Nieuws

MvJ&V: herhaalde detentie

Onder het aantal vreemdelingen dat in 2018 in vreemdelingendetentie heeft gezeten bevinden zich 190 vreemdelingen die meer dan één keer zijn vastgezet in vreemdelingendetentie.

https://www.eerstekamer.nl/behandeling/20191121/verslag_houdende_een_lijst_van/document3/f=/vl3wn7f838z8.pdf vraag 335 en 344, 21.11.19

Rb: nader onderzoek nodig naar aanwezigheid crisiszorg in Afghanistan

Uit het advies van BMA blijkt dat vreemdeling psychiatrische klachten heeft als gevolg van PTSS en depressieve klachten, waarvoor hij onder behandeling staat. De rechtbank stelt vast dat behandelaren van vreemdeling het noodzakelijk achten dat er in het land van herkomst crisiszorg wordt aangeboden, omdat er bij vreemdeling sprake is van automutilatie en suicidaliteit.

In dit kader wordt door de rechtbank overwogen dat uit de BMA-adviezen niet blijkt dat crisiszorg in Afghanistan aanwezig is. Daarnaast heeft vreemdeling in bezwaar formulieren overgelegd van het National Mental Health ziekenhuis en het Nadimi ziekenhuis, waarmee vreemdeling een begin van bewijs heeft geleverd dat crisiszorg in deze instellingen niet aanwezig is. Gelet op het voorgaande had staatssecretaris naar het oordeel van de rechtbank moeten onderzoeken of er in Afghanistan crisiszorg aanwezig is.

Verder wordt door de rechtbank overwogen dat is gebleken dat afstemming tussen de verschillende behandelaren van belang wordt geacht voor vreemdeling. Uit de BMA- adviezen volgt dat er niet in een instelling zowel een psycholoog als een psychiater aanwezig is. Om deze reden dient naar het oordeel van de rechtbank inzichtelijk te worden gemaakt of en hoe afstemming tussen behandelaren uit verschillende instellingen plaatsvindt. Beroep gegrond.

Rb Amsterdam, AWB 19/2496, 21.11.19

Rb: oud Chavez-beleid was gunstiger, hieraan toetsen

Onder WBV 2017/9 nam verweerder in ieder geval aan dat sprake is van een zodanige afhankelijkheidsverhouding dat het kind gedwongen zou zijn het grondgebied van de Unie te verlaten als aan de vreemdeling een verblijfsrecht wordt geweigerd, als de vreemdeling daadwerkelijk zorg- en/of opvoedingstaken verricht (ongeacht de omvang en de frequentie). Onder het nieuwe beleid WBV 2018/4 (21 juni 2018) is dit anders, immers daarin staat dat wanneer de zorg- en/of opvoedingstaken een marginaal karakter hebben, zij niet worden aangemerkt als daadwerkelijke zorgtaken ten behoeve van het minderjarige kind. Dit betreft t.o.v. het oude beleid een duidelijke aanscherping.

Een aanvraag wordt getoetst aan het recht dat gold op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen, tenzij het recht dat geldt op het tijdstip waarop het besluit wordt gegeven, voor de vreemdeling gunstiger is.

Beroep gegrond.
VK Rb Amsterdam, AWB 19/4853, 19/4854, 22.11.19
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2019:12897

HvJ EU: individueel oordeel nodig over afhankelijkheid familieleden (buiten gezin)

Met zijn vragen wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 10, lid 2, van de gezinsherenigingsrichtlijn aldus moet worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat een lidstaat de gezinshereniging van de zus van een vluchteling enkel toestaat wanneer zij wegens haar gezondheidstoestand niet in staat is om zelf te voorzien in haar levensonderhoud.

Het hof benadrukt dat de bepaling in kwestie van facultatieve aard is, waarbij de lidstaat aanzienlijke beoordelingsmarge heeft. Die speelruimte wordt beperkt door de voorwaarde dat het betreffende gezinslid ten laste komt van de vluchteling. Volgens de rechtspraak van het Hof veronderstelt dit dat er sprake is van een situatie van reële afhankelijkheid, die wordt gekenmerkt door de omstandigheid dat het familielid materieel wordt gesteund door de houder van het verblijfsrecht. Evenwel valt niet uit te sluiten dat de vluchteling door omstandigheden buiten zijn wil die steun niet of niet langer kan verlenen, bijvoorbeeld wanneer de vluchteling in de materiële onmogelijkheid verkeert om de nodige middelen over te maken of wanneer hij vreest dat hij de veiligheid van zijn gezinsleden in gevaar brengt door met hen contact op te nemen. Derhalve moet een gezinslid van een vluchteling worden geacht ten laste van deze vluchteling te komen wanneer dat gezinslid daadwerkelijk afhankelijk is van die vluchteling omdat het ten eerste in zijn staat van herkomst, gelet op zijn economische en sociale toestand, niet in zijn basisbehoeften kan voorzien op het tijdstip van de gezinsherenigingsaanvraag, en omdat ten tweede vaststaat dat het gezinslid daadwerkelijk door de vluchteling materieel wordt gesteund of dat de vluchteling degene is die het best in staat is om de vereiste materiële steun te verlenen. Lidstaten kunnen voorzien in aanvullende vereisten omtrent de aard van de afhankelijkheids-relatie, met name door te eisen dat de betrokken gezinsleden om bepaalde redenen te zijnen laste komen. Er mag evenwel geen afbreuk worden gedaan aan het doel en het nuttige effect van de richtlijn. Bovendien moeten zowel de grondrechten als het evenredigheidsbeginsel geëerbiedigd worden.

De Gezinsherenigingsrichtlijn staat er in beginsel niet aan in de weg dat de lidstaten eisen dat de afhankelijkheidsrelatie wordt veroorzaakt door de gezondheidstoestand van het gezinslid. Dit dient op geïndividualiseerde wijze onderzocht te worden. Hieruit volgt met name dat een verzoek om gezinshereniging niet kan worden afgewezen op de enkele grond dat de aandoening waaraan het gezinslid lijdt, automatisch wordt geacht niet te kunnen resulteren in een dergelijke afhankelijkheidsrelatie. Meer in het bijzonder moet bij het geïndividualiseerde onderzoek op evenwichtige en redelijke wijze rekening worden gehouden met alle relevante aspecten van de persoonlijke situatie van het gezinslid, zoals haar leeftijd, haar opleidingsniveau, haar professionele en financiële situatie alsook haar gezondheidstoestand. Bovendien moeten de nationale autoriteiten rekening houden met het feit dat de omvang van de behoeften sterk kan verschillen van persoon tot persoon en met de bijzondere situatie van vluchtelingen, inzonderheid met de specifieke moeilijkheden die zij ondervinden bij het verkrijgen van bewijsmateriaal in hun land van herkomst.

HvJEU C-519/18, 12.12.19
http://curia.europa.eu/juris/document/document.jsf?text=&docid=221527&pageIndex=0&doclang=NL&mode=req&dir=&occ=first&part=1&cid=617300

RvS: geen samenwoningsplicht voor verblijf bij partner

De staatssecretaris heeft de verblijfsvergunning bij partner ingetrokken, omdat de vreemdeling en referent, zonder dit aan de IND te melden, nooit hebben samengewoond. Ten tijde van de aanvraag was referent al gedetineerd in Duitsland. Als dit toen bij de staatssecretaris bekend was geweest, had hij de verblijfsvergunning niet verleend, omdat samenwonen vereist is voor het aannemen van een duurzame relatie….

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 20 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:455), valt uit de definitie van gezinshereniging in artikel 2, aanhef en onder d, van de Gezinsherenigingsrichtlijn niet op te maken dat om voor gezinshereniging in aanmerking te komen daadwerkelijk sprake moet zijn geweest van samenwoning. De vreemdeling betoogt terecht dat het verzwijgen van het feit dat zij en referent nooit hebben samengewoond, als zelfstandige intrekkingsgrond voor een verblijfsvergunning, in strijd is met de Gezinsherenigingsrichtlijn. Uit die richtlijn valt weliswaar af te leiden dat samenwonen een belangrijke factor is en het uitgangspunt bij gezinshereniging, maar niet dat het een zelfstandig vereiste is om daarvoor in aanmerking te kunnen komen. De omstandigheid dat de vreemdeling en referent hebben verzwegen dat zij nooit hebben samengewoond is op zichzelf niet voldoende voor de conclusie dat de staatssecretaris bij wetenschap van die omstandigheid de verblijfsvergunning niet zou hebben verleend.

De grief slaagt. Het hoger beroep is gegrond.
RvS 201906018/1/V1, 10.12.19
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2019:4132

SvJ&V: geen 15c meer in Darfur, Zuid-Kordofan en Blue Nile

Het 15c-beleid voor Darfur, Zuid-Kordofan (inclusief Abyei) en Blue Nile wordt beëindigd. De IND zal tot herbeoordeling en eventueel intrekking van verleende vergunningen overgaan.

Ontheemde (minderjarige) vrouwen uit de genoemde gebieden worden aangemerkt als kwetsbare minderheidsgroep.

https://www.tweedekamer.nl/downloads/document?id=55b1d627-1a06-4e29-be34-0fd72b133da4&title=Landenbeleid%20Sudan.docx, 18.12.19

SvJ&V: verlenging besluitmoratorium Libië

Uit beschikbare openbare bronnen blijkt dat in het afgelopen half jaar de veiligheidssituatie in Libië onveranderd is. De strijd om Tripoli woedt met wisselende intensiteit door. Ook buiten Tripoli is de veiligheidssituatie niet verbeterd. Diplomatieke gesprekken hebben niet geleid tot een akkoord en tot op heden is er geen helderheid over het zicht op beëindiging van de strijd. De strijdende partijen lijken niet bereid om een compromis te sluiten en de grote buitenlandse inmenging in de strijd maakt het conflict complex. Dit alles maakt dat het onzeker en onduidelijk blijft welke ontwikkelingen plaats zullen vinden. Om deze reden heb ik besloten om het besluit- en vertrekmoratorium met een halfjaar te verlengen tot 1 juli 2020.

https://www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/kamerstukken/2019/12/18/tk-landenbeleid-libie/tk-landenbeleid-libie.pdf, 18.12.19

Aangenomen motie : heroverwegen risico's lhbti's en christenen Iran

verzoekt de regering, nogmaals naar die (internationale) bronnen te kijken die een oordeel geven over de veiligheid van lhbti’s en christenen in de Iraanse maatschappij, en zo nodig de eerder genoemde wijziging in het landenbeleid te heroverwegen,

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-19637-2571.html, 19.12.19

Rb: mogelijk risico bij terugkeer van in NL politiek actieve Egyptenaar

De asielaanvraag van de vreemdeling is afgewezen als ongegrond. De staatssecretaris heeft de sympathie voor de moslimbroederschap en zijn deelname aan demonstraties geloofwaardig geacht, maar volgt de vreemdeling niet in zijn verklaringen omtrent zijn problemen hierdoor.

Ten aanzien van het betoog dat de staatssecretaris ten onrechte voorbij is gegaan aan de omstandigheid dat de Egyptische autoriteiten op de hoogte zijn geraakt van de politieke activiteiten in het buitenland, overweegt de rechtbank onder meer als volgt. Uit het bestreden besluit blijkt niet dat de staatssecretaris de geloofwaardig geachte activiteiten ook in samenhang heeft beoordeeld en hoe de staatssecretaris heeft beoordeeld of de Egyptische autoriteiten op de hoogte zijn of zullen raken van de politieke activiteiten van de vreemdeling in het buitenland en welke factoren van belang zijn voor de vraag of die bekendheid vervolgens betekent dat de vreemdeling een risico loopt van de zijde van de Egyptische autoriteiten. Dat de Egyptische autoriteiten wel de (sociale) media in het buitenland monitoren kan worden afgeleid uit de door de vreemdeling overgelegde brief van 9 november 2019 van VWN. De staatssecretaris heeft dan ook onvoldoende onderzocht en beoordeeld welke gevolgen dit voor de vreemdeling kan hebben bij (gedwongen) terugkeer naar zijn land van herkomst.

De rechtbank komt tot de slotsom dat de staatssecretaris onvoldoende onderzoek heeft verricht in het kader van de beoordeling van de activiteiten van de vreemdeling na zijn vertrek uit Egypte en dat de staatssecretaris ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom niet aannemelijk zou zijn geworden dat de vreemdeling door deze activiteiten in de negatieve belanstelling van de Egyptische autoriteiten staat dan wel zal komen te staan. Beroep gegrond

Rb Den Haag, NL19.26454, 27.11.19
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2019:13216

Beleid en jurisprudentie Afghanistan

MvJ&V: behandeling asielverzoeken Afghanen

  • In 2017 zijn 1.010 eerste asielaanvragen van Afghanen afgewezen, in 2018 waren dat er 280 en in 2019 (t/m september) 140.
  • In beroep zijn in 2017 80 Afghaanse asielaanvragen alsnog ingewilligd; in 2018 was dat aantal 90 en in 2019 (t/m september) was dat aantal 50.
  • In 2017, 2018 en 2019 (t/m september) zijn resp. 300, 280 en 130 herhaalde asielaanvragen ingediend door Afghanen.
  • Aantoonbaar vertrek Afghanen in de jaren: 2017: 240 2018: 110 2019 t/m september: 80. Dit betreft alle aantoonbaar vertrek, dus inclusief overdrachten in het kader van de Dublin Verordening.

https://www.eerstekamer.nl/behandeling/20191121/verslag_houdende_een_lijst_van/document3/f=/vl3wn7f838z8.pdf vraag 372, 21.11.19


SvJ&V: vergunning voor Afghaanse tolken

Op 12 november 2019 is door uw Kamer een motie van het lid Belhaj c.s. aangenomen om tolken als systematisch vervolgde groep aan te merken. Het kabinet heeft besloten om conform de motie, systematische vervolging aan te nemen voor tolken die hebben gewerkt voor internationale militaire missies in Afghanistan. Dat betekent dat personen die tot deze categorie behoren voor bescherming in Nederland in aanmerking komen, tenzij het asielverzoek kan worden afgewezen bijvoorbeeld omdat er verboden gedragingen zijn gepleegd als bedoeld in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag, een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek op grond van de Dublinverordening of er sprake is van een veilig derde land. Daarnaast wordt het verzoek overgenomen dat in de motie is gedaan met betrekking tot tolken die voor toekomstige Nederlandse militaire missies in Afghanistan zullen werken. In het contract zal worden opgenomen dat zij bescherming verdienen wanneer zij in direct en persoonlijk gevaar komen.

https://www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/kamerstukken/2019/12/18/antwoorden-kamervragen-over-een-afghaanse-tolk-die-vreest-voor-zijn-leven/antwoorden-kamervragen-over-een-afghaanse-tolk-die-vreest-voor-zijn-leven.pdf, 18.12.19

https://www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/kamerstukken/2019/12/18/tk-reactie-op-motie-inzake-beschermingsbeleid-tolken-uit-afghanistan/tk-reactie-op-motie-inzake-beschermingsbeleid-tolken-uit-afghanistan.pdf, 18.12.19


Aangenomen motie Ojik over Bacha Bazi

constaterende dat volgens het ambtsbericht van Buitenlandse Zaken over Afghanistan van 7 maart 2019 in Afghanistan nog altijd in alle provincies bacha bazi, het seksueel misbruik van jongens door machtige krijgsheren of politiecommandanten en hen als meisjes laten dansen, voorkomt;

constaterende dat volgens het genoemde ambtsbericht bacha bazi weliswaar bij wet is verboden, maar dat slachtoffers van deze vorm van misbruik vaak als crimineel worden behandeld in plaats van als slachtoffer, de overheid nauwelijks optreedt tegen bacha bazi en dat de Afghaanse politie er zelfs in gevallen aan meewerkt;

verzoekt de regering, slachtoffers van bacha-bazimisbruik niet terug te sturen naar Afghanistan,

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-19637-2552.html, 18.12.19


RvS: geen 15c Afghanistan

De Afdeling komt tot de conclusie dat de algemene veiligheidssituatie in Afghanistan, in het bijzonder in Nangarhar en Ghazni, onverminderd zorgelijk is. In bepaalde opzichten is de veiligheidssituatie in Afghanistan zelfs verslechterd ten opzichte van juni 2018. Daar staat echter tegenover dat de veiligheidssituatie niet in alle provincies van Afghanistan even ernstig is en het geweld niet overal van dezelfde aard is en niet overal even wijdverbreid is. Het aantal burgerslachtoffers en ontheemden als gevolg van de gewelddadigheden in Afghanistan is - hoe zorgwekkend ook - niet zo hoog dat alleen al daarom moet worden gesproken van een 15c-situatie, mede gelet op het totale inwoneraantal in Afghanistan. Ook is er in Afghanistan op veel plekken nog altijd een basale veiligheidsstructuur aanwezig. Gelet op een en ander kan de Afdeling uit de stukken niet afleiden dat een burger alleen al door zijn aanwezigheid in Afghanistan een reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, onderdeel 3, van de Vw 2000. Er is dus nergens in Afghanistan een 15c-situatie. De rechtbank is terecht tot een vergelijkbaar oordeel gekomen.

RvS 201904651/1/V2, 18.12.18
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2019:4200


RvS: opnieuw motiveren evt risico Hazara

De Afdeling oordeelt dat de rechtbank de staatssecretaris ten onrechte is gevolgd in zijn standpunt over de positie van Hazara in Afghanistan. Anders dan de rechtbank en de staatssecretaris is de Afdeling van oordeel dat er redenen zijn om aan te nemen dat de situatie in Afghanistan voor Hazara nu onveiliger is dan in het verleden. Uit de nu beschikbare informatie blijkt dat Hazara om allerlei redenen problemen kunnen krijgen met verschillende strijdende groepen in Afghanistan. Dat kan zijn omdat hun een bepaald geloof en mede daarom een bepaalde politieke opvatting wordt toegedicht, maar bijvoorbeeld ook door een bepaalde sociaal-economische positie. Volgens de Afdeling is de situatie voor Hazara in Afghanistan niet zo slecht dat het enkel zijn van Hazara betekent dat een vreemdeling een gegronde vrees voor vervolging heeft, dan wel een reëel risico op onmenselijke behandeling loopt. De staatssecretaris hoeft dus niet elke Hazara uit Afghanistan zonder meer een asielvergunning te verlenen. Maar de situatie in Afghanistan voor Hazara is wel zo onveilig geworden dat de staatssecretaris opnieuw moet bezien en duidelijk maken hoe hij het behoren tot de Hazarabevolkingsgroep betrekt bij de beoordeling van individuele asielrelazen. Dit gelet op de risico's die zij in Afghanistan om verschillende redenen lopen.

RvS 201905739/1/V2, 18.12.19
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2019:4202


HRC VN: medewerker veiligheidsdienst loopt risico bij terugkeer naar Afghanistan

The applicant, an Afghan national, previously worked for Afghanistan intelligence forces and the National Directorate of Security where he trained with Afghan and US forces to apprehend the Taliban. Several threatening letters were sent to the applicant by the Taliban, and an attempt was made to kill him. After being kidnapped he was able to escape, but was also informed that the Afghan authorities had searched his home due to a suspicion that he was affiliated with the Taliban. He entered Denmark in December 2013 and applied for asylum. The applicant complains that he would be exposed to a real risk of torture or ill treatment contrary to Article 7 ICCPR from both the Taliban and Afghan authorities if returned to his country of origin.
The Committee noted that the risk of treatment contrary to Article 7 must reach a high threshold and be personal. In this case, the issue before the Committee was to determine whether past affiliation with international forces would indicate a future risk of persecution. The Committee concluded that the State had failed to conduct an individualised assessment which took into account the real and personal foreseeable risk of ill treatment by both the Taliban and Afghan authorities. It therefore found that the applicant's removal to Afghanistan would amount to a violation of Article 7 ICCPR.

A.B.H v Denmark, CCPR/C/126/D/2603/2015, 18.11.19
https://undocs.org/en/CCPR/C/126/D/2603/2015


Rb: risico terugkeer naar Afghanistan voor moeder van buitenechtelijk kind

De vreemdeling heeft aan haar opvolgende asielaanvraag, oa ten grondslag gelegd dat zij in Nederland een buitenechtelijk kind heeft gekregen. De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij als alleenstaande vrouw moet worden aangemerkt. … De rechtbank is van oordeel dat de vreemdeling wel aannemelijk heeft gemaakt dat haar laatste kind is geboren uit een buitenechtelijke relatie. Immers heeft zij, onbetwist, onderbouwd gesteld dat zij al drie jaar in Nederland gescheiden leeft van haar echtgenoot. Daarbij komt dat de gestelde vader van het kind onder ede heeft verklaard een intieme relatie te hebben gehad met de vreemdeling. Weliswaar is daarmee niet aangetoond dat hij de vader van het kind is, maar de vreemdeling heeft wel voldoende aannemelijk gemaakt dat het kind in ieder geval niet van haar echtgenoot kan zijn vanwege de gescheiden leefsituatie. Gelet hierop is de staatssecretaris onvoldoende ingegaan op de stelling dat een kind is geboren uit een overspelige relatie en dat zij daardoor gevaar loopt bij terugkeer naar Afghanistan. Beroep gegrond.

Rb Haarlem, NL19.27016, 6.12.19

Pagina's