Nieuws

CBS: schatting aantallen immigranten en asielzoekers tot 2070

Voor de lange termijn gaat de Bevolkingsprognose 2020-2070 uit van ruim 290 duizend immigranten per jaar. In de inschatting van dit structurele niveau zitten nog grote onzekerheden als gevolg van onder andere de economische conjunctuur en internationale conflicten. Het CBS verwacht dat het aantal immigranten de komende decennia waarschijnlijk (met 67% zekerheid) tussen de 240 duizend en 360 duizend per jaar zal liggen.

Voor de toekomst wordt van jaarlijks 19 duizend eerste asielverzoeken in Nederland uitgegaan. Op basis van de aantallen asielverzoeken en asielmigranten tot op heden wordt verondersteld dat 63 procent van de aanvragen uiteindelijk wordt toegekend en dat per toegekende aanvraag er gemiddeld nog 0,5 nareiziger naar Nederland komt. Immigranten die van de nareizigersregeling gebruik maken worden ook bij de asielimmigratie gerekend. In totaal geeft dit in de Bevolkingsprognose 2020-2070 een verwacht aantal jaarlijkse toegelaten asielmigranten van ongeveer 18 duizend per jaar. 

https://www.cbs.nl/nl-nl/longread/statistische-trends/2021/bevolkingsprognose-2020-2070-veronderstellingen-over-immigratie, 2.6.21

Checklist buitenlandse erkenning en Nederlanderschap

Deze checklist bevat de toets aan het Nederlandse internationaal privaatrecht (artikelen 100 en 101 van boek 10 BW) tbv de vraag of een in het buitenland gedane erkenning door een Nederlander van een minderjarig kind leidt tot verkrijging van het Nederlanderschap.

https://ind.nl/Documents/Checklist_buitenlandse_erkenning_en_Nederlanderschap.pdf

Rb: geen recht op opvang tijdens medische procedure in bezwaarfase

Verweerder heeft er terecht op gewezen dat verzoeker altijd aanspraak kan maken op medische voorzieningen. Hierop heeft hij immers onverminderd recht op grond van artikel 10, tweede lid van de Vw 2000. Daar komt bij dat uit het BMA-advies volgt dat verzoeker weliswaar medische problemen heeft, maar dat er op korte termijn geen medische noodsituatie zal ontstaan, indien verzoeker niet behandeld wordt voor zijn lichamelijke en psychische klachten. Ernstige gevolgen treden pas op als verzoeker langere tijd niet wordt behandeld. Uit het BMA-advies volgt ook dat niet is gebleken dat verzoeker in het verleden klinisch psychiatrisch is opgenomen, psychotisch is geweest of dat zich op andere wijze belangrijke crisissituaties hebben voorgedaan.

Gelet op het bovenstaande acht de voorzieningenrechter het belang van het COa, om strikt vast te houden aan de opvangvoorwaarden en de druk op de opvangcapaciteit te verminderen, in dit geval zwaarder dan het belang van verzoeker.

Rb Roermond AWB 21/593, 19.3.21

RvS: in terugkeerbesluit moet terugkeerland genoemd worden

In artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn is bepaald dat de staatssecretaris bij de tenuitvoerlegging van de richtlijn - en dus ook bij het opleggen van een terugkeerbesluit - rekening moet houden met het belang van het kind, het familie- en gezinsleven en de gezondheidstoestand van de betrokken vreemdeling en dat hij het beginsel van non-refoulement moet eerbiedigen. Om dat naar behoren te kunnen doen, moet hij de vreemdeling daarover horen voordat hij een terugkeerbesluit oplegt. (...)

De arresten FMS e.a., M e.a. en TQ wijzen erop dat het vermelden van het land van terugkeer in een terugkeerbesluit bijdraagt aan de bescherming van de in artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn genoemde belangen. Het moet voor een vreemdeling kenbaar zijn naar welk derde land hij zal worden verwijderd als het op gedwongen terugkeer aankomt. Dan kan hij namelijk eventuele belangen die aan terugkeer naar dat land in de weg staan, zo goed mogelijk naar voren brengen, zal hij beter in staat zijn doeltreffende rechtsmiddelen tegen het terugkeerbesluit aan te wenden (arrest Boudjlida, punten 58 en 59) en zal hij eventueel een passende verblijfsvergunning kunnen aanvragen. Als de staatssecretaris in zijn besluit geen land van terugkeer noemt of een ander land noemt dan het land waarnaar de vreemdeling in de praktijk moet terugkeren, kan dat de belangen van een vreemdeling dus schaden.

RvS 202006815/1/V3, 2.6.21
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2021:1155
https://www.raadvanstate.nl/uitspraken/@125607/202006815-1-v3/

Rb: DT&V moet inzicht geven in mogelijkheid overdracht zieke vrouw naar Armenië

De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van 7 februari 2020. Verweerder heeft in dit kader de opdracht gekregen om concreet inzicht te geven waarom de DT&V in de periode van 9 april 2013 tot 17 oktober 2016 de uitzetting van eiseres niet heeft geregeld. Daarbij heeft de rechtbank nadrukkelijk geoordeeld dat gesteld noch gebleken is dat de DT&V door toedoen of nalaten van eiseres er niet aan toe is gekomen om de overdracht regelen. Desondanks blijft verweerder in het bestreden besluit vasthouden aan de vaste rechtspraak en de handelwijze van eiseres.

Verder heeft verweerder ter zitting verklaard dat na de uitspraak van 7 februari 2020 geen contact is opgenomen met de kliniek Avan. Verweerder is pas van plan contact op te nemen met de kliniek als eiseres daadwerkelijk wordt overgedragen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder nog steeds niet inzichtelijk heeft gemaakt of de fysieke overdracht van eiseres feitelijk mogelijk is.

Het vermoeden van de rechtbank in de uitspraak van 7 februari 2020 dat de fysieke overdracht feitelijk niet mogelijk is, wordt evenmin weerlegd met de notitie van de DT&V. Deze notitie geeft voomamelijk inzicht in het handelen van eiseres, maar in de uitspraak van 7 februari 2020 is - als gezegd - al een oordeel gegeven over de houding van eiseres. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het bestreden besluit (opnieuw) niet deugdelijk heeft gemotiveerd. Deze beroepsgrond slaagt.

Uit het voorgaande volgt dat het bestreden bestuit niet deugdelijk is gemotiveerd.
Rb Utrecht AWB 20/5643 en AWB 20/5644, 17.2.21
vovo stas afgewezen: ABRvS 202101955/2/V3, 28.4.21
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2021:886

RvS: vaststellen ingangsdatum Chavez-status niet verplicht, wetswijziging nodig

De staatssecretaris heeft toegelicht dat vóór de uitbraak van het coronavirus per maand 200 tot 300 aanvragen voor een artikel 9-document op grond van Chavez werden ingediend. Meer dan de helft van die aanvragen is ingewilligd. Daarnaast wordt per jaar 30 tot 50 keer advies aan de staatssecretaris gevraagd door andere bestuursorganen die moeten vaststellen of een vreemdeling in de periode waarover een vreemdeling stelt een financiële aanspraak te hebben, rechtmatig verblijf had. De staatssecretaris beantwoordt dan slechts de vraag of de vreemdeling rechtmatig verblijf had in de periode die voor de beoordeling van de financiële aanspraak van belang is.

Volgens de staatssecretaris zal het aannemen van een bevoegdheid om een ingangsdatum van rechtmatig verblijf vast te stellen in alle aanvragen waarin om een artikel 9-document wordt gevraagd onevenredig veel extra werk met zich brengen terwijl op voorhand niet duidelijk is dat deze informatie nadien nodig is. Als er toch een probleem rijst, kan de desbetreffende vreemdeling dit aan de orde stellen bij het in die zaken bevoegde bestuursorgaan. Deze beslissingen kan de vreemdeling altijd laten toetsen bij de rechter. Er is daarmee sprake van een effectief rechtsmiddel als bedoeld in artikel 47 van het Handvest.

De Afdeling is van oordeel dat het belang van een vreemdeling om in een zo vroeg mogelijk stadium de ingangsdatum van zijn rechtmatig verblijf te kennen, niet opweegt tegen het extra werk dat de staatssecretaris daarvoor moet verrichten. Tegen deze achtergrond is het aan de wetgever om desgewenst te voorzien in een nationale bevoegdheid om de ingangsdatum van het rechtmatig verblijf vast te stellen bij een aanvraag om een artikel 9-document. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat bij de onderhavige rechtsvraag ook belangen van andere bestuursorganen zijn betrokken, zoals de Belastingdienst en de Sociale Verzekeringsbank. De wetgever is bij uitstek aangewezen om al deze belangen in het licht van de algemene Unierechtelijke rechtsbeginselen en de jurisprudentie van het Hof van Justitie te wegen. Het is dan ook in eerste instantie aan de wetgever om zo nodig te beslissen of hij, alles wegende en mede gelet op de uitvoeringspraktijk, het aangewezen acht om te voorzien in een wettelijke grondslag om de ingangsdatum van het rechtmatig verblijf vast te stellen.

Dit leidt tot de slotsom dat de staatssecretaris niet bevoegd is om de ingangsdatum van het rechtmatig verblijf op verzoek van de vreemdeling vast te stellen. De grief slaagt.

Het hoger beroep is gegrond.
RvS 201900470/1/V3, 28.5.21
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2021:1145

Rb: zorgovereenkomst voor zorg aan vader beoordelen als zelfstandige: pas duurzaam na 1,5jr

Eiseres en referent zijn in 2014 met elkaar getrouwd. Op 23 augustus 2019 heeft referent ten behoeve van eiseres de hier aan de orde zijnde mvv-aanvraag ingediend. In bezwaar heeft eiseres een “Zorgovereenkomst met partner of familielid” overgelegd. Volgens eiseres is referent daarmee een zorgovereenkomst/ arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd aangegaan, waarbij referent met ingang van 9 oktober 2019 zorg gaat verlenen aan zijn vader voor 37,5 uur per week tegen een bruto maandsalaris van € 2.762,50.

Verweerder stelt dat met de overgelegde zorgovereenkomst niet is aangetoond dat referent beschikt over duurzame middelen van bestaan. Referent werkt op basis van een overeenkomst van opdracht. Daarom is voor de beoordeling of referent aan de inkomenseisen voldoet aansluiting gezocht bij de inkomenseisen van zelfstandigen. Referent voldoet echter niet aan de eisen want hij verwerft nog geen anderhalf jaar inkomsten....

De rechter oordeelt dat verweerder terecht de inkomsten van referent beschouwt als het inkomen van een zelfstandige. Hierbij is niet relevant of de overeenkomst van opdracht is aangegaan voor onbepaalde tijd. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de opdracht niet in ondergeschiktheid wordt vervuld en (dus) is beperkt tot het verrichten van dienstbetoon in zelfstandigheid. Verder betwist eiseres niet dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit de middelen van bestaan van referent, volgens artikel 3.20, eerste lid, van het VV 2000, niet duurzaam zijn.

Gelet op het voorgaande slaagt de beroepsgrond van eiseres dat de middelen van bestaan van referent duurzaam zijn, alleen al omdat de zorgovereenkomst voor onbepaalde tijd is aangegaan, niet.

Rb den Bosch AWB 20/2643, 15.4.21
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:5309

Rb: PGB voor gehandicapte zoon telt als stabiel inkomen voor gezinsvorming

De rechtbank is van oordeel dat referente wel voldoet aan het middelenvereiste. Het gaat om het duurzaamheidsvereiste.

Referente heeft altijd al voor haar zoon gezorgd en zal dit in de toekomst ook blijven doen. Volgens de ratio van de Gezinsherenigingsrichtlijn moet het onwaarschijnlijk zijn dat referente en eiser in de toekomst een beroep op bijstand zullen doen. De rechtbank acht het in de situatie van referente niet waarschijnlijk dat zij in de toekomst een beroep zal doen op sociale bijstand. Weliswaar wordt een pgb ook verstrekt uit de algemene middelen, maar niet in geschil is dat dit niet wordt gezien als 'een beroep op de openbare kas'. Het feit dat referente niet reeds anderhalf jaar de betreffende inkomsten heeft genoten, is niet doorslaggevend. Eiseres hoeft immers niet zoals zelfstandige onderneniers in het algemeen een levensvatbare ondememing aan te tonen. Er is sprake van een bestendige en lange zorgrelatie. Weliswaar ontving referente voor de zorgovereenkomst een bijstandsuitkering, maar dit was te wijten aan onwetendheid over de mogelijkiieid van het aanvragen van een pgb. Voor de rechtbank is overduidelijk geworden dat referente in het verleden op dezelfde wijze voor haar zoon zorgde als zij nu doet en ook in de toekomst zal blijven doen.

Nu op deze wijze naar het oordeel van de rechtbank aan het duurzaamheidscriterium van het middelenvereiste naar de geest van de wet wordt voldaan, heeft verweerder ten onrechte de aanvraag van eiser om een verblijfsvergunning afgewezen.

Rb Amsterdam AWB 20/1539 en AWB 20/1540, 9.11.20

Rb: onzorgvuldig oordeel Ghana als veilig land van herkomst

De rechtbank oordeelt dat, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 7 april 2021, de staatssecretaris niet alle bronnen zoals genoemd in art. 37, lid 3, Pri heeft betrokken bij de herbeoordeling van Ghana als veilig land van herkomst. De staatssecretaris heeft daarom niet van de aanname mogen uitgaan dat Ghana een veilig land van herkomst is.

Nu de staatssecretaris ten onrechte heeft aangenomen dat de vreemdeling afkomstig is uit een veilig land van herkomst, is haar aanvraag ten onrechte in spoor 2 behandeld. Zo is haar ten onrechte ook geen medisch onderzoek aangeboden. Naar het oordeel van de rechtbank ligt het in de lijn der verwachting dat de vreemdeling van dit aanbod gebruik zou hebben gemaakt omdat haar gemachtigde reeds per e-mail heeft verzocht een advies horen en beslissen door de FMMU te laten uitbrengen. Het standpunt van de staatssecretaris dat de FMMU bijna nooit adviseert dat een vreemdeling door zijn beperkingen niet gehoord kan worden en dat er in het gehoor voldoende rekening is gehouden met eventuele beperkingen, doet niet aan het voorgaande af. Volgens de rechtbank loopt de staatssecretaris hiermee ten onrechte vooruit op wat de FMMU zal adviseren en wordt voorbij gegaan aan het feit dat de FMMU niet alleen adviseert over het horen, maar ook over het beslissen.

Beroep gegrond.
Rb Roermond, NL20.19488, 20.5.21

Rb: heroverweging 1F voor bekeerde Iraniër, 22jr in NL

De vreemdeling heeft in 1997 zijn eerste asielaanvraag ingediend, deze is met toepassing van art. 1F afgewezen. De vreemdeling kan echter op grond van art. 3 EVRM niet terugkeren naar Iran vanwege zijn geloofwaardig bevonden bekering tot het christendom. De vreemdeling is in beroep gegaan tegen de afwijzing van zijn verzoek om opheffing van het inreisverbod.

De rechtbank stelt vast dat de staatssecretaris destijds terecht de asielaanvraag van de vreemdeling heeft mogen weigeren op grond van art. 1F. Echter is de rechtbank ook van oordeel dat de staatssecretaris onvoldoende heeft gemotiveerd dat de vreemdeling een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor de samenleving vormt.

Allereerst overweegt de rechtbank dat de staatssecretaris zwaar gewicht heeft mogen toekennen aan de verklaringen van de vreemdeling dat hij zijn zus verkracht zou hebben. Dit is in NL een misdrijf dat niet verjaart en de vreemdeling is hiervoor niet strafrechtelijk veroordeeld. Daartegenover staat echter dat tijdsverloop de bedreiging bij een niet-politiek misdrijf, zoals verkrachting, minder actueel kan maken. Hierbij geldt dat de vreemdeling in 22 jaar niet in contact is geweest met politie. Ook heeft de vreemdeling in de tussentijd meerdere relaties gehad met vrouwen en ook dit heeft niet geleid tot contact met politie. Het feit dat de vreemdeling de verkrachting inmiddels ontkent, betekent niet zonder meer dat hij het bagatelliseert. Zo heeft hij verklaard dat hij verkrachting een ernstig misdrijf vindt en dat hij afstand doet zijn eerder gedane verklaringen over de verkrachting en daarvan spijt heeft.

De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende is gemotiveerd dat de vreemdeling nog steeds een bedreiging vormt. Beroep gegrond.
Rb Amsterdam, AWB 20/6311, 20.5.21

Pagina's