bezoek ook: www.noo.nl / www.meldpuntvreemdelingendetentie.nl / www.basicrights.nl / www.iLegalevrouw.nl
De minister heeft er terecht op gewezen dat referent een fulltime baan heeft, waarmee hij ten minste het wettelijk minimumloon verdient. Met zijn loon onderhoudt hij zichzelf en ondersteunt betrokkene gedeeltelijk financieel. Betrokkene heeft verklaard dat het niet nodig is dat zij referent financieel ondersteunt als zij zou werken. De minister heeft zich op basis van deze feiten en omstandigheden deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat referent in zijn eigen onderhoud voorziet. ….
De minister heeft zich dus deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat referent geen familie- en gezinsleven heeft met betrokkene op grond van het jongvolwassenenbeleid.
Het hoger beroep tegen Rb Amsterdam NL23.40747, 20.5.25 is gegrond.
RvS BRS.25.000711, 17.8.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:4768
Alleen indien het (overgrote deel van het) gezin direct voor de komst naar Nederland tenminste een jaar in de andere lidstaat heeft gewoond, wordt behoudens bijzonderheden, aangenomen dat het gezin zich in de andere EU-lidstaat kan vestigen. Onder deze omstandigheden is in beginsel geen strijd met het recht op familie- en gezinsleven. Het gezin kent die andere EU-lidstaat door dat eerdere langdurige feitelijke verblijf immers goed en heeft eerder laten zien dat hun gezinsleven daar kan worden uitgeoefend alsmede dat de belangen van de kinderen of het kind door een verplaatsing naar die andere EU lidstaat niet worden geschaad.
Mogelijk, maar niet altijd, is in geval van een voorafgaand verblijf van tenminste een jaar in een andere EU lidstaat, waarbij gezinsleven aldaar is opgebouwd of bestendigd, ook een verblijfsrecht op grond van vrij verkeer (artikel 21 VWEU) ontstaan. Een dergelijk verblijfsrecht op grond van artikel 21 VWEU gaat altijd voor op een verblijfsrecht op grond van artikel 20 VWEU.
Nu eiser het certificaat van de Djamaat heeft overgelegd, daarin wordt bevestigd dat hij tot de Ahmadi geloofsgemeenschap behoort en TOELT het certificaat heeft geverifieerd, is de rechtbank van oordeel dat (het geloofwaardig is dat) eiser tot de Ahmadi gemeenschap behoort. Hetgeen verweerder bij de geloofwaardigheidsbeoordeling heeft betrokken over het kennisniveau van eiser en over wat hij al dan niet heeft meegemaakt in Pakistan – wat er ook van die motivering zij – hoort thuis in de beantwoording van de vraag hoe eiser zijn geloof wenst te uiten en belijden bij terugkeer naar Pakistan en wat hem dan te wachten zou staan. Dat onderdeel van de motivering doet echter niet af aan de geloofwaardigheid van het behoren tot de Ahmadi geloofsgemeenschap, wat immers is aangetoond met het certificaat.
Uit de voorgaande overwegingen volgt dat verweerder het asielrelaas van eiser opnieuw zal moeten beoordelen en er daarbij vanuit moet gaan dat eiser Ahmadi is.
Rb den Haag NL26.6231 en NL26.6232, 8.7.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:22126
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt stelt dat, ondanks dat hij aanneemt dat (gedwongen) rekrutering voor het federale leger dan wel milities die vechten aan de zijde van dit leger tegen rebellerende groepen in de regio’s Amhara en Oromia wel degelijk plaatsvindt, eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij persoonlijk een risico loopt in dit verband. …. Eiser heeft immers verklaard dat van bevelen die persoonlijk worden uitgedeeld of anderszins persoonsgerichte rekrutering geen sprake is, maar dat sprake is van bevelen afkomstig van de provincie om in bepaalde wijken (willekeurig) bepaalde aantallen jongeren op te pakken. Over de wijze waarop volgens eiser (gedwongen) wordt gerekruteerd, heeft de minister zich niet expliciet uitgelaten. Eiser heeft ook verklaard dat zijn broer tegen zijn wil in is gerekruteerd en dat een aantal jongeren uit de buurt in dat verband thuis en op straat is opgepakt. Niet is gebleken dat de minister niet van die verklaringen van eiser uitgaat.
Onder die omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de minister onvoldoende motiveert dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij persoonlijk een risico loopt om bij terugkeer gedwongen te worden gerekruteerd voor het federale leger of milities die aan de zijde van het federale leger vechten. De besluitvorming kent op dit punt dan ook een gebrek.
Rb Arnhem NL25.48443, 31.7.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:22633
De Afdeling heeft op 10 juli 2026 geoordeeld dat voor het aanmerken van een land als land van doorreis op basis van de Terugkeerrichtlijn niet is vereist dat vaststaat dat betrokkene toegang heeft tot het grondgebied van dat land. De Afdeling heeft verder ook overwogen dat een removal order niet vrijblijvend is, en dat de autoriteiten moeten onderzoeken of aan hem toegang moet worden verleend, gelet op zijn eerdere doorreis via dat land. …
De rechtbank concludeert al met al dat verweerder er ten onrechte van uitgaat dat eiseres nog in het bezit is van het paspoort en het visum waarmee ze eerder toelating tot het grondgebied van Brazilië verkreeg, dat verweerder er ten onrechte van uitgaat dat het aan eiseres is om aannemelijk te maken dat zij niet zal worden toegelaten tot het grondgebied van Brazilië, dat de removal order geen garantie is voor toelating tot het grondgebied van Brazilië en dat verweerder dus niet aannemelijk heeft gemaakt dat alle voorwaarden voor niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag van eiseres zijn vervuld.
Het beroep is gegrond.
Rb Haarlem NL26.39663 en NL26.39664, 17.8.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:23170
In 2023 heeft eiser de vierde asielaanvraag ingediend. Eiser heeft aan deze aanvraag vier documenten ten grondslag gelegd, zijnde een verklaring van stichting Inlia, een taalanalyse van Sprakab, een rapport UNHCR Position Paper en een uitspraak van de zittingsplaats Roermond van 17 juni 2022. In 2025 heeft bovendien taalanalysebureau Verified gereageerd op de rapporten van Sprakab en TOELT. ….
Eiser stelt dat hij behoort tot de Banyamulenge, dat hij afkomstig is uit Zuid-Kivu en problemen heeft gehad met de Mai Mai en dat zijn asielaanvraag op zwaarwegendheid moet worden beoordeeld….
Aangezien tussen partijen niet in geschil is dat eiser afkomstig is uit Congo, kan worden vastgesteld dat de taal die eiser spreekt hem plaatst in Noord- dan wel Zuid-Kivu. De overige geografische gebieden die in dit citaat worden genoemd bevinden zich immers buiten Congo. …. Aangezien een herkomst uit Zuid-Kivu, en overigens ook een herkomst uit Noord-Kivu, volgens het eigen beleid van de minister moet leiden tot het verlenen van internationale bescherming, maken de taalanalyses de kans aanzienlijk groter dat eiser voor internationale bescherming in aanmerking komt.
Dat de minister onder verwijzing naar een rapport van TOELT nog stelt dat de rapportage van Sprakab niet concludent zou zijn, doet aan het voorgaande geen afbreuk. TOELT baseert zich daarbij namelijk deels op de KIR1-rapportage, die evenwel als gevolg van de uitspraak van rechtbank Roermond van 16 december 2014 niet in de besluitvorming mag worden betrokken. …
Dit brengt met zich dat met de nieuwe overgelegde taalanalyses – op zichzelf beschouwd, maar zeker als deze in samenhang worden bezien met eerder overgelegd bewijsmateriaal – de vaagheden en summiere verklaringen uit 2013 naar het oordeel van de rechtbank afdoende zijn gecompenseerd. De rechtbank stelt daarmee vast dat inmiddels geloofwaardig moet worden geacht dat eiser uit Zuid-Kivu afkomstig is en tot de Banyamulenge behoort.
Rb Zwolle NL24.42991, 19.8.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:23376
De rechtbank begrijpt artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening zo dat dit artikel de lidstaten niet verplicht om de overdrachtstermijn te verlengen als sprake is van gevangenzetting of onderduiking, maar dat dit artikel de lidstaten daartoe de mogelijkheid geeft. Het Nederlands recht bevat geen specifieke regels over verlenging van de overdrachtstermijn. …
De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit voor de verlenging van de overdrachtstermijn met één jaar enkel heeft gewezen op het feit dat eiser gevangen zit. Daarmee voldoet het besluit niet aan de eisen van de Awb. Verweerder mag op grond van artikel 4:82 van de Awb ter motivering van een besluit verwijzen naar een vaste gedragslijn voorzover die is neergelegd in een beleidsregel. Daarvan heeft verweerder aangegeven dat die er niet is. In een dergelijk geval mag een vaste gedragslijn worden gevolgd voorzover de keuze daarvoor bij ieder individueel besluit is gemotiveerd. Uit de toelichting in het verweerschrift blijkt echter niet waarom de gedragslijn in het geval van eiser aanvaardbaar is. De door eiser in beroep genoemde belangen zijn daar immers niet bij betrokken. …. In dit geval is op zitting gebleken dat de behandeling van eisers strafzaak in november op zitting zal plaatsvinden. Hoe verweerder een overdracht voor zich ziet terwijl eisers strafzaak pas wordt behandeld twee maanden na het aflopen van de verlengde overdrachtstermijn is daarmee niet duidelijk.
De beroepsgrond slaagt.
Rb Haarlem NL26.2688, 4.8.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:23880
De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom ten aanzien van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.
Uit het AIDA-rapport van mei 2026 (update 2025) volgt: ‘In practice, many persons subject to Dublin procedures live on the streets or in squats because of the overall lack of places. At the end of 2025, only 20.2% asylum applicants under Dublin procedure this year were accommodated.’ Uit het rapport update 2024 volgt dat van dezelfde groep een jaar eerder nog 29,6 procent werd opgevangen in Frankrijk. Dit is dus een daling van bijna 10 procent.
Voor zover verweerder zich op het standpunt stelt dat eiser kan klagen bij de bevoegde autoriteiten in Frankrijk over het uitblijven van opvang, volgt de rechtbank dit niet. De rechtbank is van oordeel dat verweerder eerst gehouden is onderzoek te doen naar het gedaalde percentage van de groep die opvang krijgt en waar eiser als Dublinterugkeerder toe behoort, voordat van hem kan worden gevergd om te klagen bij de Franse autoriteiten.
Het beroep is gegrond omdat het besluit een motiveringsgebrek bevat.
Rb Haarlem NL26.35581, 17.8.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:23149
Dit IB is zowel van toepassing op aanvragen van voor 12 juni 2026 als aanvragen van na die datum.
De insteek is om niet-ontvankelijk af te doen wanneer de statushouder als zelfredzaam kan worden beschouwd. Verder blijft de IND zaken inhoudelijk afwijzen wanneer dat mogelijk is. Zaken die op één van deze twee manieren kunnen worden afgewezen, kunnen worden opgepakt. Zaken waarbij aanwijzingen zijn dat de aanvraag mogelijk niet kan worden afgewezen op niet-ontvankelijkheid of inhoudelijke gronden, worden gedeprioriteerd. Deze worden vooralsnog aangehouden in afwachting van mogelijke afspraken over terugkeer van deze groep naar Griekenland.
Onbetwist is dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam tot op heden geen enkele actie heeft ondernomen naar aanleiding van de (terug)melding van de minister op grond van artikel 2.34 van de BRP. De erkenning is nog altijd rechtsgeldig het kind is nog altijd als Nederlander geregistreerd in de BRP. …
Als volgens de minister sprake is van een schijnerkenning van het kind, waardoor hij het Nederlanderschap op frauduleuze wijze heeft verkregen, is het aan de minister om de daartoe aangewezen procedure te doorlopen voordat hij zich in het kader van de beoordeling van de hier aan de orde zijnde aanvraag op het standpunt kan stellen dat het kind niet de Nederlandse nationaliteit heeft. Dit is een procedure op grond van de RWN. …
De minister kan niet zelf een verzoek om vernietiging van een erkenning doen als bedoeld in artikel 1:205, tweede lid van de BW. Zo een verzoek is voorbehouden aan het openbaar ministerie. Pas als de civiele rechter de erkenning op verzoek van het openbaar ministerie heeft vernietigd, kan de minister vervolgens onderzoeken of het kind daardoor het Nederlanderschap is verloren.
Zolang die aangewezen weg door de minister niet is gevolgd, dient de minister uit te gaan van de Nederlandse nationaliteit van het kind zoals geregistreerd in de BRP.
De rechtbank hecht er tot slot nog belang aan te benadrukken dat het wettelijk systeem zoals hierboven is beschreven juist bedoeld is om de vaststelling van een schijnerkenning met voldoende waarborgen, zoals het beginsel van hoor en wederhoor, te omkleden. Anders zou een enkel oordeel van de minister dat er sprake is van een schijnerkenning, zonder dat de Nederlandse burger zich daartegen kan verweren, voldoende zijn om in deze procedure vast te stellen dat niet meer hoeft te worden uitgegaan van het Nederlanderschap van het betrokken kind.
Rb Amsterdam NL25.49441, 12.8.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:22675