bezoek ook: www.noo.nl / www.meldpuntvreemdelingendetentie.nl / www.basicrights.nl / www.iLegalevrouw.nl
Uit het ambtsbericht Colombia van maart 20223 blijkt dat na het vredesakkoord van 2016 kleinere groeperingen zich hebben afgesplitst van de originele FARC in verschillende dissidenties. De meeste van deze dissidente groepen hebben geen duidelijke commandostructuur en opereren zonder zichtbaar leiderschap. Het zijn vaak criminelen met zware en lichte wapens die tot alles in staat zijn om hun drugshandel draaiende te houden. Omdat er zo veel dissidente kleinere groeperingen actief zijn in Colombia, werpt dat de vraag op hoeveel waarde je kunt hechten aan de cijfers waaruit zou blijken dat de (pos-)FARC niet actief is geweest in [plaats] . Uit deze cijfers blijkt immers niet of hier alle versplinterde dissidente groepen van de FARC bij zijn betrokken. De rechtbank volgt verweerder dan ook niet in het standpunt dat deze cijfers een voldoende concreet beeld geven om tot de conclusie te komen dat er geen (pos-)FARC-leden in de omgeving van [plaats] aanwezig waren ten tijde van het seksuele misbruik van eiseres. Verder blijkt uit het ambtsbericht Colombia van maart 2022 dat alle illegale gewapende groeperingen zich op de één of andere manier en in verschillende mate bezighouden met criminele activiteiten. De dissidente groepen van de FARC worden in verband gebracht met seksueel geweld en het ontvoeren van personen om deze voor hen te laten werken. Dit komt overeen met het beeld uit de verklaringen van eiseres dat ze door twee (pos-)FARC-leden seksueel is misbruikt en dat ze met hen mee moest om voor hen te koken. De verklaringen van eiseres over haar seksuele misbruik door (pos-)FARC-leden vinden dan ook steun in de beschikbare landeninformatie.
Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat het seksuele geweld tegen eiseres niet door (pos-)FARC-leden is gepleegd. Verweerder dient dit in een nieuw besluit opnieuw te beoordelen….
Uit het ambtsbericht Colombia van maart 2022 blijkt dat vrouwen aangifte kunnen doen van seksueel geweld, maar dat het vaak bij een aangifte blijft. Ook hoogopgeleide vrouwen in de grote steden hebben te maken met obstakels om aangifte te doen van seksueel geweld vanwege vooroordelen bij de politie. Uit het ambtsbericht blijkt dat zelfs als vrouwen aangifte doen, de daders vaak onbestraft blijven.
Het beroep is gegrond.
Rb Amsterdam NL24.30537 en NL24.37751, 22.4.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:10267
In de Vc was een kader opgenomen over seksuele gerichtheid waar genderidentiteit onderdeel van uitmaakte. Echter, lag de nadruk in die paragraaf met name op de seksuele gerichtheid. Er werd wel aangegeven dat dat kader ook toepasbaar was op zaken waarin genderidentiteit een rol speelde. Uit de praktijk bleek echter dat dit beoordelingskader voor genderidentiteit niet specifiek genoeg was. Daarom is een nieuwe paragraaf over genderidentiteit toegevoegd in paragraaf C2/3.2.5.2.3 Vc, waarbij ook genderexpressie betrokken wordt.
Hierbij is ook betrokken, dat artikel 10 van de Kwalificatierichtlijn voorschrijft dat terdege rekening gehouden moet worden met genderaspecten, waaronder genderidentiteit, wanneer moet worden vastgesteld of iemand tot een bepaalde sociale groep behoort of wanneer een kenmerk van een dergelijke groep wordt geïdentificeerd. In aanloop naar het Migratiepact is eveneens al rekening gehouden met artikel 10 Kwalificatieverordening waarbij ook genderexpressie expliciet wordt benoemd.
WBV 2025/7, 29.4.26 in Staatscourant 2026, 16278, 4.5.26
https://www.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2026-16278.html
Betrokkene heeft diverse documenten overgelegd, waaronder een strafvonnis. Bureau Documenten (BD) heeft vier van deze documenten onderzocht en geconcludeerd dat deze documenten hoogstwaarschijnlijk, dan wel mogelijk, niet bevoegd zijn opgemaakt en afgegeven. BD heeft niet kunnen vaststellen of deze documenten inhoudelijk juist zijn. Betrokkene heeft daarnaast een ‘verklaring van de Egyptische rechtbank op grond van het daadwerkelijk register’ overgelegd, die BD ook heeft onderzocht. Over deze verklaring heeft de minister de rechtbank geïnformeerd dat BD een positief advies heeft afgegeven, maar zich niet heeft uitgelaten over de opmaak, afgifte en inhoud.
Met het oog daarop heeft betrokkene een concreet aanknopingspunt voor twijfel aan de begrijpelijkheid van de conclusies van BD naar voren gebracht. De minister mocht niet zonder nader onderzoek naar de inhoud van deze verklaring van die conclusies van BD uitgaan. De uitkomst van dat onderzoek kan namelijk van invloed zijn op de waardering van de overige overgelegde documenten door de minister. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat de minister op grond van het zorgvuldigheidsbeginsel nader onderzoek had moeten doen naar de inhoud van de ‘verklaring van de Egyptische rechtbank op grond van het daadwerkelijk register’.
Hoger beroep tegen Rb Amsterdam NL22.13469, 23.7.24, ongegrond.
RvS 202404766/1/V1, 1.5.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:2510
De rechtbank stelt vast dat Bureau Documenten in zijn eerste verklaring van onderzoek heeft geconcludeerd dat gelet op het ontbreken van voldoende, betrouwbaar vergelijkingsmateriaal geen uitspraak kan worden gedaan of de krant in deze verschijningsvorm is uitgegeven. In een tweede verklaring van onderzoek stelt Bureau Documenten dat het document waarschijnlijk niet in deze verschijningsvorm is uitgegeven omdat pagina 6 en pagina 22 afwijken van het beschikbare vergelijkingsmateriaal. In de reactie op de contra-expertise van het NFO herhaalt Bureau Documenten deze conclusie.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser met de contra-expertise van het NFO twijfel gezaaid over de conclusie van Bureau Documenten. Het NFO concludeert dat de krant overeenkomt met het beschikbare referentiemateriaal en dat het artikel qua druktechnieken en proporties overeenkomt met de overige artikelen van de krant. Het is niet inzichtelijk op basis waarvan Bureau Documenten tot de conclusie komt dat de krant in lay-out en productietechniek afwijkend is, omdat niet concreet is toegelicht op basis van welke bevindingen tot deze conclusie is gekomen.
De beroepsgrond slaagt.
Rb Amsterdam NL25.38318 en NL25.38319, 17.4.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:10582
In totaal hebben 23 vreemdelingen beroep ingesteld tegen de beslissing om de LVV-opvang te beëindigen. Aan vier vreemdelingen had verweerder, na de beëindiging van de LVV-opvang, een concreet aanbod gedaan voor opvang in de Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) in Ter Apel. Aan zestien andere vreemdelingen was geen concreet aanbod gedaan voor opvang in de VBL. Voorts heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep van een vreemdeling van wie het bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard. En twee andere vreemdelingen die geen procesbelang (meer) hadden bij het beroep.
Voor de vier vreemdelingen die naar de VBL waren verwezen komt de rechtbank tot het oordeel dat de beëindiging van de opvang van eisers niet in strijd is met artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest). Verweerder heeft eisers een concreet alternatief voor opvang aangeboden, namelijk een plek in de VBL en eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat die opvang voor hen niet geschikt of feitelijk niet toegankelijk is.
Rb Rotterdam AWB 25/17059, AWB 25/18643, AWB 25/17071 en AWB 25/17085, 24.4.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9852
Voor de zestien vreemdelingen die geen alternatief aanbod kregen oordeelt de rechtbank dat de beroepen gegrond zijn en de bestreden besluiten vernietigd moeten worden. Eisers hebben aannemelijk gemaakt dat de beëindiging van hun opvang in beginsel in strijd is met artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest), terwijl verweerder er op zijn beurt niet in is geslaagd om alle twijfel daarover weg te nemen. Daarbij is van belang dat verweerder aan eisers geen concreet alternatief voor (onvoorwaardelijke) opvang heeft geboden. …..
De rechtbank leidt uit de dossiers af dat eisers zich allen kenmerken door (een meer of mindere mate van) lichamelijke, psychische, cognitieve en/of sociale kwetsbaarheid en, mede als gevolg daarvan, een gebrek aan voldoende zelfredzaamheid. … Deze combinatie van omstandigheden maakt dat eisers allen volledig afhankelijk zijn van de overheid voor hun meest elementaire levensbehoeften: eten, zich wassen en beschikken over woonruimte. Verweerder heeft dit een en ander niet betwist. Dit betekent dat zij zeer waarschijnlijk op straat zullen belanden en verstoken zullen blijven van overige elementaire levensbehoeften (eten en wassen) als verweerder geen alternatieve opvangvoorziening aanbiedt. Hiermee hebben eisers naar het oordeel van de rechtbank in beginsel aannemelijk gemaakt dat zij, gezien hun kwetsbare situatie, als gevolg van de beëindiging van de LVV-opvang terecht zullen komen in een situatie die onder de ondergrens van artikel 4 van het Handvest zakt.….
De beroepen zijn gegrond.
Rb Rotterdam AWB 25/17178, 25/18646, 25/17036, 25/16952, 25/17084, 25/17184, 25/16876, 25/17187, 25/16953, 25/17190, 25/17037, 25/17180, 25/17051, 25/16955, 25/16956 en 25/17031, 24.4.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9853
In het terugkeerbesluit van 29 augustus 2013 staat als nationaliteit vermeld: Ivoriaanse. …. Uit het verlengingsbesluit volgt verder dat eiser eind 2019 in aanraking is gekomen met de NGO Stichting ‘Goedwerk’ waarbij eiser aanvankelijk stelde uit Ivoorkust te komen, maar later toegaf van Ghanese afkomst te zijn. Op 26 februari 2020 is vervolgens een lp verkregen voor Ghana. …
Uit het arrest FMS van het Hof, volgt dat met het wijzigen van het in het terugkeerbesluit vermelde land van bestemming, een zo essentieel punt van het terugkeerbesluit wordt gewijzigd dat daarmee sprake is van een nieuw terugkeerbesluit.
Eerder was de bewaring van eiser gericht op zijn terugkeer naar Ivoorkust. Met de minister is de rechtbank van oordeel dat de onjuiste inlichtingen van eiser ten grondslag lagen aan een de bewaring gericht op terugkeer naar Ivoorkust, gelijk de huidige inlichtingen van eiser ten grondslag liggen aan de bewaring gericht op zijn terugkeer naar Ghana. Met het aanvullend terugkeerbesluit van 23 april 2025 is daarom naar het oordeel van de rechtbank een nieuwe terugkeerprocedure gestart. De datum van dat besluit markeert de start van die terugkeerprocedure.
De rechtbank stelt vast dat eiser, ter uitvoering van het terugkeerbesluit gericht op zijn uitzetting naar Ghana, inmiddels in totaal 352 dagen in bewaring zit. De rechtbank stelt vast dat de termijn van achttien maanden inbewaringstelling verstrijkt op 14 oktober 2026 en daarom op dit moment nog niet is verstreken. De rechtbank is daarom van oordeel dat het voortduren van de maatregel niet vanwege termijn overschrijding onrechtmatig is.
Het beroep is ongegrond.
Rb Zwolle NL26.15674, 9.4.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:8418
Het arrest Aroja ziet op de situatie dat de afzonderlijke periodes van bewaring zijn gebaseerd op één en hetzelfde besluit dat is genomen op grond van de Terugkeerrichtlijn. Deze richtlijn had uiterlijk op 24 december 2010 geïmplementeerd moeten zijn. Dat is niet gebeurd. Pas op 15 december 2011 is de Terugkeerrichtlijn geïmplementeerd in de nationale wetgeving. Het besluit van 14 december 2010 is dus niet gebaseerd op de Terugkeerrichtlijn. De rechtbank is van oordeel dat het arrest Aroja in deze situatie daarom niet van toepassing is. …
Tussen partijen is niet in geschil dat op 22 maart 2024 aan eiser een terugkeerbesluit is uitgevaardigd. De rechtbank stelt vast dat eiser op basis van dat terugkeerbesluit nog geen achttien maanden in totaal in bewaring heeft gezeten. Ook heeft verweerder geen verleningsbesluit hoeven nemen, omdat er ook nog geen periode van in totaal zes maanden bewaring is verstreken.
De beroepsgrond slaagt niet.
Rb Haarlem NL26.14515, 10.4.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9260
Het BMA-advies is onvoldoende inzichtelijk en concludent. Het door de behandelaar gelegde verband tussen methadonbehandeling en de psychische problematiek van eiser is niet betrokken. Ook is niet betrokken dat eiser zich voor de behandeling in een situatie van sociaal-maatschappelijke teloorgang bevond en dat de behandeling nodig is ter behandeling hiervan. Verder is niet betrokken de door behandelaar genoemde gevolgen en risico’s van stopzetting van de methadonbehandeling. Naast sociaal-maatschappelijk zijn dat overdosering, infecties zoals hepatitis en psychische decompensatie. Anders dan de minister stelt, zijn deze gestelde risico’s niet (uitsluitend) gebaseerd op eigen persoonlijke opvattingen van de behandelaar maar op studies en onderzoeken die de effectiviteit van een methadonbehandeling onderschrijven. Gelet op het verleden van eiser en de algemene bronnen die in het GGD-advies zijn genoemd, ligt het in de rede dat het BMA duidelijk maakt waarom het niet verwacht dat bij eiser geen medische noodsituatie zal ontstaan. De minister kon niet zonder nader onderzoek en motivering van het BMA-advies uitgaan.
Nu het standpunt van de minister dat stopzetting van methadonbehandeling in het geval van eiser niet tot een medische noodsituatie op korte termijn zal leiden geen stand houdt, kan de minister evenmin gevolgd worden in zijn standpunt dat de situatie van eiser niet vergelijkbaar is met de zaak die aanleiding gaf tot het Cannabis-arrest. De rechtbank haalt in dit kader de volgende passages aan uit het Cannabis-arrest:
“93. In dit verband moet worden opgemerkt dat de medische behandeling die een derdelander op het grondgebied van een lidstaat geniet, zelfs indien hij daar illegaal verblijft, deel uitmaakt van diens privéleven in de zin van artikel 7 van het Handvest.”
Beroep gegrond.
Rb Amsterdam NL24.17004 en NL24.17007, 3.4.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9141
De rechtbank is van oordeel dat de minister het risico op refoulement ten onrechte niet nader heeft onderzocht door na te gaan of de door eiseres benodigde medische behandeling beschikbaar is in de landen die in het terugkeerbesluit worden genoemd. Het standpunt van de minister dat eerst moet worden vastgesteld welke identiteit en nationaliteit eiseres heeft, zodat kan worden vastgesteld naar welk land eiseres daadwerkelijk zou moeten terugkeren alvorens een refoulementbeoordeling moet wordt gemaakt, kan gelet op het arrest Ararat geen standhouden. …. De gemachtigde van de minister heeft op zitting niet bestreden dat het praktisch niet onmogelijk is voor de minister om te onderzoeken of de voor eiseres noodzakelijke medische behandelingen beschikbaar zijn in de drie genoemde landen van het terugkeerbesluit.
Het voorgaande betekent dat de minister had moeten onderzoeken of de voor eiseres noodzakelijke medische behandeling in Soedan, Ethiopië of Eritrea beschikbaar is. Het bestreden besluit is dan ook onvoldoende gemotiveerd en onzorgvuldig tot stand gekomen.
Het beroep is gegrond
Rb Amsterdam NL25.1982, 14.4.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9185
Eiseres is in Nederland geboren. Zij is vanaf haar geboorte staatloos. Op 21 mei 2025 heeft de vader namens eiseres een optieverklaring afgelegd en verweerder verzocht om een bevestiging dat zij het Nederlanderschap verkrijgt.
Verweerder heeft vastgesteld dat eiseres geen toelating in Nederland heeft. Zij is niet in het bezit van een geldige verblijfsvergunning. Op grond daarvan heeft verweerder beslist dat de bevestiging moet worden geweigerd, omdat niet is voldaan aan de wettelijke voorwaarde dat minstens drie jaar sprake moet zijn van toelating.
Het Staatloosheidsverdrag staat deze weigeringsgrond niet toe. De eis dat het verblijf rechtmatig moet zijn is een aanvullende eis, die niet valt te verenigen met de tekst en de strekking van de betreffende verdragsbepaling. Met alleen het toevoegen van de Vijfjaarsoptie in art 6 onder q RWN, is het Nederlandse nationaliteitsrecht nog steeds niet afdoende in lijn met het internationale recht. Verweerder handelt in strijd met het Staatloosheidsverdrag door eiseres - gedurende twee jaar - een verdragsschendende voorwaarde tegen te werpen. Daaraan voegt de rb nog toe, dat het eisen van een "stabiel hoofdverblijf' voor toepassing van de Vijfjaarsoptie, neerkomt op het stellen van een ongeoorloofde aanvullende voorwaarde op het Staatloosheidsverdrag. Hoewel het begrip terminologisch ontleend lijkt te zijn aan de tekst van het Staatloosheidsverdrag, wordt aan dit criterium een invulling gegeven die naar het oordeel van de rb niet met het verdrag valt te verenigen.
Beroep gegrond.
Rb Den Haag (mk), SGR 25/6093, 3.3.26