Nieuws

Rb: mogelijk 15c Darfur

De Soedanese vreemdeling behoort tot de niet-Arabische bevolkingsgroep Fur en is afkomstig uit Darfur. Hij legt aan zijn opvolgende asielaanvraag ten grondslag dat uit nieuwe informatie blijkt dat in Soedan sprake is van een 15c-situatie. De veiligheidssituatie moet mede worden bezien tegen de achtergrond van – en volkerenmoord op - niet-Arabische Darfurezen. Volgens de staatssecretaris is geen sprake van een 15c-situatie.

De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris onvoldoende heeft gemotiveerd dat hij nog steeds ervan mag uitgaan dat in Soedan, en meer specifiek in Darfur, geen sprake (meer) is van een 15c situatie. De staatssecretaris is in het geheel niet ingegaan op de inhoud van de door de vreemdeling overgelegde stukken, en concludeert slechts dat deze onvoldoende zijn. Ook heeft hij niet inzichtelijk gemaakt hoe de inhoud van deze stukken zich verhoudt tot de informatie uit het AA 2019. Inmiddels is er het AA 2021. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het AA 2021 niet dat de aanvankelijke verbeteringen zich hebben gestabiliseerd. Integendeel: de situatie lijkt weer slechter geworden, gelet op de mate van willekeurig geweld, het aantal doden en het feit dat humanitaire organisaties moeilijk toegang hebben. De staatssecretaris heeft dus niet kunnen volstaan met de enkele stelling (ter zitting) dat AA 2021 geen ander beeld schetst dan AA 2019. De rechtbank ziet in de aanhangige procedure bij het HvJEU (prejudiciële vragen over de uitleg van artikel 15c Dri, ECLI:NL:RBDHA:2020:10488) geen reden om de procedure aan te houden, maar besluit wel om de staatssecretaris geen termijn te stellen voor zijn nieuwe beslissing, zodat hij desgewenst zelf kan besluiten het antwoord van het HvJEU af te wachten.

Beroep gegrond.
Rb Roermond, NL21.3272, 26.4.22

Rb: risico terugkeer staatloze palestijn naar Libië

Volgens het ambtsbericht is het voor Libische burgers zeer moeilijk om adequate bescherming te vinden tegen geweldpleging. Feitelijke heersers konden in de verslagperiode op nagenoeg straffeloze wijze opereren in de verschillende delen van Libië, mede doordat van een adequaat en onafhankelijk opererend gerechtelijk en politieapparaat geen sprake was. Het centrale gezag in Tripoli was dusdanig krachteloos dat er lang niet altijd bescherming vanuit de staat mogelijk was. Doordat milities nagenoeg alle veiligheidsstructuren in Libië beheersten of daarin aandeel hadden, had het voor burgers weinig zin om bescherming te zoeken bij andere of hogere autoriteiten wanneer de politie in gebreke bleef. Er was sprake van een situatie waarin parallelle machtssystemen, uitgevoerd door formele, semi-formele en informele instituties en groepen, elkaar overlapten. Een eerlijk proces, een juridisch onderbouwde straf en de uitvoering hiervan waren afhankelijk van de aard van het misdrijf, de invloed van de feitelijke machthebbers in de regio en het netwerk (de contacten) van de daders en de slachtoffers. Leden van milities en gewapende groepen die verantwoordelijk waren voor mensenrechtenschendingen konden straffeloos hun gang gaan. Er zijn weinig gevallen bekend waarin plegers van mensenrechtenschendingen vervolgd werden.

In het ambtsbericht wordt voorts expliciet vermeld dat Palestijnen die legaal in Libië verblijven weinig tot geen mogelijkheden hebben om schendingen van hun rechten aan de orde te stellen of bescherming te zoeken bij de autoriteiten, door de aanhoudende mensenrechtenschendingen van milities en gewapende groepen en de algehele gebrekkige rechtsgang.

De rechtbank leidt uit deze informatie dan ook af dat in Libië sprake is van wijdverspreid willekeurig geweld en mensenrechtenschendingen waartegen geen effectieve rechtsbescherming wordt geboden. Uit het ambtsbericht blijkt voorts niet dat onttrekking aan (dreigende) mensenrechtenschendingen door vestiging elders in Libië mogelijk is. Eisers hebben er in dat verband ter zitting op gewezen dat hun positie bijzonder precair is, nu zij als Palestijnen niet tot een stam of familie behoren waarop zij terug kunnen vallen of waarbij zij bescherming kunnen zoeken. Dit betekent dat zij ten opzichte van andere burgers in Libië, die in de regel wel deel uitmaken van een sociale structuur waarbinnen (enige) bescherming kan worden verkregen, extra kwetsbaar zijn. Verweerder heeft dat niet weersproken. Gelet hierop heeft verweerder dan ook onvoldoende gemotiveerd waarom eisers, als Palestijnen in Libië, niet (ook) zijn aangemerkt als personen die behoren tot een kwetsbare minderheidsgroep. Bij beperkte indicaties voor kwetsbare minderheidsgroepen wordt niet verlangd dat er een direct verband is tussen het behoren tot die groep en de ondervonden problemen, zoals dat bij geringe indicaties voor risicogroepen wel vereist is. Een beperkte indicatie wordt al aangenomen wanneer de vreemdeling mensenrechtenschendingen ondervindt. Verweerder heeft niet gesteld dat de door eiser ondervonden - geloofwaardig geachte - problemen niet als zodanig kunnen worden aangemerkt. Het bestreden besluit mist op dit punt dan ook een deugdelijke motivering. Ook het standpunt van verweerder dat eisers bij terugkeer naar Libië geen reëel risico lopen op ernstige schade is dientengevolge gebrekkig gemotiveerd.

Rb Middelburg NL21.12024, 10.5.22
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:4601

Rb: leefomstandigheden UNWRA Libanon onvoldoende

De vreemdeling heeft aan zijn asielaanvraag oa ten grondslag gelegd dat de UNRWA hem niet langer bescherming of bijstand kan bieden. De stelt dat de uitsluitingsgrond van 1D van toepassing is.
De rechtbank overweegt als volgt. In de rechtbankuitspraken van 3 juni 2021 en 22 februari 2022 is onder verwijzing naar algemene informatie geconstateerd dat niet eenduidig blijkt dat de UNRWA in staat is de basisdiensten te blijven bieden. Hierom is geoordeeld dat ondeugdelijk is gemotiveerd dat de vereiste levensomstandigheden geboden kunnen worden. Terecht is gesteld dat het in 2018 van hulp en medische zorg te hebben genoten, niet betekent dat de UNRWA nog steeds aan haar kerntaken kan voldoen. Niet wordt gevolgd dat de vraag of bijstand en bescherming van de UNRWA is opgehouden moet worden getoetst aan het moment van het vertrek uit het UNRWA-gebied, waarbij terecht op het HvJEU-arrest van 3 maart 2022 wordt gewezen waarin is verduidelijkt dat bij de behandeling van de asielaanvraag en in rechterlijke procedures ex nunc moet worden getoetst. Hierom is onvoldoende gemotiveerd dat de UNRWA aan haar opdracht kan voldoen.

Beroep gegrond.
Rb Den Haag, NL21.17241, 22.4.22

Rb: risico Gülenist Azerbeidzjan

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de IND niet kenbaar in haar oordeel betrokken dat eiser van 2008 tot 2010 een belangrijke functie (onder andere journalist, verantwoordelijke over een bepaalde regio in Azerbeidzjan en persvoorlichter) bij de aan de Gülenbeweging gelieerde krant [naam krant] heeft bekleed, vanuit die hoedanigheid heeft deelgenomen aan allerlei activiteiten (waaronder een toernooi voor journalisten van [naam krant], waarbij hij derde is geworden) en goed contact had met onder meer de hoofdredacteur van [naam krant].

Het verrichten van een dergelijke functie en dit soort activiteiten duidt naar het oordeel van de rechtbank op een aanzienlijke betrokkenheid bij de Gülenbeweging en genereert naar het oordeel van de rechtbank voorts een bepaalde mate van bekendheid binnen die beweging, waarvan niet zonder meer kan worden aangenomen dat die door tijdsverloop volledig verloren is gegaan. Ook het hebben van contact met de hoofdredacteur van [naam krant], hetgeen een vooraanstaande positie binnen de Gülenbeweging moet worden geacht te zijn, duidt op een zekere mate van bekendheid binnen die beweging. Dit een en ander is door verweerder niet onderkend en betrokken. Verder geldt dat uit met name eisers verklaringen tijdens het nader gehoor blijkt dat hij zijn gehele leven volledig heeft ingericht op het Gülenisme. Gelet hierop heeft verweerder in het bestreden besluit, zonder nadere bevraging van eiser hierover, niet kunnen aannemen dat eiser thans niet meer actief bezig is met het Gülenisme, terwijl eiser, bij gebreke van bevraging hierover van de zijde van verweerder, ervan uit heeft mogen gaan dat hij met zijn verklaringen voldoende duidelijk had gemaakt dat hij al zij hele leven, dus ook nu nog, het Gülenisme actief aanhangt. In dit verband merkt de rechtbank op dat eiser ter zitting, desgevraagd, heeft verteld dat hij in het asielzoekerscentrum deelneemt aan Gülenistische sohbets.

Verder overweegt de rechtbank dat verweerder niet bij de aannemelijkheidsbeoordeling van de vermoedens over wat eiser bij terugkeer te wachten staat heeft betrokken dat eiser als Gülenist bij de Turkse ambassade heeft gewerkt. Dit had naar het oordeel van de rechtbank wel gemoeten, nu er juist vanuit Turkije druk wordt uitgeoefend op de Azerbeidzjaanse autoriteiten om de structuur van de Gülenbeweging bloot te leggen. Evenmin heeft verweerder betrokken, dat eiser niet alleen als Gülenist zal terugkeren naar Azerbeidzjan, maar ook als Azerbeidzjaans staatsburger die voor langere tijd in de Europese Unie heeft verbleven.

Verweerder had vorenstaande feiten en omstandigheden allemaal in samenhang moeten beoordelen en dit geheel moeten afzetten tegen de relevante landinformatie uit het Algemeen Ambtsbericht Azerbeidzjan van september 2021. Hieruit blijkt onder andere dat er smeercampagnes lopen tegen Gülenisten, dat zij door de veiligheidsdienst in de gaten gehouden worden, dat zij aan de veiligheidsdienst moeten rapporten over de Gülenbeweging en dat er nog Gülenisten te maken krijgen met ondervragingen, afpersing en bedreiging door de veiligheidsdienst. Daarnaast wijst de rechtbank op erop dat terugkeerders uit Europa bij terugkeer worden ondervraagd en dat dit in sommige gevallen heeft geleid tot oproepen om zich te melden bij de politie of de openbaar aanklager.

Rb Rotterdam NL22.5541 en NL22.5543, 13.5.22
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:4648

Rb: niet ondergedoken, Dublin-termijn niet verlengd

De asielaanvraag van de Syrische vreemdeling is niet in behandeling genomen nu Denemarken hiervoor verantwoordelijk wordt geacht. De vreemdeling betwist dat hij is ondergedoken. Hij betoogt dat de overdrachtstermijn daarom ten onrechte tot 18 maanden is verlengd.
De rechtbank overweegt als volgt. In het arrest Jawo heeft het Hof onder meer het volgende geoordeeld over het begrip ‘onderduiken’: “dat een verzoeker “onderduikt” wanneer deze persoon doelbewust ervoor zorgt dat hij buiten het bereik blijft van de nationale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de overdracht, teneinde deze overdracht te voorkomen. Aangenomen mag worden dat zulks het geval is wanneer die overdracht niet kan worden uitgevoerd omdat de verzoeker de hem toegekende woonplaats heeft verlaten zonder de bevoegde nationale autoriteiten van zijn afwezigheid op de hoogte te brengen, op voorwaarde dat hij werd geïnformeerd over zijn desbetreffende verplichtingen, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan. De betrokken verzoeker behoudt de mogelijkheid om aan te tonen dat er geldige redenen waren om de autoriteiten niet in te lichten over zijn afwezigheid en dat hij niet de bedoeling had om zich te onttrekken aan die autoriteiten”.

Naar het oordeel van de rechtbank stelt de staatssecretaris zich in dit geval ten onrechte op het standpunt dat de vreemdeling is ondergedoken. Niet in geschil is dat de vreemdeling zijn overdracht op 28 januari 2022 doelbewust heeft gefrustreerd en dat hij op 4 februari 2022 ook niet de intentie had om mee te werken aan zijn overdracht. De vreemdeling stelt terecht dat niet gebleken is dat hij doelbewust buiten het bereik van de nationale autoriteiten is gebleven. Op grond van eisers verklaringen blijkt namelijk dat hij op het tijdstip van de overdracht op zijn kamer op het AZC aanwezig was. De rechtbank ziet in hetgeen de staatssecretaris heeft aangevoerd geen reden om te twijfelen aan de door de vreemdeling geschetste gang van zaken. Dat in de MOB-melding van 4 februari 2022 staat dat de vreemdeling zelfstandig de woonruimte heeft verlaten, acht de rechtbank onvoldoende. Het is immers niet duidelijk waarop deze melding is gebaseerd. De rechtbank is daarom van oordeel dat er voor de MOB-melding onvoldoende onderbouwing is.

Beroep gegrond.
Rb Den Haag, NL22.3580, 3.5.22

WI 2022/8 - Het openbare orde beleid

De IND moet op grond van de Vreemdelingenwet, de Rijkswet op het Nederlanderschap en de Visumcode bij procedures die betrekking hebben op toegang, verblijf en Nederlanderschap beoordelen of de vreemdeling een gevaar oplevert voor de openbare orde en nationale veiligheid. De toets of de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde vindt plaats bij alle soorten reguliere- en asielaanvragen/verzoeken evenals intrekkingen die de IND behandelt.

In dit eerste deel van de werkinstructie staat informatie die relevant is voor alle verschillende aanvragen/verzoeken/herbeoordelingen. Op een later moment worden paragrafen toegevoegd aan deze werkinstructie. Hierin zal informatie te vinden zijn die specifiek voor bepaalde werksoorten geldt.

https://puc.overheid.nl/ind/doc/PUC_1290139_1/1/, 9.5.22

IB 2022/47 oordeel middelen van bestaan

De uitspraak van 25 april 2022 inz. ECLI:NL:RVS:2022:1185 maakt dat op een tweetal punten de IND toets dient te worden bijgesteld

a) Vanaf heden dient in alle zaken waarin het middelenvereiste wordt getoetst, de individuele omstandigheden die aanleiding vormen om aan te nemen dat de middelen dusdanig stabiel en regelmatig zijn dat geen beroep op de bijstand dreigt te worden betrokken. Hierbij geldt de werkwijze zoals deze nu reeds wordt toegepast in zaken waarop de gezinsherenigingsrichtlijn of de richtlijn langdurig ingezetenen van toepassing is.

b) Vanaf heden kan bij de beoordeling of de inkomsten uit arbeid als zelfstandige voldoende zijn, het gemiddelde inkomen over meerdere boekjaren worden getoetst.

IB 2022/47, 9.5.22
https://puc.overheid.nl/ind/doc/PUC_1290151_1/1/

Rb: geen leges voor omklappen status verwestering naar niet-tijdelijk

In beroep hebben eisers aangevoerd dat de Afdeling bij uitspraak van 23 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:3011) heeft geoordeeld dat door het onderbrengen van de verwesterde meisjes bij een regulier verblijfsdoel geen materiële wijziging en geen verslechtering van de rechtspositie van de meisjes zou plaatsvinden. Volgens eisers is in hun geval echter wel degelijk sprake van een verslechtering van de rechtspositie, doordat de aan hen verleende verblijfsvergunning jaarlijks moest worden verlengd, hetgeen tot problemen heeft geleid met betrekking tot inburgering, arbeid, inschrijving op school, DUO en de mogelijkheid tot naturalisatie. Omzetting van de verblijfsvergunningen was niet mogelijk door de hoge legesgelden die daarvoor betaald zouden moeten worden....

Eisers zijn in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van tijdelijke humanitaire gronden. Verweerder heeft niet weersproken dat het feit dat deze verblijfsvergunning telkens een geldigheidsduur van één jaar had, bij eisers tot diverse problemen heeft geleid. Verweerder heeft evenmin weersproken dat eisers niet in staat waren de verblijfsvergunning om te zetten naar een verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf vanwege de hoge leges die hiervoor in rekening worden gebracht.

De rechtbank leidt uit voornoemde MvT alsmede uit de door eisers genoemde uitspraak van de Afdeling van 23 augustus 2016 af dat de wetgever bij het onderbrengen van het asielmotief ‘verwestering’ bij de reguliere verblijfsdoelen nadrukkelijk wilde borgen dat geen verslechtering van de rechtspositie van deze meisjes zou plaatsvinden. Gelet op het feit dat de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt afgegeven voor de duur van vijf jaren en de wetgever er expliciet voor gekozen heeft aan de aanvraag en verlenging ervan geen kosten te verbinden, in combinatie met de door eisers onweersproken ondervonden problemen als gevolg van de veel kortere geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier voor tijdelijke humanitaire gronden, is de rechtbank van oordeel dat de facto in zoverre sprake is geweest van een verslechtering van de rechtspositie van eisers ten opzichte van de oude situatie, doordat verweerder heeft vastgehouden aan het in rekening brengen van (hoge) leges voor het omzetten van de steeds voor een jaar verleende verblijfsvergunningen van eisers naar een vergunning voor voortgezet verblijf....

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder in de situatie van eisers niet in redelijkheid kon vasthouden aan de verplichting tot betaling van leges zoals vastgelegd in artikel 3.34 onder s van het VV, dan wel artikel 3.34c, tweede lid van het VV en dat verweerder de verlaging van het legesbedrag voor eiser, eiser 2, eiseres 2 en eiseres 3 niet deugdelijk heeft gemotiveerd. Het bestreden besluit dient daarom te worden vernietigd.

Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit.
Rb Groningen NL22.1147, 28.4.22
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:3985

RvS: vereisten bewijs staatloosheid voor in NL geboren zoon van ex-Joegoslavische ouders

Een optant moet staatloosheid in beginsel aantonen door van elk land waarmee hij een 'link' heeft, een beschikking of uitspraak over te leggen van een bevoegde bestuurlijke of rechterlijke instantie, die tot doel heeft te bewijzen dat hij de nationaliteit van dat land niet bezit. Pas als dit niet mogelijk is, kan die optant staatloosheid aantonen met toepassing van de nationaliteitswetgevingen of geschriften waaraan gegevens over de nationaliteit kunnen worden ontleend, maar die niet tot bewijs van de gegevens over de nationaliteit of het ontbreken daarvan zijn opgemaakt.

Niet is in geschil dat de ouders van [appellant] uit het voormalige Joegoslavië komen. [appellant] heeft daarmee dus een 'link'. De rechtsopvolgende staten van het voormalige Joegoslavië zijn Bosnië en Herzegovina, Kroatië, Kosovo, Montenegro, Noord-Macedonië, Servië en Slovenië. Ter zitting is vastgesteld dat [appellant] via zijn ouders een 'link' heeft met Kosovo, Servië, Noord-Macedonië en Montenegro, hoewel de 'link' met Montenegro meer historisch van aard is. [appellant] heeft ter zitting toegelicht dat als minimumeis geldt dat een optant bij de relevante buitenlandse autoriteiten vraagt of zij kunnen bevestigen dat hij die nationaliteit nu heeft. [appellant] heeft alleen een gelegaliseerde verklaring overgelegd van de ambassade van Kosovo van 28 september 2018, waarin staat dat hij niet de Kosovaarse nationaliteit heeft. Daaruit volgt echter niet dat hij niet door Servië, Noord-Macedonië of Montenegro als onderdaan wordt beschouwd. [appellant] heeft niet geprobeerd om van die landen een dergelijk document te verkrijgen, terwijl dit - ook op grond van zijn eigen toelichting - wel op zijn weg had gelegen. [appellant] betoogt tevergeefs dat pogingen om zulke documenten te verkrijgen bij voorbaat zinloos zijn, omdat uit het arrest Kurić volgt dat in ieder geval in Slovenië een praktijk van het wissen van geboortegegevens heeft bestaan. Hieruit volgt in de eerste plaats niet dat ook in Servië, Noord-Macedonië en Montenegro zo’n praktijk heeft bestaan. Anders dan [appellant] ter zitting heeft betoogd zijn er bovendien onvoldoende aanwijzingen dat de geboortegegevens van zijn beide ouders zijn gewist. [appellant] heeft in dit kader alleen een verklaring overgelegd van de gemeente Prizren, Kosovo, van 8 september 2016, waarin staat dat zijn moeder niet voorkomt in het geboorteregister van Prizren. Die verklaring zegt echter niets over zijn vader, terwijl hij volgens [appellant] ook in Prizren is geboren. Het had dus, zoals de burgemeester ter zitting ook heeft gesteld op de weg van [appellant] gelegen om ook voor zijn vader zo’n verklaring over te leggen.

Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat hij niet heeft aangetoond dat hij niet een van de nationaliteiten van voormalig Joegoslavië heeft.
Het betoog faalt.

RvS 202103254/1/V6, 26.4.22
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2022:1222

Rb: geen zicht op uitzetting naar Mali

De rechtbank heeft er begrip voor dat de uitzettingsonderhandelingen met betrekking tot een aantal landen lastig kunnen zijn, en acht het daarbij ook redelijk dat verweerder ruimte moet worden geboden voor het proces van dit soort diplomatieke onderhandelingen, waarbij verder naar het oordeel van de rechtbank geldt dat verweerder zich niet voor elk verstreken tijdsverloop op detailniveau hoeft te verantwoorden.

Desgevraagd heeft verweerder niet concreet kunnen maken of – en zo ja: wat voor – contactmomenten er hebben plaatsgevonden met de autoriteiten na 9 maart 2022. Bij deze stand van zaken is er dan ook sinds 9 maart 2022 in het geheel geen concreet signaal van de Malinese autoriteiten afgekomen dat er een LP zal worden verstrekt. Het tegendeel heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank ook niet aannemelijk gemaakt met de (door eiser verder niet betwiste) omstandigheid dat er 1 LP in 2019 en in 1 LP in 2021 is verstrekt voor gedwongen vertrek. Daargelaten dat dit ook op zichzelf bezien een zeer geringe hoeveelheid is, heeft verweerder met deze cijfers niet aannemelijk gemaakt hoeveel LP-aanvragen er in dat tijdvak zijn ingediend en onder welke omstandigheden deze LP’s zijn afgegeven – en aldus hoe groot de succesratio is. De enkele omstandigheid dat vreemdelingen – zoals eiser – wel kunnen worden gepresenteerd, maakt dat het op de weg van verweerder ligt om voldoende aannemelijk te maken dat een LP verstrekt zal worden, niet anders. Dat er nog wel vertrekgesprekken worden gevoerd, maakt het voorgaande evenmin anders. Weliswaar is de nationaliteit van eiser bevestigd maar verweerder is in het kader van het gedwongen vertrek niettemin geheel afhankelijk van de medewerking van de autoriteiten. Verweerder heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de in maart en april 2022 georganiseerde vertrekgesprekken dit proces zouden kunnen bespoedigen.

De belangen en omstandigheden afwegend is de rechtbank van oordeel dat het voortduren van de bewaring onrechtmatig is vanwege het ontbreken van voldoende zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn. Het beroep is gegrond.

Rb den Bosch NL22.6682, 3.5.22
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:4157

Pagina's