Nieuws

SvJ&V: reactie vragen wetsvoorstel staatloosheid

Op dit moment staan ongeveer 6.000 personen als ‘staatloos’ ingeschreven in de BRP. Deze personen beschikten veelal over buitenlandse brondocumenten waaruit de staatloosheid blijkt.

De groep staatlozen in situ in Nederland (rond de 1.600 personen) bestaat in hoofdzaak uit Molukkers (en een deel van hun nazaten) die de Indonesische noch de Nederlandse nationaliteit wilden aannemen, en uit Roma.

Van het aandeel migranten binnen de groep staatlozen in Nederland zijn de belangrijkste landen van herkomst Syrië, Israël, Libanon, Verenigde Arabische Emiraten en Saoedi-Arabië. Tussen 2015 en 2020 zijn aan staatloze vreemdelingen met als geboorteland Syrië, Saoedi-Arabië, de Verenigde Arabische Emiraten, Israël en Libanon in Nederland 4.260 verblijfsvergunningen verleend. Uitgesplitst naar het door de IND geregistreerde geboorteland: Syrië: 3.890, Libanon: 130, Saoedi-Arabië: 100, Verenigde Arabische Emiraten: 100 en Israël 40. In ca. 3.590 gevallen betrof het een verblijfsvergunning op asielgronden. In ca. 670 gevallen betrof het een verblijfsvergunning op reguliere gronden.

Volgens DT&V is tussen 2015 en 2019 in ongeveer 190 gevallen sprake van aantoonbaar vertrek van een staatloze. Voorts is tussen 2018 en 2020 aan (afgerond) 40 staatloze vreemdelingen een buitenschuldvergunning verleend....

Met het voorstel van rijkswet (kamerstuk 35688) wordt een nieuw optierecht geïntroduceerd voor staatloos in Nederland geboren kinderen zonder rechtmatig verblijf.17 Daardoor kunnen deze kinderen het Nederlanderschap verkrijgen – ook als zij geen rechtmatig verblijf hebben.

Het onderhavige wetsvoorstel voorziet in het recht op een identiteitsdocument voor elke vastgestelde staatloze. Aan de hand van het pasje kan de betrokkene aantonen dat hij staatloos is. Verder wordt staatloosheid betrokken in de beoordeling binnen de buitenschuldprocedure, zodat staatlozen die buiten hun schuld niet kunnen terugkeren alsnog rechtmatig verblijf kunnen verkrijgen. Ten slotte kunnen staatloos in het Koninkrijk geboren vreemdelingen met rechtmatig verblijf ook nu al versneld het Nederlanderschap verkrijgen middels de bestaande optieprocedure in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, RWN. Ook geldt op grond van artikel 8, vierde lid, RWN voor staatlozen met rechtmatig verblijf een verkorte naturalisatietermijn van drie jaar.

kamerstuk 35687 nr. 6, 3.1.22
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-1011449.pdf

Rb: geen noodzaak inbewaringhouden paspoort bij politie

Op grond van artikel 52, eerste lid, van de Vw is verweerder in het kader van de grensbewaking en het toezicht op vreemdelingen bevoegd om reis- en identiteitspapieren van personen in te nemen of tijdelijk in bewaring te nemen. Op grond van het tweede lid van dat artikel wordt het reis- of identiteitspapier aan de vreemdeling teruggegeven indien hij te kennen geeft Nederland te willen verlaten en hij ook daadwerkelijk vertrekt.

Op grond van artikel 4.23, eerste lid, aanhef en onder d, van het Vb neemt verweerder het reis- of identiteitspapier van een persoon tijdelijk in bewaring voor zover dit nodig is met het oog op de uitzetting of de overgave aan de buitenlandse grensautoriteiten.

Paragraaf A2/8 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) bepaalt, voor zover relevant, dat verweerder het document zo spoedig mogelijk aan de vreemdeling teruggeeft als de redenen van de tijdelijke inbewaringneming van het document komen te vervallen.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder ontoereikend heeft gemotiveerd dat de inname van eisers paspoort evenredig is. Hiervoor is vereist dat het houden van eisers paspoort nodig is met oog op zijn uitzetting of overgave. Uit de motivering van verweerder volgt noch dat verweerder eiser daadwerkelijk gaat uitzetten, noch dat het noodzakelijk is om het paspoort te houden voor die uitzetting. Ook valt niet in te zien hoe sprake kan zijn van slechts een tijdelijke opschorting van de uitzetting, nu verweerder geen enkel plan heeft geuit tot uitzetting, onder welke voorbehouden of op wat voor termijn dan ook.

Het beroep is daarom gegrond. Op basis van het dossier en het besprokene ter zitting overweegt de rechtbank dat slechts één uitkomst mogelijk is. Immers, ook kijkend naar de situatie van dit moment is niet gebleken van een voorgenomen uitzetting op grond waarvan het redelijkerwijs noodzakelijk kan worden geacht om het paspoort in bewaring te houden. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit, herroept het primaire besluit en – gelet op de finaliteit – zal de rechtbank zelf in de zaak voorzien door te bepalen dat verweerder eisers paspoort zo spoedig mogelijk teruggeeft.

Rb Amsterdam AWB 20/7629 & AWB 20/7630, 5.11.21
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:14759

Rb: vreemdeling heeft ingenomen paspoort niet onmiddellijk nodig

De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekster het spoedeisend belang bij onmiddellijke teruggave van het paspoort onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. Verzoekster heeft bij de inname van het paspoort een bewijs van inname en een kopie van haar paspoort ontvangen. Met deze stukken kan verzoekster aan anderen kenbaar maken wie zij is en dat zij over een geldig identiteitsbewijs beschikt. Verzoekster heeft het spoedeisend belang bij het langsbrengen van het paspoort onvoldoende aannemelijk gemaakt.

Nu verzoekster het spoedeisend belang onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt, ziet de rechtbank geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek is kennelijk ongegrond.

Rb den Haag AWB 21/7149, 9.12.21
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:14680

Rb: identiteitscontrole mocht niet, belangen afweging detentie

Uit het proces-verbaal van bevindingen blijkt het volgende. De verbalisanten zagen eiser met twee mannen die hem vergezelden. “Een persoon” leek mogelijk op een persoon uit een briefing. Diegene zou betrokken zijn bij het vervoeren van xtc-pillen. De verbalisanten zagen verder een blikje op tafel zagen staan, vermoedelijk met alcohol, terwijl de mannen zich in een gebied bevonden waar een alcoholverbod geldt. De verbalisanten zijn vervolgens naar de mannen toe gefietst. Daar aangekomen, zagen zij dat het blikje geen alcohol bevatte, maar frisdrank. De verbalisanten hebben de drie mannen staande gehouden en naar hun identiteitsbewijs gevraagd.

Vast staat dat de mannen niet in overtreding waren van het kennelijk aldaar geldende alcoholverbod. Dat kan voor de verbalisanten dan ook geen reden zijn geweest om eiser staande te houden en te vragen naar zijn identiteitsbewijs. Blijft over de verklaring van de verbalisanten dat zij een persoon zagen “die mogelijk leek op een persoon uit de briefing” en dat “vanuit de briefing bleek dat die te maken had met het vervoeren van xtc pillen”. In het proces-verbaal wordt echter niet nader gespecificeerd welke van deze drie personen mogelijk leek op de persoon uit de briefing, wat het signalement was en op grond waarvan de betreffende persoon voldeed aan dat signalement. Evenmin is een afzonderlijk proces-verbaal voorhanden waarin dit wel nader is geconcretiseerd. Het is dan ook onvoldoende duidelijk in welk kader en onder welke omstandigheden eiser is gevraagd zijn identiteitsbewijs te tonen. Het moet er daarom voor worden gehouden dat de controle op de identiteit van eiser heeft plaatsgevonden in het kader van de uitoefening van de bevoegdheid neergelegd in artikel 50, eerste lid, van de Vw. Aan de omstandigheid dat eiser met twee andere personen op een bankje zat in het Westerpark in Amsterdam, kan naar het oordeel van de rechtbank echter geen redelijk vermoeden van illegaal verblijf als bedoeld in voornoemd artikel worden ontleend. De beroepsgrond slaagt.

De rechtbank is van oordeel dat de belangenafweging vanwege de opeenstapeling van gebreken uitvalt in het voordeel van eiser nu hij, met name door de onterechte staandehouding, daadwerkelijk in zijn belangen is geschaad. Het door verweerder gestelde belang bij overdracht van eiser aan Italië weegt daar niet tegen op.

Het beroep is reeds hierom gegrond.

Rb Amsterdam NL 21.14188, 17.9.21
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:15180

Rb: geen 8EVRM ondanks meer dan 30jr verblijf

Eiser verblijft sinds 18 februari 1987, met een onderbreking in de periode 1993-1996, in Nederland. Hij heeft in de periodes 1987-1992 en 1998-1999 (illegaal) arbeid verricht in Nederland en sociale contacten opgebouwd.

De rechtbank overweegt dat verweerder de belangenafweging in het nadeel van eiser kon laten uitvallen. Verweerder heeft hierbij van belang mogen achten dat eiser nooit een verblijfsvergunning heeft gehad. Verweerder heeft verder van belang mogen achten dat eiser in 1993 Nederland is uitgezet en dat hij daarom niet onafgebroken in Nederland heeft verbleven sinds 1987. Ook heeft verweerder het verrichten van arbeid en het hebben van sociale contacten onvoldoende mogen achten, nu dit inherent is aan langdurig verblijf. Verweerder heeft er hierbij ook op mogen wijzen dat eiser ruim twintig jaar geleden voor het laatst arbeid heeft verricht. Tot slot heeft verweerder belang mogen hechten aan het feit dat eiser is geboren en getogen in Marokko, dat hij de Marokkaanse taal spreekt en dat hij een vrouw en kinderen in Marokko heeft (ook al heeft hij momenteel geen contact met hen).

Rb den Haag AWB 21/26, 25.11.21
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:14067

RvS 202107968/1/V1 en 202107968/2/V1, 6.1.21
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2022:35

WBV 2022/1 : Tijdelijke regeling ter uitvoering van arrest TQ

De Vc is aangepast naar aanleiding van het arrest TQ. Naar aanleiding van dit arrest wordt een wetswijzing voorbereid waarbij zal worden voorzien in een wettelijke grondslag voor het verlenen van uitstel van vertrek, hangende het onderzoek naar de aanwezigheid van adequate opvang. Hiermee zal worden voorzien in een andere vorm van toestemming tot verblijf voor de amv als bedoeld in art. 6 lid 4 Terugkeerrichtlijn. Op deze manier verkrijgt de amv zekerheid over zijn wettelijke status na afwijzing van zijn asielaanvraag. Bovendien is het voor de amv duidelijk dat zijn toekomstperspectief in het land van herkomst of een ander land waar toegang redelijkerwijs is gewaarborgd, ligt.

Met deze wijziging van de Vc wordt voorzien in rechtmatig verblijf voor de amv gedurende het onderzoek naar adequate opvang ter overbrugging van de periode tot aan de voorgenomen wetswijziging.
Tevens is de processtap verankerd om ambtshalve te toetsen of uitstel van vertrek moet worden verleend aan een amv van wie de asielaanvraag is afgewezen en ten aanzien van wie nog geen terugkeerbesluit kan worden uitgevaardigd, omdat nader onderzoek nodig is naar adequate opvang in het land van herkomst of het land waar toegang redelijkerwijs is gewaarborgd.

WBV 2022/1, 9.12.21 in Staatscourant (nr. 53) 5.1.22 
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2022-53.html

RvS: uitleg UNWRA-uitsluitingsgrond

De Afdeling leest de Kwalificatierichtlijn aldus: Een staatloze Palestijn die bescherming en bijstand ontvangt van de UNRWA valt onder de reikwijdte van de eerste volzin van artikel 12, eerste lid, onder a, van de Kwalificatierichtlijn. Dat betekent dat diegene is uitgesloten van de vluchtelingenstatus in de Unie en geen recht heeft op de voorzieningen uit hoofde van daarvan. Dat is slechts anders wanneer de betrokken staatloze Palestijn óók valt onder de reikwijdte van de in de tweede volzin van deze bepaling opgenomen insluitingsgrond. Dat is het geval wanneer diegene in een persoonlijke situatie van ernstige onveiligheid verkeert, de UNRWA om bijstand heeft gevraagd en de UNWRA niet in staat is in dat gebied levensomstandigheden te bieden die stroken met haar opdracht, waardoor de staatloze wegens omstandigheden buiten zijn wil gedwongen is het werkgebied van de UNRWA te verlaten. Ook moet de positie van de betrokkene, als staatloze Palestijn die in aanmerking komt voor bescherming en bijstand van de UNRWA, niet definitief zijn geregeld in overeenstemming met de desbetreffende resoluties van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties. Indien de betrokken staatloze Palestijn onder de reikwijdte van die insluitingsgrond valt, heeft dat tot gevolg dat hij recht heeft op de voorzieningen uit hoofde van de Kwalificatierichtlijn zonder dat hij hoeft aan te tonen dat hij een gegronde vrees voor vervolging heeft, tenzij hij valt onder een van de overige in de richtlijn genoemde uitsluitingsgronden. Wanneer de betrokken Palestijn niet valt onder de reikwijdte van de uitsluitings- of insluitingsgrond, is artikel 12, eerste lid, onder a, van de Kwalificatierichtlijn in zijn geheel niet op hem van toepassing.

Het betoog van de vreemdeling dat een Palestijn van rechtswege in aanmerking komt voor de vluchtelingenstatus indien de staatssecretaris hem op basis van de eerste volzin niet kan uitsluiten van de werking van het Vluchtelingenverdrag, is ook onjuist. Daarvoor moet eerst zijn voldaan aan de hiervoor weergegeven vereisten. Voor het antwoord op de vraag of de vreemdeling binnen de reikwijdte van de eerste dan wel tweede volzin van artikel 12, eerste lid, onder a, van de Kwalificatierichtlijn valt, is niet zozeer doorslaggevend of hij is geregistreerd bij de UNRWA, maar vooral of hij kort vóór het indienen van een asielverzoek daadwerkelijk bijstand van de UNRWA heeft ontvangen. ...

Omdat de vreemdeling nooit bescherming en bijstand van de UNRWA heeft ontvangen, en bovendien ook niet in één van de sectoren van het werkgebied van de UNRWA heeft verbleven, is al om die reden duidelijk dat artikel 12, eerste lid, onder a, van de Kwalificatierichtlijn in zijn geheel niet op hem van toepassing is. De rechtbank heeft daarom ten onrechte overwogen dat de motivering van de staatssecretaris waarom artikel 1(D) van het Vluchtelingenverdrag, en daarmee artikel 12, eerste lid, onder a, van de Kwalificatierichtlijn, niet op de vreemdeling van toepassing is, niet deugt.

De grief slaagt.
Het hoger beroep tegen Rb Roermond, NL19.28807, 9.2.21 is gegrond.

RvS 202101105/1/V1, 3.1.22
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2022:1

Rb: onderzoek nodig naar MOB-verklaring COA

De staatssecretaris heeft de asielaanvraag van de vreemdeling buiten behandeling gesteld omdat de vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken. De vreemdeling stelt in Nederland te zijn, maar zich niet binnen de gestelde termijn te kunnen melden.

De rechtbank oordeelt als volgt. Het buiten behandeling stellen van de asielaanvraag is een bevoegdheid en geen verplichting. Dit betekent dat de staatssecretaris gehouden is om met deze bevoegdheid zorgvuldig om te gaan en goed te motiveren waarom in een specifiek geval van deze bevoegdheid gebruik wordt gemaakt. Dat is in het onderhavige geval niet gebeurd. Het formulier M117-A ontbreekt in het dossier, en uit dit dossier kan niet worden afgeleid dat aan de vreemdeling een periodieke meldplicht is opgelegd. Ook is de vreemdeling door het COA als MOB vertrokken gemeld omdat hij de opvang heeft verlaten vanwege de kwaliteit van de opvang, en heeft hij uit eigen beweging een woonruimte gezocht.

Het vertrek van de vreemdeling uit de opvang betekent dat de politie een adrescontrole had moeten uitvoeren, en dat de politie het daadwerkelijke vertrek moest vaststellen. Gelet hierop kon niet worden gesteld dat de vreemdeling is verdwenen of met onbekende bestemming is vertrokken, en mocht de staatssecretaris de asielaanvraag niet buiten behandeling stellen.

Beroep gegrond.
Rb Haarlem, NL21.19081, 30.12.21

SvJ&V: resultaten onderzoek MOB voor 7 nationaliteiten

Onderzocht werden vreemdelingen met de Afghaanse, Algerijnse, Iraakse, Libische, Marokkaanse, Nigeriaanse en Tunesische nationaliteit die MOB gingen in de jaren 2015-2020.

In die periode betrof 23% van alle uitstroom bij het COA MOB-vertrek.

De zeven onderzochte nationaliteiten zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor 39% van de totale MOB-uitstroom bij het COA (= 20.360 / 52.690). De overige 170 nationaliteiten nemen de resterende 61% voor hun rekening (= 32.320 / 52.690).

De aantallen MOB zijn hoog voor Marokkanen (4.980 = 78%), Algerijnen (5.020 = 81%) en Tunesiërs  (1.210 = 81%).

Ook bij amv’s vertrekt gemiddeld 23% MOB. Onder de amv’s met de onderzochte nationaliteiten gaat echter 59% MOB. Dit betreft voor het grootste deel Marokkaanse amv’s.

Ook bij vrouwen vertrekt gemiddeld 23% MOB. Maar van alleenstaande vrouwen onder de onderzochte nationaliteiten gaat 40% MOB.

Iets meer dan de helft ( 53%) van alle personen die MOB vertrekken, wordt opnieuw in de vreemdelingenketen aangetroffen. Een groot deel (26%) van deze groep stroomt weer in via de IND waar ze na een inkomende Dublin-claim worden geregistreerd. Van alle MOB-ers is 25% opnieuw ingestroomd in de opvang. Slechts een klein aandeel (5%) van de totale asielinstroom, stroom na 15 maanden of langer de nationale asielprocedure weer in na een Dublin afwijzing.

https://www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/kamerstukken/2021/12/20/tk-uitkomst-apm-onderzoek-naar-asielzoekers-die-met-onbekende-bestemming-vertrekken-uit-de-opvang/tk-uitkomst-apm-onderzoek-naar-asielzoekers-die-met-onbekende-bestemming-vertrekken-uit-de-opvang.pdf, 20.12.21

zie ook samenvatting: https://www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/rapporten/2021/12/20/tk-bijlage-1-mob-analyse-samenvatting/tk-bijlage-1-mob-analyse-samenvatting.pdf

en data: https://www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/rapporten/2021/12/20/tk-bijlage-2-mob-analyse/tk-bijlage-2-mob-analyse.pdf

COA: uitstroom uit AZC in 2021 t/m nov

naar woning

19.253

64%

naar AC

960

3%

MOB

6.757

22%

Ontruiming

368

1%

geen recht opv na POL

354

1%

zelfstandig terug

543

2%

vreemdelingenbewaring

864

3%

totaal

30.184

 

WOB-verzoek Jelle Goezinnen, 21.12.21

Pagina's