Nieuws

Staatscourant: inreisverbod bij uitreis

In paragraaf A4/2.4.3 Vc is de procedure omschreven voor het opleggen van een inreisverbod met een voornemenprocedure aan de grensdoorlaatpost. Deze procedure wordt gebruikt als het niet meer mogelijk is om voor vertrek een inreisverbod uit te vaardigen. Model M107-B is aangepast zodat het beter toepasbaar is als er sprake is van deze voornemenprocedure. ... Nu kan een besluit ook verzonden worden aan het laatst bekende adres van de vreemdeling samen met publicatie in de Staatscourant. Daarnaast kan het besluit (enkel bij uitreis van de vreemdeling) verzonden worden naar een e-mailadres samen met publicatie in de Staatscourant. Als alle voorgaande opties niet mogelijk zijn, volstaat publicatie in de Staatscourant. Hiermee worden de werkwijzen van de IND, de AVIM en de KMar in lijn met elkaar gebracht.

WBV 2021/8 van 21.6.21 in staatscourant 32028, 29.6.21
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2021-32028.html

RvS: afweging terugkeerbesluit ivm NLs kind

Het is de verantwoordelijkheid van de staatssecretaris om een terugkeerbesluit in alle gevallen zorgvuldig voor te bereiden. ...    In het geval een vreemdeling voorafgaand aan het nemen van het terugkeerbesluit geen aanvraag om toetsing aan het EU recht heeft ingediend, is het in de eerste plaats aan hem om tijdens het gehoor concrete aanknopingspunten aan te dragen die erop duiden dat hij op grond van het Unierecht een afgeleid verblijfsrecht heeft. De staatssecretaris moet vervolgens beoordelen of sprake is van voldoende concrete aanknopingspunten die erop duiden dat de vreemdeling een afgeleid verblijfsrecht heeft. Dit is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval.

Als een vreemdeling tijdens het gehoor uitsluitend heeft verklaard dat hij een minderjarig Nederlands kind heeft, is dit in beginsel onvoldoende om van de staatssecretaris te verlangen dat hij bij de voorbereiding van een terugkeerbesluit nader onderzoek doet. ... Tijdens het gehoor zal in ieder geval op deze verklaring moeten worden doorgevraagd.

Als de verklaringen van de vreemdeling voldoende concrete aanknopingspunten bieden, is de staatssecretaris gehouden het mogelijke bestaan van een afgeleid verblijfsrecht nader te onderzoeken. De staatssecretaris heeft in de schriftelijke inlichtingen te kennen gegeven dat hem hiertoe, binnen de hem op dat moment beschikbare tijd, verschillende mogelijkheden ter beschikking staan. Als uit dit nadere onderzoek volgt dat de vreemdeling inderdaad mogelijk een afgeleid verblijfsrecht heeft, dan kan de staatssecretaris op dat moment geen terugkeerbesluit nemen. Hij zal de vreemdeling moeten heenzenden en kan hem een verplichting opleggen als bedoeld in artikel 54 van de Vw 2000. De vreemdeling kan in dat kader verplicht worden op een later moment gegevens of documenten over te leggen. Levert het nadere onderzoek onvoldoende concrete aanknopingspunten op dat de vreemdeling een afgeleid verblijfsrecht heeft, dan kan de staatssecretaris een terugkeerbesluit nemen.

De vreemdeling in deze zaak heeft tijdens het gehoor onder meer verklaard dat hij in Nederland een vriendin en een minderjarige dochter heeft, beiden met de Nederlandse nationaliteit. Hij heeft daarbij de naam en het adres van zijn vriendin en de naam en geboortedatum van zijn dochter opgegeven. Hij heeft tevens verklaard dat hij zijn dochter heeft erkend en dat hij zijn vriendin en dochter financieel ondersteunt. Over daadwerkelijke zorgtaken ten behoeve van zijn dochter heeft hij niets naar voren gebracht. ...    Onder deze omstandigheden was de staatssecretaris niet gehouden nader onderzoek te doen. Hij hoefde daarom ook niet de vreemdeling in de gelegenheid te stellen de afhankelijkheidsverhouding met documenten te onderbouwen. Dit betekent dat de staatssecretaris het besluit zorgvuldig heeft voorbereid. De rechtbank heeft dus terecht overwogen dat de staatssecretaris onder de gegeven omstandigheden terecht een terugkeerbesluit heeft genomen.

De grief faalt. Het hoger beroep is ongegrond.
RvS 202003072/1/V3, 28.6.21
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2021:1346
zie ook RvS 202005595/1/V3, 28.6.21
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2021:1360

Rb: behandeling nierpatiënt in China mogelijk, toegankelijkheid niet beoordeeld ivm gebrek paspoort

Uit het BMA-advies van 3 juni 2020 blijkt dat eiser bekend is met terminale nierinsufficiëntie waarvoor hij in 2014 een niertransplantatie heeft gehad. Thans is er sprake van een bevredigende nefrologische situatie .... Eiser moet onder specialistische controle blijven bij een ziekenhuis met niertransplantaties. De minimale controlefrequentie is vier keer per jaar.

Het BMA komt tot de conclusie dat het achterwege blijven van de medische behandeling zal leiden tot een medische noodsituatie op korte termijn en dat de noodzakelijke medische behandeling in China aanwezig is. Eiser is in staat om te reizen. Er wordt aangeraden dat eiser een schriftelijke overdracht van zijn medische gegevens meeneemt bij terugkeer, dat hij zijn medicatie continueert tijdens de reis en dat hij voldoende medicatie meeneemt om de periode van de reis te overbruggen.

Volgens verweerder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat de noodzakelijke medische behandeling voor hem feitelijk niet toegankelijk is, omdat eiser zijn identiteit en nationaliteit niet heeft aangetoond met geldige documenten. ...

De rechtbank overweegt dat verweerder met de eis dat originele documenten moeten worden overgelegd ter staving van de identiteit en nationaliteit geen te zware maatstaf hanteert. ...Omdat eiser zijn identiteit en nationaliteit niet met originele documenten heeft aangetoond, heeft dit tot gevolg dat hij niet aannemelijk kan maken dat de noodzakelijke medische zorg in China voor hem persoonlijk niet toegankelijk is.

Het beroep is ongegrond.
Rb Middelburg AWB 20/7989, 23.6.21
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:6563

RvS: mogelijk wel medische noodsituatie bij depressie

In het BMA-advies staat dat de vreemdeling naar aanleiding van de negatieve beschikking enkele dagen later een suïcidepoging heeft gedaan. Verder staat in het advies dat volgens de DSM-V criteria sprake is van is van ernstige depressiviteit en dat de vreemdeling maar enkele uren per nacht slaapt, zij het grootste gedeelte van de dag somber is, zich buitensporig schuldig voelt, erg moe is, het leven te zwaar vindt, een beperkt steunsysteem heeft en zich suïcidaal uit. Zij staat onder behandeling van een GZ-psycholoog, sociaal psychiatrisch verpleegkundige, psychomotore therapeut en een psychiater. Zij wordt gemiddeld twee tot drie keer in de week gezien.

De vreemdeling klaagt terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het advies dat zich geen medische noodsituatie zal voordoen in het BMA-advies begrijpelijk is en de conclusies daarop aansluiten. De BMA-arts heeft niet inzichtelijk gemaakt dat de suïcidepoging niet ook te relateren is aan het ziektebeeld van de vreemdeling. Het enkele feit dat de suïcidepoging werd gedaan na het bericht over de afwijzende beschikking, maakt niet dat de suïcidepoging niet voortkomt uit het ziektebeeld. De staatssecretaris is gelet hierop ten onrechte uitgegaan van dat advies.

De grief slaagt.
RvS 202005547/1/V3, 25.6.21
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2021:1353

Rb: Afghaan met diabetes, geen medische noodsit want medicatie aanwezig

Uit het medisch advies blijkt dat er bij de vreemdeling sprake is van diabetes en dat er bij het uitblijven van deze behandeling een reëel risico ontstaat op een medische noodsituatie op de korte termijn en dat deze behandeling in Afghanistan aanwezig is. Uit de in het rapport opgenomen medische landeninformatie blijkt dat zowel de benodigde medicatie als professionele zorg aan huis ter vervanging van de noodzakelijke mantelzorg aanwezig zijn. De vreemdeling heeft geen contra-expertise overgelegd om het oordeel van het BMA tegen te spreken.

Beroep gegrond.
Rb Arnhem, AWB 20/2132 en AWB 20/3534, 17.6.21

SvJ&V: landenbeleid Soedan

Ik heb besloten om “vreemdelingen die actief zijn geweest op het gebied van mensenrechten” niet langer aan te merken als risicogroep.....

Om de actuele politieke situatie in Sudan beter te reflecteren heb ik besloten om “vreemdelingen die (vermeend) aanhanger zijn van een (gewapende) oppositiegroep” niet langer als risicogroep aan te merken......

Ik heb besloten om “vreemdelingen die behoren tot niet-Arabische bevolkingsgroepen afkomstig uit Zuid-Kordofan of Darfur en die daar voorafgaande aan hun vertrek uit Sudan hun normale woon- en verblijfplaats hadden” op te nemen als risicogroep in het beleid. Ook zal ik voor leden van deze groep die een gegronde vrees voor vervolging aannemelijk hebben gemaakt in het beleid aannemen dat zij geen bescherming kunnen verkrijgen van de autoriteiten en/of internationale organisaties....

Ik heb besloten om voor LHBTI, die een gegronde vrees voor vervolging aannemelijk hebben gemaakt, aan te nemen dat zij geen bescherming kunnen verkrijgen van de autoriteiten en/of internationale organisaties....

Het huidige ambtsbericht geeft geen aanleiding om (gedwongen) terugkeer stop te zetten.

https://www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/kamerstukken/2021/06/23/tk-landenbeleid-sudan/tk-landenbeleid-sudan.pdf, 23.6.21

SvJ&V: landenbeleid Rusland

De situatie van politieke activisten, mensenrechtenactivisten en personen die actief zijn in de journalistiek en die daarbij significant kritiek leveren op de autoriteiten geeft aanleiding tot zorgen. Gelet hierop is het aangewezen hen aan te merken als risicogroep. Zij kunnen met geringe individuele indicaties hun vrees voor vervolging aannemelijk maken....

Gelet op de beperkte/afwezige bescherming door de Russische autoriteiten voor vrouwen die slachtoffer zijn geworden van huiselijk geweld, dan wel hiervoor vrezen, wordt voor vrouwen die een gegronde vrees voor huiselijk geweld aannemelijk hebben gemaakt, aangenomen dat het niet mogelijk is om bescherming van de autoriteiten of internationale organisaties te verkrijgen....

Uit het huidige landgebonden beleid volgt dat in Tsjetsjenië sprake is van systematische vervolging van LHBT’s. LHBT’s in de rest van de Russische Federatie worden aangemerkt als risicogroep. Voorts wordt thans aangenomen dat het voor LHBT’s in de gehele Russische Federatie die een gegronde vrees voor vervolging hebben, niet mogelijk is de bescherming van de autoriteiten of internationale organisaties te verkrijgen en wordt het vestigingsalternatief heel terughoudend en slechts onder bepaalde voorwaarden tegengeworpen. Aan LHBT’s die afkomstig zijn uit Tsjetsjenië wordt in beginsel geen beschermingsalternatief tegengeworpen.

https://www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/kamerstukken/2021/06/23/tk-landenbeleid-russische-federatie/tk-landenbeleid-russische-federatie.pdf, 23.6.21

Rb: risico bij terugkeer naar Nigeria zonder afbetaalde schuld mensenhandelaar

De vreemdeling heeft aan haar asielaanvraag ten grondslag gelegd dat ze vreest voor de madam die een voodoo-ritueel op haar toepaste en naar Italië bracht waar zij gedwongen werd om in de prostitutie te werken. De staatssecretaris acht dit geloofwaardig, maar stelt dat de vreemdeling niet in aanmerking komt voor de vluchtelingstatus of subsidiaire bescherming.

In geschil is of het asielrelaas van de vreemdeling voldoende grond biedt voor verblijfsaanvaarding op grond van art 3 EVRM. De rechtbank volgt de staatssecretaris niet in het standpunt dat er geen gewicht toekomt aan de dreigberichten, omdat niet duidelijk wordt dat deze verstuurd zijn door de madam en aan de vreemdeling zijn geadresseerd. De staatssecretaris heeft onvoldoende rekening gehouden met het proces-verbaal van de aangifte van mensenhandel van de vreemdeling, waaruit blijkt dat zowel zij als de madam een andere naam gebruikte op Facebook. Deze bijnamen komen overeen met de namen op de dreigbrieven. Ook wordt de voornaam van de echtgenoot van de vreemdeling in de dreigbrieven genoemd. 

Voorts oordeelt de rechtbank dat de staatssecretaris onvoldoende heeft meegenomen dat het relaas van de vreemdeling past in wat algemeen bekend is. Uit algemene informatie blijkt dat veel slachtoffers van mensenhandel tijdens een voodoo-ritueel een eed moeten afleggen. Wanneer zij deze eed verbreken door bijvoorbeeld hun schuld niet af te betalen, zal hen en hun familie verschrikkelijke dingen overkomen. Hoewel er geen eenduidig beeld bestaat van de schaal waarin slachtoffers daadwerkelijk aan represailles worden onderworpen, is wel bekend dat de houding van mensenhandelaren jegens slachtoffers die terugkeren zonder hun schuld te betalen is verhard. De werkwijze van de madam past in dit algemene beeld en de vreemdeling heeft haar vrees kunnen onderbouwen met het overleggen van dreigberichten. Er is dus onvoldoende gemotiveerd waarom de op voodoo gebaseerde vrees van de vreemdeling voor haar madam niet aannemelijk is.

Beroep gegrond.
Rb Arnhem, NL21.2022, 21.5.21

SvJ&V: beleid Libanese Palestijnen

Uit het ambtsbericht kan worden opgemaakt dat niet-Libanese Palestijnen een algemeen en reëel risico lopen om uitgezet te worden naar een tweede/eerder land van gebruikelijke verblijfsplaats. De IND beoordeelt op basis van de individuele omstandigheden of de vreemdeling hier een gegronde vrees voor vervolging of ernstige schade heeft en in aanmerking komt voor een asielvergunning. Dit zal ik in het beleid opnemen.

Verder kan in algemene zin uit het thematisch ambtsbericht worden opgemaakt dat het beschermingssysteem in Libanon niet toereikend is voor Palestijnen. Daarom zal ik in het beleid opnemen dat het niet mogelijk is bescherming van de autoriteiten te verkrijgen voor geregistreerde en niet-geregistreerde Libanese Palestijnen, noch voor nietLibanese Palestijnen. Dit algemene uitgangspunt geldt niet in individuele zaken waarin uit het asielrelaas kan worden opgemaakt dat de vreemdeling zich wel kan wenden tot de autoriteiten ten bate van effectieve bescherming.

Tot slot zal ik in het beleid opnemen dat voor (geregistreerde en niet-geregistreerde) Libanese en niet-Libanese Palestijnen in Libanon geen binnenlands beschermingsalternatief aanwezig is. Dit algemene uitgangspunt geldt niet wanneer uit de beoordeling van de asielaanvraag blijkt dat op grond van individuele omstandigheden geconcludeerd kan worden dat de vreemdeling zich wel elders in Libanon kan vestigen.

https://www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/kamerstukken/2021/07/01/tk-landenbeleid-libanon/tk-landenbeleid-libanon.pdf, 1.7.21

RvS: ambtsbericht over risico valse Iraanse bekeerlingen mogelijk onjuist

De vreemdeling heeft aan zijn derde asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij bekeerd is en dat de Iraanse autoriteiten hier kennis van hebben en dat hij hierdoor niet kan terugkeren. Hij heeft namelijk zelf brieven gestuurd naar de Iraanse ambassade waarin staat dat hij is bekeerd tot het christendom. De staatssecretaris heeft deze aanvraag afgewezen.

De Afdeling overweegt als volgt. De staatssecretaris heeft zijn oordeel gebaseerd op het ambtsbericht waarin staat dat hoewel de Iraanse autoriteiten in de gaten houden wat een asielzoeker zegt en doet, zij weten dat asielzoekers niet altijd waarheidsgetrouw verklaren. In principe mag de staatssecretaris van de juistheid van het ambtsbericht uitgaan, zelfs als hij de stukken waarop het ambtsbericht gebaseerd is niet heeft ingezien. Er kunnen zich echter situaties voordoen waarin de vergewisplicht van de staatssecretaris hem verplicht na te gaan hoe het ministerie van Buitenlandse Zaken tot zijn conclusie is gekomen. Hier doet zich zo een situatie voor. Deze passage in het ambtsbericht is afkomstig van een enkele vertrouwelijke bron die onbekend bij de staatssecretaris. De potentiële gevolgen voor de vreemdeling zijn namelijk zeer ernstig. De staatssecretaris kan dus niet voldoen aan zijn vergewisplicht zonder kennis te nemen van de inhoud van de onderliggende stukken.

Hoger beroep van de vreemdeling tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem, van 26 mei 2020 in zaak nr. NL20.6693. Hoger beroep gegrond.
ABRvS 202003217/1, 17.6.21
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2021:1294

Pagina's