De voorzieningenrechter begrijpt uit de gronden van het verzoek dat het belang van verzoeker is gelegen in het feit dat hij bezig is met het verkrijgen van toegang tot een behandelplek in een kliniek voor de behandeling van zijn alcoholverslaving. Wanneer verzoeker de opvanglocatie van het COA dient te verlaten raakt hij de plek op de wachtlijst bij de kliniek kwijt. De benodigde behandeling zou dan niet kunnen plaatsvinden.
Omdat een reactie van verweerder is uitgebleven en de voorzieningenrechter geen invulling heeft kunnen geven aan de belangen van verweerder is de voorzieningenrechter van oordeel dat de belangen van verzoeker gezien zijn medische situatie moeten prevaleren.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe.
Rb Amsterdam NL 25.60782, 18.12.25
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:27559
De rechtbank overweegt dat uit het arrest Aroja volgt dat de maximale bewaringsduur ter uitvoering van een en hetzelfde terugkeerbesluit niet meer dan achttien maanden mag bedragen, dat alle afzonderlijke perioden van bewaring ter uitvoering van een en hetzelfde terugkeerbesluit bij elkaar opgeteld moeten worden ook als deze zijn onderbroken door perioden van vrijheid en dat ook perioden van bewaring tijdens de behandeling van een asielaanvraag moeten worden meegerekend.
De rechtbank concludeert dat eiser voorafgaand aan het bestreden besluit al langer dan achttien maanden in bewaring is gehouden ter uitvoering van een en hetzelfde terugkeerbesluit. Dit betekent dat verweerder eiser niet opnieuw deze maatregel van bewaring kon opleggen.
De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van vandaag.
Rb Haarlem NL26.10971, 11.3.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:5044
Het Hof overweegt als volgt. Lidstaten zijn verplicht om alle perioden van bewaring bij elkaar op te tellen wanneer deze worden uitgevoerd ter handhaving van één en hetzelfde terugkeerbesluit. De teller begint niet opnieuw te lopen als de bewaring wordt onderbroken door een periode van vrijheid, of als de feitelijke omstandigheden van de vreemdeling veranderen. Hiermee wordt voorkomen dat de maximale bewaartermijn van zes maanden, die onder strikte voorwaarden met twaalf maanden kan worden verlengd, wordt omzeild door een vreemdeling herhaaldelijk kortstondig vrij te laten en opnieuw vast te zetten.
Lidstaten behouden echter de vrijheid om de Richtlijn buiten toepassing te laten voor vreemdelingen die een strafrechtelijke sanctie ondergaan die in hun terugkeer voorziet. Daarnaast staat de Richtlijn niet in de weg aan het opleggen van (strafrechtelijke) sancties aan personen die, nadat de terugkeerprocedure volledig is doorlopen, zonder rechtvaardiging illegaal in de lidstaat blijven verblijven.
HvJEU, C-150/24 (Aroja), 5.3.26
https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/HTML/?uri=CELEX:62024CJ01...
De rechtbank overweegt als volgt. De vreemdeling is bij de behandeling ter zitting erg zenuwachtig en heeft regelmatig huilbuien wanneer zij vertelt over het verloop van de detentie. Er is geen reden om te twijfelen aan de authenticiteit van de verklaringen en emoties van de vreemdeling. Dat de vreemdeling de behandeling bij haar psycholoog niet online kan voortzetten is een rechtstreeks gevolg van het beleid van de minister om in vreemdelingendetentie geen laptop of mobiele telefoon te verstrekken. Dat de minister de vreemdeling ook kwetsbaar vindt blijkt overigens ook al uit het feit dat zij alleen op cel is geplaatst, waar de norm bij grensdetentie in het Justitieel Complex Schiphol twee personen per cel is.
Gelet op voornoemde omstandigheden is de vreemdeling te kwetsbaar om nog langer in detentie te kunnen verblijven. Het voortduren van de vrijheidsontnemende maatregel moet daarom met ingang van heden onevenredig bezwarend worden geacht.
Beroep gegrond.
Rb Amsterdam, NL26.6912, 24.2.26
De gemachtigde van eiser heeft op 12 januari 2026 een iMMO-signaleringslijst opgesteld. Hierin geeft de gemachtigde aan dat eiser op hem een zeer onrustige en gespannen indruk maakt en ook niet goed te volgen is. Eiser neemt zijn medicatie niet meer in en heeft in het verleden een suïcidepoging gedaan. De gemachtigde geeft tevens aan dat de grensprocedure voor eiser niet langer geschikt is.
Op 13 januari 2026 heeft eiser zijn aanmeldgehoor. De gehoormedewerker schrijft op dat eiser aangeeft sinds zijn aankomst in Nederland geen clozapine meer te nemen alsook dat eiser op momenten onrustig is, erg warrig verklaart, totaal geen antwoord op vragen geeft en onrustig beweegt. Op 14 januari 2026 mailt de gemachtigde aan verweerder dat eiser detentieongeschikt is en het op dit moment volstrekt onmogelijk is om een nader gehoor af te nemen op basis waarvan een zorgvuldige beoordeling van het asielrelaas mogelijk is.
Op 14 januari 2026 wordt eiser ter voorbereiding op het nader gehoor onderzocht door een verpleegkundige. In het medTadvies schrijft de verpleegkundige dat eiser wel kan worden gehoord maar dat indien nodig een pauze wordt ingelast. Het medTadvies is ter accordering ondertekend door een arts….
De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de vraag of verdere detentie van eiser evenredig is te achten. Dat het MedTadvies is geaccordeerd door een arts maakt dit niet anders. Het onderzoek is immers gericht op het horen van eiser in de asielprocedure, de arts heeft eiser niet zelf onderzocht en niet is gebleken dat de arts tevens psychiater is.
Het beroep is gegrond en de maatregel is dan ook met ingang van 14 januari 2026 onrechtmatig.
Rb Amsterdam NL26.2870, 3.2.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:4802
Niet in geschil is dat eiser gedurende meer dan 30 jaar feitelijk in Nederland heeft verbleven. Verweerder heeft echter niet ten onrechte geconcludeerd dat het niet toelaten van eiser tot Nederland geen ongerechtvaardigde inbreuk betekent op eisers recht op bescherming van zijn privéleven. Verweerder heeft daarbij gewezen op zijn restrictief toelatingsbeleid en het Nederlands economisch belang.
Daarnaast heeft verweerder in het nadeel van eiser mogen betrekken dat eiser onherroepelijk is veroordeeld tot 2 maanden gevangenisstraf wegens overtreding van de Opiumwet. Ook heeft verweerder in het nadeel van eiser mogen meewegen dat eiser nimmer rechtmatig verblijf heeft gehad en er dus niet op heeft kunnen vertrouwen dat hij hier privéleven kon opbouwen. De banden van eiser met Nederland zijn beperkt. Eiser heeft weliswaar meer dan 30 jaar in Nederland gewerkt en daarmee in zijn levensonderhoud kunnen voorzien, maar dit betrof uitsluitend illegaal werk en voornamelijk in Chinese restaurants. Zijn sociale contacten bestaan uit een beperkt aantal personen uit de Chinese gemeenschap. Niet gebleken is dat eiser zijn sociale contacten niet vanuit China kan onderhouden. Eiser heeft geen Nederlandse taallessen of ander onderwijs gevolgd en hij is maatschappelijk verder niet actief geweest.
Gelet op de nog aanwezige banden van eiser met China heeft verweerder kunnen overwegen dat er geen reden is om aan te nemen dat eiser niet opnieuw in China zou kunnen aarden.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Rb Midelburg NL25.56360, 26.2.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:4106
Eiser komt net als de rest van het oorspronkelijke gezin uit Marokko. Zijn ouders en (jongere) zussen hadden rechtmatig verblijf, maar eiser heeft geen rechtmatig verblijf gekregen aangezien hij ouder dan 18 jaar was. Eiser is in of rond 1988 naar Nederland gekomen en hij verbleef bij de rest van het gezin. Eiser heeft Nederland na zijn komst niet meer verlaten en hij verblijft al ruim 35 jaar in Nederland. Eiser heeft diverse medische problemen waarvoor hij onder behandeling staat en medicatie krijgt. Eiser verblijft afwisselend bij verschillende familieleden. ….
Het staat tussen partijen niet ter discussie dat er sprake is van privéleven. De rechtbank stelt vast dat verweerder het vrijwilligerswerk van eiser, de dagbesteding waar hij heen gaat en dat hij lid was van een band in de belangenafweging in het voordeel van eiser heeft meegewogen. Ook stelt de rechtbank vast dat verweerder de sociale contacten van eiser en zijn beheersing van de Nederlandse taal noch in het voordeel noch in het nadeel van eiser heeft laten meewegen. De eerste toelating van eiser en dat hij geen recente stukken heeft ingediend zijn in het nadeel van eiser uitgevallen.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder ook een aantal relevante feiten en omstandigheden niet heeft meegewogen in de belangenafweging. Zo heeft verweerder ten onrechte niet meegewogen dat de overheid eiser zeer lange tijd ongemoeid heeft gelaten. …. Daarnaast heeft verweerder ten onrechte niet alle omstandigheden van eiser meegewogen in de belangenafweging. Eiser is al 37 jaar in Nederland. Hij is destijds als jongvolwassene naar Nederland gekomen, toen het huidige jongvolwassenenbeleid nog niet van toepassing was. Naar de rechtbank begrijpt kwam eiser later dan de rest van het gezin en heeft hij zich feitelijk weer bij het kerngezin in Nederland gevoegd waar hij altijd is gebleven. Deze omstandigheden had verweerder naar het oordeel van de rechtbank bij de belangenafweging moeten betrekken.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is.
Rb Amsterdam NL24.8461 en NL24.8462, 4.2.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:4809
In recente rechtspraak is aangegeven dat in bepaalde zaken die zien op gezinshereniging en gezinsvorming een belangenafweging moet worden gemaakt ex art. 17 Gri i.p.v. art. 8 EVRM. Het gaat om zaken waarin wel wordt voldaan aan de eisen van artt. 3.14 jo. 3.15 lid 1 Vb, maar waarbij niet volledig wordt voldaan aan één of meer materiële voorwaarden, bijvoorbeeld omdat de referent niet zelfstandig en duurzaam over voldoende middelen van bestaan beschikt of de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde.
Geadviseerd wordt om in dit soort zaken een verkorte art. 8 EVRM-toets uit te voeren. Deze toets wijkt af van de uitgebreide toets voor niet-kerngezinsleden. Dit heeft te maken met de iets gunstigere uitgangspositie van de referent en zijn familie- of gezinsleden in dit soort zaken. Om die gunstigere uitgangspositie van de referent tot uitdrukking te brengen in de besluitvorming wordt geadviseerd om het algemeen belang van de Nederlandse staat te beperken tot het belang dat is gediend met de voorwaarde waaraan in de zaak niet voldaan is en daarbinnen de evenredigheid te betrekken (artt. 3:4 en 4:84 Awb).
Uit het BMA-advies blijkt onder meer dat eiser medische klachten heeft, onder andere passend bij PTSS en een ernstige psychotische stoornis. Bij het uitblijven van behandeling zal een medische noodsituatie ontstaan. Volgens het BMA kan eiser echter onder voorwaarden reizen en is er in Guinee behandeling aanwezig…. Volgens BMA kan het door eiser gebruikte mirtazapine vervangen worden door fluoxetine, citalopram, sertraline of escitalopram. … De psychiater schrijft dat in het geval van eiser mirtazapine niet vervangen kan worden door antidepressiva uit een andere groep, zoals paroxetine en sertraline.
Naar het oordeel van de rechtbank bevat de brief van de psychiater van concrete aanknopings-punten voor twijfel aan het BMA-advies over de (alternatieve) medicatie van eiser. Beroep gegrond.
Rb Utrecht NL25.16329, 25.2.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:5068
In haar tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat appellant niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van het buitenschuldbeleid. In haar einduitspraak heeft de rechtbank vastgesteld dat de minister dit motiveringsgebrek niet heeft hersteld en het besluit om die reden vernietigd. Zij heeft vervolgens ten onrechte de rechtsgevolgen van het besluit in stand gelaten, onder verwijzing naar het standpunt van de minister dat appellant inmiddels meerderjarig is en daarom hoe dan ook niet meer voldoet aan de vereisten voor een verblijfsvergunning op grond van het buitenschuldbeleid. De rechtbank heeft niet onderkend dat de minister niet met deze motivering mocht volstaan. Dat zou er immers toe leiden dat de minister zonder repercussies het onderzoek naar adequate opvang in het land van herkomst achterwege heeft kunnen laten.
Het hoger beroep tegen Rb Rotterdam NL22.22813, 25.1.23 is gegrond.
RvS 202302677/1/V2, 5.3.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:1276