bezoek ook: www.noo.nl / www.meldpuntvreemdelingendetentie.nl / www.basicrights.nl / www.iLegalevrouw.nl
De vreemdeling stelt dat de vrijheidsbeperkende maatregel opgeheven moet worden en hem de mogelijkheid moet worden geboden om terug te keren naar stichting INLIA in Groningen totdat hij, als zijn psychische problemen zijn verholpen, weer zou vertrekken naar Benin.
De rechter concludeert dat deze procedure gaat over opheffing van de maatregel. Daarbij zal moeten worden beoordeeld in hoeverre zich feiten en omstandigheden voordoen die van zodanig aard zijn dat voortduren van de maatregel niet langer op zijn plaats is. De vreemdeling wijst hierbij op het tijdsverloop, het feit dat zijn medische situatie meer gebaat is bij een verblijf bij INLIA en het feit dat INLIA ook bereid is hem weer op te nemen.
De minister heeft ten onrechte het bezwaar van de vreemdeling als kennelijk ongegrond heeft afgewezen, omdat er onvoldoende onderzoek is gedaan naar de relevante feiten en belangen. De vreemdeling verblijft al ruim een jaar op de vbl (terwijl de maximale termijn 12 weken is) en heeft medische zorg en begeleiding nodig, die volgens INLIA ook daar kunnen worden geboden. De minister had hem moeten horen over de mogelijkheid van opvang bij INLIA, waar hij eerder stabiel functioneerde en bereid was terug te keren naar Benin. Daardoor is het besluit op bezwaar in strijd met artikel 3:2 en 7:2 Awb en wordt het vernietigd. De minister moet een nieuw besluit nemen, hem vooraf horen en opnieuw onderzoek doen, met name naar de verklaringen van INLIA.
Beroep gegrond.
Rb Groningen NL26.8835, 23.4.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9813