Nieuws

Rb: geen Chavez voor moeder want naam in geboorteakten kinderen anders dan op paspoort

Eiseres heeft op 23 februari 2010 een asielaanvraag ingediend, onder de naam [A], geboren op [1987] , van Iraakse nationaliteit. Deze asielaanvraag is afgewezen. Op 9 december 2019 heeft eiseres een aanvraag ingediend om afgifte van een Chacez-vergunning als zijnde [B] , geboren op [1985] , van Marokkaanse nationaliteit. Zij stelt dezelfde persoon te zijn als de persoon met V-nummer: [V-nummer] , zijnde [A] . Zij stelt de moeder te zijn van [kind 1] (geboren op [2010] ), [kind 2] (geboren op [2013] ) en [kind 3] (geboren op [2015] ), die de Nederlandse nationaliteit hebben.

Er heeft een verwantschapsonderzoek plaatsgevonden door [medisch laboratorium] . Ook heeft Bureau Documenten het paspoort van eiseres op naam van [B] , waarmee eiseres zich heeft geïdentificeerd bij het verwantschapsonderzoek, onderzocht. Dit document is echt bevonden. Dit betekent dat niet (meer) ter discussie staat dat eiseres [B] is. Uit het rapport van [medisch laboratorium] is verder gebleken dat eiseres een biologische band heeft met [kind 1] , [kind 2] en [kind 3] (hierna: de kinderen), maar daarmee is echter niet vastgesteld dat zij ook een familierechtelijke relatie heeft met de kinderen. Ter zitting heeft verweerder nader toegelicht dat de aanvraag van eiseres is afgewezen, omdat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij een familierechtelijke relatie heeft met de kinderen, omdat op de geboorteaktes van de kinderen staat dat [C] hun moeder is. Dat eiseres [C] is, heeft zij niet aannemelijk gemaakt....

Eiseres voert verder aan dat verweerder teveel waarde hecht aan de naam op de geboorteaktes van de kinderen en te weinig waarde aan het rapport van [medisch laboratorium] . De rechtbank volgt het standpunt van eiseres niet. Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres een echt bevonden paspoort heeft op de naam van [B] en dat er een biologische band is tussen eiseres en de kinderen. Op de geboorteaktes van de kinderen is echter vermeld dat [C] de (juridische) moeder is van de kinderen. Verweerder mag bij de beoordeling of sprake is van een familierechtelijke relatie tussen eiseres en de kinderen de gegevens uit de geboorteaktes als uitgangspunt nemen, want die gelden als dwingend bewijs dat sprake is van een familierechtelijke relatie tussen een moeder en een kind. In deze zaak mocht verweerder dus de gegevens in de geboorteaktes laten prevaleren boven de uitkomst van het rapport van [medisch laboratorium] .

Eiseres betoogt dat zij [C] is. De rechtbank volgt het betoog van eiseres niet. Dat eiseres ter zitting een vertaalde Iraakse huwelijksakte heeft overgelegd waarin de naam [C] staat en dat de gemeente Enschede deze huwelijksakte als brondocument voor de vermelding van de naam [C] op de geboorteaktes heeft gebruikt, maakt niet dat daarmee de familierechtelijke relatie met de kinderen aannemelijk is gemaakt. Eiseres heeft immers nog steeds niet aannemelijk gemaakt dat zij [C] is.

De rechtbank oordeelt, met verweerder, dat verweerder niet aan de inhoudelijke beoordeling van afhankelijkheidsrelatie tussen eiseres en de kinderen toekomt zolang niet vaststaat dat eiseres [C] is.

Rb Utrecht AWB 21/1671 en AWB 21/1672, 14.12.21
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:17066

Rb: controle AVIM na bezoek Haagse Pandbrigade toegestaan

De rechtbank stelt vast dat uit het proces-verbaal het volgende blijkt. Twee politieambtenaren werkzaam voor de AVIM en belast met het toezicht en handhaving van vreemdelingen - kregen de opdracht om naar de [adres] in Den Haag te gaan. Daar was eerder die avond een controle uitgevoerd door gemeente ambtenaren van de Haagse Pandbrigade (de Pandbrigade). De Pandbrigade werkt op basis van informatie van burgers, collega’s en andere overheidsinstanties en is onder meer belast met het toezicht op de rechtmatige bewoning en het rechtmatige gebruik van gebouwen. Zij zijn bevoegd inzage te vorderen in een identiteitsbewijs. De Pandbrigade had op de [adres], negen personen van Indonesische afkomst aangetroffen waarbij het bij een aantal direct duidelijk was dat zij onrechtmatig in Nederland verbleven. Na binnentreding in de woning troffen de verbalisanten van de AVIM negen personen aan die door de Pandbrigade waren verzameld in de woonkamer. De ambtenaren van de Pandbrigade overhandigden zes paspoorten en één geboorteakte die zij al verzameld hadden.

De rechtbank is van oordeel dat er, gelet op de omstandigheden die staan beschreven in het proces-verbaal, voldoende feiten en omstandigheden aanwezig waren, die naar objectieve maatstaven gemeten een redelijk vermoeden opleveren.

Het beroep tegen de ophouding is ongegrond.
Rb Middelburg NL22.17002, 8.9.22
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:9223

IB  2022/83 : Toelichting belang van het kind

In de Stuurgroep van het project Belang van het Kind is vastgesteld dat het belang van het kind in vreemdelingenprocedures zwaarwegend is en daarom expliciet tot uiting moet komen in besluiten.

Om deze redenen heeft de projectgroep, nu omgevormd tot het SKIV (samenwerkingsverband kinderen in het vreemdelingenbeleid ), het initiatief genomen om een toelichting op te stellen voor beslismedewerkers die het belang van het kind moeten meewegen in hun beslissing, of dat nu in een reguliere- of asielprocedure is. Ook in reguliere procedures speelt het belang van het kind immers steeds vaker een nadrukkelijke rol.

IB  2022/83, 12.9.22
https://puc.overheid.nl/ind/doc/PUC_1294088_1/1/

Bijlage: Toelichting Belang van het Kind
https://puc.overheid.nl/PUC/Handlers/DownloadBijlage.ashx?pucid=PUC_1294088_1_1&bestand=IB_2022-83_Bijlage_Toelichting_Belang_van_het_kind.pdf&bestandsnaam=IB+2022-83+Bijlage+Toelichting+Belang+van+het+kind.pdf

Rb: afwegingen Chinees kind met ouders, sinds 2005 in NL en kinderrechtenrapportages

Eisers hebben allen de Chinese nationaliteit. In 2005 is de vader naar Nederland gekomen en heeft hij een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking “arbeid als zelfstandige” gekregen. In 2007 hebben de ouders in Nederland reguliere verblijfsvergunningen gekregen onder de beperking “verblijf als familie- of gezinslid”. De zoon is geboren in Nederland in 2005.

In 2013 zijn de verblijfsvergunningen van eisers ingetrokken met terugwerkende kracht tot de datum van verlening en is tegen de ouders een inreisverbod uitgevaardigd voor de duur van twee jaar. Hieraan is ten grondslag gelegd dat de vader onjuiste en onvolledige gegevens aan verweerder heeft verstrekt, terwijl die gegevens zouden hebben geleid tot het afwijzen van de oorspronkelijke aanvraag....

Nu de intrekking van eisers verblijfsvergunningen in rechte vast staat, heeft verweerder terecht bij de belangenafweging als uitgangspunt genomen dat eisers familie- en privéleven in Nederland hebben opgebouwd ten tijde van een precair verblijfsrecht. ... Niet in geschil is dat er in het geval van eisers sprake is van privéleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Het gaat in deze zaak om de vraag of er sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat er een verplichting bestaat tot het laten voortzetten van het privéleven in Nederland. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit nog steeds niet alle relevante feiten en omstandigheden in het kader van artikel 8 van het EVRM voldoende of op de juiste wijze heeft betrokken en dat de weging van verweerder van het samenstel van elementen nog steeds onvoldoende overtuigend is om te stellen dat geen sprake is van exceptionele omstandigheden aan de zijde van eisers.

Verweerder heeft in de belangenafweging namelijk onvoldoende gewicht toegekend aan het belang van de zoon bij een goede ontwikkeling. Verweerder had in ieder geval in zijn beoordeling moeten betrekken dat het zeer aannemelijk is dat uitzetting naar China zal leiden tot (verdere) schade. Verweerder had ook in zijn belangenafweging moeten betrekken dat de zoon al extreem lang, namelijk vanaf zijn geboorte, in Nederland verblijft, inmiddels 17 jaar oud is en al erg lange tijd in onzekerheid verkeert over zijn toekomstperspectief. Deze bijzondere omstandigheden kunnen niet gepasseerd worden met de enkele overweging dat hij hier privéleven heeft opgebouwd tijdens een precair verblijfsrecht. Het bestreden besluit is op dit punt onvoldoende gemotiveerd.

Verweerder motiveert in het bestreden besluit welke belangen van de Nederlandse overheid zouden worden geschaad door aan eisers verblijf toe te staan. Verweerder motiveert echter onvoldoende waarom deze (economische) belangen in het nadeel van eisers meewegen. Geen rekening wordt namelijk gehouden met de omstandigheid dat de vader succesvolle eigen ondernemingen heeft waarmee hij in het onderhoud van eisers voorziet en waarmee hij zorgt voor werkgelegenheid en belastinginkomsten. De zoon is bovendien inmiddels 17 jaar oud zodat niet lang meer gebruik gemaakt zal worden van van overheidswege betaald onderwijs. Ook heeft verweerder niet bij de belangenafweging betrokken dat eisers geen gebruik maken van gezondheidszorg.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende motiveert wat de mogelijkheden zijn om het gezinsleven en het privéleven in China uit te oefenen.
Rb Middelburg AWB 22/940, 15.9.22
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:9566

RvS: afweging 8EVRM voortgezet verblijf na legaal verblijf (bij partner) en werk

De vreemdeling kreeg in 2015 een verblijfsvergunning bij zijn toenmalige echtgenote. Die vergunning is op 5 juni 2019 ingetrokken omdat de vreemdeling op die dag is gescheiden. De nu voorliggende zaak gaat over de vraag of de staatssecretaris deugdelijk heeft gemotiveerd dat hij de vreemdeling geen verblijfsvergunning hoeft te verlenen om hem zijn privéleven in Nederland te laten voortzetten. In dat verband heeft de vreemdeling gewezen op de sociale en culturele banden die hij hier heeft opgebouwd, het feit dat hij het inburgeringsdiploma heeft gehaald en dat hij een vaste baan had en dat zijn werkgever heeft verklaard hem graag een nieuw dienstverband aan te bieden als de formaliteiten rond de verblijfsvergunning positief worden afgerond. ...

De vreemdeling klaagt terecht over het oordeel van de rechtbank over de belangenafweging in het kader van het recht op eerbieding van het privéleven van de vreemdeling (artikel 8 van het EVRM). De staatssecretaris heeft een onjuist uitgangspunt gehanteerd. In deze zaak is sprake van het opbouwen van privéleven tijdens legaal verblijf. De staatssecretaris mocht daarom niet volstaan met de constatering dat de gestelde omstandigheden niet uitzonderlijk zijn.

De staatssecretaris heeft niet deugdelijk gemotiveerd waarom het economisch welzijn van Nederland in het geding is. Hij heeft daarbij niet betrokken dat de vreemdeling niet eerder dergelijke aanspraken heeft gedaan, dat hij een vaste baan had voorafgaand aan deze procedure en dat zijn werkgever heeft verklaard hem graag een nieuw dienstverband aan te bieden als de formaliteiten rond de verblijfsvergunning positief worden afgerond.

Door te volstaan met de constatering dat de door de vreemdeling gestelde omstandigheden niet uitzonderlijk zijn en niet deugdelijk te motiveren waarom het economisch welzijn van Nederland in het geding is, heeft de staatssecretaris de belangenafweging niet deugdelijk verricht. De grief slaagt.

RvS 202105778/1/V3, 13.9.22
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2022:2661

Rb: suicidaliteit ivm verblijfsprocedures, BMA-advies beter checken

Uit de BMA-adviezen volgt dat eiser lijdt aan chronisch depressieve klachten en een complexe rouwproblematiek. Eiser heeft een geschiedenis van suïcidaliteit, die lijkt samen te hangen met de situatie rondom de verblijfsprocedure en die niet lijkt voort te komen uit de psychiatrische aandoening van eiser. Het BMA verwijst hierbij naar de meest recente tentamen suïcide kort na een negatief besluit en de daarbij door eiser gedane uitingen. Volgens het BMA wordt bij het uitblijven van deze behandeling geen noodsituatie op korte termijn verwacht, omdat er geen sprake is van recente opnames, BOPZ/Wvggz maatregelen, ernstige psychotische klachten of andere belangrijke crisissituaties zoals een gedocumenteerde suïcidepoging in het kader van het psychiatrisch ziektebeeld. Het BMA acht de kans zeer groot dat eiser suïcidaal gedrag zal vertonen als hij terug moet naar het land van herkomst. In het aanvullend advies heeft het BMA een instelling geadviseerd in Irak waaraan eiser kan worden overgedragen....

De rechtbank stelt vast dat verweerder het BMA heeft gevraagd om expliciet te duiden waarom de door Ipsy gedocumenteerde suïcidepoging niet ook te relateren is aan het ziektebeeld van eiser. Het BMA geeft in het antwoord op deze vraag aan dat: ‘Uit de informatie komt naar voren dat in geval van betrokkene het accent met betrekking tot de suïcidaliteit voornamelijk op de onzekere verblijfssituatie en de asielprocedure ligt.’

Naar het oordeel van de rechtbank mocht verweerder niet zonder meer de BMA- adviezen aan het bestreden besluit ten grondslag leggen. De rechtbank acht van belang dat uit de bewoordingen van het BMA- advies, met name de woorden ‘accent’ en ‘voornamelijk’, volgt dat het BMA niet zonder meer uitsluit dat eisers suïcidaliteit voortkomt uit zijn ziektebeeld. Het BMA heeft onvoldoende nader toegelicht of en in hoeverre de suïcidepoging van eiser ook te relateren is aan zijn ziektebeeld. Het BMA heeft hiermee de vraag van verweerder naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende beantwoord.

Gelet op het voorgaande is het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd. Het beroep is gegrond.
Rb Utrecht NL21.15402, 18.1.22
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:9448

IB  2022/82 : handelswijze sinds uitspraak HvJ over niet-tijdelijkheid Chavez-verblijfsrecht

Het HvJEU komt in de uitspraak van 7 september 2022 tot de conclusie dat iemand met een Chavez-verblijfsrecht wel degelijk aanspraak kan maken op een langdurig ingezetenen status. ...

Aanvragen voor een verblijfsvergunning voor EU-langdurig ingezeten van klanten die in het bezit zijn van een verblijfsrecht op grond van art. 20 VWEU kunnen niet langer worden afgewezen omdat de vreemdeling in het bezit is van een tijdelijk verblijfsrecht. De aanvraag moet zodoende worden beoordeeld overeenkomstig de daarvoor gangbare vereisten. Dit betekent onder meer dat de aanvraag alleen kan worden ingewilligd als aan het inkomensvereiste en het inburgeringsvereiste wordt voldaan.

IB  2022/82, 12.9.22
https://puc.overheid.nl/ind/doc/PUC_1293974_1/1/

Rb: belangenafweging psychische klachen verblijf moeder bij volwassen zoon in NL

Verweerder heeft overwogen dat de psychische klachten van referent zijn ontstaan nadat de aanvraag is afgewezen en dat hereniging van referent en eiseres een positief effect zal hebben op de psychische toestand van referent. Verweerder concludeert dat dit echter niet leidt tot een zodanig bijzondere situatie dat er een positieve verplichting voor Nederland bestaat om verblijf van eiseres toe te staan. Referent ontvangt hiervoor namelijk gespecialiseerde zorg en eiseres kan ondersteunende hulp aanbieden door dagelijks contact te hebben vanuit Iran. Dat de psychische klachten van referent zijn verergerd, doet daar niet aan af. Ter zitting heeft verweerder nog verklaard dat van belang wordt geacht dat referent voor zijn vertrek nooit klachten heeft gehad en eiseres geen speciale zorgtaken heeft hoeven verrichten voor referent in Iran.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder wederom niet alle van belang zijnde feiten en omstandigheden voldoende gemotiveerd in zijn beoordeling betrokken. De klachten zijn ontstaan, nadat de aanvraag voor gezinshereniging is afgewezen. De rechtbank acht het gelet hierop niet van belang dat eiseres, voor het vertrek van referent geen zorgtaken heeft verricht. De rechtbank acht van belang dat uit de brief van de psychotherapeut blijkt dat de aanwezigheid van eiseres een positief effect zal hebben op de psychische toestand van referent. Dit kan volgens de rechtbank tot de bijzondere situatie leiden dat er een positieve verplichting voor Nederland bestaat om verblijf van eiseres toe staan. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich, door te overwegen dat referent reeds gespecialiseerde zorg ontvangt en de fysieke aanwezigheid van eiseres niet noodzakelijk is om de medische situatie van referent te verbeteren, onvoldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat hieruit niet blijkt dat de fysieke aanwezigheid van eiseres noodzakelijk is voor de verbetering van de psychische toestand van referent. Niet betwist is namelijk dat referent verder afglijdt en niet voldoende heeft aan de zorg die hem geboden wordt.

Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank vervolgens ten onrechte op het standpunt gesteld dat die afweging heeft geresulteerd in een “fair balance”. Verweerder heeft onderkend dat referent tot zijn vertrek bij eiseres heeft gewoond en dat zij een sterke band hebben, maar concludeert dat dit niet reden genoeg is om verblijf aan eiseres toe te kennen. Hiermee heeft verweerder de intensiteit van de gezinsband tussen eiseres en referent onvoldoende gemotiveerd meegewogen, mede in het licht bezien van het gedwongen vertrek van referent. Referent heeft uit zijn land van herkomst moeten vluchten vanwege zijn geaardheid, het daaraan gepaard gaande geweld van zijn vader, de acceptatie en steun van zijn moeder en het feit dat zij ook slachtoffer is geweest van dit geweld. Volgens de rechtbank maakt dit dat de banden tussen eiseres en referent de gebruikelijke banden tussen moeder en zoon overstijgen. Dit leidt ertoe dat de banden die eiseres met Nederland heeft sterker zijn dan dat verweerder heeft geconcludeerd, aangezien deze banden samenhangen met haar band met referent.

Gelet op het voorgaande, concludeert de rechtbank dat verweerder niet alle van belang zijnde feiten en omstandigheden gemotiveerd in onderlinge samenhang heeft beoordeeld, en daarmee onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de weigering van de aanvraag niet in strijd is met artikel 8 EVRM. Dit betekent dat het bestreden besluit is genomen in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel.

Rb Amersfoort AWB 21/2822, 2.11.21
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:16922

Rb: voor tandarts geldt standaardregel inkomensvereiste als zelfstandige niet

Verweerder heeft in het voordeel van eiser meegewogen dat referente gedurende de periode waarin zij bijstand ontving (juli 2014 tot en met mei 2019) studeerde. Verweerder heeft ook in het voordeel van eiser meegewogen dat er in Nederland in het algemeen een tekort aan tandartsen is en dat dit over het algemeen een goed toekomstperspectief biedt. Verweerder heeft in het nadeel van eiser meegewogen dat een succesvolle voortzetting van de overgenomen praktijk geen zekerheid is. .... Verweerder houdt dus vast aan de standaardregel dat het inkomen van referente duurzaam is vanaf het moment dat zij dit inkomen al anderhalf jaar heeft. In het geval van referente is dat per 1 oktober 2020.

De rechtbank acht deze standaardregel in de situatie van eiser in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Het doel van deze regel, namelijk dat verweerder zekerheid van inkomsten verlangt, staat niet in verhouding tot de voor eiser nadelige gevolgen van het besluit, namelijk dat de aan hem verleende verblijfsvergunning niet per een eerdere datum ingaat. De verlangde zekerheid omtrent de inkomsten van referente zijn immers op andere gronden voldoende gewaarborgd te achten. De rechtbank ziet dan ook aanleiding om de standaardregel in het voorliggende geval buiten toepassing te laten.

Gelet op het voorgaande, is het beroep gegrond.
Rb Utrecht AWB 20/7903, 29.6.21
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:17070

RvS: beoordeling echtheid documenten als geen referentiemateriaal beschikbaar is

De conclusie dat de documenten vals zijn gelet op het beschikbare vergelijkingsmateriaal is in overeenstemming met de door de staatssecretaris gegeven toelichting dat de documenten vals zijn bevonden op grond van feitelijke dan wel technische onmogelijkheden nadat zij onderling met elkaar vergeleken zijn. De rechtbank heeft ten onrechte van belang geacht dat in de verklaring van onderzoek is vermeld dat de documenten vals zijn omdat zij afwijken van het beschikbare vergelijkingsmateriaal, terwijl in de vorige procedure de vraag naar het beschikbare vergelijkingsmateriaal uitvoerig aan de orde is geweest. Weliswaar is in de vorige procedure naar voren gekomen dat voor de ingebrachte documenten geen "referentiemateriaal" beschikbaar was, maar in de door de staatssecretaris ingebrachte Vakbijlage is toegelicht dat die term specifiek slaat op documenten, autorisaties, legalisaties of andere informatie die het BD heeft verkregen via de overheid van een betrokken land van herkomst. De in de verklaring van onderzoek gebruikte term "vergelijkingsmateriaal" is volgens de Vakbijlage een breed begrip en kan verschillende documenten betreffen, die worden gebruikt ter analyse van een ingebracht document, waaronder ook valse of vervalste documenten. Dit strookt met de door de staatssecretaris gegeven uitleg dat de drie documenten als elkaars vergelijkingsmateriaal zijn gebruikt.

Dit betekent dus dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, de staatssecretaris heeft voldaan aan zijn vergewisplicht. De rechtbank kan, indien zij een verdere toetsing van het onderzoek nodig acht, gebruikmaken van haar wettelijke bevoegdheid om de vertrouwelijke onderliggende stukken in te zien. De rechtbank had, door deze bevoegdheid te gebruiken, beter kunnen beoordelen of de verklaring van onderzoek voldoende inzichtelijk en concludent is. Door geen gebruik te maken van deze bevoegdheid is de rechtbank in dit geval daarom ten onrechte tot het oordeel gekomen dat de staatssecretaris het besluit ondeugdelijk heeft gemotiveerd.

De grief slaagt. Het hoger beroep is gegrond.
RvS 202101922/1/V2, 22.9.22
ECLI:NL:RVS:2022:2765

Pagina's