Nieuws

CRvB: geen aanvullende bijstand voor jong-gehandicapte met kind en partner zonder verblijfsrecht

Appellant ontvangt een Wajong-uitkering. Het college heeft aanleiding gezien om aan appellant bijzondere bijstand toe te kennen voor een bedrag van € 67,- per maand. Bij het bepalen van de hoogte van dit bedrag, heeft het college aansluiting gezocht bij de kinderbijslag. Het college heeft aangenomen dat bij appellant sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke bestaanskosten tot voornoemd bedrag.

Het college is terecht tot de conclusie gekomen dat geen recht bestaat op meer bijzondere bijstand, omdat niet is gebleken dat zich andere noodzakelijke bestaanskosten voordoen, die niet uit het inkomen van appellant kunnen worden voldaan. Appellant stelt dat duidelijk is, dat hij door het niet kunnen erkennen van zijn kind en door het niet-rechtmatige verblijf van zijn partner bepaalde toeslagen en andere voorzieningen is misgelopen. Appellant miskent hiermee dat bijzondere bijstand niet is bedoeld voor vergoeding van algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, maar voor andere dan algemene bestaanskosten.

Appellant heeft verder aangevoerd dat zijn kind recht heeft op een toereikende levensstandaard, zoals is neergelegd in de artikelen 26 en 27 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK), in verbinding met de artikelen 2 en 3 van het IVRK. In dit geval is er geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich bij de weigering om voor een hoger bedrag bijzondere bijstand te verlenen onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind. Appellant heeft niet concreet gemaakt waarom en in welk opzicht de door hem genoemde verdragsbepalingen zijn geschonden. Daarbij komt dat artikel 27 van het IVRK geen normen bevat die vatbaar zijn voor rechtstreekse toepassing door de rechter, omdat die bepaling onvoldoende concreet is.

CRvB 18 6223 PW, 8.9.20
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRvB:2020:2114

SvJ&V: antwoord kamervragen uitzetting naar Soedan

In de periode van 1 januari 2010 tot en met 31 december 2020 zijn er vanuit de caseload van de DT&V, afgerond op tientallen, in totaal 190 Soedanese vreemdelingen aantoonbaar vertrokken naar Soedan. In circa 160 gevallen betrof dit zelfstandig vertrek, in circa 30 gevallen betrof dit gedwongen vertrek...

In het algemeen ambtsbericht Soedan d.d. oktober 2019 zijn de signalen van mensenrechtenorganisaties over uitzettingen naar Soedan expliciet benoemd. Uit de afweging van alle beschikbare informatie is echter gebleken dat de situatie in Soedan in algemene zin veilig genoeg is om tot uitzetting over te gaan en dat er geen reden is om aan te nemen dat Soedanezen die terugkeren naar hun land van herkomst enkel om deze reden in de bijzondere aandacht van de Soedanese autoriteiten staan.

In zowel het Algemeen Ambtsbericht Soedan d.d. oktober 2019 als het Algemeen Ambtsbericht Soedan d.d. juni 2017 is opgenomen dat de NISS zich schuldig maakte aan intimidatie, arrestatie, (langdurige) detentie en geweld tegen, onder andere, ngo-medewerkers, journalisten, demonstranten, politiek activisten en mensenrechtenverdedigers. Tevens is bekend dat de NISS en andere veiligheidstroepen vrijwel onbeperkte immuniteit genoten gedurende het bewind van al-Bashir.

Uit de afweging van alle beschikbare informatie is echter gebleken dat Soedan in algemene zin veilig genoeg is om tot uitzetting over te gaan als na zorgvuldige toetsing van een individuele vrees niet is gebleken. Voorts is in bovengenoemde ambtsberichten opgenomen dat in het kader van terugkeer alleen mensen die door de Soedanese autoriteiten als een bedreiging worden beschouwd, mogelijk in de negatieve aandacht komen te staan van de autoriteiten en daardoor een risico lopen op mensenrechtenschendingen. Er is daarom geen reden geweest om aan te nemen dat alle Soedanezen die terugkeren naar hun land van herkomst enkel om deze reden in de bijzondere aandacht van de Soedanese autoriteiten staan.

file:///C:/Users/Asus/Downloads/antwoorden-kamervragen-over-het-bericht-wat-er-met-ali-samoal-ibrahim-gebeurde-na-hun-uitzetting-naar-soedan.pdf, 22.2.21

Rb: tijdsduur meewegen bij opheffen ongewenstverklaring Palestijnse 1F-er, inmiddels Belg

De vreemdeling vroeg in 1998 in NL asiel, dit is afgewezen en 1F is op hem van toepassing geacht. De vreemdeling is vervolgens ongewenst verklaard. Sinds 2020 heeft hij de Belgische nationaliteit. De vreemdeling heeft een verzoek tot opheffing van de ongewenstverklaring ingediend, welke is afgewezen door de staatssecretaris.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de staatssecretaris zich niet mogen beperken tot het in herinnering roepen van de gedragingen van de vreemdeling en te stellen dat uit de brief van de Palestinian Mission Kingdom of the Netherlands niet blijkt dat er werkelijk gedegen onderzoek is gedaan naar het verleden en de werkzaamheden van de vreemdeling. Hiermee heeft de staatssecretaris immers zelf geen onderzoek verricht naar de vraag of de ernst van deze aan de vreemdeling verweten gedragingen en de mate waarin de vreemdeling daarbij persoonlijk betrokken is geweest zodanig zijn dat nog steeds moet worden gesproken van een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor de openbare orde (arrest K. en H.F., ECLI:EU:C:2017:973).

Er is onvoldoende onderkend dat tijdsverloop een stellig relevant gegeven is waarbij alleen een eventuele uitzonderlijke ernst van de betrokken handelingen kan maken dat ook na een betrekkelijk lang tijdsverloop nog steeds sprake is van een actuele bedreiging. De staatssecretaris heeft niet gemotiveerd waarom de vreemdeling aan het criterium ‘uitzonderlijk ernstige’ gedragingen zou hebben voldaan. De staatssecretaris heeft ook niet toereikend gemotiveerd dat de ongewenstverklaring niet kan worden opgeheven omdat de vreemdeling nog steeds een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de Nederlandse samenleving.

Beroep gegrond.
Rb Den Haag, AWB 20/4115, 17.2.21

Rb: heroverweging zwaar inreisverbod teruggekeerde Bosnische 1F-er

Verweerder betwist niet dat eiser na de periode waarin de 1(F)-gedragingen hebben plaatsgevonden geen handelingen meer heeft verricht die tot de conclusie zouden kunnen leiden dat hij een actueel, werkelijk en voldoende ernstig gevaar vormt voor de openbare orde en onderkent dat het recidiverisico laag is. Dit is op zichzelf niet doorslaggevend. Verweerder betwist echter ook niet dat eiser sinds september 2014 weer samenleeft met de Bosnische Serviërs in Srebrenica en dat dit probleemloos gaat. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder ten onrechte niet kenbaar in zijn motivering betrokken of hieruit kan worden afgeleid dat er aan de zijde van eiser sprake is van een veranderde houding. Immers is eiser eerder in verband is gebracht met vervolging van deze groep terwijl hij nu in goede harmonie met hen samenleeft.

De Afdeling heeft in haar uitspraak van 16 december 2020 geoordeeld dat het van betekenis is of de vreemdeling oprecht berouw toont. De rechtbank hecht er allereerst aan op te merken dat dit vereiste niet met zoveel woorden uit het arrest K. en H.F. voortvloeit. Afgezien daarvan, heeft verweerder door enkel te verwijzen naar een gehoorrapport uit 2005 geen deugdelijke motivering gegeven van de actualiteit van eisers bedreiging voor de openbare orde op dit punt. Verweerder heeft evenmin kunnen aanwijzen uit welke actuele feiten of omstandigheden wel zou blijken dat eiser nog steeds een houding aanneemt die zich niet verdraagt met de in artikel 2 en 3 van het VEU bedoelde fundamentele waarden.

De rechtbank komt tot de tussenconclusie dat verweerder niet toereikend heeft gemotiveerd dat eisers inreisverbod niet kan worden opgeheven omdat hij nog steeds een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de Nederlandse samenleving.

Rb Middelburg  AWB 20/16, 10.2.21
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:1524

Rb: amv houdt rechtmatig verblijf na afwijzing asielverzoek ivm EU-Hof uitspraak

Verweerder heeft in de besluitvorming niet grondig en concreet onderzocht of er voor eiser, als 16-jarige, adequate opvang beschikbaar is in Guinee. Verweerder heeft wel naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie van 14 januari 2021 het besluitonderdeel dat een terugkeerbesluit behelst ingetrokken.

De handelwijze van verweerder om eenvoudigweg het terugkeerbesluit in te trekken en vervolgens te bepalen dat geen rechtmatig verblijf wordt toegekend is in strijd met het Unierecht. Verweerder is gehouden een meeromvattende beschikking te nemen op een asielaanvraag. Indien verweerder beslist dat de asielaanvraag niet wordt ingewilligd dient hij een terugkeerplicht vast te stellen. Indien hij dat niet kan omdat hij niet (tijdig) in staat is het onderzoek naar adequate opvang te verrichten conform de uitleg die het Hof van Justitie in het arrest TQ van 14 januari 2021 heeft gegeven volgt er dus geen vaststelling van onrechtmatig verblijf vanwege het niet voldoen aan een terugkeerplicht. Reeds hierom ontstaat rechtmatig verblijf voor de minderjarige vreemdeling. Het Hof van Justitie heeft expliciet overwogen dat minderjarigen geen feitelijk verblijf kan worden toegestaan op grond van een “gedoogconstructie”. Indien verweerder, zoals hij thans heeft gedaan door het terugkeerbesluit in te trekken bepaalt dat eiser na afwijzing van zijn asielaanvraag geen terugkeerplicht heeft en dus niet onrechtmatig in Nederland verblijft, kan het niet anders worden uitgelegd dan dat eiser sinds de afwijzing van de asielaanvraag rechtmatig verblijf heeft gehad. Dat verweerder thans onvoldoende in staat is geweest om de gevolgen van het arrest van 14 januari 2021 te duiden en om te zetten in beleid doet hieraan niet af.

De rechtbank stelt dan ook vast dat eiser in ieder geval vanaf de datum van afwijzing van de asielaanvraag in het bestreden besluit rechtmatig in Nederland verblijft.

Rb den Bosch NL20.19498, 15.2.21
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:1103

Rb: vergunning voor verblijf stiefmoeder bij NLse stiefzoon

De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom geen sprake zou zijn van meer dan marginale zorg- en opvoedingstaken. De rechtbank acht daartoe met name de schriftelijke verklaring van de voormalig pleegouders en de mondelinge toelichting van de voormalig pleegmoeder ter zitting doorslaggevend. Daarin komt het beeld naar voren dat eiseres sinds enkele jaren deel uitmaakt van het gezin van [stiefzoon] en dat zij binnen het gezin zorg- en opvoedingstaken verricht.

Verweerder heeft de inhoud van de verklaring van de voormalig pleegouders onvoldoende meegewogen in de beoordeling. Deze verklaring kan niet als niet of onvoldoende objectief ter zijde worden geschoven. De verklaring wordt bovendien ondersteund door foto’s van eiseres en [stiefzoon] . Of sprake is van meer dan marginale opvoed- en zorgtaken dient nog te worden beoordeeld aan de hand van de verklaring van de pleegouders tezamen met de verklaringen van de school van [stiefzoon] , van [stiefzoon] zelf en zijn vader. Voor de beoordeling van de afhankelijkheidsrelatie tussen eiseres en [stiefzoon] is ook de emotionele ontwikkeling van [stiefzoon] van belang. Eiseres heeft daarom terecht aangevoerd dat verweerder onvoldoende bij zijn beoordeling heeft betrokken dat [stiefzoon] een moeilijke jeugd heeft gehad, omdat zijn moeder het gezin heeft verlaten waardoor hij een deel van zijn leven in een pleeggezin is opgegroeid. De verklaring van [vroegere pleegouder 1] , waarin zij uitgebreid beschrijft onder welke omstandigheden [stiefzoon] is opgegroeid, bevestigt dat beeld. De moeilijke jeugd van [stiefzoon] kan van invloed zijn op de mate van zijn affectieve relatie met eiseres en het risico dat voor het evenwicht van [stiefzoon] zou ontstaan indien hij van eiseres zou worden gescheiden. Op grond van het arrest Chavez-Vilchez had verweerder dit bij zijn beoordeling moeten betrekken.

Naar het oordeel van de rechtbank is het bestreden besluit niet deugdelijk en onvoldoende gemotiveerd. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit wordt vernietigd.

Rb Utrecht AWB 20/4410 en 20/4411, 3.2.21
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:1385

Rb: risico op zweepslagen bij terugkeer Iraanse vrouw die van overspel is beschuldigd

De vreemdeling stelt dat zij is mishandeld en bedreigd door haar echtgenoot.

De rechtbank oordeelt als volgt. Dat de mishandelingen door de echtgenoot en de nog van deze echtgenoot te verwachten problemen, waarbij ook de in beroep overgelegde aangifte wegens overspel in aanmerking wordt genomen, onvoldoende zwaarwegend zouden zijn om te leiden tot een reëel risico op ernstige schade, heeft de staatssecretaris onvoldoende gemotiveerd. De staatssecretaris heeft erop gewezen dat de vreemdeling zich heeft kunnen onttrekken aan de mishandelingen en gerechtelijke procedures heeft gevoerd om genoegdoening te krijgen, helaas zonder het gewenste resultaat. Naar het oordeel van de rechtbank geeft de staatssecretaris daarmee onvoldoende blijk van de context waarbinnen het relaas van de vreemdeling zich afspeelt. Daarbij is van belang dat in Iran de echtgenoot op verschillende vlakken zeggenschap heeft over zijn echtgenote en dat de tegen vreemdeling ingediende aangifte van overspel mogelijk wordt bestraft met steniging. Daarmee bestaat nog steeds een reëel risico op ernstige schade. Beroep gegrond.

Rb Middelburg, NL20.20148, 11.2.21
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:1616

Rb: risico voor afvallige in Irak

De vreemdeling heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij afvallig moslim en atheïst is. De staatssecretaris heeft de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Hiertegen heeft de vreemdeling beroep ingesteld, wat niet-ontvankelijk is verklaard. Het verzet wat de vreemdeling hiertegen heeft ingesteld is gegrond verklaard.

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het Algemeen ambtsbericht Irak uit 2019 en uit de door de vreemdeling overgelegde stukken dat alleen al het zijn van een afvallig moslim en atheïst in Irak problemen kan opleveren met familieleden, bevolking en milities. Uit de omstandigheid dat de vreemdeling gedurende tien jaren in Irak al geen praktiserend moslim meer was en daardoor geen zwaarwegende problemen heeft ondervonden volgt evenmin dat hij geen risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. De situatie is niet vergelijkbaar met het openlijk toegeven een afvallige en atheïst te zijn.

De rechtbank is van oordeel dat zonder nader feitelijk onderzoek van de staatssecretaris naar de situatie van afvallige moslims en atheïsten die terugkeren naar Irak niet op een deugdelijke wijze kan worden beoordeeld of sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden zoals benoemd in het Bahaddar-arrest.

Beroep gegrond.
Rb Zwolle, NL20.5439, 11.2.21

Rb: mogelijk risico bij terugkeer naar Eritrea ondanks legale uitreis

De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij terugkeer naar Eritrea in negatieve belangstelling komt van de autoriteiten door haar uitreis. Uit het Algemeen Ambtsbericht volgt dat mensen in de periode van september 2018 tot december 2019 heen en weer konden reizen over de grens. Uit het EASO-rapport volgt verder dat mensen vanaf juli 2019 wel weer terug konden reizen, maar dat zij wel moeten aantonen dat zij in die periode zijn uitgereisd. Dat de vreemdeling volgens de staatssecretaris met de UNHCR-registratiekaart kan aantonen dat zij in september 2018 is uitgereisd ziet de rechtbank anders. Uit de UNHCR-registratie blijkt dat de vreemdeling zich op 29 september 2018 heeft geregistreerd in Ethiopië, maar daaruit volgt niet dat zij ook in september Eritrea is uitgereisd. De staatssecretaris heeft dit onvoldoende betrokken bij zijn beoordeling. Het bestreden besluit is daarom onvoldoende gemotiveerd. Beroep gegrond.

Rb Utrecht, NL21.1157, 18.2.21

WBV 2021/3: landenbeleid China

De informatie uit het ambtsbericht heeft aanleiding gegeven om groepsvervolging aan te nemen voor vreemdelingen van wie geloofwaardig is dat zij tot de groep van Oeigoeren uit China behoren. Uit het ambtsbericht blijkt ook de zorgelijke positie van etnische Kazachen in China. Voor hen zal de IND bij geringe indicaties aannemen dat er een gegronde vrees is voor vervolging (risicogroep).

Ook wordt groepsvervolging aangenomen voor vreemdelingen van wie het geloofwaardig is dat zij actieve aanhanger zijn van een xie jiao (voorheen evil cult). Ten aanzien van aanhangers van ‘grijze’ (niet-geregistreerde) kerkgenootschappen zal reeds bij geringe indicaties worden aangenomen dat er sprake is gegronde vrees voor vervolging waardoor is besloten om aanhangers van ´grijze´ kerkgenootschappen aan te merken als risicogroep.

De IND houdt bij de behandeling van (eventuele) individuele asielaanvragen van inwoners van Hongkong in het vervolg rekening met het feit dat verblijf in Hongkong geen belemmering (meer) vormt voor vervolging door de Chinese autoriteiten in Peking.

WBV 2021/3, 11.2.21 in Staatscourant 8191, 18.2.21
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2021-8191.html

Pagina's