Nieuws

Rb: geen zicht op uitzetting naar Algerije

De rechtbank wil aannemen dat de diplomatieke betrekkingen met de Algerijnse autoriteiten goed zijn en dat Algerije ook in beginsel bereid is om onderdanen toe te laten tot het eigen grondgebied en daartoe vervangende reisdocumenten te verstrekken. Dat neemt niet weg dat de afgifte van LP’s na maart 2020 volgens verweerder is stilgevallen; de rechtbank gaat ervan uit dat dat gevolg is van beperkende coronamaatregelen.

Inmiddels is het 13 maanden geleden dat er daadwerkelijk een LP is afgegeven en op dit moment valt niet te zeggen hoe en op welke termijn afgifte en/of concrete stappen in die richting kunnen worden verwacht. Verweerder heeft ter zitting geen inzicht kunnen geven in de termijn waarop de afgifte van LP’s hervat zou (kunnen) worden, noch in de intensiteit van de besprekingen met de Algerijnse autoriteiten die daartoe moeten leiden. De rechtbank ziet dan ook geen aanknopingspunt voor de veronderstelling dat succesvolle besprekingen binnen een redelijke termijn tot uitzetting van eiser kunnen leiden.

Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond.
Rb den Bosch NL21.5052, 14.4.21
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:3701

RvS: verklaringen buurman, school, kerk en werkgever moeder onvoldoende voor Chavez-status vader

De rechtbank heeft overwogen dat de overgelegde stukken laten zien dat de vreemdeling een betrokken vader is, maar zij heeft terecht geoordeeld dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de vreemdeling onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zijn zoon zonder hem niet in Nederland kan blijven en dus feitelijk wordt gedwongen het grondgebied van de Unie te verlaten en hem te volgen naar Nigeria. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de vreemdeling geen stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij ouderlijk gezag heeft over zijn zoon. De vreemdeling heeft verder zijn stelling dat hij vanaf de geboorte van zijn zoon betrokken is geweest bij diens opvoeding en verzorging, niet aannemelijk gemaakt met de door hem overgelegde bewijsstukken. De stelling van de vreemdeling en de moeder dat de vreemdeling sinds de geboorte van zijn zoon op [geboortedatum] 2010 in zijn buurt heeft gewoond, heeft hij niet met een uittreksel uit de Basisregistratie Personen (de BRP) aangetoond of met andere bewijsstukken aannemelijk gemaakt. De vreemdeling heeft zich pas later op het adres van zijn zoon en de moeder ingeschreven. De verklaring van de buurman, waarin staat dat de vreemdeling, zijn zoon en de moeder al enkele jaren samenwonen, is, zonder verklaring waarom de vreemdeling zich niet eerder heeft kunnen inschrijven, onvoldoende om aannemelijk te achten dat de vreemdeling al enkele jaren met zijn zoon samenwoont. In het licht van het vorenstaande bieden de overige door de vreemdeling overgelegde stukken onvoldoende grond voor het oordeel dat zijn zoon zonder hem niet in Nederland kan blijven en dus feitelijk wordt gedwongen het grondgebied van de Unie te verlaten.

In de verklaring van de basisschool staat dat de vreemdeling zijn zoon regelmatig brengt en haalt en dat hij aanwezig is bij rapportbesprekingen, ouderavonden en schoolreisjes. Op de afspraakkaart staat dat de vreemdeling met zijn zoon naar alle afspraken is geweest. In de verklaring van de kerk staat dat de vreemdeling zijn zoon naar de kerkdiensten brengt en naar sport en bijles. De rechtbank heeft terecht overwogen dat dit geen zorg- en opvoedtaken zijn waarvoor de aanwezigheid van de vreemdeling in Nederland noodzakelijk is. Uit de overgelegde stukken van [bedrijf A] en [bedrijf B] blijkt weliswaar dat de moeder werkt, maar niet zoveel uren dat, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, de moeder de taken die de vreemdeling thans verricht niet op zich kan nemen. Verder kan uit de overgelegde foto's niet worden afgeleid dat de vreemdeling meer dan marginale zorg- en opvoedtaken verricht, omdat dit slechts momentopnamen zijn. In het licht van het voorgaande, heeft de rechtbank met de staatssecretaris terecht aan de overgelegde verklaringen van de moeder niet de waarde gehecht die de vreemdeling wenst, omdat de verklaringen van de moeder niet objectief zijn. Al met al volgt uit de door de vreemdeling overgelegde bewijsstukken niet dat zijn zoon zonder hem niet in Nederland kan blijven en dus feitelijk wordt gedwongen het grondgebied van de Unie te verlaten.

De vreemdeling heeft verder ook niets aangevoerd waaruit volgt dat er een zodanige affectieve relatie Hieruit volgt dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat tussen de vreemdeling en zijn zoon geen daadwerkelijke afhankelijkheidsverhouding bestaat en zijn zoon bij het niet toestaan van verblijf in Nederland niet het risico loopt feitelijk te worden gedwongen het grondgebied van de Unie te verlaten.

De grief faalt.
RvS 202001059/1/V1, 16.4.21
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2021:790

Rb: terugkeer naar Nigeria is risico vanwege mensenhandelaars drugshandel

De vreemdeling heeft bij zijn asielaanvraag aangevoerd slachtoffer te zijn van mensenhandel doordat hij onder valse voorwendselen naar Nederland is gebracht. Daarna is van hem verwacht dat hij drugs zou smokkelen. Hij stelt vanwege het weigeren om drugs te smokkelen slachtoffer te zijn van mishandeling en doodsbedreigingen door leden van de Black Axe Cult waardoor hij bij terugkeer een reëel risico loopt op behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. De staatssecretaris heeft het relaas geloofwaardig geacht maar acht de gedwongen drugssmokkel en de gevolgen daarvan geen relevant element gezien het een commuun delict is en zich in Nederland heeft afgespeeld.

De rechtbank overweegt als volgt. Vanwege de ex-nunc beoordeling moet worden vastgesteld of er een reëel risico is op vervolging of ernstige schade. De rechtbank acht het beroep gegrond omdat de vrees van de vreemdeling bij uitstek is gebaseerd op het element dat onterecht niet relevant is geacht door de staatssecretaris. Het standpunt dat de feiten zich pas in Nederland hebben afgespeeld doet hier niet aan af. Bovendien is er in deze zaak wel degelijk een verband met de gebeurtenissen in Nigeria doordat de vreemdeling vanaf daar onder valse voorwendselen naar Nederland is gebracht.

Beroep gegrond.
Rb Haarlem, NL21.4148, 9.4.21

RvS: hoofdstad Bissau geen vestigingsalternatief voor homo

Volgens de rechtbank heeft de staatssecretaris uit het nader gehoor van de vreemdeling kunnen afleiden dat bij zijn vader en de Koranschool bekend was dat de vreemdeling homoseksueel is. Daaruit volgt dat de vreemdeling vijf jaar lang bij zijn vader en andere dorpsbewoners in het dorp heeft geleefd en als homoseksueel werd beschouwd, maar dat zij geen actie tegen de vreemdeling hebben ondernomen.

In Hoger Beroep betoogt de vreemdeling terecht dat de staatssecretaris ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat niet aannemelijk is dat de vader en andere dorpsbewoners naar de vreemdeling op zoek zullen gaan als hij zich in de hoofdstad Bissau vestigt. Daarnaast is niet in geschil dat de vreemdeling in Bissau geen bescherming van de autoriteiten kan verwachten. De rechtbank heeft niet onderkend dat de staatssecretaris ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat de persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling er niet aan in de weg staan dat hij een vestigingsalternatief heeft in de hoofdstad Bissau.

De grief slaagt.
RvS 202003025/1/V1, 6.4.21
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2021:701

Rb: iMMO kan niet aangeven welk onderdeel van het asielverhaal ongeloofwaardig is

Deze Congolese asielzoekerster vertelde dat ze gevlucht is vanwege (oa sexueel) geweld maar ze werd niet geloofd. Zij heeft in beroep een iMMO-rapportage overgelegd. De lichamelijke klachten van buikpijn, obstipatie en anale pijn zijn door het iMMO beoordeeld als consistent met het gestelde geweld. De geconstateerde psychische problematiek is volgens het iMMO typerend voor het gestelde geweldsrelaas. Tot slot vermeldt het iMMO-rapport dat vanuit de beschikbare medische en juridische informatie aanwijzingen naar voren komen voor psychische klachten en cognitieve problemen die ten tijde van de gehoren zeer waarschijnlijk hebben geïnterfereerd met het vermogen om compleet, coherent en consistent te verklaren.

De rechtbank heeft kennis genomen van het standpunt van het iMMO dat het vanuit wetenschappelijk oogpunt onmogelijk is om te voldoen aan het toetsingskader van de Afdeling (ECLI:NL:RVS:2018:2085), namelijk om aan te kunnen geven op welke onderdelen van het asielrelaas de beperking van het vermogen om compleet, consistent en coherent te verklaren specifiek van toepassing is geweest.

De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris onvoldoende draagkrachtig heeft gemotiveerd dat het iMMO niet op inzichtelijke en concludente wijze heeft gesteld dat de medische problematiek ten tijde van de gehoren zeer waarschijnlijk interfereerde met haar vermogen om compleet, consistent en coherent te verklaren. Ook is niet gemotiveerd of, en zo ja, in hoeverre het wetenschappelijk wel mogelijk zou zijn aan het toetsingskader van de Afdeling te voldoen. Ook is niet gemotiveerd waarom de vreemdeling niet opnieuw is gehoord over de herkomst van de geconstateerde littekens, de psychische en fysieke problemen, om aan de hand daarvan te beoordelen of de bevindingen van het iMMO alsnog als medisch steunbewijs kunnen dienen.

Beroep gegrond.
Rb Amsterdam, NL19.30075, 9.4.21

Rb: Dublinoverdracht slachtoffer mensenhandel in NL mogelijk in strijd met Mensenhandelverdrag

De vreemdeling heeft aangifte gedaan van mensenhandel, ambtshalve is dit ook aangemerkt als asielaanvraag (Model 555). Volgens de vreemdeling handelde de staatssecretaris door het besluit tot overdracht aan Frankrijk in strijd met artikel 14 Verdrag inzake de bestrijding van mensenhandel omdat dat stelt dat altijd naar de persoonlijke omstandigheden moet worden gekeken.

Naar het voorlopig oordeel heeft de staatsecretaris onvoldoende overtuigend gemotiveerd dat het beleid zoals dat is omschreven in paragraaf B8/3.l vc 2000 (dat alleen een verblijfsvergunning wordt verleend als het OM aanwezigheid noodzakelijk is) niet in strijd is met het artikel 14, eerste lid en onder a van het Verdrag. De Franse autoriteiten hebben zich weliswaar bereid verklaard om de asielprocedure te behandelen. De stelling van de vreemdeling dat zij slachtoffer is geworden van mensenhandel ziet echter op gebeurtenissen die na haar vlucht hebben plaatsgevonden en staan los van haar asielprocedure. Bovendien hebben de gestelde gebeurtenissen in relatie tot de mensenhandel plaatsgevonden in Nederland en niet in Uganda of in Frankrijk.

Dat de Franse autoriteiten de gebeurtenissen die de vreemdeling in Nederland zijn overkomen zullen betrekken in de beoordeling van haar asielprocedure, is niet duidelijk. De twijfel aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit, betekent dat moet worden betwijfeld of het bestreden besluit in beroep in stand zal blijven. De belangen van de vreemdeling wegen hierin zwaarder en dus wordt de vovo toegewezen.

Rb Den Bosch, AWB 20/7753, 8.4.21

Rb: nader onderzoek omstandigheden Roemenië nodig

De vreemdeling heeft verklaard dat hij In Roemenië is aangehouden en naar de gevangenis is gebracht omdat hij weigerde zijn vingerafdrukken af te staan. Hij heeft drie dagen in de gevangenis gezeten, hij werd daar gemarteld en geslagen. Ook heeft hij verklaard dat hij onmenselijk werd behandeld en dat er ongedierte was waarvan hij littekens heeft. In de zienswijze heeft hij daaraan toegevoegd dat hij zich moest uitkleden, dat hij is gefouilleerd, dat alles van hem werd afgepakt, dat hij in detentie geen eten kreeg, dat hij water uit de wc moest drinken, dat hij geen recht had op juridische bijstand, dat hij geen bijstand had van een tolk en dat hij geen arts heeft kunnen zien.

De vreemdeling heeft zijn verklaringen niet onderbouwd met stukken die op hem persoonlijk zien, maar daar staat tegenover dat het nagenoeg onmogelijk is voor de vreemdeling om die verklaringen met op hem persoonlijk betrekking hebbende documenten te onderbouwen. Daar komt bij dat de staatssecretaris het hiervoor genoemde relaas niet (kenbaar) onaannemelijk heeft geacht en dat het relaas steun vindt in algemene landeninformatie en sterke parallellen vertoont met de zaken waarin uitspraak is gedaan.

Hierop gelet ligt het op de weg van de staatssecretaris om te onderzoeken of (in dit concrete geval) ten aanzien van Roemenië kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en/of dat de verklaringen aanleiding geven om zijn asielaanvraag onverplicht aan zich te trekken.

Beroep gegrond.
Rb Den Bosch, NL21.2697, 1.4.21

EHRM: door verbeterde opvang geen 3EVRM-risico bij overdracht kwetsbare asielzoeker naar Italië

The applicant and her two minor daughters are Eritrean nationals who entered and applied for international protection in the Netherlands in March 2018. After the Italian authorities agreed to take back the applicant and her children, the Dutch authorities decided not to examine her application. However, the transfer to Italy did not take place. In December 2018, the applicant submitted a second unsuccessful application, arguing that the Netherlands ought to take responsibility for her application in view of recently enacted legislation "Salvini Decree" that stipulated that applicants for international protection in a situation like hers, would not be eligible for access to the second-tier reception facilities.  M.T. complained that the transfer to Italy would expose her and her daughters to treatment contrary to Article 3 ECHR.

The ECtHR considered that the present conditions were decisive and noted that the latest modifications to the Italian system of reception for applicants of international protection took effect in October 2020. These changes entailed that inter alia, applicants for international protection have access to the second-tier reception within the Reception and Integration System (Sistema di accoglienza e integrazione – 'SAI') network. Further, given their vulnerability under Italian legislation as a single mother with two minor children, the Court considered that their placement into an SAI reception facility would be prioritised. It noted that even if the applicants and her children were initially placed in first tier reception facilities, pending their placement in SAI facilities, the latest amendments to the legislation, included an extension of a range of services provided in those facilities.

As such, the Court considered that a sufficiently real and imminent risk of hardship to fall within the scope of Article 3 ECHR had not been established and the application was deemed inadmissible.

EHRM M.T. v the Netherlands (application no. 46595/19), 23.3.21
http://hudoc.echr.coe.int/eng?i=001-209487

RvS: prejudiciele vragen over verantwoordelijk land, indien derde land betrokken is

De Afdeling stelt de volgende prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie:

A) Moet het begrip ‘verzoekende lidstaat’ aldus worden uitgelegd dat hieronder wordt verstaan de derde lidstaat (Nederland) die als laatste bij een andere lidstaat een verzoek om terugname of overname heeft gedaan?

B) Indien het antwoord ontkennend luidt: heeft de omstandigheid dat een eerder claimakkoord tussen twee lidstaten (Duitsland en Italië) is gesloten, dan nog gevolgen voor de juridische verplichtingen van de derde lidstaat (Nederland) uit hoofde van de Dublinverordening jegens de vreemdeling dan wel de bij dat eerdere claimakkoord betrokken lidstaten, en zo ja, welke?

Indien vraag 1 bevestigend moet worden beantwoord, moet artikel 27, eerste lid van Verordening Dublin III, gelezen in het licht van overweging 19 van deze verordening, aldus worden uitgelegd dat dit zich ertegen verzet dat een verzoeker om internationale bescherming in het kader van een rechtsmiddel tegen een overdrachtsbesluit met succes aanvoert dat die overdracht geen doorgang kan vinden omdat de termijn voor een eerder tussen twee lidstaten overeengekomen overdracht is verstreken? 

ABRvS, 201904712/1/V3, 8.4.21

HvJ EU: nieuw oordeel nodig bij nieuwe omstandigheden na overdrachtsbeslissing

The applicant, H.A., is a third-country national who applied for international protection in Belgium in 2017. A decision to transfer him to Spain was adopted as the Spanish authorities had agreed to take charge of him. Shortly afterwards, H.A.'s brother also arrived in Belgium and lodged an application for international protection. H.A. sought to annul the transfer decision, claiming that as his brother arrived in Belgium shortly after the decision was taken in his case, their respective applications should be examined together to ensure the fairness of the procedure. However, the action was dismissed on the ground that the arrival of his brother in Belgium took place after the transfer decision was adopted and, therefore, could not be taken into consideration in the assessment of the lawfulness of the transfer decision. H.A. lodged an appeal before the Belgian Council of State, who asked prejudicial questions.

In a Grand Chamber judgment, the CJEU ruled that an international protection applicant must be able to rely on circumstances subsequent to the adoption of a transfer decision in respect of which he or she exercises a remedy. The Court held that an applicant for international protection must have an effective and rapid remedy available to him or her which enables that applicant to rely on circumstances subsequent to the adoption of a transfer decision, where the consideration of those circumstances is decisive for the correct application of the Dublin III Regulation.

The CJEU stated that such protection may be afforded to the applicant by a specific remedy entailing an ex nunc examination of the situation of the person concerned, the results of which are binding on the competent authorities, a remedy which may be exercised after such circumstances have arisen and which, in particular, is not made conditional on the deprivation of that person's liberty or on the fact that implementation of that decision is imminent.

H.A. v État belge (case C-194/19), 15.4.21
https://curia.europa.eu/juris/liste.jsf?num=C-194/19

Pagina's