Nieuws

WBV 2019/9: voor in NL geboren kind geen paspoortvereiste meer

De IND zal het paspoortvereiste niet tegenwerpen aan hier te lande geboren kinderen, mits de vreemdeling voldoet aan de overige voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf als familie- of gezinslid’.

De reden voor deze wijziging is dat voor ieder in Nederland geboren kind bij aangifte een geboorteakte wordt opgemaakt. Daarin staan de persoonsgegevens van het kind vermeld en de namen van de ouders. Een hier te lande geboren kind van wie de moeder op de dag van geboorte rechtmatig verblijf heeft in Nederland, wordt als ingezetene ingeschreven in de BRP. Daarmee staan in beginsel voor alle afnemers van de BRP de identiteit van het kind en zijn/ haar afstamming vast. In deze gevallen heeft het vragen van een paspoort daarom geen meerwaarde.

Staatscourant 2019, 34157, 21.6.19
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2019-34157.html

RvS: verblijfsvergunning bij partner niet intrekken vanwege 12mnd verblijf buiten EU

De tekst, het doel en de totstandkomingsgeschiedenis van de Gezinsherenigingsrichtlijn bieden aanleiding om het standpunt van de staatssecretaris te volgen dat het hebben van hoofdverblijf van een gezinslid bij de gezinshereniger op het grondgebied van de lidstaat een in de richtlijn gestelde voorwaarde is en dat de vreemdeling haar verblijfsrecht verliest wanneer zij tijdelijk verblijft buiten die lidstaat. Artikel 18, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 moet in situaties als die van de vreemdeling dus buiten toepassing worden gelaten.

De eerste grief slaagt.
RvS 201802365/1/V3, 18.6.19
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2019:1923

SvJ&V: besluitmoratorium Libië

Nu het op dit moment onduidelijk is hoe de veiligheidssituatie zich verder zal ontwikkelen, heb ik besloten tot het instellen van een besluit- en vertrekmoratorium voor de duur van een half jaar voor asielzoekers met de Libische nationaliteit, uitgezonderd Dublinclaimanten en zaken waar de nationale veiligheid speelt dan wel het vermoeden van artikel 1F bestaat. Instelling van een besluitmoratorium betekent dat de wettelijke beslistermijn van lopende asielaanvragen, en van asielaanvragen die tijdens het moratorium worden ontvangen, maximaal 21 maanden zal bedragen, conform artikel 43 van de Vreemdelingenwet 2000.

Met een vertrekmoratorium worden uitgeprocedeerde Libische asielzoekers die onder het toepassingsgebied vallen van dit moratorium, thans niet verplicht terug te keren naar Libië en wordt aan hen opvang geboden.

https://www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/kamerstukken/2019/07/01/tk-brief-landenbeleid-libie/tk-brief-landenbeleid-libie.pdf, 1.7.19

RvS: politiek actieve Ahwazi uit Iran loopt risico

De vreemdeling is etnisch Arabier (hierna: Ahwazi) en heeft oorspronkelijk aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij niet naar zijn land van herkomst kan terugkeren door de problemen van zijn vader met de autoriteiten daar. In de zienswijze heeft hij daaraan toegevoegd dat hij in Nederland is opgekomen voor de rechten van Ahwazi in Iran en ook hierom niet kan terugkeren. De vreemdeling betoogt dat nu de staatssecretaris zijn activiteiten geloofwaardig heeft geacht, hij niet van hem mag vragen om voor zijn vertrek naar Iran de sporen daarvan op internet te verwijderen en verwijderd te houden.

De Afdeling concludeert uit de ingebrachte informatie dat Ahwazi niet wegens hun Arabische afkomst alleen gevaar lopen in Iran. Zij moeten persoonlijke feiten en omstandigheden aanvoeren en aannemelijk maken, waaruit een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op onmenselijke behandeling valt af te leiden. Ter zitting heeft de staatssecretaris toegelicht dat indien de vreemdeling hierin slaagt, hem een asielvergunning zal worden verleend. De Afdeling overweegt dat nu de staatssecretaris de activiteiten van de vreemdeling geloofwaardig acht en niet heeft bestreden dat die activiteiten voortkomen uit een fundamentele politieke overtuiging, hij niet van de vreemdeling mag verwachten dat die zich bij terugkeer naar Iran terughoudend opstelt bij de uitoefening daarvan. Door van de vreemdeling te verwachten dat die voordat hij terugkeert naar Iran, berichten waaruit zijn politieke overtuiging blijkt van zijn Facebookpagina verwijdert, eist de staatssecretaris ten onrechte terughoudendheid van de vreemdeling.

ABRvS, 201801581-1, 26.6.19
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2019:1970

vader: ABRvS, 201801587-1, 26.6.19
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2019:1971

SvJ&V: nieuwe aandachtsgroepen Iran

In het nu nog geldende asielbeleid voor Iran is bepaald dat LHBT, als groep van bijzondere aandacht, een asielvergunning krijgen, tenzij uit het individuele asielrelaas blijkt dat men niet blootgesteld zou worden aan vervolging. Transseksuelen worden niet langer als groep opgenemen in het beleid. De LHB worden als risicogroep benoemd. Het ambtsbericht geeft aan dat er geen sprake is van een actief en systematisch opsporingsbeleid.

De volgende groepen blijven gehandhaafd als zijnde systematisch blootgesteld aan vervolging in de zin van het VluchtelingenVerdrag:

  • a. christenen die actief zijn voor ‘nieuwe kerken’ of evangeliseren;
  • b. leden van huiskerken;

De volgende categorie wordt in het nieuwe beleid echter niet meer opgenomen als systematisch vervolgde groep:

  • c. tot het christendom bekeerde moslims die hun geloof openlijk belijden, bijvoorbeeld door het bijwonen van kerkdiensten.

Yarsani’s en (geboren) christenen worden niet langer in het beleid benoemd. Tot nog toe waren zij aangewezen als risicogroepen.

Bij de overige risicogroepen worden nog op twee punten wijzigingen aangebracht:

  • alleen nog de Gonabadi soefi’s worden als risicogroep beschouwd.
  • “afvalligen van het islamitisch geloof” zijn alleen risicogroep als zij “hun afvalligheid actief uitdragen”.

https://www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/kamerstukken/2019/07/01/tk-landenbeleid-iran/tk-landenbeleid-iran.pdf, 1.7.19

SvJ&V: Nederland stopt met het terugsturen van jezidi's naar tentenkampen in Noord-Irak

Van belang bij de vraag of een gebied waar een jezidi heeft verbleven aangemerkt wordt als de normale woon- of verblijfplaats is of de jezidi daar naar lokale maatstaven gemeten op een normaal niveau heeft kunnen functioneren. Gelet op recente informatie van het ministerie van Buitenlandse Zaken zie ik dat dit niet geldt voor jezidi’s die uit andere delen van Irak naar de Koerdisch Autonome Regio zijn gevlucht. De ontheemde jezidi’s hebben het bovengemiddeld zwaar in de Koerdisch Autonome Regio. Dat betekent dat voor jezidi’s die afkomstig zijn uit andere delen van Irak en die zijn gevlucht naar de Koerdisch Autonome Regio en daar voor hun komst naar Nederland verbleven hebben, ik bij de beoordeling van hun asielaanvraag de Koerdisch Autonome Regio niet (langer) aanmerk als hun normale woon- of verblijfplaats. Dat heeft tevens tot gevolg dat voor hen het beleid van kwetsbare minderheden van toepassing is.

Het enkel behoren tot een kwetsbare minderheidsgroep is in zichzelf onvoldoende om als jezidi een verblijfsvergunning te krijgen. Er moet sprake zijn van geloofwaardige individualiseerbare verklaringen, waaruit beperkte indicaties naar voren komen die duiden op een risico op ernstige schade als persoon. De vreemdeling zal de individuele elementen die moeten worden gewogen zelf moeten aandragen en aannemelijk maken, maar de bewijslast die dan op een jezidi als kwetsbare minderheid ligt, is relatief licht.

Antwoord Kamervraag, 1.7.19

SvJ&V: Chinese christenen

Als de IND de vreemdeling volgt in zijn verklaring dat hij zich bij een niet-geregistreerde kerk aan zal sluiten omdat dit voor hem persoonlijk bijzonder belangrijk is om zijn godsdienstige identiteit te bewaren, zal niet van hem worden verlangd dat hij zich bij een andere, geregistreerde kerk aansluit. Uitgaande van de aansluiting bij de door hem gestelde kerk, wordt vervolgens beoordeeld of hij om die reden een reëel en voorzienbaar risico op vervolging dan wel een 3 EVRM behandeling loopt. Ook dit betreft een individuele beoordeling.

Antwoord Kamervraag, 1.7.19

SvJ&V: landenbeleid Afghanistan

Uit het ambtsbericht blijkt dat burgers die geassocieerd worden met - of die beschouwd worden als ondersteunend aan - de Afghaanse regering, pro-regering gewapende groepen, het Afghaanse maatschappelijk middenveld en de internationale gemeenschap in Afghanistan, waaronder internationale strijdkrachten, extra risico lopen op gericht geweld van met name de Taliban en ISKP. Deze groep wordt toegevoegd aan de lijst risicogroepen.

In november 2018 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geoordeeld dat verwestering geen grond is voor asielverlening, maar dat daarop twee uitzonderingen mogelijk zijn. Ik heb besloten het landenbeleid op dit punt te actualiseren.

https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/brieven_regering/detail?id=2019Z13846&did=2019D28500, 1.7.19

RvS: bij intrekking asiel onbep tijd niet meer grondslag eerdere asielvergunning betwisten

De tekst, het systeem noch de totstandkomingsgeschiedenis van de Vw 2000 geven steun voor de opvatting van de rechtbank dat bij de intrekking van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd alsnog moet kunnen worden geprocedeerd over de gronden waarop eerder een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is verleend en over de vraag of achteraf bezien niet ook een andere verblijfsvergunning voor bepaalde tijd had kunnen worden verleend.

Uit de uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2368, volgt dat voor de toepasselijkheid van het openbare-ordebegrip bij de intrekking van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd bepalend is op welke grond de vreemdeling een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is verleend, voorafgaand aan zijn verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Uit r.o. 1 blijkt dat dat in dit geval een zuiver nationaalrechtelijke verleningsgrond was, zodat de staatssecretaris terecht niet heeft getoetst aan het Unierechtelijke openbare-ordebegrip bij intrekking van de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd van de vreemdeling. Hij heeft daarom terecht volstaan met de toepassing van de glijdende schaal.

De grief slaagt.
RvS 201709975/1/V2, 18.6.19
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2019:1924

Rb: onderzoek opvang Dublin-overdracht gezinnen met kinderen naar Italie door UNHCR

Niet in geschil is dat eisers bij een overdracht aan Italië gelet op het Salvini-decreet niet langer in een SPRAR locatie zullen worden opgevangen, maar in een CAS- of CARA opvanglocatie.

Verweerder is naar het oordeel van de rechtbank nog altijd gehouden om garanties als bedoeld in het Tarakhel-arrest te vragen en te verkrijgen van de Italiaanse autoriteiten alvorens overdracht van een gezin met minderjarige kinderen kan plaatsvinden in het kader van de Dublinverordening. Daarbij heeft verweerder niet kunnen volstaan met de enkele verwijzing naar de algemene garanties in de circular letter van de Italiaanse autoriteiten van 8 januari 2019, nu hieruit niet blijkt onder welke condities gezinnen met minderjarige kinderen zullen worden opgevangen en op welke wijze de geboden opvang in de CAS- of CARA opvanglocaties in Italië tegemoet komt aan de speciale behoeftes van minderjarige kinderen.

De rechtbank overweegt dat concrete informatie over de huidige opvanglocaties ontbreekt. De rechtbank kan haar rechtsprekende taak in de onderhavige zaak onvoldoende invullen indien zij niet de beschikking heeft over concrete feiten en omstandigheden waaronder gezinnen met kinderen worden opgevangen nadat zij zijn overgedragen.

De rechtbank acht daarom nader (representatief) onderzoek geïndiceerd naar de feitelijk door Italië geboden opvang aan gezinnen met kinderen in de diverse CAS- en CARA-opvanglocaties.

Verweerder heeft ter zitting uitdrukkelijk verklaard dat hij niet bereid is nader onderzoek te doen naar de feiten en omstandigheden waaronder gezinnen met kinderen na overdracht komen te verkeren. Gelet hierop is de rechtbank voornemens om ambtshalve over te gaan tot het benoemen van een deskundige. De rechtbank acht de UNHCR de meest gerede organisatie om dit onderzoek te verrichten en zal zich daartoe bij separate brief tot de UNHCR wenden

Rb den Bosch NL18.8324 en NL18.8326 T, 28.6.19
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2019:6493

Pagina's