Rb: Khanke-vluchtelingenkamp Irak niet veilig voor Yezidi-meisje - oud landenbeleid toepassen

De minderjarige vreemdeling stelt dat zij vanwege haar behoren tot de Yezidi-bevolkingsgroep een reëel risico op ernstige schade loopt en bij terugkeer de erbarmelijke omstandigheden in het vluchtelingenkamp Khanke in KAR vreest. De minister stelt dat deze omstandigheden niet als relevante elementen kunnen worden aangemerkt en dat zij niet heeft verklaard persoonlijke problemen te hebben ervaren omdat zij Yezidi is. 
De rechtbank oordeelt als volgt. Er is sprake van bijzondere omstandigheden, omdat er nu een zwaardere bewijslast rust op Yezidi-vreemdelingen om hun gestelde vervolgingsvrees aannemelijk te maken. De vreemdeling is hierdoor benadeeld omdat de minister het besluit op 9 juli heeft genomen. Dit nadeel dient niet voor haar rekening en risico te komen, omdat dit volledig buiten haar invloedssfeer ligt. De minister heeft in het bestreden besluit de asielaanvraag ten onrechte aan het nieuwe landenbeleid getoetst. Gelet op dit gebrek wordt het bestreden besluit vernietigd. Dit betekent concreet dat de asielaanvraag in dit specifieke geval getoetst had moeten worden aan het oude landgebonden asielbeleid voor Irak.

Voorts heeft de minister alle individuele omstandigheden van de vreemdeling onvoldoende betrokken. Zo heeft de minister zich niet uitgelaten over of een gezonde ontwikkeling in het vluchtelingenkamp Khanke mogelijk is, gelet op de leefomstandigheden aldaar, haar geslacht, leeftijd en haar positie als Yezidi. Daarnaast is de minister onvoldoende ingegaan op de psychische problemen van de vreemdeling en de beschikbaarheid van zorg. Een Nidos-begeleider heeft toegelicht dat de vreemdeling trauma's heeft. Dat een medisch dossier ontbreekt verzet zich niet tegen het beoordelen van de medische situatie van een amv'er aan de hand van andere stukken. Voorts wordt het verblijf in het vluchtelingenkamp Khanke niet als adequate opvang gezien vanwege de slechte omstandigheden en dreigende sluiting, en heeft de minister geen zorgvuldig onderzoek verricht naar alternatieve opvangmogelijkheden. De minister heeft onvoldoende rekening gehouden met de belangen van het kind, zoals vereist in het TQ-arrest. 

Beroep gegrond.
Rb Rotterdam, NL24.21425, 24.10.24