Nieuws

HvJ EU: geen bescherming UNRWA in Gaza

De vreemdeling en haar minderjarige dochter hebben in juli 2018 na verlaten van Gaza in Bulgarije een asielaanvraag ingediend. De opvolgende aanvraag is afgewezen, omdat zij het UNRWA-werkgebied vrijwillig zouden hebben verlaten en hierdoor zelf afstand hebben gedaan van de bescherming van UNRWA. De Bulgaarse rechter heeft hierover prejudiciële vragen gesteld.  
Het Hof oordeelt als volgt. De opvolgende aanvraag van de vreemdelingen is ontvankelijk vanwege een UNRWA-registratie. Artikel 40, lid 3 Dri maakt geen onderscheid tussen de eerste en een opvolgende aanvraag wat betreft de aard van de elementen en beoordeling. Dit geldt temeer nu, de UNRWA-registratie niet louter een feitelijke omstandigheid is maar kan leiden tot de toepassing van art. 12 lid 1 en daarmee een andere rechtsgrondslag.  

De bescherming van UNRWA wordt geacht te zijn opgehouden indien UNRWA om welke reden dan ook, inclusief de algemene situatie in het werkgebied waar de vreemdeling verbleef, aan geen enkele staatloze Palestijn waardige levensomstandigheden en een minimum aan veiligheidsvoorwaarden te waarborgen. Met name in een situatie van materiële deprivatie, zoals in het Jawo-arrest. Het is enkel vereist dat de vreemdeling persoonlijk in een zeer onveilige situatie verkeert, niet dat dit specifiek tegen zijn persoon gericht is. De minderjarige leeftijd van de vreemdeling dient te worden betrokken, ingevolge artikel 24, lid 2 EU-Handvest. Het tijdstip waarop de UNRWA-bescherming geëindigd is moet beoordeeld worden op het moment van verlaten van het werkgebied, tijdens het besluit op de asielaanvraag en tijdens het beroep. Ten slotte is na 7 oktober 2023 in Gaza sprake van een ongekende verslechtering van levensomstandigheden en vermogen van UNRWA om aan haar taak te vervullen.

HvJEU (SN en LN), C-563/22, 13.6.24
ECLI:EU:C:2024:494
https://curia.europa.eu/juris/documents.jsf?num=C-563/22

HvJ EU: Irakese verwesterde vrouwen vormen sociale groep

K en L stellen dat zij door hun langdurige verblijf in Nederland de normen, waarden en gedragingen van hun leeftijdgenoten hebben overgenomen en dat zij verwesterd zijn. Zij stellen dat zij als jonge vrouwen zelf keuzes kunnen maken over hun bestaan en hun toekomst, met name wat betreft de omgang met het mannelijke geslacht, het al dan niet trouwen, studie, werk, en het vormen en uiten van hun politieke en religieuze opvattingen. Zij vrezen in geval van terugkeer te worden vervolgd op grond van hun identiteit zoals zij die hebben gevormd in Nederland, waar zij normen, waarden en gedragingen hebben aangenomen die verschillen van die welke gangbaar zijn in Irak, en die voor hun identiteit en hun morele integriteit dermate fundamenteel zijn geworden dat zij deze niet kunnen opgeven. Zij stellen daardoor te behoren tot een specifieke sociale groep in de zin van art. 10(1)(d) Definitierichtlijn.

Op de eerste en de tweede vraag dient te worden geantwoord dat, al naargelang de omstandigheden in het land van herkomst, vrouwen uit dat land, minderjarige vrouwen daaronder begrepen, die als gemeenschappelijk kenmerk hebben dat zij zich tijdens hun verblijf in een lidstaat daadwerkelijk zijn gaan vereenzelvigen met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen vrouwen en mannen, kunnen worden geacht te behoren tot een bepaalde sociale groep, wat een grond van vervolging kan vormen die tot verlening van de vluchtelingenstatus kan leiden.

HvJEU (K en L) C-646/21, 11.6.24
ECLI:EU:C:2024:487
https://curia.europa.eu/juris/documents.jsf?num=C-646/21

Rb: individueel oordeel nodig over risico ivm politieke activiteiten OLF Ethiopië

De vreemdeling legt aan zijn opvolgende aanvraag ten grondslag dat hij in Nederland sympathisant is van het Oromo Liberation Front (OLF) en vreest op grond van deze politieke activiteiten voor vervolging door de Ethiopische autoriteiten.

De rechtbank overweegt als volgt. Uit het landenbeleid over Ethiopië volgt dat het OLF in Ethiopië erkend is als officiële politieke partij. OLF’ers kunnen zonder problemen activiteiten voor het OLF verrichten. Gelet hierop wordt niet onredelijk of onjuist geacht dat de staatssecretaris de vreemdelingen die (vermeend) lid of aanhanger zijn van het OLF in zijn algemeen bezien niet langer aanmerkt als risicogroep. Echter, het standpunt van de staatssecretaris dat alle leden en sympathisanten van het OLF, ongeacht hun hoedanigheid, hun achtergrond en de door hen verrichte of te verrichten activiteiten in Ethiopië niet (meer) te vrezen hebben voor vervolging wegens hun politieke overtuiging is te algemeen en te ongenuanceerd. Uit de ambtsberichten van 2022 en 2024 volgt immers onder andere dat er verschillende politieke fracties binnen de partij bestaan. Er zijn leden die aan de zijde van de regeringspartij hebben geschaard om hun politieke activiteiten te kunnen uitoefenen, maar dat andere OLF’ers de oppositie voeren tegen de regering het risico lopen gedetineerd te worden of anderszins problemen te krijgen met de autoriteiten. Ook blijkt uit het rapport van UK Home Office van maart 2022 dat OLF-leden of -sympathisanten die terugkeren naar Ethiopië een risico lopen op problemen met de autoriteiten als zij bijvoorbeeld een significante geschiedenis van OLF-lidmaatschap of OLF-steun hebben.

Gelet hierop had de staatssecretaris een individuele beoordeling moeten verrichten waarbij hij aan de hand van de voor de vreemdeling specifieke omstandigheden nagaat of hij bij terugkeer naar Ethiopië vanwege zijn (geloofwaardige) politieke activiteiten voor het OLF in Nederland een risico loopt op vervolging.

Beroep gegrond.
Rb Rotterdam, NL21.17095, 3.6.24

RvS: geen algemeen risico transvrouw Colombia

De Afdeling leidt uit de landeninformatie af dat in Colombia, ondanks het progressieve wettelijke kader, de lhbti-gemeenschap, en in het bijzonder trans vrouwen, het doelwit zijn van geweld en discriminatie. Dit is niet alleen afkomstig van burgers, maar ook van overheidsfunctionarissen. In de praktijk zijn er obstakels om een beroep te doen op beschermingsmechanismen. Het institutionele kader en de werkelijkheid lopen dan ook uiteen. Dat neemt niet weg dat de situatie voor trans vrouwen in Colombia niet zodanig is dat zij systematisch worden blootgesteld aan vervolging of ernstige schade vanwege hun genderidentiteit en dat van hen, ondanks de moeilijke situatie waarin zij zich bevinden, verwacht mag worden dat zij een beroep doen op bestaande beschermingsmechanismen bij voorkomende problemen.

Het is dan ook aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat er individualiseerbare omstandigheden zijn waarop gebaseerd kan worden dat er voor haar een gegronde vrees voor vervolging bestaat of dat zij een reëel risico loopt op behandeling in strijd met het bepaalde in artikel 3 van het EVRM wanneer zij moet terugkeren naar Colombia.....

De beroepsgronden van de vreemdeling over haar individuele asielrelaas slagen niet.
RvS 202106747/1/V2, 5.6.24
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2024:2331

Rb: mogelijk risico bij buitenhuwelijkse zwangerschap Algerije

De vreemdeling legt aan haar asielaanvraag ten grondslag dat zij een miskraam heeft gehad nadat haar familie haar mishandeld heeft vanwege een buitenhuwelijkse zwangerschap. De staatssecretaris acht de zwangerschap geloofwaardig, maar de gestelde problemen door de zwangerschap en de miskraam ongeloofwaardig.

De rechtbank overweegt als volgt. De verklaringen van de vreemdeling dat vrouwen in Algerije mishandeld en verstoten worden door familie zowel als haar haar eigen verklaring dat zij door familie op haar buik geslagen is bij de ontdekking van haar zwangerschap komt overeen met beschikbare landeninformatie. Uit het rapport van de Refugee Review Tribunal Australia volgt namelijk dat in toenemende mate meisjes en ongetrouwde vrouwen op straat leven nadat zij door een buitenhuwelijkse zwangerschap zijn verstoten of gevlucht. Voorts blijkt uit Factsheet Violence against Women in Algeria dat slachtoffers van huiselijk geweld geen bescherming kunnen inroepen van de autoriteiten, ondanks de strafbaarheidstelling. De staatssecretaris heeft geen standpunt ingenomen over de oorzaak van de miskraam en heeft ook niet betwist dat de mishandeling hiermee in verband staan.

De staatssecretaris heeft de geloofwaardige elementen (buitenhuwelijkse zwangerschap en miskraam) moeten beoordelen in samenhang en met inachtneming van landeninformatie. Temeer nu Algerije niet langer wordt aangemerkt als veilig land van herkomst. Het standpunt dat het Australische rapport van algemeen aard is en daarom geen toepassing heeft, wordt niet gevolgd omdat er specifiek informatie volgt over haar situatie als Algerijnse vrouw die een buitenhuwelijkse zwangerschap heeft gehad. Ook is niet gebleken dat het rapport ondanks haar publicatie in 2009 niet meer actueel is in samenhang met overige bronnen. Uit het rapport volgt ook niet dat dergelijke behandeling alleen op vrouwen met kinderen ziet.

Beroep gegrond.
Rb Rotterdam, NL24.1372, 6.5.24

Rb: vanwege eigen inspanning mbt echtheid Venezolaans paspoort verschuift verantwoordelijkheid

De staatssecretaris heeft de asielaanvraag van de vreemdeling afgewezen omdat hij niet volgt dat het Venezolaanse paspoort frauduleus is verkregen en de vreemdeling daar veilig naar terug kan keren.
De rechtbank oordeelt als volgt. Uit de door de vreemdeling overgelegde stukken blijkt dat zij meermaals contact heeft opgenomen met de Venezolaanse ambassade in Den Haag. Met de oprechte inspanning die zij heeft geleverd, is de bewijslast omgedraaid naar de staatssecretaris. Op verzoek van de staatssecretaris zijn de zaken aangehouden. 

Vovo toegewezen.
Rb Haarlem, NL24.16218, 3.5.24

Rb: opgegeven leeftijd in Italië niet automatisch overnemen

De rechtbank stelt vast dat het registreren van een geboortedatum van een derdelander niet valt onder het Unierecht en de registratie ook geen Unierechtelijk karakter krijgt indien de registratie juridisch relevant wordt omdat deze derdelander onder de werking van de Dublinverordening blijkt te vallen. Het registreren van de geboortedatum wordt dan ook beheerst door nationale regelgeving. Reeds hierom kan verweerder zich niet beroepen op het Unierechtelijk interstatelijk vertrouwensbeginsel en kan verweerder niet onverkort van de registratie door de Italiaanse autoriteiten uitgegaan behoudens “tegenbewijs” van eiser.

Of de gestelde geboortedatum geloofwaardig moet worden geacht dient dus te worden beoordeeld aan de hand van de vrije bewijsleer waarbij bovendien heeft te gelden dat verweerder gehouden is het voordeel van de twijfel toe te kennen indien -kort gezegd- eiser ten overstaan van verweerder consistent heeft verklaard, hij oprechte inspanningen heeft geleverd om zijn verklaringen te staven en hem niet verweten kan worden dat hij geen nadere bewijsmiddelen heeft kunnen overleggen.

Verweerder dient dus, indien hij bevoegd zijn zou om zijn geloofwaardigheidsbeoordeling in deze procedure opnieuw te verrichten, de verklaringen van eiser in onderlinge samenhang met de overgelegde documenten en de bewijsnood om andere identificerende documenten over te leggen te beoordelen. Indien verweerder na deze beoordeling zich op het standpunt zou stellen dat eiser zijn gestelde geboortedatum niet aannemelijk heeft weten te maken, dient verweerder uitdrukkelijk te onderzoeken of aan eiser het voordeel van de twijfel kán worden gegeven en waarom verweerder dat dan niet doet.

De rechtbank concludeert dat verweerder in beide inwilligende besluiten uitdrukkelijk heeft overwogen dat de verklaringen van eiser over zijn identiteit, nationaliteit, herkomst en de illegale uitreis geloofwaardig worden geacht. Verweerder dient dus de registratie van de geboortedatum reeds op grond van de door hem genoemde geloofwaardigheidsbeoordeling aan te passen en de juiste geboortedatum van eiser, waaruit volgt dat eiser ten tijde van zijn aanvraag minderjarig was, op zijn verblijfsvergunning te vermelden. De rechtbank zal dit zo ook in het dictum vermelden omdat verweerder niet kan terugkomen op deze uitdrukkelijke overwegingen in beide inwilligende besluiten en dus geen enkele beoordelingsruimte meer heeft.

Het beroep is dus gegrond en de rechtbank zal zelf voorzien door te bepalen dat verweerder de registratie van de geboortedatum dient aan te passen.
Rb Roermond NL23.23800, 14.6.24
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:9223

SvJ&V: aantallen asiel- aanvragen en vergunningen

 

NB: volgens NL was het totale inwilligingspercentage in NL 51%, volgens de Europese definitie tellen Dublinclaimanten niet mee, dan is het inwilligingspercentage 81% in NL en in heel Europa 53%.

staat van migratie 2024, 14.6.24
https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2024/06/14/tk-staat-van-migratie-2024

Rb: onvoldoende opvang Dublinterugkeerders Cyprus

De verschillende uitspraken en de daarin genoemde rapporten waar eiser naar heeft verwezen, vormen een voldoende aanknopingspunt dat Cyprus ten aanzien van Dublinclaimanten, zoals eiser, zijn verplichtingen niet of in ieder geval in onvoldoende mate nakomt. ..... Zelfs als eiser wel in een van de opvangcentra terecht zou kunnen, geldt voor deze opvangcentra dat de leefomstandigheden als ondermaats worden beschreven. ... Met de aangehaalde informatie heeft eiser voldoende aannemelijk gemaakt dat na overdracht aan Cyprus aan hem geen reguliere opvang zal worden verleend die voldoet aan de minimumeisen.

Er is op korte termijn geen of onvoldoende verbetering te verwachten in de reguliere opvangvoorzieningen. Dit betekent dat eiser zal zijn aangewezen op particuliere opvang, waarbij hij zal moeten concurreren met andere asielzoekers, die zich in toenemende aantallen melden op Cyprus. Bovendien blijkt uit het AIDA-rapport dat de mogelijkheden om met een financiële bijdrage van de overheid zelf geschikte opvang in particuliere woonruimte te regelen zeer gering zijn. Het is nog altijd onvoldoende duidelijk hoelang het duurt om deze bijdrage te regelen en zeker ook of deze bijdrage toereikend is. Zoals eiser terecht stelt zullen de huurprijzen van particuliere woonruimtes hoogstwaarschijnlijk stijgen, gelet op de toestroom van asielzoekers op Cyprus die eveneens op deze woonruimtes zijn aangewezen. Hierdoor is nog minder aannemelijk dat hij met de maandelijkse bijdrage van €100 opvang kan vinden die voldoet aan de minimumeisen om een menswaardig bestaan te hebben.

Vanwege de hiervoor genoemde gebreken, kan van eiser niet worden verwacht dat hij eerst klaagt bij de Cypriotische autoriteiten over het gebrek aan opvang.

Rb Middelburg NL24.17079, 29.5.24
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:8634

Rb: rekening houden met kwetsbaarheid gezin met Griekse status bij terugkeer

Uit IB 2022/84 volgt dat de staatssecretaris de asielaanvraag van een Griekse statushouder niet-ontvankelijk kan verklaren als de vreemdeling - onder andere - in het bezit is van een verblijfsvergunning. Eisers hebben verklaard dat zij een Griekse verblijfsvergunning hebben, maar dat zij niet meer in het bezit zijn van de fysieke documenten. De staatssecretaris stelt zich op het standpunt dat eisers de verblijfsvergunning snel weer kunnen verkrijgen. De staatssecretaris stelt dat de verblijfsvergunning kan worden vernieuwd, als eisers zich eerst in een database registreren. Als die registratie is verwerkt wordt een certificaat afgegeven waarmee eisers hun rechten kunnen effectueren. Het is de rechtbank niet duidelijk hoe de staatssecretaris rekening houdt met de informatie dat het weken of maanden kan duren voordat de aanvrager in het bezit wordt gesteld van een certificaat. Of eisers bij terugkeer naar Griekenland op zeer korte termijn weer kunnen beschikken over hun verblijfsvergunning is dus onzeker.

Ook moet volgens IB 2022/84 duidelijk uit de gehoren blijken dat eisers in Griekenland onderdak en voorzieningen hadden en deze opnieuw kunnen verkrijgen. Eisers hebben verklaard dat zij eerder onderdak en voorzieningen hebben gehad, maar dat de huurovereenkomst is beëindigd vanwege een betaalachterstand. ....Dat eisers zich volgens de staatssecretaris lange tijd staande hebben kunnen houden in Griekenland, maakt de beoordeling niet anders. Dat is immers geen voorwaarde die volgt uit IB 2022/84.

De rechtbank wijst er tot slot op dat in IB 2022/84 met zoveel woorden staat dat terughoudend moet worden omgegaan met de mogelijkheid om asielaanvragen van Griekse statushouders niet-ontvankelijk te verklaren.

Rb Utrecht NL24.17628, NL24.17632, NL24.17630, NL24.17634 en NL24.17637, 11.6.24
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:9104

Pagina's