Haarlem AWB 19/8866, 19.6.20
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2020:5482

Staatscourant: Armenie veilig land van herkomst

Een land wordt als veilig land van herkomst beschouwd wanneer op basis van de rechtstoestand, de toepassing van de rechtsvoorschriften in een democratisch stelsel en de algemene politieke omstandigheden kan worden aangetoond dat er algemeen gezien en op duurzame wijze geen sprake is van vervolging in de zin van artikel 9 van Richtlijn 2011/95/EU, noch van foltering of onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, noch van bedreiging door willekeurig geweld in het kader van een internationaal of intern gewapend conflict.

De beoordeling van Armenië heeft tot de conclusie geleid dat Armenië als veilig land van herkomst kan worden aangemerkt, met uitzondering van LHBTI’s en personen van wie aannemelijk is dat ze in strafrechtelijke detentie zullen worden geplaatst.

staatscourant 31608, 17.6.20
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2020-31608.html

Rb: risico Nangarhar - Afghanistan

De vreemdeling heeft aan zijn opvolgende asielaanvraag ten grondslag gelegd dat de veiligheidssituatie in Nangarhar is verslechterd ten opzichte van de situatie tijdens de eerdere asielprocedure.

De staatssecretaris heeft in het bestreden besluit enkel gewezen op het WBV 2020/9 van 21 april 2020 en gesteld dat daaruit niet blijkt dat de staatssecretaris op basis van de huidige situatie tot een ander oordeel dan de Afdelingsuitspraak van 18 december 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:4200) heeft moeten komen. De vreemdeling stelt terecht dat de staatssecretaris ten onrechte daarbij niet is ingegaan op de door hem overgelegde bronnen. De toelichting bij WBV 2020/9 bevat geen motivering dat thans geen sprake is van een 15c-situatie en er blijkt niet uit welke bronnen daarbij zijn betrokken. De staatssecretaris heeft dan ook niet kunnen volstaan met een verwijzing naar dit WBV. Nu de staatssecretaris niet concreet is ingegaan op de door de vreemdeling in de zienswijze aangehaalde informatie over het aantal geweldsincidenten en burgerslachtoffers, heeft de staatssecretaris onvoldoende gemotiveerd waarom niet kan worden aangenomen dat thans – anders dan ten tijde van de Afdelingsuitspraak – in Nangarhar wel sprake is van een 15c-situatie. Dit klemt te meer, nu de Afdeling in deze uitspraak heeft geoordeeld dat in Nangarhar sprake is van een zorgelijke situatie.

Rb Rotterdam, NL20.9565, 5.6.20

Rb: doopakte Eritrean Orthodox Tewahedo Church wel geschikt als bewijs en controleerbaar

De herhaalde asielaanvraag van de vreemdeling is niet-ontvankelijk verklaard omdat de overgelegde documenten (originele doopakte, een origineel schoolrapport en kopieën van de identiteitskaarten van zijn ouders) volgens de staatssecretaris niet als nova kunnen worden beschouwd. De authenticiteit van de doopakte en het schoolrapport zijn volgens Bureau Documenten namelijk niet vast te stellen wegens een gebrek aan vergelijkingsmateriaal. De vreemdeling stelt zich in beroep op het standpunt dat de staatssecretaris niet aan zijn vergewisplicht heeft voldaan.

Onder verwijzing naar de Afdelingsuitspraak van 28 februari 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:628) overweegt de rechtbank als volgt. De staatssecretaris mag er in beginsel van uitgaan dat de verklaring van onderzoek van Bureau Documenten op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. In casu gaat het om een doopakte afkomstig van de Eritrean Orthodox Tewahedo Church. De vreemdeling heeft – door te verwijzen naar een verslag van een documentenexpert van Bureau Documenten in een andere zaak – aangetoond dat de documenten afkomstig van diezelfde kerk al eerder grootschalig zijn geanalyseerd door Bureau Documenten. Daarmee heeft hij gemotiveerd betwist dat er onvoldoende vergelijkingsmateriaal is. Daarbij heeft de vreemdeling aangevoerd dat er verschillende documenten kunnen worden afgegeven door diezelfde kerk, waardoor er onvoldoende vergelijkingsmateriaal beschikbaar kan zijn voor dit specifieke document. De staatssecretaris kon derhalve niet volstaan met een verwijzing naar de verklaring van onderzoek van Bureau Documenten. Beroep gegrond.

Rb Haarlem, NL20.7669, 28.5.20

Rb: bezwaarschrift regulier schort Dublin-overdrachtstermijn niet op

De staatssecretaris heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat Italië verantwoordelijk is voor de asielaanvraag van de vreemdeling.

De rechtbank overweegt als volgt. De vreemdeling zijn overdrachtstermijn van zes maanden is gaan lopen vanaf 16 augustus 2019. Dit betekent dat de staatssecretaris tot 16 februari 2020 de gelegenheid had om de vreemdeling over te dragen aan de Italiaanse autoriteiten, tenzij de overdrachtstermijn op enig moment is opgeschort. De vreemdeling heeft in de onderhavige procedure geen verzoek tot een voorlopige voorziening ingediend. De rechtbank is van oordeel dat de vreemdeling zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de overdrachtstermijn door het indienen van een bezwaarschrift tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een regulier verblijfsvergunning niet is opgeschort. Anders dan de staatssecretaris stelt heeft de vreemdeling geen rechtsmiddel aangewend tegen het overdrachtsbesluit zelf. Dat de staatssecretaris in zijn beleid heeft opgenomen dat het bezwaar tegen de afwijzing van een verblijfsvergunning reguliere (mede) opschortende werking van het overdrachtsbesluit, zoals bedoeld in art. 27 derde lid Dv tot gevolg heeft, maakt het voorgaande niet anders. Een wettelijke grondslag daarvoor ontbreekt namelijk. Het beroep is reeds hierom gegrond.

Rb Roermond, NL20.2966, 3.6.20

Rb: geen overdracht Oostenrijk want noodzakelijke operatie kan alleen in NL plaatsvinden

Niet kan worden uitgesloten dat de vreemdelingen op zeer korte termijn zullen worden overgedragen. De vreemdelingen hebben uitdrukkelijk verzocht om de gevraagde voorziening toe te wijzen. Zij stellen daarbij dat het in hun belang is om niet overgedragen te worden aan Oostenrijk, gelet op de medische situatie van verzoekster 2. Verzoekster 2 is de meerderjarige dochter van verzoeker en verzoekster 1. Verzoekster 2, is naar verzoekers stellen, een groot deel van het gezichtsvermogen van haar rechteroog verloren en Nederlandse oogartsen kunnen haar, in tegenstelling tot Oostenrijkse oogartsen, opereren, waardoor haar gezichtsvermogen mogelijk volledig zal herstellen. Nu de verzoekers uitdrukkelijk hebben verzocht om toewijzing van de verzoeken om een voorlopige voorziening, de staatssecretaris zich daartegen niet heeft verzet en de voorzieningenrechter ook overigens geen beletsel ziet om deze toe te wijzen, is de voorzieningenrechter van oordeel dat de verzoeken kennelijk gegrond zijn en zonder zitting uitspraak kan worden gedaan. De voorzieningenrechter wijst de voorlopige voorziening toe, de bestreden besluiten schorsen en bepalen dat de vreemdelingen niet mogen worden overgedragen aan Oostenrijk tot een week nadat op de beroepen tegen de bestreden besluiten is beslist.

Rb Rotterdam, NL20.11407, 11.6.20

Rb: geen Dublinoverdracht Kroatie

De Kroatische autoriteiten hebben weliswaar met de terugnameverzoeken ingestemd en daarmee formeel de verantwoordelijkheid voor de asielaanvragen van eisers n aanvaard, maar de wijze waarop de Kroatische autoriteiten in het geval van A.B. volgens hem zijn omgegaan met diens meermalen ten overstaan van de Kroatische autoriteiten kenbaar gemaakte asielwens, wat voor het EHRM mede aanleiding is geweest vragen te stellen aan de Kroatische autoriteiten, rechtvaardigt de vraag in hoeverre verweerder er, zonder nader onderzoek, van uit mag gaan dat de Kroatische autoriteiten de door hen formeel aanvaarde verantwoordelijkheid voor de asielaanvragen van eisers ook zullen naleven en dat eisers een reële mogelijkheid hebben om zich bij de (hogere) Kroatische autoriteiten te beklagen indien dat anders zou blijken te zijn.

Daarbij is mede van belang wat eisers hebben verklaard over de wijze waarop zij door de Kroatische autoriteiten zijn bejegend. Die verklaringen komen overeen met wat er in de verschillende rapporten is gerelateerd. De vraag is hoe dit zich verhoudt tot het in de praktijk eerbiedigen door de autoriteiten van de verplichtingen uit de relevante mensenrechtenverdragen waarbij Kroatië partij is.

Verweerder zal in de nieuw te nemen besluiten ook opnieuw dienen te beoordelen of er aanleiding bestaat de asielaanvragen op grond van artikel 17 van de Dublinverordening aan zich te trekken, toegespitst op de door eisers in dat kader aangevoerde omstandigheden, waaronder de medische situatie van eiseres en haar zoontje.

Rb Rotterdam NL20.10156 en NL20.10158, 10.6.20
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2020:5175

SvJ&V: Dublin-termijnen verlopen volgens Dublinverordening, corona telt niet als force majeure

Het kabinet heeft van het raadssecretariaat vernomen dat zij, net als de Commissie, tot de conclusie komt dat de huidige Dublin-verordening geen ruimte biedt voor toepassing van force majeure. Dit betekent dat voor Nederland en de andere Dublinlidstaten geen mogelijkheden bestaan om de uiterste overdrachtstermijnen op te schorten naar aanleiding van de covid-19 pandemie. Dit heeft tot gevolg dat de Dublinclaim komt te vervallen bij vreemdelingen van wie de overdrachtstermijn verloopt. Deze vreemdelingen hoeven zich hiertoe in voorkomende gevallen niet zelf te melden (in Ter Apel), maar worden actief door de IND benaderd. Tot dat moment kunnen zij op de huidige COA-opvanglocatie verblijven.

https://www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/kamerstukken/2020/06/19/tk-verslag-van-de-informele-jbz-raad-van-4-5-juni-2020/tk-verslag-van-de-informele-jbz-raad-van-4-5-juni-2020.pdf, 19.6.20

Pagina's