Nieuws

SvJ&V: nieuw beleid Azerbeidzjan

Het ambtsbericht geeft mij aanleiding om vreemdelingen die actief zijn in de politiek, journalistiek of op het gebied van mensenrechten en die significante kritiek op de autoriteiten hebben geuit waardoor zij in de negatieve belangstelling van de autoriteiten staan, als risicogroep aan te merken. Voor deze groep geldt dat zij met geringe indicaties hun vrees aannemelijk kunnen maken. Van leden van deze groep die een gegronde vrees hebben voor vervolging of ernstige schade wordt niet verlangd dat zij de bescherming van de autoriteiten inroepen.

Uit het algemeen ambtsbericht blijkt dat LHBTI en personen met de Armeense etniciteit in voorkomende gevallen weliswaar problemen ondervinden, maar de informatie geeft mij geen aanleiding om deze groepen als risicogroep of kwetsbare minderheidsgroep aan te merken. Wel zie ik aanleiding om bij de beoordeling van de asielaanvraag van personen behorende tot de groep LHBTI en personen met de Armeense etniciteit, indien sprake is van een gegronde individuele vrees voor vervolging of ernstige schade, het uitgangspunt te hanteren dat zij niet op de bescherming van autoriteiten of internationale organisaties kunnen rekenen.

Het huidige beleid gaat ervan uit dat er voor personen met de Azeri-etniciteit uit Nagorno-Karabach een vlucht- en vestigingsalternatief bestaat in het hoofdgebied van Azerbeidzjan en dat er voor personen met de Armeense etniciteit uit het hoofdgebied van Azerbeidzjan een vlucht- en vestigingsalternatief bestaat in Nagorno-Karabach. Voor personen met de Azeri-etniciteit uit Nagorno-Karabach geldt dat het vlucht- en vestigingsalternatief in het hoofdgebied van Azerbeidzjan ongewijzigd blijft. Het vlucht- en vestigingsalternatief in Nagorno-Karabach voor personen met de Armeense etniciteit uit het hoofdgebied van Azerbeidzjan wordt uit het beleid verwijderd. De grens tussen Nagorno-Karabach en het hoofdgebied van Azerbeidzjan is niet open en het is ook niet mogelijk is om tussen deze gebieden te reizen. Er wordt bij de asielaanvraag enkel getoetst aan het hoofdgebied van Azerbeidzjan, omdat de Azerbeidzjaanse autoriteiten enkel daar gezag over hebben en personen enkel kunnen worden uitgezet naar het hoofdgebied.

Verder blijkt uit het algemeen ambtsbericht niet dat er een vlucht- en vestigingsalternatief bestaat voor vreemdelingen enkel vanwege de omstandigheid dat zij een gemengd (Azeri/Armeens) huwelijk of een gemengde duurzame relatie onderhouden. Het vlucht- en vestigingsalternatief voor deze groep wordt daarom eveneens uit het beleid geschrapt. Tot slot wordt het buitenlands vestigingsalternatief uit het beleid verwijderd, omdat dit enkel ziet op de toets van veilig derde land en niet op het specifieke landenbeleid van Azerbeidzjan voor vreemdelingen met de Azerbeidzjaanse nationaliteit.

https://www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/kamerstukken/2020/11/18/tk-landenbeleid-azerbeidzjan/tk-landenbeleid-azerbeidzjan.pdf, 18.11,20

Rb: rekening houden met minderjarigheid Afghaanse homo

Eiser heeft de Afghaanse nationaliteit. Verweerder heeft aan eiser de geboortedatum [geboortedag] 1998 toegekend. Eiser stelt zich vanaf de aanvang van zijn eerste procedure consistent en onder verwijzing naar de door hem overgelegde en door Bureau Documenten beoordeelde taskera op het standpunt dat hij geboren is in 2000 of 2001.

Eiser heeft eerder, op 11 november 2015, een asielaanvraag ingediend. Eiser heeft aan die aanvraag onder meer zijn afvalligheid van de islam en problemen die hij als gevolg hiervan heeft ondervonden ten grondslag gelegd. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen. Verweerder achtte de Afghaanse nationaliteit en Hazara afkomst van eiser geloofwaardig. De identiteit van eiser, met name de geboortedatum van eiser (en dus eisers leeftijd) en geboorteplaats, werden door verweerder ongeloofwaardig geacht. Ook werd de gestelde afvalligheid en de daardoor ondervonden problemen ongeloofwaardig geacht door verweerder. Het hiertegen ingestelde beroep is ongegrond verklaard, dit is door de Afdeling bevestigd zodat deze uitspraak in rechte vaststaat.

Eiser heeft vervolgens kenbaar gemaakt een opvolgende aanvraag in te willen dienen. Hieraan heeft eiser ten grondslag gelegd dat hij homoseksueel is, in Afghanistan een homoseksuele relatie heeft gehad met [naam] en dat uit die relatie problemen zijn voortgekomen. Hij heeft dit tijdens zijn vorige asielprocedure niet verteld omdat hij [naam] beloofd had met niemand te spreken over deze geheime relatie en omdat hij zich schaamt voor zijn geaardheid.....

Verweerder had zich rekenschap moeten geven van de minderjarigheid van eiser en bij de geloofwaardigheidsbeoordeling een gedragsdeskundige moeten betrekken als hij zich op het standpunt stelt dat de gedragingen van eiser dermate afwijken van zijn vooronderstelling over hoe een kind in Afghanistan zich gedraagt als hij ontdekt dat hij homoseksueel is, als hij een eerste relatie aangaat en of het reëel is om te verwachten dat een kind op dat moment bij een eerste (homoseksuele) relatie bezig is met het maken van toekomstplannen terwijl hij opgroeit in een land waar homoseksualiteit een artikel 3 EVRM-vrees oplevert.

Rb den Bosch NL18.25231, 9.11.20
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2020:11257

Rb: ivm ingetrokken Armeense nationaliteit heroverwegen besluit tot intrekken vergunning Syrier

Eiser in Nederland ingereisd met een (Grieks) visum is in een Armeens paspoort. Dat betwist eiser, achteraf bezien, ook niet. Verweerder stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat bekendheid met het (ook) hebben van de Armeense nationaliteit op dat moment had geleid tot afwijzing van de asielaanvraag vanwege het voorhanden zijn van een verblijfsalternatief in Armenië. De vraag die voorligt is of eiser aannemelijk heeft gemaakt dat hij op dit moment niet langer in het bezit is van de Armeense nationaliteit dan wel of op verweerder in dit verband een nadere onderzoeksplicht rust.

Ten aanzien van de verklaring van de Armeense vertegenwoordiging van 24 september 2020 overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder betwist niet de authenticiteit van deze verklaring. De rechtbank is van oordeel dat de Armeense autoriteiten, al dan niet in de vorm van een buitenlandse vertegenwoordiging, bij uitstek de autoriteit is om te verklaren of iemand al dan niet in het bezit is van de nationaliteit van dat land. Het komt de rechtbank voor dat,  de tekst van de verklaring van 24 september 2020 eenduidig is. Daarin staat namelijk dat het staatsburgerschap van eiser is beëindigd, waaruit volgt dat eiser niet meer over de nationaliteit van Armenië beschikt. Ook blijkt uit deze verklaring op basis van welk document de verklaring is opgesteld, namelijk het daarin met nummer en datum genoemde presidentieel decreet.

Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder in beroep zijn standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij de Armeense nationaliteit niet meer heeft en dat Armenië voor eiser op dit moment nog steeds heeft te gelden als een verblijfsalternatief onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat er een motiveringsgebrek kleeft aan de besluitvorming en het nadere standpunt van verweerder....

De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen verweerder het gebrek kan herstellen op zes weken na verzending van deze tussenuitspraak.
Rb Arnhem NL19.15941, 13.11.20
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2020:11543

Rb: iMMO rapport wel novum

Verweerder heeft bij het bestreden besluit vermeld dat het iMMO-rapport om twee redenen niet als nieuwe, relevante bevinding kan worden aangemerkt. In de eerste plaats heeft het onderzoek dat aan dit rapport ten grondslag ligt volgens verweerder tussen 14 februari 2020 en 21 februari 2020 plaatsgevonden, terwijl het reeds tijdens de eerste asielprocedure had kunnen en dus moeten worden uitgevoerd. Ten tweede kan het iMMO-rapport vanwege de tijdsperiode waarop het onderzoek zich heeft gericht en de op grond daarvan neergelegde conclusies in dat rapport, niet worden aangemerkt als een nieuwe relevante bevinding, nu dit niet zou kunnen afdoen aan het oorspronkelijk rechtens vastgestelde besluit.

Anders dan verweerder meent, kan eiser niet worden tegengeworpen dat het onderzoek dat aan het iMMO-rapport ten grondslag ligt te laat is uitgevoerd. Uit paragraaf C1/4.6, aanhef en onder d en verder, van de Vc volgt nu juist dat een iMMO-rapportage kan worden overgelegd bij een opvolgende aanvraag. Er staat niet dat dit niet kan wanneer het onderzoek dat aan de iMMO-rapportage ten grondslag ligt reeds tijdens de eerdere asielprocedure had kunnen worden uitgevoerd.

De rechtbank volgt verweerder wél in zijn standpunt dat het iMMO-rapport vanwege de tijdsperiode waarop het onderzoek zich heeft gericht niet als een nieuwe relevante bevinding kan worden aangemerkt, althans voor zover het betrekking heeft op de medische problematiek van eiser bij het verklaren. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 27 juni 2018 het toetsingskader met betrekking tot het vermogen om compleet, coherent en consistent te verklaren aangepast: verweerder wordt niet langer gevolgd in zijn standpunt dat aan de in een iMMO-rapportage opgenomen conclusie daarover geen waarde toekomt reeds wegens het tijdsverloop tussen de gehouden gehoren en het moment waarop het iMMO het onderzoek heeft verricht, maar dan moet de conclusie over het bestaan van beperkingen ten tijde van de gehoren uitsluitend worden gebaseerd op medische informatie uit de periode van die gehoren. Daaraan voldoet het iMMO-rapport hier niet, nu ook uit paragraaf 7 daarvan blijkt dat de conclusie mede is gebaseerd op latere informatie. Daaraan kan echter niet de door verweerder getrokken slotsom worden verbonden dat het iMMO-rapport in zijn geheel niet als nieuwe, relevante bevinding is aan te merken. Voor het gedeelte over de causaliteit tussen de lichamelijke problematiek van eiser en de wijze van ontstaan daarvan, zoals gesteld in het asielrelaas, geldt dat immers niet. Daar komt het aan op een inhoudelijke weging en beoordeling door verweerder, waarvan hij niet staande kan houden dat dit nog begrepen kan worden onder de ‘op-voorhand-passage’.

De rechtbank wijst er hier nog op dat uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat de omstandigheid dat een besluit in rechte onaantastbaar is geworden niet met zich brengt dat de feiten en omstandigheden die aan dit besluit ten grondslag liggen in rechte zijn komen vast te staan. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 31 oktober 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:3678), onder 11. Dat het besluit waarin de verklaringen van eiser eerder ongeloofwaardig zijn geacht in rechte vaststaat, betekent dan ook niet dat de eerdere verklaringen van eiser nooit meer geloofwaardig bevonden kunnen worden. Als een vreemdeling in een situatie als deze nieuwe elementen of bevindingen aan zijn opvolgende asielaanvraag ten grondslag legt, moet verweerder juist beoordelen of zijn eerdere geloofwaardigheidsbeoordeling daarmee nog stand kan houden.

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat op voorhand vaststaat dat de iMMO-rapportage niet kan afdoen aan het bestreden besluit, zoals bedoeld in paragraaf C1/4.6, aanhef en onder d en verder, van de Vc. Verweerder heeft de opvolgende asielaanvraag van eiser reeds daarom ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen.

Rb Dordrecht NL20.18624, 19.11.20
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2020:11788

HvJ EU: dienstweigering kan onder Geneve-vluchtgronden vallen

The CJEU found that Article 9(2)(e) must be interpreted as not precluding a refusal of service being established in a situation in which the law of the State of origin does not provide for the possibility of refusing to perform military service, and in which the person concerned has not formalised his or her refusal and has fled his or her country of origin without presenting himself or herself first to the military authorities.
Furthermore, the CJEU indicated that, in the context of a civil war that is characterised by repeated and systematic commission of war crimes or crimes against humanity by the army using conscripts, it is irrelevant that the person concerned does not know what his or her future field of military operation will be. The Court noted that, with regard to the well-documented fact that the Syrian army  repeatedly and systematically committed war crimes, it is highly plausible that a conscript would be led, regardless of his or her field of operation, to participate directly or indirectly in the commission of such crimes.

Nonetheless, the CJEU noted that there must be a connection between, on the one hand, the prosecution and punishment for refusal to perform military service and, on the other hand, at least one of the five reasons for persecution that may give rise to the recognition as a refugee. The Court emphasised that refusal to perform military service will often be a reflection of a person's expression of political opinions, religious belief or membership of a particular social group, thus giving rise to a strong presumption of the connection. The CJEU also stated that it cannot be found that it is for the applicant for international protection to prove this connection.

In conclusion, the CJEU stated that Article 9(2)(e) in conjunction with Article 9(3) of the Qualification Directive must be interpreted as meaning that the existence of a connection between the 5 grounds for refugee recognition and the prosecution and punishment for refusal to perform the military service referred to in Article 9(2)(e) cannot be regarded as established solely because that prosecution and punishment are connected to that refusal. However, it emphasised there is a strong presumption that refusal to perform military service under the conditions set out in Article 9(2)(e) relates to one of these five reasons. 

CJEU E.Z v Federal Republic of Germany (C-238/19), 19.11.20
http://curia.europa.eu/juris/document/document.jsf?text=&docid=233922&pageIndex=0&doclang=EN&mode=lst&dir=&occ=first&part=1&cid=13884616

RvS: ook interstatelijk vertrouwensbeginsel Zwitserland in zaak van Eritreër

De staatssecretaris heeft terecht als uitgangspunt genomen dat bij Zwitserland van het beginsel van onderling of wederzijds vertrouwen mag worden uitgegaan. De vreemdeling heeft met het door hem overgelegde besluit, waaruit volgt dat Zwitserland zijn asielverzoek heeft afgewezen en dat hij gedwongen naar zijn land van herkomst kan worden verwijderd, aannemelijk gemaakt dat een verschil in bescherming tegen refoulement bestaat tussen Nederland en Zwitserland bij asielzoekers die uit Eritrea komen en dat land ook illegaal hebben verlaten. Dat verschil heeft de staatssecretaris terecht niet opgevat als een ernstige, op feiten berustende, grond om aan te nemen dat de overdracht aan Zwitserland tot indirect refoulement zal leiden. Daarvoor heeft de staatssecretaris terecht verwezen naar de uitspraak van 17 augustus 2017 van het Zwitserse Bundesverwaltungsgericht. Op grond van deze uitspraak kunnen afgewezen Eritrese asielzoekers namelijk niet gedwongen worden verwijderd uit Zwitserland. De vreemdeling heeft niet gesteld dat in zijn geval anders zou worden geoordeeld of voor zover al op het door hem in Zwitserland ingestelde beroep is beslist, aannemelijk gemaakt dat in zijn geval anders is geoordeeld.

De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat bij Zwitserland van het beginsel van onderling of wederzijds vertrouwen mag worden uitgegaan en de beroepsgrond dat de terugname in strijd is met het verbod van indirect refoulement verworpen.

RvS 201907074/1/V3, 4.11.20
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2020:2592

CRC: belangen kinderen meewegen bij Dublin-overdracht

The author, her husband and their children, E.A and U.A, fled from Azerbaijan to Switzerland. The first time, the family had to agree to return to Azerbaijan. However, after her husband's arrest upon return, the author arranged to flee again to Switzerland via Italy, with E.A and U.A. While the Swiss authorities subsequently instituted a take back request to Italy, the author unsuccessfully requested, under article 17 of Dublin III, that the Swiss authorities examine their asylum application, given that the transfer would be detrimental to the rights and best interests of the children in a vulnerable family. The author suffered panic and anxiety attacks during the removal operation and as a result the police abandoned the family at Zurich airport with no money and told them to make their own way back to their accommodation in Ticino.

The author complained that the Swiss authorities violated their obligation to respect the rights set out in the CRC under, inter alia, articles 3 and 12.  
The Committee took note of the author's allegation that the Swiss authorities violated article 12, guaranteeing the right of the child to be heard in any judicial or administrative proceedings affecting the child. It pointed out that this article imposes no age limit on the right of the child to express her or his views and stated that, in general, it discourages States parties from introducing age limits either in law or in practice that would restrict the child's right to be heard in all matters affecting her or him. The Committee highlighted that determining the best interests of the children requires that their situation be assessed separately, notwithstanding the reasons for which their parents made their asylum application.  It adopted the view that the absence of a direct hearing of the children constituted a violation of article 12 CRC.

Moreover, the Committee noted the author's argument that the Swiss authorities did not take into consideration the trauma experienced by the children, including twice fleeing their country of origin, once returning to their country of origin and attempting a second time at making them return under particularly traumatic conditions. It considered that the national  authorities, having failed to hear E.A and U.A, did not show due diligence in assessing the children's best interests and thus violated article 3 CRC.

CRC (CRC/C/85/D/56/2018) E.A and U.A., 30.10.20
http://docstore.ohchr.org/SelfServices/FilesHandler.ashx?enc=6QkG1d%2fPPRiCAqhKb7yhslov9FOAeMKpBQmp0X2W983A8Aa2ILKeVfB37o8VmycE5JRsqXmRj8p%2bo7ldyh07Sy09SGowRfHdZqBI0bX7HIVH6NbMGBa4CmYLWHbf6TSucCyKZOYVKn5RkrU5JnSyjzhA3wn5xRTlh0Wrlp62U18%3d

CRvB: alsnog bijstand voor periode vóór Chavez-status

Appellante woont sinds 2008 in Nederland. Haar zoon is geboren [in] 2015 en heeft sinds de erkenning door zijn vader op 10 februari 2015 de Nederlandse nationaliteit.

Bij besluit van 14 maart 2016 heeft het college de aanvraag van appellante om bijstand ingevolge de Participatiewet (PW) afgewezen op de grond dat zij niet beschikt over een verblijfstitel op grond waarvan recht op bijstand bestaat. Tevens is aan haar zoon vanaf 11 januari 2016 bijstand toegekend gelijk aan de bijstandsnorm voor een 18- tot 20-jarige (kinderbijstand). Bij besluit van 24 mei 2016 heeft het college aan de zoon over de periode van 2 maart 2016 tot en met 28 februari 2017 bijzondere bijstand toegekend voor de woonkosten ten bedrage van € 425,- per maand.

Bij besluit van 26 juli 2017 is appellante een verblijfsvergunning verleend als familie- of gezinslid bij naar zoon, geldig van 26 juli 2017 tot en met 25 juli 2022......

Bij besluit van 5 september 2019 heeft het aan appellante over de periode van 11 januari 2016 tot 26 juli 2017 bijstand toegekend naar de norm voor een alleenstaande ouder. Bij de na te betalen bijstand heeft het college rekening gehouden met het door appellanten in eerder ontvangen bedrag aan leefgeld,  kinderbijstand en bijzondere bijstand voor de woonkosten.

CRvB 19/3469 PW, 29.9.20
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2020:2443

Rb: verlies opvangrecht door niet te verschijnen bij overdrachtsvlucht Italië

De vreemdeling is niet verschenen voor de vlucht voor de geplande overdracht. Zij heeft de autoriteiten niet van haar afwezigheid op de hoogte gesteld terwijl zij wel degelijk en voldoende is geïnformeerd over haar verplichting om zich te melden en om de bevoegde nationale autoriteiten van haar afwezigheid op de hoogte te brengen.

De vreemdeling is verplicht zich aan de huisregels van het COa te houden, waaronder de meldplicht en het toestemming vragen om elders te verblijven. De vreemdeling heeft zich niet aan deze verplichtingen gehouden hetgeen heeft geresulteerd in een ‘bericht van vertrek’. Niet is gebleken dat er een geldige reden was om de autoriteiten niet in te lichten over haar afwezigheid en dat het niet de bedoeling was om zich te onttrekken aan de Nederlandse autoriteiten. De omstandigheid dat zij zich voor de overdrachtstermijn weer heeft gemeld leidt niet tot een ander oordeel, nu dat niet betekent dat in de tussentijd geen sprake is geweest van onderduiken in de zin van de Dublinverordening. De staatssecretaris stelt derhalve terecht dat de vreemdeling was ondergedoken.

Beroep ongegrond.
Rb Den Bosch, NL20.16749, 13.10.20
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2020:11050

Pagina's