bezoek ook: www.noo.nl / www.meldpuntvreemdelingendetentie.nl / www.basicrights.nl / www.iLegalevrouw.nl
Art. 197 Sr stelt niet als voorwaarde voor strafrechtelijke aansprakelijkheid dat verdachte na uitgevaardigd inreisverbod grondgebied van EU heeft verlaten zodat inreisverbod ook daadwerkelijk is ingegaan. Evenmin stelt deze bepaling als voorwaarde dat het inreisverbod is geschonden doordat verdachte (na verlaten van EU) in strijd met inreisverbod EU weer is binnengekomen.
Het betoog dat de hiervoor gegeven uitleg van art. 197 Sr in strijd is met terugkeerrichtlijn, berust op onjuiste rechtsopvatting gelet op het recente arrest van HvJEU. Art. 197 Sr voorziet in toegankelijke, nauwkeurige en voorzienbare strafbaarstelling van “gekwalificeerd illegaal verblijf”, zodat deze voldoet aan vereisten van art. 49.1 Handvest van grondrechten van EU en art. 7.1 EVRM. Daarbij is van belang dat art. 197 Sr niet schending van gegeven inreisverbod strafbaar stelt of bij omschrijving van strafbaar gesteld gedrag verwijst naar schending van dat verbod maar slechts uitvaardiging ervan.
Ad 2. In aanmerking genomen dat bewezenverklaring niet bestanddeel bevat dat verdachte “wist of ernstige reden had te vermoeden” dat inreisverbod tegen hem was uitgevaardigd, heeft hof bewezenverklaarde ten onrechte gekwalificeerd als “als vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl hij weet, dat tegen hem inreisverbod is uitgevaardigd”.
Volgt vernietiging en terugwijzing. Vervolg op ECLI:NL:HR:2018:2192 (prejudiciële vraag aan HvJEU).
Hoge Raad 17/03472, 1.12.20
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2020:1893