Nieuws

RvS: wob-info is wel nova in Afghaanse 1F-zaak

De vreemdeling heeft aan zijn derde opvolgende aanvraag twee analyses van het ambtsbericht 2002 over Afghanistan overgelegd. De tweede analyse is een analyse van vertrouwelijke documenten die aan het ambtsbericht ten grondslag liggen en zijn verkregen via een beroep op de Wob. Hierin wordt gesteld dat het ambtsbericht onzorgvuldig tot stand gekomen en worden de daarin neergelegde conclusies niet gedragen door de onderliggende stukken.

De Afdeling overweegt als volgt. ... Uit het LH-arrest volgt dat er twee stappen zijn bij het beoordelen van een opvolgende aanvraag, namelijk de beoordeling van de ontvankelijkheid (wat bestaat uit het onderzoeken of er nieuwe elementen of bevindingen zijn en of deze de kans groter maken dat de vreemdeling in aanmerking komt voor internationale bescherming) en daarna de inhoudelijke beoordeling. De onderliggende vertrouwelijke documenten van het ambtsbericht mede in het licht van de analyse daarvan kunnen hier wel degelijk relevant zijn voor de beoordeling van de aanvraag. Deze documenten zijn pas in deze procedure voor het eerst naar voren gebracht. Daarna heeft de staatssecretaris een onjuiste beoordelingsmaatstaf gehanteerd door niet te beoordelen of de documenten relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag.

Hoger beroep tegen Rb Rotterdam in zaak nr. NL19.23340, 11.12.20  gegrond.
ABRvS 202006762/1, 15.9.22 (14.9.22?)
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2022:2699

HvJ EU: eerder door DK afgewezen asielverzoek wel in behandeling nemen

De asielverzoeken zijn van deze Georgiërs zijn in Duitsland niet-ontvankelijk verklaard omdat zij eerder in Denemarken asielverzoeken hebben ingediend, welke definitief zijn afgewezen.

Het Hof beantwoordt de prejudiciële vragen als volgt.

Artikel 33, lid 2, onder d), Procedurerichtlijn, gelezen in samenhang met Protocol (nr. 22) betreffende de positie van Denemarken, ... verzet [zich] tegen een regeling van een andere lidstaat dan het Koninkrijk Denemarken op grond waarvan een verzoek om internationale bescherming geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk kan worden verklaard wanneer dit verzoek in die andere lidstaat is ingediend door een derdelander of staatloze van wie een eerder, in Denemarken ingediend verzoek om internationale bescherming door het Koninkrijk Denemarken is afgewezen.

HvJEU, C-497/21, SI, TL, ND, VH, YT, HN t. Duitsland, 22.9.22
ECLI:EU:C:2022:721
https://curia.europa.eu/juris/liste.jsf?&num=C-497/21

Rb: overnemen geboortejaar uit Griekse procedure, dan ook overnemen asielstatus

De vreemdeling stelt dat zij in 2005 is geboren. De staatssecretaris volgt dit niet nu zij in Griekenland met geboortedatum 1999 staat geregistreerd.

De rechtbank overweegt als volgt. ... Vaststaat dat aan de vreemdeling een vluchtelingenstatus is toegekend door de Griekse autoriteiten. De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris zich niet enerzijds ten aanzien van de geboortedatum kan beroepen op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, maar anderzijds ten aanzien van de toekenning van de vluchtelingenstatus kennelijk niet van dit beginsel uitgaat. De rechtbank heeft de staatssecretaris ter zitting om een reactie gevraagd op de door Griekenland aan de vreemdeling toegekende vluchtelingenstatus. Het betoog van de staatssecretaris dat de vreemdeling in Nederland een asielprocedure heeft gehad slaagt niet omdat dit geen antwoord geeft op de vraag of het bestreden besluit in strijd is met het EU-recht. De rechtbank is daarom van oordeel dat het bestreden besluit tegenstrijdig is ten aanzien van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en daarin verder onterecht niet is gemotiveerd waarom de toekenning van het vluchtelingschap aan de vreemdeling door Griekenland niet hoeft te worden overgenomen.

Beroep gegrond.
Rb Zwolle, NL22.13381, 6.9.22

IB 2022/84 - Griekse statushouders

Naar aanleiding van twee Afdelingsuitspraken waarin is geoordeeld dat de SvJ&V beter moet motiveren waarom van statushouders kan worden verlangd dat zij naar Griekenland terugkeren, is de situatie van statushouders in Griekenland nader onderzocht. Op 24 juni 2022 is het verslag feitenonderzoek naar statushouders in Griekenland gepubliceerd. Dit IB betreft een tijdelijke werkwijze.

  • Indien nodig wordt de beslistermijn met negen maanden verlengd.
  • Een inhoudelijke beoordeling volgt voor alle zaken van Griekse statushouders waarvan de beslistermijn is verlopen
  • Bij amv worden geen individuele garanties gevraagd en de aanvragen worden niet langer als niet-ontvankelijk afgedaan.
  • Bij Griekse statushouders, geldt dat een aanmeldgehoor spoor 4 plaatsvindt.
  • Als BMA concludeert dat art 64 van toepassing is, kan dat toegekend worden.

IB 2022/84, 14.9.22
https://puc.overheid.nl/ind/doc/PUC_1294149_1/1/

SvJ&V: wetsvoorstel aanscherping glijdende schaal

Het huidige wettelijk kader bevat voor vreemdelingen die in Nederland zijn geboren of reeds voor hun vierde levensjaar in Nederland verbleven, die hun hoofdverblijf niet buiten Nederland hebben geplaatst, en die inmiddels meerderjarig zijn slechts de mogelijkheid tot afwijzing van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd indien deze vreemdeling bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis is veroordeeld tot een gevangenisstraf van meer dan 60 maanden, ter zake van handel in verdovende middelen.

Door onderhavig voorstel wordt voor deze groep de beperking tot drugsdelicten vervangen door een beperking tot een veroordeling voor een ernstig misdrijf. Ook de drempel van een veroordeling van meer dan 60 maanden gevangenisstraf wordt geschrapt. Bij toetsing wordt beoordeeld of voldaan is aan Europese en internationale regelgeving, waarbij in het bijzonder gedacht kan worden aan het recht op privéleven en het proportionaliteitsbeginsel. De wetswijziging zal dus niet tot gevolg hebben dat een vergunning wordt onthouden zonder een individuele belangenafweging.

Wetsvoorstel kst 36196-2, 19.9.22
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-36196-2.html

Memorie van toelichting kst 36196-3, 19.9.22
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-36196-3.html

HvJ EU: basisvoorzieningen nooit intrekken bij misdraging door asielzoeker

The Court ruled that the Receptions Directive does not allow sanctions consisting of the withdrawal of material reception conditions on applicants for international protection who have engaged in seriously violent behaviour against public officials relating to housing, food or clothing, in so far as it would have the effect of depriving the applicant of the possibility of meeting their most basic needs. As well, the Court indicated that any other sanctions must comply with the conditions laid down in the Directive, including respect for human dignity and of the principle of proportionality.

HvJ EU case C‑422/21, 1.8.22
https://curia.europa.eu/juris/liste.jsf?num=C-422/21

Rb: wel presentatie bij ambassade tijdens asielprocedure indien geen dreiging van autoriteiten

De vreemdeling stelt dat de staatssecretaris in strijd handelt met Europese wetgeving en met de geldende internationale en nationale jurisprudentie door haar te presenteren bij de Nigeriaanse ambassade voordat de rechtbank uitspraak heeft gedaan in de beroepsprocedure die bij de rechtbank aanhangig is over de afwijzing van haar asielaanvraag.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Uit het arrest Gnadi maakt de voorzieningenrechter niet op dat hangende het beroep tegen het terugkeerbesluit alle (voorbereidende) uitzettingshandelingen door de staatssecretaris zijn verboden. Dergelijke uitzettingshandelingen zijn slechts verboden als ze de effectiviteit van (de uitkomst van) het rechtsmiddel aantasten. Een presentatie aan de autoriteiten van een land van herkomst ter voorbereiding van het vertrek van een vreemdeling kan onder omstandigheden afbreuk doen aan de effectiviteit van het rechtsmiddel, met name indien een vreemdeling heeft verklaard problemen van de zijde van die autoriteiten te hebben ondervonden of te vrezen. De staatssecretaris stelt terecht dat in de asielprocedure van de vreemdeling niet gesteld of gebleken is dat zij problemen heeft (ondervonden) met de Nigeriaanse autoriteiten. Ook is niet onderbouwd waarom de presentatie afbreuk doet aan de effectiviteit van het beroep tegen de afwijzing van haar asielaanvraag. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat de staatssecretaris in dit geval met de voorgenomen presentatie niet strijd handelt met het arrest Gnandi. Het betoog slaag niet.

Rb Den Haag, NL22.8801, 18.5.22

Rb: kaderovereenkomst Indonesie niet gevolgd, en paspoort niet teruggehaald

Eiseres heeft in haar beroepsgronden verwezen naar de “Kaderovereenkomst inzake een breed partnerschap en samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en haar Lidstaten enerzijds en de Republiek Indonesië anderzijds”. Eiseres heeft terecht aangevoerd dat uit het dossier niet blijkt dat verweerder onder verwijzing naar deze Kaderovereenkomst de Indonesische vertegenwoordiging heeft verzocht om de nationaliteit van eiseres vast te stellen en haar zonder verdere formaliteiten over te nemen. Omdat verweerder beschikt over een kopie van een nog geldig paspoort, welke kopie ook aan het dossier is toegevoegd, had dit aanstonds na inbewaringstelling gekund en dus ook gemoeten om van voortvarend handelen te kunnen spreken.

Het komt de rechtbank voor dat de afspraken zoals vastgelegd in de Kaderovereenkomst tot een spoedigere uitzetting zullen leiden dan de gebruikelijke procedure om een vervangend reisdocument aan te vragen en te verkrijgen zoals beschreven op de website van de DT&V. Deze beroepsgrond slaagt en is een zelfstandige reden om te concluderen dat verweerder onvoldoende voortvarend aan de uitzetting van eiseres heeft gewerkt.

De rechtbank overweegt voorts het navolgende. In het terugkeerbesluit is vermeld dat eiseres op 19 december 2019 is aangetroffen in een slagerij in Den Haag en haar paspoort toen is ingenomen door de politie. Tevens is aan het dossier toegevoegd een “Ontvangstbewijs voor het tijdelijk in bewaring nemen van reis- en/of identiteitspapieren”. Eiseres heeft in het gehoor voorafgaande aan oplegging van de maatregel verklaard dat haar paspoort in 2019 is ingenomen door de Avim en dat zij op enig moment daarna bericht heeft gekregen dat zij haar paspoort bij Bureau Documenten kon ophalen maar dat zij dit nimmer heeft gedaan. De rechtbank overweegt dat uit het dossier niet blijkt dat bij Bureau Documenten is geïnformeerd of het paspoort van eiseres nog aanwezig is. Verweerder had aanstonds na oplegging van de maatregel contact op moeten nemen met Bureau Documenten en het paspoort van eiseres moeten ophalen of moeten laten opsturen en anders moeten (laten) nagaan aan wie Bureau Documenten dat paspoort heeft afgegeven. Eiseres heeft verklaard mee te zullen werken aan haar vertrek en ook de Covid-test te ondergaan, zodat de feitelijke uitzetting zeer kort na de inbewaringstelling had kunnen worden gepland en gerealiseerd. Verweerder heeft dit niet gedaan, maar simpelweg aangenomen dat het paspoort “kwijt” is, hierin berust en eiseres een financiële compensatie aangeboden. De rechtbank overweegt dat dit een zelfstandige reden is om te concluderen dat verweerder ook vanwege deze omstandigheden onvoldoende voortvarend aan de uitzetting van eiseres heeft gewerkt en dit de bewaring onrechtmatig maakt.

De rechtbank concludeert dat de maatregel van aanvang af onrechtmatig is. Eiseres wordt in vrijheid gesteld en maakt aanspraak op schadevergoeding waarbij de rechtbank de standaardmatig toegekende bedragen zal toekennen.

Rb den Bosch NL22.16754, 5.9.22
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:9101

Rb: vrijlating want wil vertrekken met IOM, ondanks verzoek om bewaring te handhaven

Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser gezien zijn verklaringen (in beroep), zijn geldige paspoort, zijn vliegticket dat hij via het IOM heeft verkregen en de op 26 augustus 2022 geboekte IOMvlucht zijn vertrekwens voldoende geconcretiseerd en is de geuite vertrekwens niet ongeloofwaardig.

De rechtbank overweegt dat het uitdrukkelijke verzoek van eiser om de maatregel niet op te heffen ook als de rechtbank de maatregel onrechtmatig acht, om te voorkomen dat daardoor het geplande vertrek met IOM daags na de zitting niet zou kunnen doorgaan de sterkst denkbare onderbouwing van de geuite vertrekwens is. Dit betekent dat verweerder de bewaring op 26 augustus 2022 had dienen te beëindigen.

Het beroep is gegrond en de maatregel van bewaring is met ingang van 26 augustus 2022 onrechtmatig. De rechtbank zal geen gehoor geven aan het uitdrukkelijke verzoek van eiser om de bewaring gelet op de vlucht van 6 september 2022 (nu) nog niet op te heffen. Indien de rechtbank constateert dat de rechtszoekende onrechtmatig in bewaring is gesteld, zal de rechtbank de maatregel opheffen en de invrijheidstelling gelasten ongeacht de beroepsgronden en overige (praktische) argumenten van partijen. Immers, om een doeltreffende voorziening in rechte te bieden zoals gewaarborgd door artikel 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie dient een onrechtmatige inperking op het recht op vrijheid te allen tijde onmiddellijk te worden beëindigd door de rechter die is belast met de rechtmatigheidsbeoordeling van de maatregel van bewaring. De rechtbank beveelt dan ook de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 5 september 2022.

Rb den Bosch NL22.16758, 5.9.22
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:9100

Rb: wel detentiegeschikt ondanks suicidepoging 1e dag in Rotterdam

Eiser voert aan dat hij detentieongeschikt is. Daarbij wijst hij op de door hem overgelegde samenvatting uit zijn patiëntendossier van 17 mei 2022. Daaruit blijkt dat hij Quetiapine (een antipsychoticum) en Oxazepam (een kalmeringsmiddel) gebruikt.

Verweerder heeft ter zitting de medische problemen van eiser onderkend en meegedeeld dat eiser op 13 augustus 2022 een suïcidepoging heeft gedaan, dat hij in het detentiecentrum te Rotterdam medische hulp krijgt en dat hij daar onder cameratoezicht staat.

De rechtbank stelt vast dat uit het bestreden besluit blijkt dat de regievoerder van de Dienst Terugkeer & Vertrek op 20 juli 2022 contact heeft gehad met een psychiater van het FACT-team bij het centrum voor transculturele psychiatrie ‘Veldzicht’ te Balkbrug. Deze psychiater ziet geen medisch beletsel om het terugkeertraject voort te zetten. Deze informatie is recenter dan de door eiser overgelegde samenvatting uit zijn patiëntendossier. Uit de toelichting van verweerder ter zitting leidt de rechtbank voorts af dat het personeel van het detentiecentrum te Rotterdam in staat is om adequaat met de medische situatie van eiser om te gaan. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat eiser detentieongeschikt is.

Rb Middelburg NL22.16117, 25.8.22
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:8666

Pagina's