Nieuws

Rb: christelijke tatoeage kan aangepast worden bij ongeloofwaardige bekering

De rechtbank overweegt dat het hebben van een tatoeage zonder dat hier een geloofsovertuiging of andere uitoefening van grondrechten aan ten grondslag ligt niet meer dan een uiterlijke verfraaiing van het lichaam is. Naar het oordeel van de rechtbank is een zekere inbreuk op de lichamelijke integriteit in dit geval gerechtvaardigd.

Van eiser mag dus worden verwacht de tatoeage ofwel te verwijderen ofwel te wijzigen. Ook indien het plaatsen van een tatoeage voor hem persoonlijk een uiting van zijn geloofsleven behelst kan eiser deze tatoeage wijzigen. Eiser zal dan enkel een afbeelding moeten kiezen die voor derden niet een associatie met het christelijk geloof meebrengt. Het laten tatoeëren van een christelijk kruis en die afbeelding moeten wijzigen is in die zin een beperking in de keuze hoe hij zijn lichaam kan verfraaien, maar er zijn talloze christelijke afbeeldingen die, in een samenleving waarvan slechts een uiterst gering gedeelte van de bevolking christelijk is en overigens christelijke symbolen niet mogen worden getoond en dus niet algemeen bekend zijn, voor derden niet als christelijk symbool herkenbaar zijn. Eiser heeft gekozen voor juist dat symbool dat voor nagenoeg iedereen direct wijst op het christelijk geloof. Deze afbeelding kan eiser, indien hij zoals hij heeft verklaard een tatoeage wil hebben omdat “God dan in hem zit”, eenvoudig wijzigen in een andere afbeelding waarbij hij, ondanks de beoordeling van zijn relaas door verweerder, zijn gevoelens die hij ontleent aan zijn tatoeage kan behouden en desalniettemin naar Afghanistan kan terugkeren zonder vrees voor gevolgen van zijn keuze om een tatoeage te plaatsen.

Rb den Bosch NL19.29443, 24.2.21
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:1649

Rb: Ethiopië geen veilig derde land voor Eritreeërs meer

De vreemdelingen hebben in 2017 Eritrea illegaal verlaten. Zij zijn eerst terecht gekomen in het vluchtelingenkamp Hitsats, in het noorden van Ethiopië, in de regio Tigray, later zijn zij in het kader van gezinshereniging naar Nederland gekomen.

De staatssecretaris stelt zich op het standpunt dat Ethiopië in zijn algemeen als veilig derde land kan worden aangemerkt omdat er een werkende asielprocedure is waarbij de rechten van asielzoekers en het non-refoulement principe worden gerespecteerd. De vreemdelingen betwisten dat Ethiopië voor Eritreeërs aangemerkt kan worden als veilig land. Ter zitting heeft de staatssecretaris desgevraagd erkend dat HRW en het Duitse Federal Office for Migration and Refugees als gezaghebbende bronnen kunnen worden aangemerkt en dat voor zover deze informatie niet is meegenomen de besluiten in zoverre onvoldoende zijn gemotiveerd en de beroepen gegrond zijn. De staatssecretaris heeft ook erkend dat de situatie in de regio Tigray is verslechterd door het recente grensconflict.

De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten. Uit de door de vreemdelingen ingeroepen informatie blijkt dat er aanwijzingen zijn dat de Ethiopische autoriteiten sinds januari 2020 onofficieel hun beleid hebben gewijzigd ten aanzien van Eritrese asielzoekers. Waar Eritreeërs eerst allemaal bescherming kregen, registreert ARRA nu alleen bepaalde groepen asielzoekers die aankomen bij de grens met Ethiopië, worden alleenstaande kinderen niet meer geregistreerd en krijgen zij geen opvang en hulp meer.

De rechtbank volgt ook niet dat de staatssecretaris voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de vreemdelingen veilig in Addis Abeba zouden kunnen verblijven. Niet is betwist dat ook daar voorvallen zijn geweest met Eritrese vluchtelingen. Zo staat vermeld in Eritrea Hub van Martin Plaut dat hij betrouwbare informatie heeft ontvangen dat Eritrese vluchtelingen die na een lange trektocht vanuit de kampen in Tigray naar Addis Abeba zijn gekomen, nu worden gearresteerd en in een detentiecentrum worden geplaatst, terwijl sommige, zo niet alle, UNHCR vluchtelingenregistratiekaarten hebben.

Beroep gegrond
Rb Den Bosch, NL20.19894 en NL20.19895 en NL20.19896, 11.2.21

Rb: intrekking asielstatus Syriers met ook Armeense nationaliteit niet goed beargumenteerd

Eisers hebben de Syrische nationaliteit en zijn in 2013 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. In 2016 heeft verweerder de verblijfsvergunning ingetrokken omdat eisers hun Armeense nationaliteit hadden verzwegen en Armenië daarom voor hen als veilig derde land kon worden aangemerkt. Deze intrekking is op 27 november 2018 door de Afdeling onherroepelijk geworden.

Eisers hebben op 1 juli 2019 verzocht de eerdere intrekkingsbesluiten te heroverwegen. De gemachtigde van eisers heeft uitgebreid gemotiveerd aangevoerd dat er sprake is van willekeur als het gaat om intrekkingen van verblijfsvergunningen van ‘Armeense Syriërs’. Het gaat daarbij om een relatief klein aantal zaken dat door een cluster van de IND wordt behandeld.

De rechtbank is van oordeel dat eisers hebben voldaan aan de bewijslast door 25 dossiers geanonimiseerd te overleggen, duidelijk te maken welke overeenkomsten er zijn en welke zaken met name overeenkomen met die van eisers. Nu verweerder niet inzichtelijk heeft gemaakt waar de verschillen in zitten en dus niet voldoende heeft gemotiveerd waarom het geen gelijke gevallen betreft, is het verzoek tot heroverweging van eisers onvoldoende gemotiveerd afgewezen. Het beroep is gegrond.

Rb Haarlem NL20.6147 en NL20.6149, 15.2.21
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:1307

Rb: VBL geschikt voor zieke Nigeriaan in art-64 procedure

Op grond van artikel 64  Vw is voorlopig uitstel van vertrek verleend in afwachting van de ambtshalve beoordeling om toepassing van artikel 64 van de vw. Vervolgens heeft de staatssecretaris meegedeeld dat de opvang van de vreemdeling in AZC Leersum wordt beëindigd en dat hij in aanmerking komt voor opvang in de VBL Ter Apel. Op 18 januari 2021 is de vreemdeling niet in zijn kamer in AZC Leersum aangetroffen. Zijn spullen waren meegenomen en de sleutel van de kamer lag op tafel.

De vreemdeling heeft aangevoerd dat zijn psychische situatie zich verzet tegen opvang in een VBL omdat zijn psychische klachten zullen toenemen en het risico op suïcide verder zal toenemen wanneer hij wordt overgeplaatst en verzoekt de voorzieningenrechter te bepalen dat de opvang gecontinueerd dient te worden in AZC Leusden. De staatssecretaris heeft zich op het standpunt gesteld dat opvang in een VBL is aangeboden vanwege de bezwaarprocedure en vanwege zijn psychische toestand.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de vreemdeling er niet in is geslaagd om aannemelijk te maken dat het verschil in regime in het AZC en in een VBL zodanig is, dat de opvang in een AZC zou moeten worden gecontinueerd. Dat de vreemdeling voor hem belangrijke copingsmechanismen niet kan toepassen in een VBL, namelijk wandelen, het vermijden van mensen in uniform en alles wat de gevangeniservaring in Nigeria oproept, volgt de voorzieningenrechter niet. Vreemdelingen in een VBL mogen immers net als in een AZC de locatie verlaten, maar zijn verplicht binnen de grenzen van de gemeente te blijven. Het verzoek wordt afgewezen.

Rb Utrecht AWB 20/9310 S., 20.1.21
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2021:165

Rb: ook in vierde asielprocedure recht op opvang tot rechtbank

De staatssecretaris heeft de vierde asielaanvraag van de vreemdeling niet-ontvankelijk verklaard, omdat hij geen nieuwe elementen of bevindingen heeft ingebracht. De vreemdeling heeft verzocht om zo spoedig mogelijk een ordemaatregel te treffen, omdat het COA hem heeft medegedeeld dat de opvangvoorzieningen beëindigd zullen worden.

De voorzieningenrechter stelt vast dat de stukken die de vreemdeling aan de onderhavige opvolgende aanvraag ten grondslag heeft gelegd, alle dateren van na de laatste asielprocedure. Hoewel de staatssecretaris zich in het bestreden besluit en het verweerschrift op het standpunt heeft gesteld dat er geen sprake is van nieuwe elementen of bevindingen, is dit standpunt nog niet getoetst door de rechter. Hierdoor kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet op voorhand worden uitgesloten dat nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn gekomen. Omdat de vreemdeling er een groot belang bij heeft om de uitkomst van de procedure(s) in de opvang af te wachten, kent de voorzieningenrechter op dit moment een doorslaggevend gewicht toe aan het belang van de vreemdeling.

Vovo toegewezen.
Rb Zwolle NL20.17788, 18.1.21
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2021:271

Rb: ID-controle zonder aanleiding verboden

Uit het proces-verbaal blijkt niet duidelijk in welk kader het verzoek is gedaan aan eiser om een legitimatiebewijs te tonen. Uit het proces-verbaal blijkt naar het oordeel van de rechtbank evenmin dat er een strafrechtelijk element aan de staandehouding vooraf is gegaan. Dat eiser een ‘onlogische route’ zou hebben gelopen wordt niet verduidelijkt en is naar het oordeel van de rechtbank daarom in dit geval onvoldoende om te onderbouwen dat eiser zich verdacht zou hebben gedragen. Dat de verbalisanten eiser en de persoon waarmee hij samen was ‘niet vonden passen in de wijk’ is daartoe evenmin voldoende en dat geldt ook voor de omstandigheid dat eiser en zijn metgezel langzamer gingen lopen toen zij de verbalisanten opmerkten, en een van hen (waarvan overigens niet duidelijk is of dit eiser betreft) vervolgens achter een busje door de knieën zakten en ‘iets’ neerlegde.

Daarom moet het ervoor worden gehouden dat dit verzoek van de verbalisanten om eisers identiteit te controleren mede heeft plaatsgevonden in het kader van de uitoefening van de bevoegdheid zoals die is bepaald in artikel 50, eerste lid, van de Vw. Een dergelijke controle kan enkel plaatsvinden indien sprake is van een naar objectieve maatstaven gemeten, redelijk vermoeden van illegaal verblijf. De enkele verklaring van eiser dat hij de Indonesische nationaliteit heeft, maakt naar het oordeel van de rechtbank nog niet dat sprake is van een naar objectieve maatstaven gemeten, redelijk vermoeden van illegaal verblijf.

Vast staat dat eiser zijn paspoort heeft getoond, zodat geen aanleiding bestond voor de verdenking dat hij niet voldeed aan de verplichting inzake de Wet op de Identificatieplicht. Deze wet geeft geen aanvullende bevoegdheid ten opzichte van het vreemdelingentoezicht. Nu de verbalisanten contact hebben gelegd met de vreemdelingendienst toen zij opmerkten dat het Portugese visum van eiser was verlopen en hoorden dat eiser dan kon worden aangehouden op grond van de Wid, is de rechtbank van oordeel dat hieruit kan worden afgeleid dat de verbalisanten ten onrechte gebruik hebben gemaakt van een aanvullende bevoegdheid ten opzichte van het vreemdelingentoezicht.

Het beroep is gegrond en de maatregel van ophouding is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig.
Rb Haarlem NL20.21370, 2.2.21
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:901

RvS: geen schrijnendheids-oordeel bij nieuwe asielaanvraag na terugkeer

De staatssecretaris heeft eerder definitief beslist op de asielaanvraag die zijn moeder in 1998 mede voor de vreemdeling heeft ingediend. De asielaanvraag die de vreemdeling in 2015 heeft ingediend, is daarom geen eerste aanvraag maar een opvolgende aanvraag. Omdat in artikel 3.6ba van het Vb 2000 niet de verplichting is neergelegd voor de staatssecretaris om bij een opvolgende aanvraag ambtshalve te beoordelen of een vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als in die bepaling bedoeld, heeft de staatssecretaris niet ten onrechte deze beoordeling achterwege gelaten.

De grief slaagt. Het hoger beroep is gegrond.
RvS 202003851/1/V3, 1.2.21
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2021:195

Rb: toelating niet-biologische vader van NLs kind, afweging risico kind

Volgens het HvJ-EU in het arrest Chavez-Vilchez is het de afhankelijkheidsverhouding tussen de jonge burger van de Europese Unie en de onderdaan van het derde land aan wie een verblijfsrecht wordt geweigerd, die het nuttig effect van het burgerschap van de Europese Unie in het geding kan brengen, indien die afhankelijkheid ertoe zal leiden dat de burger van de Europese Unie als gevolg van die weigering gedwongen zal zijn niet enkel het grondgebied van de lidstaat waarvan hij de onderdaan is, maar eveneens het grondgebied van de Europese Unie als geheel te verlaten. Voor de beoordeling van het risico hiervan, moet worden bepaald welke ouder de daadwerkelijke zorg over het kind heeft en of er een daadwerkelijke afhankelijkheidsverhouding bestaat tussen het kind en de ouder die onderdaan is van een derde land.

Voor die beoordeling moeten, in het hogere belang van het kind, alle betrokken omstandigheden in de beschouwing worden betrokken, meer in het bijzonder de leeftijd van het kind, zijn lichamelijke en emotionele ontwikkeling, de mate van zijn affectieve relatie zowel met de ouder die burger van de Europese Unie is als met de ouder die onderdaan van een derde land is, evenals het risico dat voor het evenwicht van het kind zou ontstaan indien het van deze laatste ouder zou worden gescheiden.

De rechtbank overweegt dat de inhoud van de hiervoor aangehaalde stukken, niet kenbaar is betrokken in de motivering van verweerder. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser met het overleggen van deze stukken aangetoond dat het vertrek van eiser en de scheiding tussen hem en referenten gevolgen zal hebben voor het evenwicht van referenten. Ook heeft eiser met deze stukken onderbouwd dat de lichamelijke en emotionele ontwikkeling van referenten kwetsbaar is en de mate van zijn affectieve relatie met referenten voldoende toegelicht. Dat verweerder dit in de besluitvorming heeft betrokken, is niet terug te lezen....

Daarbij komt dat niet blijkt dat verweerder in dit kader betrokken heeft dat de moeder van referenten een licht verstandelijke beperking heeft en naar voren heeft gebracht niet alleen voor de kinderen te kunnen en willen zorgen. De enkele stelling dat zij het wettelijk gezag heeft, de kinderen door haar met behulp van hulpverleningsinstanties verzorgd kunnen worden en dat de kinderen bij haar kunnen blijven wonen, is daarom onvoldoende voor de vaststelling van verweerder dat de door eiser gestelde afhankelijkheidsverhouding tussen hem en referenten afwezig is. Verweerder had immers alle omstandigheden in het hogere belang van referenten in zijn beoordeling moeten betrekken en heeft dat niet gedaan.

Anders dan verweerder, is de rechtbank van oordeel dat eiser met de overgelegde verklaringen van verschillende professionals voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat tussen hem en referenten een zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat dat de kinderen genoopt zouden zijn het grondgebied van de Europese Unie te verlaten indien aan eiser een verblijfsrecht wordt geweigerd.

Beroep gegrond.
Rb Amsterdam AWB 20-4610 en 20-4611, 24.12.20
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2020:14204

Rb: mogelijk risico bij terugkeer Marokkaanse vrouw met buitenechtelijk kind

De vreemdeling heeft naar voren gebracht dat je in Marokko wordt gestraft als je een buitenechtelijk kind krijgt en dat haar familie het ook niet zal accepteren. 

De rechtbank overweegt als volgt. De staatssecretaris is niet ingegaan op de in de zienswijze betrokken stelling dat het krijgen van een buitenechtelijk kind in Marokko strafbaar is en dat zij in de gevangenis zal komen. In beroep is terecht betoogd dat het bestreden besluit op dit punt niet deugdelijk is gemotiveerd. Dit klemt te meer, nu in de door de vreemdeling in beroep aangehaalde herbeoordeling van 30 september 2020 is vermeld dat individuele gevallen, met name personen die te maken krijgen met strafrechtelijke vervolging, verhoogde aandacht krijgen. Voor deze individuele gevallen is een voorbeeld aangehaald van een zaak waarin een veroordeling tot een jaar gevangenisstraf is opgelegd na beschuldiging van buitenechtelijke seks en een illegale abortus.

De rechtbank ziet tevens geen aanleiding de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. De staatssecretaris dient rekening te houden met hoe de regelgeving in de praktijk wordt toegepast of uitwerkt (ECLI:NL:RVS:2013:2422). Vervolgens dient bij de te verrichten beoordeling kenbaar rekening te worden gehouden met alle geloofwaardig bevonden aspecten.

Beroep gegrond.
Rb Groningen, NL20.19305, 21.1.21

Rb: risico dienstplicht Eritrea, ondanks ongeloofwaardige herkomst

De vreemdeling heeft aan zijn opvolgende asielaanvraag een originele verklaring van de Eritrese ambassade in Den Haag overgelegd ter onderbouwing van zijn gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst. De asielaanvraag is afgewezen als kennelijk ongegrond, omdat de Eritrese herkomst ongeloofwaardig wordt geacht.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de staatssecretaris de gestelde herkomst niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht. Zo stelt de staatssecretaris terecht dat de omstandigheid dat de Eritrese ambassade in Nederland een nationaliteitsverklaring heeft afgegeven niet maakt dat de gestelde herkomst (alsnog) aannemelijk is. In deze verklaring is immers niets opgenomen over de herkomst van de vreemdeling en hij zou ook afkomstig kunnen zijn uit de diaspora. Tevens heeft de staatssecretaris ook de gestelde illegale uitreis uit Eritrea niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht.

De staatssecretaris heeft zijn standpunt met betrekking tot de vrees voor de dienstplicht in Eritrea onvoldoende gemotiveerd. Naar het oordeel van de rechtbank miskent de staatssecretaris dat de vreemdeling ten tijde van zijn eerste asielprocedure nog niet meerderjarig, en dus niet dienstplichtig, was. Meerderjarig is de vreemdeling ten tijde van het bestreden besluit wel, zoals ook de staatssecretaris aannemelijk acht. Niet valt in te zien waarom de vreemdeling als meerderjarige Eritreeër bij terugkomst in Eritrea door de Eritrese autoriteiten niet zal worden geworven voor militaire dienst, temeer nu Eritrea op dit moment is verwikkeld in een oorlog met Ethiopië. De vreemdeling heeft in dit verband – onder verwijzing naar het Ambtsbericht Eritrea – ook terecht aangevoerd dat aannemelijk is dat hij bij aankomst op de luchthaven in Eritrea zal worden gearresteerd. 

Beroep gegrond.
Rb Middelburg, NL20.21565, 2.2.21

Pagina's