Nieuws

RvS: iMMO-rapport alleen relevant als het betrekking heeft op afwijzingsgronden asielverzoek

Uit de uitspraak van de Afdeling van 27 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2085, volgt dat het bij het beantwoorden van de vraag of een iMMO-rapport tot nader medisch onderzoek verplicht, onder meer van belang is in hoeverre de vreemdeling tijdens de gehoren bevreemdingwekkend, vaag, of tegenstrijdig heeft verklaard over het deel van het asielrelaas dat hij met het iMMO-rapport heeft willen staven. Gelet hierop had de rechtbank moeten ingaan op de geloofwaardigheids-beoordeling door de staatssecretaris en de daartegen gerichte beroepsgronden van de vreemdeling, alvorens zij kon beoordelen of het iMMO-rapport noopt tot nader medisch onderzoek. Nu zij dit niet heeft gedaan, heeft zij ten onrechte overwogen dat de staatssecretaris nader medisch onderzoek moet doen naar de oorzaak van de problematiek van de vreemdeling. Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 20 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4234.

De grief slaagt. Het hoger beroep van de staatssecretaris is gegrond....

De staatssecretaris heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de vreemdeling er niet in is geslaagd om zijn asielrelaas aan de hand van zijn verklaringen aannemelijk te maken. Nu de vreemdeling naast zijn eigen verklaringen en het iMMO-rapport geen ander bewijsmateriaal heeft overgelegd ter staving van zijn asielrelaas, betoogt de staatssecretaris terecht dat het in het iMMO-rapport gegeven medisch steunbewijs hem niet noodzaakt tot het laten doen van nader medisch onderzoek naar de oorzaak van de medische problematiek van de vreemdeling.

De beroepsgronden falen. Het beroep is ongegrond.
RvS 201806701/1/V2, 15.10.19
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2019:3460

RvS: bij politieke overtuiging mag niet geëist worden om facebook aan te passen

De vreemdeling klaagt terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat van hem mag worden verwacht dat hij vóór zijn terugkeer naar Iran foto's, artikelen en stukken waaruit zijn activiteiten in Nederland blijken, van zijn socialmedia-accounts verwijdert. De Afdeling stelt vast dat de staatssecretaris de activiteiten van de vreemdeling in Nederland geloofwaardig acht. De rechtbank heeft niet onderkend dat de staatssecretaris dan eerst moet beoordelen of de activiteiten van de vreemdeling voortkomen uit een fundamentele politieke overtuiging. Als dat zo is, mag de staatssecretaris immers niet van de vreemdeling verwachten dat die zich bij terugkeer naar Iran terughoudend opstelt bij de uitoefening daarvan, onder meer door uitingen van zijn socialmedia-accounts te verwijderen (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 29 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1970, r.o. 4.2.).

De grief slaagt. Het hoger beroep is gegrond.
RvS 201903213/1/V2, 14.10.19
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2019:3436
idem RvS 201804383/1/V2, 14.10.19
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2019:3458
idem RvS 201803059/1/V2, 14.10.19
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2019:3457

Rb: statushouder wel terug naar Hongarije, rechtspositie gelijk aan Hongaren

Allereerst oordeelt de rechtbank dat er geen sprake is van bijzondere kwetsbaarheid omdat de argumenten dat hij voormalig vluchteling uit Syrië is en dat hij de Hongaarse taal niet spreekt, hiervoor onvoldoende zijn waardoor de bewijslast bij de vreemdeling blijft.

Daarnaast is niet aannemelijk gemaakt dat de tekortkomingen in Hongarije de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. De statushouders onder de Hongaarse wet zijn gelijk aan de Hongaarse staatsburgers en de juridische positie van de statushouders komt overeen met hoofdstuk VII Kwalificatierichtlijn.

Daarnaast is de (feitelijke) situatie in Hongarije moeilijk maar niet zo slecht dat er sprake is van extreme armoede of ontberingen van eerste levensbehoeften en rechteloosheid waartegenover de Hongaarse autoriteiten onverschillig staan. De geconstateerde moeilijkheden zijn vooral terug te voeren op de taalbarrière. Verder zorgt het verkrijgen van een verblijfsvergunning ervoor dat statushouders niet langer volledig afhankelijk zijn van overheidssteun omdat zij de mogelijkheid hebben om zelfstandig een bestaan op te bouwen en aanspraak te maken op rechten die voortvloeiend uit deze verblijfsvergunning. Hieruit volgt dat de staatssecretaris in zijn algemeenheid uit mag gaan van het interstatelijke vertrouwensbeginsel.

De verklaringen over de ervaringen van de vreemdeling kunnen volgens de rechtbank evenmin tot een ander oordeel leiden. Tijdens zijn verblijf in Hongarije als statushouder beschikte hij over huisvesting en een uitkering terwijl hij niet zelf actief werk heeft gezocht en hij zich niet heeft gewend tot de Hongaarse autoriteiten waardoor de staatssecretaris ook ten aanzien van hem uit mag gaan van het interstatelijke vertrouwensbeginsel. Beroep ongegrond.

Rb Zwolle, NL19.18866, 14.10.19

EHRM: IM statushouder niet terug naar Griekenland ivm gebrek aan opvang en zorg

Het Hof vraagt de Nederlandse overheid om de volgende vragen te beantwoorden:

Heeft de Nederlandse overheid geverifieerd dat, bij terugkomst in Griekenland, de vreemdelingen toegang hebben tot adequate accommodatie en faciliteiten waar zij recht op hebben onder de Griekse wet (in het bijzonder toegang tot medische zorg), zodat zij niet, zoals de vreemdelingen stellen op basis van relevante informatie, een substantieel risico lopen op onmenselijke en vernederende behandeling (met referentie naar M.S.S. t. België en Griekenland)? En zo ja, hoe heeft de Nederlands overheid dit geverifieerd?

EHRM, 52334/19, D en anderen t. Nederland, 17.10.19

Rb: Dublinclaimant niet naar Kroatie ivm structureel geweld

De rechtbank oordeelt dat de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat er in Kroatië niet uit kan worden gegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De staatssecretaris wijst op verschillende uitspraken van deze rechtbank en het Asylum Information Database (AIDA) rapport van 2018, maar de vreemdeling heeft volgens de rechtbank recentere stukken overlegd waaruit blijkt dat er geen sprake is van een verbetering, maar juist een verslechtering van de situatie. Dit blijkt onder andere door de structurele geweldsincidenten door de Kroatische autoriteiten aan de grens. Daarnaast vindt de rechtbank ook nog steun voor haar oordeel in de update van het AIDA rapport uit 2019. Hierdoor komt de rechtbank tot de conclusie dat het relaas van de vreemdeling aansluit op de overlegde rapporten en de geschetste situatie in Kroatië en dat de vreemdeling hiermee een begin van bewijs heeft geleverd dat Kroatië mogelijk zijn verdrags-verplichtingen niet nakomt. Beroep gegrond.

Rb Amsterdam, NL19.20551 en NL19.21102, 18.10.19

RvS: Dublinclaimanten niet naar Griekenland ivm onvoldoende rechtsbijstand

Over de asielprocedure en de toegang tot een daadwerkelijk rechtsmiddel in zijn algemeenheid in Griekenland heeft de staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat er veel is verbeterd in de afgelopen jaren. ... Dit neemt alleen niet weg dat er nog aandachtspunten zijn. Een belangrijk aandachtspunt in het rapport van AIDA is het door de Griekse overheid gefinancierde en opgezette systeem van rechtsbijstand dat nog in ontwikkeling is. Daardoor blijft ongeveer tachtig procent van de vreemdelingen tijdens de beroepsprocedure verstoken van ondersteuning door een rechtsbijstandsverlener. Weliswaar kunnen ngo's juridische hulp verlenen, maar hun capaciteit is door de grote aantallen asielzoekers beperkt. Ter zitting heeft de staatssecretaris erkend dat er geen zekerheid over bestaat dat de vreemdeling tijdens zijn beroepsprocedure in Griekenland toegang krijgt tot rechtsbijstand.

Met name voor vreemdelingen is het krijgen van rechtsbijstand onlosmakelijk verbonden met de toegang tot een daadwerkelijk rechtsmiddel, omdat zij in de meeste gevallen de taal van de lidstaat niet spreken en onbekend zijn met het rechtssysteem. Het belang van rechtsbijstand wordt in Griekenland versterkt, omdat bij Griekenland niet zonder meer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel op onder andere het gebied van de asielprocedure en de toegang tot een daadwerkelijk rechtsmiddel. Omdat er ook bij de staatssecretaris geen zekerheid over bestaat dat de vreemdeling tijdens zijn beroepsprocedure in Griekenland toegang krijgt tot rechtsbijstand, heeft de rechtbank terecht overwogen dat de staatssecretaris onzorgvuldig heeft onderzocht en ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat de vreemdeling op dit punt geen reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het EU Handvest.

Het hoger beroep van de staatssecretaris is ongegrond.
RvS 201904035/1/V3, 23.10.19
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2019:3537
idem RvS 201904044/1/V3, 23.10.19
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2019:3538

Rb: voor legesvrijstelling bij aanvraag humanitair, persoonlijke omstandigheden toelichten

Ingevolge artikel 3.34a, aanhef en onder k, van het VV 2000 betaalt een vreemdeling geen leges indien hij blijkens een schriftelijke verklaring van de Minister in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Wet, voor een verblijfsdoel verband houdend met niet-tijdelijke humanitaire gronden. Daarom heeft verweerder gevraagd om zogenaamde schrijnende omstandigheden die kunnen leiden tot toepassing van verweerders discretionaire bevoegdheid te onderbouwen en tevens aan te geven of hij in aanmerking denkt te komen voor een vergunning in verband met privéleven 8EVRM. Verzoeker heeft hier niet op gereageerd.

De rechtbank stelt vast dat verzoeker in de aanvraag en in bezwaar enkel heeft aangevoerd dat hij onvermogend is, lang verblijf in Nederland heeft en geen belasting is voor de Nederlandse overheid. Behoudens zijn financieel onvermogen, heeft verzoeker zijn persoonlijke omstandigheden niet onderbouwd. Uit het bestreden besluit blijkt dat verweerder de summiere omstandigheden die door verzoeker zijn aangevoerd heeft meegewogen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit terecht heeft vastgesteld dat verzoeker leges moet voldoen voor onderhavige aanvraag. Nu verzoeker de leges niet heeft voldaan, heeft verweerder de aanvraag buiten behandeling mogen stellen. Beroep ongegrond

Rb den Haag AWB 18/7175 & 19/1323, 3.10.19
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2019:10425

RvS: voldoende medische zorg beschikbaar in Ter Apel

Uit de beslissing Hunde, § 5 en 59, volgt dat artikel 3 van het EVRM de overheid niet verplicht tot het bieden van meer voorzieningen aan afgewezen asielzoekers dan de VBL en de zogeheten gemeentelijke Bed-, Bad- en Broodvoorzieningen; zie ook de beslissing van het EHRM van 15 februari 2018, Said Good tegen Nederland, ECLI:CE:ECHR:2018:0123DEC005061312, § 22. Met deze ondersteuning kan niet worden gezegd dat de Nederlandse autoriteiten tekort zijn geschoten in hun verplichtingen onder artikel 3 van het EVRM door inactief of onverschillig te blijven, aldus het EHRM. Wat de vreemdeling heeft aangevoerd leidt ook in het licht van artikel 8 van het EVRM niet tot een andere uitkomst. De staatssecretaris heeft er terecht op gewezen dat de vreemdeling bij de huisarts bij de VBL medisch noodzakelijke zorg kan krijgen en kan worden doorverwezen naar een andere zorgaanbieder als een specifieke behandeling niet binnen de VBL kan worden aangeboden.

De staatssecretaris is dan ook niet inactief of onverschillig gebleven door bij het aanbod van verblijf in de VBL te blijven en de vreemdeling te hebben gewezen op de huisarts daar, en hij heeft dat deugdelijk gemotiveerd. Voor zover de door een vreemdeling gevraagde zorg niet noodzakelijk maar alleen wenselijk is, kan vanuit de artikelen 3 of 8 van het EVRM voor de staatssecretaris geen verplichting worden aangenomen om die zorg op enigerlei wijze te faciliteren. De grief slaagt.

RvS 201803222/1/V1 en 201900384/1/V1, 30.9.19
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2019:3281

ook: RvS 201803124/1/V1, 1.10.19
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2019:3332

ook RvS 201806111/1/V1, 7.10.19             
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2019:3359

SvJ&V: ook KMar mag mensen in bewaring stellen (vgl DT&V regeling)

Met deze wijziging wordt de kring van beambten werkzaam voor de Koninklijke Marechaussee die bevoegd zijn tot het in bewaring stellen van vreemdelingen uitgebreid, zonder dat afbreuk wordt gedaan aan de relevante kwalificaties die bij de betreffende ambtenaar aanwezig moeten zijn.

Er wordt aansluiting gezocht bij de regeling voor de medewerkers van de Dienst Terugkeer en Vertrek en de Vreemdelingenpolitie waarmee – eveneens bij ministeriële regeling – een gecontroleerd aantal personen bevoegd is gemaakt tot deze handelingen met betrekking tot de inbewaringstelling in de Regeling van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 11 juli 2014, nummer 539766, tot wijziging van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (honderdnegenentwintigste wijziging) (Stcrt. 2014, 20666).

Middels deze regeling kan nog beter worden gewaarborgd dat de oplegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring met voldoende waarborgen is omgeven.

De aangewezen ambtenaren zullen op een lijst worden geplaatst welke onder beheer van de Commandant der Koninklijke Marechaussee zal vallen.

Regeling nummer 2707238, 25.9.19 in staatscourant 53386, 30.9.19
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2019-53386.html

SvJ&V: wetsvoorstel Terugkeer en Vreemdelingenbewaring wordt aangevuld

Aanbiedingsbrief:

Omdat ik het belang van een eigen wettelijk regime voor vreemdelingenbewaring en het bevorderen van terugkeer nog steeds nadrukkelijk onderschrijf, bied ik u hierbij de nadere memorie van antwoord aan. Intussen bereid ik met de grootst mogelijke spoed een wetsvoorstel voor dat onderhavig wetsvoorstel op een aantal punten meer laat aansluiten bij de praktijk van vandaag. Dit in de hoop u uiteindelijk een wetgevingspakket te kunnen bieden dat recht doet aan het uitgangspunt van een humane vreemdelingenbewaring, maar waarbij tegelijkertijd daadkrachtig kan worden opgetreden tegen personen die overlast veroorzaken, zowel in als buiten een locatie van vreemdelingenbewaring.

Aanbiedingsbrief, 2.10.19

Nadere memorie van antwoord

(...)

Een tweede punt van aanpassing betreft een voorziening om daadkrachtig maar tegelijkertijd wel rechtmatig te kunnen optreden bij grote veiligheidsproblemen en -incidenten in de inrichting voor vreemdelingenbewaring. Het huidige regime in vreemdelingenbewaring (het regime van beperkte gemeenschap onder de Penitentiaire beginselenwet) kent meer mogelijkheden om in bijzondere omstandigheden iedereen in bewaring zo lang als dat nodig is in te sluiten en langzaam het dagprogramma weer op te bouwen. In het nieuwe regime van het wetsvoorstel kan hier een juridisch knelpunt ontstaan omdat het wetsvoorstel een bepaald maximumaantal uren insluiting per etmaal garandeert, zowel in het verblijfsregime als het beheersregime, en een minimumaantal uren dagbesteding per week. Dit zou kunnen betekenen dat een zogeheten “lock down” strijdigheid met het nieuwe wettelijke regime oplevert. Dat is een zeer ongewenste situatie, omdat in het uiterste geval wel op deze manier moet kunnen worden ingegrepen.

Een derde punt van aanpassing betreft het aanvullen van het nieuwe wettelijke kader met een nationale grondslag voor vreemdelingenbewaring voor die vreemdelingen die niet vallen onder het toepassingsbereik van de EU-Terugkeerrichtlijn, de EU-Opvangrichtlijn of de Dublinverordening. Nederland heeft de afgelopen tijd te maken met ook nog een andere vorm van overlast, namelijk in de publieke ruimte en veroorzaakt door vreemdelingen die hier illegaal verblijven maar die in een andere lidstaat een verblijfsstatus hebben. Deze secundaire migratie brengt een oneigenlijke belasting van de Nederlandse voorzieningen mee. Daarnaast gaat het in voorkomende gevallen om rondtrekkende statushouders die EU-breed in diverse lidstaten voor problemen zorgen. Ook Unieburgers veroorzaken soms overlast. Het is voor beide groepen belangrijk dat men vertrekt naar het land van herkomst of naar het land dat de verblijfsstatus heeft verleend, eventueel met dwang en voorafgaande bewaring indien noodzakelijk. Thans ontbreekt een specifiek voor deze gevallen bedoelde nationale grondslag in de Vreemdelingenwet 2000. ...Met het wetsvoorstel dat in voorbereiding is, kan deze grondslag worden toegevoegd aan het pallet van hoofdstuk 5 van de Vreemdelingenwet 2000.

Nadere Memorie van Antwoord, 2.10.19

Pagina's