Nieuws

Rb: recht op opvang tijdens hasa ivm LH-arrest

De voorzieningenrechter in deze zaak wilde de behandeling van het beroep in de herhaalde aanvraag aangehouden omdat de bijstand van een tolk noodzakelijk is. De gemachtigde heeft daarop aangegeven dat hij aarzelt over aanhouding omdat verzoeker, nu hij een opvolgende aanvraag heeft ingediend, geen recht meer op opvang heeft.

De voorzieningenrechter zal de gevraagde voorziening toewijzen en merkt daarbij op dat het maar zeer de vraag is of de regelgeving dat er -kennelijk- geen recht op opvang bij opvolgende aanvragen bestaat verenigbaar is met het Unierecht. Het Hof heeft in de zaak LH overwogen dat het maken van onderscheid tussen eerste en opvolgende aanvragen als het gaat om de samenwerkingsplicht en het waarderen van documenten die een aanvraag om internationale bescherming kunnen staven niet gerechtvaardigd is. De voorzieningenrechter vermag, voorlopig oordelend, niet in te zien waarom het Hof anders zou oordelen als het gaat om een zo wezenlijk recht als het recht op opvang gedurende een procedure die wordt ingeleid met een verzoek om internationale bescherming.

Rb den Bosch NL21.15163, 3.12.21
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:13306

SvJ&V: aantal mislukte uitzettingen vanwege corona

Dit jaar moesten tot december vanwege test- en vaccinatievereisten al meer dan 1.200 vluchten geannuleerd worden, vooral vluchten binnen de Europese Unie. Bij meer dan 440 vreemdelingen die geen medewerking wensten te verlenen aan een COVID-test, is de uiterste datum verstreken waarop zij konden worden overgedragen aan een ander Europees land. Verder moesten vanaf medio maart tot medio december circa 310 bewaringen worden opgeheven.

https://www.vreemdelingenvisie.nl/vreemdelingenvisie/2021/11/leg-mij-nou-eens-uit, 2.12.21

Rb: bij afwijzing asielverzoek moet terugkeerland vermeld worden

Verweerder heeft niet aannemelijk hoeven achten dat eiser de Nigeriaanse en/of de Amerikaanse nationaliteit heeft en heeft evenmin de Nigeriaanse herkomst aannemelijk hoeven achten. De rechtbank overweegt vervolgens dat niet is voldaan aan de vereisten die aan een Terugkeerbesluit worden gesteld, omdat het land waarheen de vreemdeling moet terugkeren daarin niet is vermeld.

De stelling van verweerder ter zitting dat zal worden afgezien van verwijdering maakt het terugkeerbesluit niet alsnog rechtmatig. In het besluit is weliswaar overwogen dat eiser kan worden verwijderd als hij niet vertrekt, echter op geen enkele wijze is gemotiveerd op grond waarvan verweerder meent dat hij niet is gehouden aan de Unierechtelijke verplichting om illegaal op het grondgebied van de Unie verblijvende derdelanders te verwijderen. De stelling van verweerder ter zitting dat hij overweegt ter zitting om het terugkeerbesluit alsnog in te trekken kan nergens toe leiden. Verweerder is immers gehouden een meeromvattende beschikking te nemen op een asielaanvraag.

Indien verweerder beslist dat een asielaanvraag niet wordt ingewilligd en geen verblijf wordt toestaan, stelt hij daarmee vast dat voortgezet verblijf onrechtmatig is. Dan moet verweerder een terugkeerbesluit nemen en heeft eiser daarmee een vertrekplicht en verweerder een verwijderplicht als eiser niet zelfstandig vertrekt. Indien verweerder niet vaststelt dat sprake is van onrechtmatig verblijf lijkt verweerder daarmee te impliceren dat sprake is van rechtmatig verblijf na afronding van de beslissing op de aanvraag. Verblijf kan immers slechts rechtmatig óf niet rechtmatig zijn. Verweerder zal een kenbare en gemotiveerde beslissing moeten nemen of hij het verblijf van eiser rechtmatig of niet rechtmatig acht. Indien hij het voortgezet verblijf niet rechtmatig acht moet hij een terugkeerbesluit nemen en is hij gehouden om tot verwijdering over te gaan. Het Hof heeft in TQ immers ook -kort gezegd- overwogen dat “gedogen” van niet rechtmatig verblijf in strijd is met de Terugkeerrichtlijn.

Verweerder zal in zijn nieuw te nemen besluit moeten aangeven welk land hij als land van bestemming duidt.
Rb den Bosch NL21.12952, 25.11.21
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:12951

Rb: besluit nodig over kwetsbare jonge Marokkaan, geen opvang bij terugkeer

In het nader gehoor heeft de minderjarige onder meer verklaard dat hij in Marokko verslaafd was geraakt aan lijm. Vanwege ruzies daarover met zijn ouders en problemen die hij thuis veroorzaakte, heeft hij op straat geleefd. Zijn ouders wilden niet meer dat hij thuis kwam als hij lijm had gebruikt. Zij hebben hem ook niet bij zijn verslaving kunnen helpen. In die periode is hij meermalen door jongeren op straat mishandeld. ....

Uit de verklaringen van eisers voogd van Nidos komt naar voren dat eiser bij aankomst in NL in een psychotische toestand verkeerde en kort daarna een zelfmoordpoging heeft gedaan. Hierna is eiser met een crisismaatregel opgenomen geweest binnen de GGZ, gevolgd door een verblijf van tweeënhalve maand binnen de gesloten jeugdhulp, waar hij is gestabiliseerd in zijn verslaving. Vervolgens is hij doorgestroomd naar een kleinschalige opvang binnen Nidos, waar hij op dit moment nog verblijft. In mei 2021 heeft de huisarts eiser doorverwezen naar de GGZ voor een behandeling van trauma’s. Eiser staat daar nu op de wachtlijst.

Uit het bestreden besluit blijkt niet dat verweerder de specifieke aard van eisers problemen, de ernst daarvan, het feit dat eiser is doorverwezen voor behandeling bij de GGZ en alle hulp die hij tot op heden in Nederland heeft ontvangen, heeft betrokken bij de vraag of sprake is van ‘bijzondere kwetsbaarheid’ en bij de vraag naar de ‘fysieke en mentale gezondheid’ van eiser, welke aspecten uitdrukkelijk betrokken dienen te worden bij de beoordeling of terugkeer naar Marokko in het belang van eiser is. In elk geval is in het besluit niet deugdelijk gemotiveerd waarom ondanks deze problematiek, de hulp die is verleend in Nederland en de op handen zijnde behandeling bij de GGZ, terugkeer naar Marokko in het belang van eiser wordt geacht. De overweging in het besluit dat niet valt in te zien dat eiser niet in Marokko behandeld zou kunnen worden, geeft geen blijk van het verrichten van een grondig onderzoek naar de situatie van eiser, waartoe verweerder volgens het arrest TQ wel is gehouden.

De problematiek van eiser en de kennelijke behoefte aan behandeling zijn ook van belang voor de vraag of in Marokko adequate opvang beschikbaar is voor eiser. Verweerder heeft erop gewezen dat uit eisers verklaringen volgt dat hij al sinds zijn komst naar Europa geen lijm meer gebruikt en eiser contact heeft met zijn ouders. Dit laat echter onverlet dat eiser volgens zijn verklaringen in het verleden niet thuis kon verblijven wegens de verslaving en het probleem van de verslaving is blijven voortbestaan. Eiser heeft immers in Europa de lijm ingeruild voor aanvankelijk harddrugs en later hasj, welke laatste drugs hij, zo heeft eiser onbetwist verklaard, nog steeds op dagelijkse basis gebruikt. Naar het oordeel van de rechtbank omvat het begrip ‘adequate opvang’ bovendien meer dan enkel onderdak. Het behelst eveneens dat de betrokken minderjarige de bescherming en hulp krijgt die hij nodig heeft. Naast het gegeven dat eiser niet bij zijn ouders thuis kon verblijven wanneer hij lijm had gebruikt, heeft hij in Marokko geen (professionele) hulp voor zijn verslaving gekregen. Nu dus de verslavingsproblematiek van eiser voortduurt en de eerdere opvangsituatie in Marokko niet ertoe heeft geleid dat eiser daar voldoende bescherming en hulp heeft gekregen, heeft verweerder zich niet zonder nader onderzoek op het standpunt kunnen stellen dat eiser bij terugkeer naar Marokko adequate opvang kan krijgen. Bij zijn onderzoek dient verweerder ook te betrekken dat thans naast de verslaving ook (andere) psychische problematiek speelt, welke hulp eiser voor zijn problemen behoeft en of die hulp ook geboden kan worden in Marokko.

De slotsom van het voorgaande is dat het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand is gekomen en ook niet berust op een deugdelijke motivering. De beroepsgrond slaagt.

Rb Rotterdam NL21.17245, 25.11.21
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:1309

HvJ EU: nieuw standpunt behoud verblijfsrecht partner van EU-burger na huiselijk geweld

  • derdelands echtgenoten van Unieburgers en van derdelanders, die slachtoffer waren van huiselijk geweld, bevinden zich ten aanzien van het behoud van hun verblijfsrecht in een EU-lidstaat niet in een vergelijkbare situatie;
  • een derdelands echtgenoot van een Unieburger behoudt zijn afgeleid verblijfsrecht in het gastland zolang hij gehuwd is, ongeacht een feitelijke scheiding;
  • het HvJ komt terug op eerdere rechtspraak en stelt het nu dat een derdelands echtgenoot van een Unieburger als slachtoffer van huiselijk geweld zijn verblijfsrecht ook nog kan behouden na vertrek van de Unieburger uit het gastland, op voorwaarde dat het slachtoffer een echtscheidingsprocedure opstart binnen een 'redelijke termijn' na het vertrek.

 HvJ EU X t. Belgische staat, C-930/19, 2.9.21
https://curia.europa.eu/juris/liste.jsf?num=C-930/19

Rb: vovo toegewezen ivm staatsgreep Soedan

De asielaanvraag van de vreemdeling is op 30 oktober 2021 afgewezen. De vreemdeling gaat hier tegen in beroep en verzoekt om een vovo die ertoe strekt dat hij de beslissing op zijn beroep in Nederland mag afwachten. Op 16 november 2021 is het verzoek op zitting behandeld, waar de algemene situatie in Soedan naar aanleiding van een recente staatsgreep is besproken. Naar aanleiding daarvan heropent de rechtbank het onderzoek, en schorst het vervolgens totdat de staatssecretaris in de week van 6 december een standpunt kan innemen over de algemene situatie in Soedan als gevolg van de recente staatsgreep. De vovo wordt toegewezen.

Vovo toegewezen.
Rb Amsterdam, NL21.17251, 23.11.21

RvS: illegale uitreis uit Eritrea wel mogelijk tussen september-december 2018

De vreemdeling heeft aan haar asielaanvraag ten grondslag gelegd dat zij na het vertrek van haar man en zoon samen met haar drie dochters uit huis werd gezet door de autoriteiten. Zij is vervolgens illegaal naar Ethiopië uitgereisd en vreest hierdoor voor een gevangenisstraf en voor de moeilijkheden die zij ondervond door het vertrek van haar man en zoon. De staatssecretaris heeft de aanvraag afgewezen als ongegrond omdat de vrees niet geloofwaardig wordt geacht.

De rechtbank was van oordeel dat de staatssecretaris zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de vreemdeling legaal is uitgereisd. Uit het EASO rapport volgt dat het in de periode september 2018 tot december 2018 tijdelijk legaal was om Eritrea te verlaten zonder uitreisvisa of andere reisdocumenten. Het standpunt van de vreemdeling dat zij het land illegaal is uitgereisd heeft de staatssecretaris dan ook onjuist kunnen vinden.

De Afdeling overweegt als volgt. De vreemdeling heeft terecht gewezen op het Algemeen ambtsbericht over Eritrea van oktober 2018 en een EASO-rapport van september 2019, waarin passages zijn opgenomen over feitelijk opengestelde grensposten tussen Eritrea en Ethiopië tussen september 2018 en april 2019, evenals passages waaruit volgt dat de formele uitreisvereisten in diezelfde periode nog golden. Het is aan de staatssecretaris om te motiveren hoe die passages zich tot elkaar en het beleid in paragraaf C7/11.4.5. van de Vc 2000 verhouden. In dat beleid is namelijk juist het antwoord op de vraag of de uitreis legaal of illegaal was van belang voor verlening van een verblijfsvergunning asiel. De enkele omstandigheid dat aan de grens feitelijk geen controle op documenten werd uitgeoefend, betekent niet dat elke uitreis in die periode legaal was. De rechtbank heeft niet onderkend dat de staatssecretaris daarom in zijn besluit niet heeft kunnen volstaan met het standpunt dat de uitreis van de vreemdeling uit Eritrea legaal was, omdat die plaatsvond op 11 september 2018.

RvS, 202101289/1, 18.11.21
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2021:2601

RvS: één onvertaald document geen reden om geen onderzoek te doen naar rest documenten

De staatssecretaris heeft de opvolgende asielaanvraag afgewezen omdat de vreemdeling niet bij alle bij de aanvraag gevoegde documenten een vertaling heeft overgelegd, ook nadat hem de gelegenheid was geboden dit verzuim in de zienswijze te herstellen. De vreemdeling stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat omdat van één van de documenten een vertaling ontbreekt, de staatssecretaris die aanvraag buiten behandeling heeft kunnen stellen.

De Afdeling oordeelt als volgt. Uit de Afdelingsuitspraak van 21 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:574) volgt dat de staatssecretaris tot buitenbehandelingstelling kan overgaan, als de informatie die een vreemdeling heeft verstrekt in het kennisgevingsformulier onvoldoende is om de asielaanvraag inhoudelijk te behandelen, en een vreemdeling ook naar aanleiding van een later verzoek om informatie daarmee in gebreke blijft. Van de zes overgelegde stukken mist bij één stuk – een bericht van een politieambtenaar – een vertaling.

Dat in het kennisgevingsformulier staat dat van documenten en bewijsmiddelen een vertaling moet worden meegestuurd betekent niet dat de staatssecretaris de aanvraag buiten behandeling kan laten alleen omdat de vertaling van één van de stukken ontbreekt. De staatssecretaris moet dan nader toelichten waarom de stukken die aan de aanvraag ten grondslag zijn gelegd en wel zijn vertaald onvoldoende zijn om de asielaanvraag inhoudelijk te behandelen, of hij moet nader motiveren waarom het stuk waarvan de vertaling ontbreekt van zodanig belang is voor de inhoudelijke beoordeling van de asielaanvraag dat deze beoordeling zonder deze vertaling ontbreekt. Met haar oordeel dat zonder bekendheid met de inhoud van het niet vertaalde stuk niet kan worden onderzocht wat de betekenis daarvan is in het geheel van de gestelde nieuwe elementen of bevindingen, is de rechtbank hieraan voorbijgegaan.

ABRvS 202103833/1/V2, 17.11.21
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2021:2549

Rb: document kwijtgemaakt door IND, dan uitgaan van echtheid

Bij de IND is het duplicaat van een arrestatiebevel en de onderliggende klacht kwijtgeraakt. Daardoor kan niet voor rekening van de vreemdeling komen dat de authenticiteit van het duplicaat niet kan worden vastgesteld, tenzij concrete twijfels bestaan over de authenticiteit van het document. De staatssecretaris heeft onvoldoende gemotiveerd dat er sprake is van concrete twijfels.

De rechtbank heeft in de uitspraak van 3 augustus geoordeeld dat niet onaannemelijk is dat er sprake is van een gefingeerde klacht, omdat uit de landeninformatie blijkt dat de Tadzjiekse autoriteiten hier vaker gebruik van maken. Dat er sprake is van discrepanties tussen de inhoud van het arrestatiebevel en de verklaringen van de vreemdeling, biedt daarom niet zonder meer voldoende grond voor concrete twijfel over de authenticiteit van het document. De rechtbank geeft de staatssecretaris daarom niet nogmaals de kans om te motiveren dat sprake is van concrete twijfel: in het nieuwe besluit moet hij ervan uitgaan dat sprake is van een authentiek document.

Rb Utrecht, NL21.16825, 19.11.21

Rb: afweging nationaliteit gestelde Somaliër die inreisde met vals Tanzaniaans paspoort

In de onderhavige procedure houdt verweerder vast aan de EU-vis-registratie (=Tanzaniaans ‘vals paspoort’). Hoewel verweerder in beginsel mag uitgaan van een dergelijke registratie, zal de rechtbank dit besluit vernietigen omdat verweerder dit nader zal moeten motiveren gelet op alle bewijsmiddelen die eiser heeft aangedragen om zijn verklaringen te staven.

Daargelaten dat eiser onmiddellijk bij inreis -uit eigen beweging- heeft aangegeven dat hij om te kunnen vluchten gebruik heeft gemaakt van een vals paspoort en een daarop verkregen visum, heeft eiser de herkomstvragen “goed beantwoord” en verweerder zijn Somalische herkomst niet betwist, spreekt eiser de Somalische taal, heeft hij een verklaring van geboorte en een nationaliteitsverklaring die door de Somalische ambassade te Brussel zijn afgegeven overgelegd en heeft hij met een deskundigenonderzoek onderbouwd dat hij dezelfde biologische ouders heeft als zijn broer en zus die in Nederland zijn toegelaten, in dezelfde plaats zijn geboren in Somalië als eiser en waarvan verweerder uitgaat dat zij de Somalische nationaliteit hebben (gehad bij inreis in Nederland). Verweerder heeft al deze omstandigheden op zichzelf beoordeeld en steeds gezegd dat geen van deze omstandigheden op zich zelf “bewijst” dat eiser de Somalische nationaliteit heeft. Verweerder is echter gehouden een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling te verrichten. Door te handelen zoals verweerder in dit geval heeft gedaan legt verweerder een zodanig hoge bewijsdrempel aan dat eiser onmogelijk zijn relaas aannemelijk kan maken....

Verweerder heeft onzorgvuldig gehandeld jegens eiser, heeft onvoldoende invulling gegeven aan zijn samenwerkingsplicht en heeft zijn besluit onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd. Aan verweerder wordt bovendien meegegeven zich er van te vergewissen of hij, gelet op de feiten en omstandigheden in deze zaak, zijn ogen wenst te blijven sluiten voor de realiteit dat vreemdelingen, ondanks dat dit onwenselijk is, zich incidenteel bedienen van het gebruikmaken van derden om valse documenten te verkrijgen. .... Het formalistisch blijven vasthouden aan de EU-vis-registratie omdat eiser het paspoort dat hij heeft gebruikt om een visum mee te verkrijgen en het grondgebied van de Unie in te reizen niet kan tonen, betekent eenvoudigweg dat er geen beoordeling komt van de vragen of eiser reeds een 3 EVRM-schending heeft ondergaan of bij al dan niet gedwongen vertrek naar zijn land van herkomst zal ondergaan en dus of eiser internationale bescherming behoeft. De rechtbank zal het besluit dan ook vernietigen....

De rechtbank overweegt op dit punt tot slot, dat in het geheel niet ondubbelzinnig blijkt dat verweerder uitgaat van Tanzania als land van bestemming. Eiser heeft immers in beroep een verslag van een vertrekgesprek overgelegd, waarin DT&V gaat bezien of reisdocumenten verkregen kunnen worden om terugkeer naar Somalië te bewerkstelligen. De rechtbank overweegt dat verweerder, indien hij voornemens is eiser naar Somalië te verwijderen, hij kennelijk toch uitgaat van de Somalische nationaliteit. ... Verweerder kan niet in de asielprocedure een inhoudelijke beoordeling achterwege laten omdat hij de identiteit en gestelde Somalische nationaliteit niet aannemelijk acht en vervolgens in het uitzettingstraject proberen eiser naar Somalië te verwijderen. Het verbod op refoulement is absoluut en verweerder zal niet alleen moeten beoordelen of tot verblijfsaanvaarding moet worden overgegaan, maar ook of artikel 3 EVRM aan uitzetting in de weg staat. Die beoordeling dient plaats te vinden in de onderhavige procedure die is gestart met de asielaanvraag van eiser.

Rb den Bosch NL21.11437, 30.11.21
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:13172

Pagina's