RvS: aanwezigheid partner voorwaarde voor beschikbaarheid zorg in Nigeria

Uit het BMA-advies van 4 februari 2025 volgt dat 24-uurs aanwezig is in Abuja, maar de BMA-arts heeft ook aangegeven dat, gelet op de specifieke afhankelijkheid van de echtgenoot in het voorkomen van een medische noodsituatie, zij de beschikbare alternatieven voor de zorg die door de echtgenoot worden geleverd voor eiseres, onvoldoende acht. De rechtbank stelt vast dat ter zitting door de minister nadrukkelijk is gesteld dat de aanwezigheid van de 24 uur-uurs zorg in Abuja in deze specifieke situatie afhankelijk is van de aanwezigheid van de echtgenoot van eiseres. Zo is door de minister gesteld dat, indien de echtgenoot van eiseres er niet is, niet aan de voorwaarden van het BMA-advies kan worden voldaan. Nu eiseres voldoende aanknopingspunten heeft aangedragen voor twijfel aan de toelating van de Ghanese echtgenoot tot Nigeria, is de rechtbank van oordeel dat de minister onvoldoende gemotiveerd heeft dat en op welke wijze aan de randvoorwaarde zoals door de BMA-arts is gesteld kan worden voldaan. …

In haar enige grief klaagt de minister over het oordeel van de rechtbank dat zij ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat de noodzakelijke zorg voor betrokkene, in de vorm van mantelzorg door haar partner in Nigeria, beschikbaar is. Volgens haar rust de bewijslast dat Nigeria feitelijk toegankelijk is voor haar partner, op betrokkene.

De Afdeling concludeert dat het in deze zaak niet gaat om de vraag of betrokkene aannemelijk heeft gemaakt dat de noodzakelijke zorg voor haar feitelijk toegankelijk is, maar of die zorg beschikbaar is. Voor de beantwoording van de vraag of de zorg beschikbaar is, ligt de bewijslast bij de minister. De minister moet toelichten hoe zij voldoet aan het door het BMA gestelde vereiste dat de partner in Nigeria aanwezig is. De verwijzing naar een openbare bron waaruit volgens de minister blijkt dat de partner van betrokkene bij de Nigeriaanse autoriteiten een verblijfsvergunning van de Economische Gemeenschap van West-Afrikaanse Staten kan aanvragen, waarmee hij rechtmatig verblijf zou kunnen krijgen, is onvoldoende. De minister heeft hiermee niet aannemelijk heeft gemaakt dat de Nigeriaanse autoriteiten de partner van betrokkene een verblijfsvergunning zullen verlenen. Evenmin is de toelichting van de minister dat zij betrokkene niet zal uitzetten als zij, gelet op de reisvereisten, de medische overdracht niet kan regelen, voldoende. De aanwezigheid van de partner van betrokkene is niet alleen een reisvereiste, maar tevens een beschikbaarheidsvereiste. Is die partner aanwezig, dan bestaat er in het kader van de beschikbaarheid van de noodzakelijke zorg geen risico op schending van artikel 3 van het EVRM. Echter, de minister heeft niet gewaarborgd dat de noodzakelijke zorg in de vorm van de partner beschikbaar was op het moment dat zij besloot betrokkene geen uitstel van vertrek te verlenen.

De grief tegen Rb Groningen NL25.6915, 14.5.25 slaagt niet.
RvS BRS.25.000701, 26.1.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:390