Nieuws

SvJ&V: registratie staatloosheid in BRP niet relevant voor buitenschuld-status

Ingevolge de Wet BRP kan een gesteld staatloze als staatloos in de BRP worden ingeschreven. De BRP is primair een registratie van een aantal basisgegevens over personen met het doel deze te verstrekken aan overheidsorganen ter ondersteuning van hun taken. Pas nadat een uit de BRP verstrekt gegeven door een overheidsorgaan is overgenomen in een beslissing t.a.v. de betrokken persoon, krijgt dit gegeven voor die persoon daadwerkelijk rechtsgevolgen. Het is dan ook niet bedoeld voor ingewikkelde beoordelingen zoals of iemand staatloos is, als hiervan niet evident sprake is. Dit betekent dat onder degenen die zijn ingeschreven met het gegeven dat hun nationaliteit onbekend is, zich personen kunnen bevinden die bij nader onderzoek als staatloos moeten worden aangemerkt.

Het feit dat een vreemdeling staatloos is, is niet op zichzelf een grondslag voor het verlenen van een buitenschuldvergunning en maakt ook het toetsingskader van para. B8/4 Vc niet anders. Bij de beoordeling wordt natuurlijk wel de vraag meegenomen welke rol zijn of haar staatloosheid speelt in de mogelijkheden om terug te keren naar dat land.

Binnen de EU is het staatlozenbeleid divers. Frankrijk, Italië, Hongarije, Letland, Spanje, Kroatië en het VK kennen een verblijfsrecht o.b.v. vastgestelde staatloosheid. In België kan een verblijfsvergunning worden aangevraagd nadat de staatloosheid is vastgesteld op grond dat het onmogelijk is om terug te keren naar het land van herkomst. In weer andere landen kunnen staatlozen alleen reguliere vormen van verblijf aanvragen of kan een beroep worden gedaan op asiel of internationale bescherming.

antwoord kamervraag 2242, 9.4.19
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/ah-tk-20182019-2242.html

Rb: belang verblijf bij (gestelde) dochter bij voorkomen suicide

In het BMA-advies staat dat de vreemdeling suïcidaal is en dat bij uitblijven van behandeling een medische noodsituatie op korte termijn kan worden verwacht omdat niet kan worden uitgesloten dat hij tot suïcide komt. In de brief van de behandelaar staat dat de omgang van de vreemdeling met zijn dochter hem weerhoudt van suïcide. De behandelaar onderstreept het behoud van contact met zijn dochter als een belangrijke beschermende factor.

In het advies en aanvullend advies van het BMA wordt niet expliciet ingegaan op de rol die de dochter speelt bij het voorkomen van suïcide, noch over de omvang van dit risico bij gedwongen uitreis en over de effectiviteit van de behandeling buiten de nabijheid van zijn in Nederland verblijvende dochter. Nu de behandelaar het contact met de dochter heeft opgenomen in het behandelplan, betreft dit een omstandigheid die het BMA in zijn advies had moeten betrekken. Door op dit punt geen nadere toelichting te vragen heeft de SvJ&V niet voldaan aan zijn vergewisplicht.

Dat de vreemdeling niet heeft aangetoond dat X daadwerkelijk zijn dochter is, doet hier niet aan af. Met de overgelegde stukken, waaronder brieven van Nidos, heeft de vreemdeling in ieder geval een begin van bewijs geleverd dat X zijn dochter is. Bovendien is niet in geschil dat de vreemdeling denkt dat hij de biologische vader is. Gelet op de beschermende factor die X volgens de behandelaar is, is in dit verband niet van doorslaggevend belang of X daadwerkelijk de dochter van de vreemdeling is. Beroep gegrond.

VK Rb Haarlem, AWB 18/8661 en AWB 18/8662, 4.4.19

Staatscourant: Chavez-status is tijdelijk, duurzaam verblijf en naturalisatie niet mogelijk

Omdat deze derdelander ouders van een NLs kind hun verblijfsrecht niet ontlenen aan Richtlijn 2004/38/EG, komen zij niet in aanmerking voor duurzaam verblijf als bedoeld in die Richtlijn.

Omdat het verblijfsrecht gebaseerd is op het bestaan van een afhankelijkheidsverhouding met de een minderjarige, welke eindig is, wordt het verblijfsrecht naar zijn aard als tijdelijk aangemerkt. Om die reden bestaan bedenkingen tegen het verblijf van onbepaalde tijd.

Staatscourant 17188, 29.3.19
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2019-17188.html

Rb: geen bewijs afhankelijkheid vader van NLs kind die pas recent is ingereisd en erkend heeft

Deze Surinaamse vader heeft zijn kind pas erkend toen het drie jaar oud was en vraagt nu verblijf bij kind. De moeder woont in een beschermd-wonen programma. De IND vind dat de afhankelijkheid niet is aangetoond.

De persoonlijk begeleider van eisers partner schrijft dat eiser contact heeft met referente in de avonden en weekenden en dat referente sinds eisers komst naar Nederland makkelijker is in de omgang. Woonconsulent schrijft dat inwoning van eiser bij zijn partner en referente wordt gezien als een logische stap in de richting van het creëren van een vaste gezinssituatie voor eisers partner en referente. Ook hierin ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat referente zodanig van eiser afhankelijk is dat zij eiser zou moeten volgen naar Suriname als het bestreden besluit stand zou houden.

Verder voert eiser aan dat hij een goede baan heeft gevonden en dat hij daardoor zijn partner en referente financieel kan onderhouden. Hoewel eisers vertrek uit Nederland nadelig zal zijn voor de economische positie van eisers partner en referente, ziet de rechtbank ook hierin niet de vereiste afhankelijkheid. Daartoe is redengevend dat eiser niet heeft onderbouwd wat de economische situatie van zijn partner is en dat er in Nederland altijd kan worden teruggevallen op het sociale vangnet. Beroep ongegrond.

Rb Middelburg AWB 19 / 739, 16.4.19
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2019:3845

RvS: belang aanwezigheid vader voor voorkomen uithuisplaatsing legale kinderen

Deze kinderen hebben een verblijfsvergunning en wonen bij hun moeder, die niet meer de partner van eiser is, en hun halfbroer. De vader komt vaak naar de kinderen om zorgtaken te verrichten en de moeder heeft een verstandelijke beperking. Als de vader Nederland moet verlaten, is een (hernieuwde) ondertoezichtstelling van de kinderen aannemelijk en een uithuisplaatsing niet onmogelijk. De rechtbank acht een uithuisplaatsing niet meer in het belang van de kinderen, omdat zij dan hun ouders praktisch kwijt zijn. En als de kinderen hun ouders praktisch kwijt zijn, omdat de vader Nederland moet verlaten, ontstaat een ‘exeptional circumstance’ in de zin van de rechtspraak van het EHRM. Verweerder moet daarom onderzoek doen naar de mogelijke uithuisplaatsing van de kinderen. Beroep gegrond en vernietiging bestreden besluit.

Rb Amsterdam AWB 17 / 15516 (beroep) en AWB 17 / 15517 (verzoek), 31.5.18
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2018:8116
bevestigd door RvS 201804957/1/V1, 19.4.19
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2019:1287

RvS: terecht intrekken partner-vergunning ivm niet melden tijdelijk lager inkomen

De staatssecretaris heeft terecht doorslaggevend geacht dat referent niet heeft gemeld dat zij inkomsten had via een ander dienstverband, dat die inkomsten beduidend onder het geldende normbedrag lagen en dat zij niet kon voorzien hoe lang dit zou voortduren. Dat de vreemdeling en referent op het moment van de beoordeling van de intrekking over een voldoende en duurzaam inkomen beschikten en dat zij geen beroep op de openbare kas hebben gedaan, heeft de staatssecretaris terecht niet relevant geacht, omdat de verblijfsvergunning immers is ingetrokken wegens het achterhouden van gegevens. De staatssecretaris heeft er terecht op gewezen dat het in dit geval gaat om een correctie van de onjuiste situatie, waarbij de vreemdeling niet verschilt van andere vreemdelingen bij wie in vergelijkbare situaties de verblijfsvergunning wordt ingetrokken.

Het hoger beroep van de staatssecretaris is kennelijk gegrond.
RvS 201800989/1/V1, 17.4.19
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2019:1267

Rb: risico besnijdenis in Guinee, beroep op gelijkheidsbeginsel

De vreemdeling heeft aan haar opvolgende asielaanvraag ten grondslag gelegd dat zij en haar minderjarige dochter bij terugkeer een risico lopen op een behandeling in strijd met art. 3 EVRM, omdat zij zich niet kunnen onttrekken aan besnijdenis. Daarbij verwijst zij oa. naar zes EHRM-zaken waarbij volgens de vreemdeling enkel gaat om het risico op besnijdenis in Guinee.

De rechtbank oordeelt dat de vreemdeling een begin van bewijs heeft geleverd voor haar stelling dat har situatie vergelijkbaar is met de EHRM-zaken waarin de staatssecretaris uiteindelijk tot vergunningverlening is overgegaan. De belangrijkste overeenkomsten zijn de nationaliteit van deze vrouwen, de omstandigheid dat allen minderjarige (in Nederland geboren) dochters hebben en het feit dat hun asielrelazen (waaronder de herkomst en identiteit) door de staatssecretaris (althans aanvankelijk) ongeloofwaardig zijn geacht. Dat de persoonlijke omstandigheden van de vrouwen uit de EHRM-zaken wezenlijk verschillen van die van de vreemdeling, zoals de staatssecretaris stelt, zou kunnen betekenen dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel desondanks ongegrond is. De reactie van de staatssecretaris hierop in de bestuurlijke fase en ter zitting acht de rechtbank echter niet voldoende gemotiveerd om tot die conclusie te komen. Indien de eindconclusie zou luiden dat het gaat om vergelijkbare zaken, dan betekent dit dat sprake is van een gegronde vrees voor schending van art. 3 EVRM en dat sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in het arrest Bahaddar.

Beroep gegrond.
Rb Utrecht, NL19.4576, 19.4.19

Rb: mogelijk risico vanwege toegedichte bekering Jehova Getuigen

Door de eerdere procedure staat in rechte vast dat de bekering tot het christendom niet geloofwaardig is geacht. In deze procedure is oa. aangevoerd dat de vreemdelingen bij terugkeer naar Iran het risico lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM aangezien de Iraanse autoriteiten bekend zijn met hun bekering tot het geloof van de Jehova's Getuigen. ...

De rechtbank overweegt als volgt. Er wordt een zwaar gewicht toegekend aan het algemeen ambtsbericht inzake Iran van maart 2019, waarin is vermeld dat leden van nieuwe kerken in algemene zin in de negatieve belangstelling komen te staan als zij hun nieuwe geloof te openlijk uitdragen, uitlatingen doen die geïnterpreteerd kunnen worden als kritiek op de islam, evangeliseren of andere activiteiten doen die als staatsondermijnend kunnen worden gezien. Er wordt overwogen dat niet kan worden uitgesloten dat de vreemdelingen in de negatieve aandacht staan van de Iraanse autoriteiten. Daarbij wordt betrokken dat tussen partijen niet in geschil is dat de broer van de vrouw in 2012 in Nederland asiel heeft gekregen vanwege zijn bekering tot het geloof van de Jehova’s Getuigen. Ter zitting heeft de zus van de vrouw verklaard ook reeds 12 jaar bekeerd te zijn tot dit geloof. Voorts hebben de vreemdelingen verklaard dat de broer van de vrouw voor dit feit is veroordeeld en inmiddels is gevlucht, en dat de moeder van de vrouw thans niet meer thuis woont.

Wat er ook zij van een diepe innerlijke overtuiging, uit de verklaringen van de vreemdelingen en die van de Jehova’s Getuigen blijkt dat ze publiekelijk hun geloof uitdragen in NL en deelnemen aan evangelisatie-activiteiten onder Farsi-taligen. Nu ze bovendien met een verklaring zijn gekomen hoe en waarom de Iraanse autoriteiten op de hoogte zouden zijn gesteld, heeft de staatssecretaris dan ook niet kunnen volstaan met de opmerking dat nu de bekering ongeloofwaardig is, het niet aannemelijk is dat de autoriteiten hiervan op de hoogte zijn.

Rb Haarlem, NL19.6180, NL19.6182, 15.4.19

Rb (MK): iMMO-rapport kan alleen weerlegd worden door eigen onderzoek IND

Het geschil heeft zich in beroep toegespitst op de waarde die kan worden toegekend aan het overgelegde iMMO-rapport. Indien in een iMMO-rapport op concludente en inzichtelijke wijze is gesteld dat de psychische problematiek van de vreemdeling ten tijde van de gehoren zeer waarschijnlijk of zeker interfereerde met zijn vermogen om consistent en coherent te verklaren, kan de staatssecretaris hier volgens de Afdeling (zie o.a. de uitspraak van 27 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2084) niet aan voorbij gaan zonder zelf een medisch deskundige te raadplegen. Als de staatssecretaris geen medisch deskundige inschakelt en de in het rapport neergelegde conclusie aldus niet bestrijdt, maar het relaas toch ongeloofwaardig acht, zal hij nader moeten motiveren waarom dit volgens hem het geval is, aldus de Afdeling.

De rechtbank stelt vast dat in het iMMO-rapport is vastgesteld dat de klachten van de vreemdeling zeker hebben geïnterfereerd met de mogelijkheid om compleet, coherent en consistent te verklaren. De fysieke klachten zijn consistent met het gestelde seksuele geweld, maar kunnen een andere oorzaak hebben. De psychische klachten zijn typerend voor het asielrelaas. Naar het oordeel van de rechtbank voldoet het rapport aan de vereisten die in de jurisprudentie worden gesteld aan een dergelijk deskundigenbericht. Gelet op de sterkte van de kwalificatie van het iMMO voor wat betreft de mogelijkheden om te verklaren en de psychische klachten van de vreemdeling, heeft de staatssecretaris het aanvullend asielmotief niet ongeloofwaardig kunnen achten zonder een medisch deskundige in te schakelen. Om het gebrek te herstellen verzoekt de rechtbank de staatssecretaris een medisch deskundige in te schakelen en het besluit vervolgens nader te motiveren dan wel een nieuw besluit te nemen.

Rb Amsterdam (MK), AWB 17/6189, 9.4.19 (tussenuitspraak 8.1.19)

Rb: vertrek uit AZC telt als onderduiken in de zin van de Dublinverordening

Het geschil spitst zich op de vraag of de overdrachtstermijn van de Dublinverordening is verlengd tot 18 maanden omdat de vreemdeling is ondergedoken. De vreemdeling voert aan dat hij niet was ondergedoken omdat hij immer bereikbaar was via zijn gemachtigde.

De rechtbank oordeelt als volgt. Uit het arrest Jawo van het HvJEU (ECLI:EU:C:2019:218) volgt dat een vreemdeling onderduikt wanneer hij er doelbewust voor zorgt dat hij buiten het bereik blijft van de nationale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de overdracht, teneinde deze overdracht te voorkomen. Dit mag, kort gezegd, worden aangenomen wanneer de overdracht niet kon plaatsvinden omdat de vreemdeling de hem toegekende woonplaats heeft verlaten zonder de autoriteiten hiervan op de hoogte te stellen, op voorwaarde dat hij werd geïnformeerd over zijn desbetreffende verplichtingen. Voor asielzoekers is een wekelijkse meldplicht van toepassing. De vreemdeling kon geacht worden hiervan op de hoogte te zijn. De vreemdeling heeft de COA-locatie onverplicht verlaten.

Dat zijn gemachtigde heeft laten weten dat de vreemdeling domicilie heeft gekozen op zijn kantoor, leidt niet tot een ander oordeel. Het gaat er immers om dat de staatssecretaris op de hoogte is van de feitelijke verblijfplaats van de vreemdeling. De vreemdeling voldoet aan de uitleg die in het arrest Jawo is gegeven aan de term onderduiken. De conclusie is dat de staatssecretaris terecht heeft aangenomen dat de vreemdeling is ondergedoken en Frankrijk hiervan tijdig op de hoogte heeft gesteld. De overdrachtstermijn is verlengd naar 18 maanden.

Rb Middelburg, NL19.4951, 12.4.19

Pagina's