Nieuws

SvJ&V: landenbeleid Eritrea

Het ambtsbericht geeft geen aanleiding Eritrese zaken anders te beoordelen.

Wel zal ik in de vreemdelingencirculaire opnemen dat de IND een reëel risico op ernstige schade aanneemt voor Eritrese meisjes en vrouwen waarvan het aannemelijk is dat zij het gehele traject in een militair trainingskamp nog moeten doorlopen, wegens het hoge risico op seksueel geweld. Dit is reeds bestaande uitvoeringspraktijk.

https://www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/kamerstukken/2021/02/01/tk-landenbeleid-eritrea/tk-landenbeleid-eritrea.pdf, 1.2.21

Rb (MK): terecht intrekken asielvergunning ivm strafblad, geen uitzetting ivm non-refoulement

Uit de Justitiële Documentatie blijkt dat eiser meerdere keren is veroordeeld tot in totaal ruim 19 maanden gevangenisstraf en dat het laatste misdrijf waarvoor hij onherroepelijk veroordeeld is, gepleegd is op 23 april 2017. Eiser is toen veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk omdat hij zich in vereniging opzettelijk schuldig heeft gemaakt aan de voltooide uitvoer en vervoer van cocaïne en heroïne buiten het grondgebied van Nederland. (...) De rechtbank is met verweerder van oordeel dat er geen grond is om tot een bestendige gedragswijziging bij eiser te concluderen en verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat sprake is van een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. Het betoog van eiser slaagt niet....

De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de inmenging in eisers privéleven gerechtvaardigd is in het belang van de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten. In het kader van het privéleven heeft verweerder van belang geacht dat hoewel eiser sinds 2001 in Nederland verblijft, de duur van het verblijf van eiser niet zodanig bijzonder is dat op grond daarvan het persoonlijk belang van eiser voorgaat op het algemene belang van de Nederlandse samenleving. Verweerder heeft er niet ten onrechte op gewezen dat, hoewel eiser de Nederlandse taal spreekt, een opleiding heeft gevolgd, een eigen woning en een baan heeft, desondanks niet veel (Nederlandse) vrienden heeft, zodat van sterke banden met Nederland niet is gebleken. Daarbij is ook niet gebleken dat eiser met zijn chauffeursopleiding en werkervaring in Uganda of elders geen baan zou kunnen vinden. Verweerder heeft het belang van de Nederlandse samenleving in redelijkheid mogen laten prevaleren.

Eiser heeft nog aangevoerd dat het onthouden van een verblijfsrecht en niet uitzetten op grond van het non-refoulement-beginsel schending van het recht op menselijke waardigheid oplevert. Naar het oordeel van de rechtbank is dit niet het geval aangezien niet aannemelijk is geworden dat eiser voor een menswaardig bestaan uitsluitend op Nederland of het land van herkomst zou zijn aangewezen.

Het beroep is ongegrond.
Rb Amsterdam NL20.547, 5.2.21
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:884

Rb: contra-expertise Iran door Hedayati Kakhi concludent

De vreemdeling heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat in Iran twee arrestatiebevelen tegen hem zijn uitgevaardigd, omdat hij in 1987 is gedeserteerd. Omdat de vreemdeling zelf niet gearresteerd kan worden, is zijn familie (vrouw, dochter en broer) gearresteerd. Volgens Bureau Documenten (BD) zijn de arrestatiebevelen zeer wel mogelijk niet echt en zeer wel mogelijk niet bevoegd opgemaakt en afgegeven. De vreemdeling voert aan dat de bevindingen van de contra-expert dr. Mohammad M. Hedayati-Kakhi niet (enkel) gebaseerd zijn op algemeenheden en dat de staatssecretaris onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet van zijn conclusies uitgegaan kan worden.

Zonder nadere motivering van de staatssecretaris, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat dr. Mohammad M. Hedayati-Kakhi, gezien de onbetwiste kwalificaties die in de rapporten zijn opgenomen, niet (ook) moet worden aangemerkt als deskundig (contra-expert) ten aanzien van documenten die door de Iraanse overheid zijn opgesteld. De rechtbank oordeelt verder dat de door de contra-expert opgestelde rapporten inzichtelijk en concludent zijn. Voorts blijkt – anders dan de staatssecretaris stelt – uit het onderzoeksrapport dat de contra-expert meerdere onderzoekstechnieken heeft gebruikt. De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris niet had mogen blijven volstaan met een beroep op het onderzoek van BD en het weerwoord van BD. De overgelegde contra-expertise bevat naar het oordeel van de rechtbank concrete aanknopingspunten voor twijfel die door het weerwoord van BD niet zijn weggenomen. 

Beroep gegrond. Vovo afgewezen.
Rb Amsterdam, NL20.21781 en NL20.21782, 27.1.21

Rb: geen onderzoek nodig naar Keniase documenten vanwege corruptie

De door eiseres overgelegde documenten die zouden bewijzen dat zij te vrezen heeft voor de autoriteiten kunnen haar niet baten. Bureau Documenten heeft deze stukken beoordeeld en kan de authenticiteit ervan niet vaststellen. Die vaststelling is gedaan tegen de achtergrond dat uit openbare bronnen blijkt dat corruptie in Kenia een veelvoorkomend fenomeen is en dat dergelijke documenten op illegale wijze verkregen kunnen worden tegen betaling.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet op andere wijze onderzoek zou moeten doen naar die documenten. Verweerder mocht aan eiseres tegenwerpen dat zij die documenten zo laat heeft overgelegd. Bovendien heeft verweerder eiseres in ruime mate in de gelegenheid gesteld om haar relaas te doen. Onder die omstandigheden brengt noch de samenwerkingsverplichting, noch het arrest Singh en evenmin het beginsel van fair play met zich dat verweerder gehouden zou zijn een aanvullend onderzoek naar de documenten te gelasten, waarvan de meerwaarde en de uitkomst onzeker is.

Rb Amsterdam NL20.21304 en NL20.21305, 25.1.21
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:1001

Rb: prejudiciele vragen over uitzetting naar Dublinland tijdens bedenktijd mensenhandel

De rechtbank legt aan het HvJ EU de volgende vragen voor:

Vraag 1a: Moet, nu Nederland heeft verzuimd de aanvang van de in artikel 6, eerste lid, van Richtlijn 2004/81/EG gegarandeerde bedenktijd overeenkomstig het nationale recht vast te stellen, die bepaling zo worden uitgelegd dat de bedenktijd van rechtswege aanvangt met de melding (mededeling) door de derdelander van mensenhandel aan de Nederlandse autoriteiten?

Vraag 1b: Moet, nu Nederland heeft verzuimd de duur van de in artikel 6, eerste lid, van Richtlijn 2004/81/EG gegarandeerde bedenktijd overeenkomstig het nationale recht vast te stellen, die bepaling zo worden uitgelegd dat de bedenktijd van rechtswege eindigt nadat aangifte van mensenhandel is gedaan of de betrokken onderdaan van een derde land te kennen geeft af te zien van het doen van aangifte?

Vraag 2: Moeten onder verwijderingsmaatregelen in de zin van artikel 6, tweede lid, van Richtlijn 2004/81/EG ook worden verstaan maatregelen ter verwijdering van een derdelander van het grondgebied van de lidstaat naar het grondgebied van een andere lidstaat?

Vraag 3a: Staat artikel 6, tweede lid, van Richtlijn 2004/81/EG eraan in de weg om tijdens de bedenktijd, gegarandeerd in het eerste lid van dat artikel, een overdrachtsbesluit te nemen?

Vraag 3b: Staat artikel 6, tweede lid, van Richtlijn 2004/81/EG eraan in de weg om tijdens de bedenktijd, gegarandeerd in het eerste lid van dat artikel, een al genomen overdrachtsbesluit uit te voeren of de uitvoering ervan voor te bereiden?

Rb Zwolle NL19.18937, 29.1.21
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:727

Rb: belang kind meewegen bij oordeel terugkeer naar Dublinland

De vreemdeling voert aan dat de staatssecretaris ten onrechte voorbij is gegaan aan de belangen van zijn minderjarige zoon, terwijl in de zienswijze wel een beroep is gedaan op artikel 6 DV. In dit artikel staat dat het belang van het kind voorop gesteld moet worden.

Uit het bestreden besluit blijkt niet dat de staatssecretaris het belang van de minderjarige zoon voorop heeft gesteld. Het is onduidelijk of de staatssecretaris het belang van het kind heeft vastgesteld, volgens artikel 6 lid 3 DV. Hierdoor is het onduidelijk wat de invloed op het welzijn en de sociale ontwikkeling van het minderjarige kind zal zijn wanneer hij samen met zijn vader naar Zweden wordt overgedragen. Volgens artikel 6, lid 3, onder d DV dient de staatssecretaris bij het vaststellen van het belang van het kind ook in het bijzonder rekening te houden met diens eigen standpunten. Dit heeft de staatssecretaris niet gedaan. Dit kan bijvoorbeeld door kennis te nemen van een rapportage van de GGZ van het onderzoek dat naar de geestelijke gezondheid van het zoontje zal worden ingesteld. Naar ter zitting bekend is geworden, start dat onderzoek deze week nog.

Beroep gegrond.
Rb Haarlem, NL20.105 NL20.106, 19.1.21

RvS: opvang beschikbaar in Cyprus voor terugkerende Dublinclaimanten

De staatssecretaris betoogt terecht dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de door de vreemdeling overgelegde stukken onvoldoende aanknopingspunten bieden dat hij als alleenstaande mannelijke asielzoeker in Cyprus geen toegang tot opvang heeft. Hoewel in het ECRE-artikel en het AIDA-rapport staat vermeld dat de Cypriotische asieldienst alleen gezinnen en alleenstaande vrouwen naar het opvangcentrum in Kofinou verwijst, betoogt de staatssecretaris terecht dat uit het AIDA-rapport ook volgt dat er nog andere vormen van opvang aanwezig zijn. Daarnaast wijst de staatssecretaris er terecht op dat wanneer er geen plek is in een opvangcentrum, asielzoekers een financiële toelage van de overheid kunnen krijgen om huisvesting in de particuliere huursector te bekostigen. Er is niet gebleken dat de vreemdeling bij een gebrek aan opvang of particuliere huisvesting zich niet kan beklagen bij de Cypriotische autoriteiten.

Hoger beroep van de staatssecretaris, tegen de uitspraak van rechtbank Haarlem van 28 november 2019 in zaak nr. NL19.25108. Beroep gegrond.
ABRvS, 201908789-1, 9.2.21

RvS: detentie in Malta geen schending 3EVRM

Voorop staat dat de staatssecretaris op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan uit kan gaan dat Malta zich houdt aan zijn internationale verplichtingen, waaronder de bepalingen in de Opvangrichtlijn over bewaring van asielzoekers en de verplichtingen wat betreft de detentieomstandigheden en opvangvoorzieningen. Dit ligt anders als er concrete aanknopingspunten zijn die maken dat Malta zijn internationale verplichtingen niet nakomt.

(...) de staatssecretaris klaagt terecht dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat hij ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat in Malta geen sprake is van structurele detentie van Dublinclaimanten in strijd met de Opvangrichtlijn, een gebrek aan een effectief rechtsmiddel dan wel structurele tekortkomingen in de detentieomstandigheden en opvangvoorzieningen die maken dat de vreemdeling na overdracht een reëel risico loopt op een behandeling als bedoeld in artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het EU Handvest. De staatssecretaris heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat daarom uit het AIDA-rapport niet blijkt dat hij voor Malta niet langer kan uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.

De grieven slagen. Het hoger beroep is gegrond.
RvS 202003913/1/V3, 2.2.21
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2021:199

RvS: terecht inreisverbod Braziliaanse bij vertrek van Schiphol na overstay

De staatssecretaris heeft in de Vc 2000 invulling gegeven aan de 'in absentia'-procedure: voor de vreemdeling wordt in Nederland een terugkeerbesluit genomen en het inreisverbod wordt, na het nog in Nederland opstarten van de voornemenprocedure, in absentia, dat wil zeggen: bij verstek, uitgevaardigd. Dit beleid is sinds 3 september 2018 van kracht. Hieraan wordt toepassing gegeven als een vreemdeling zich voor zijn uitreis uit de EU op een zodanig laat moment bij de grensdoorlaatpost meldt dat zijn vlucht niet wordt gehaald als de procedure om te komen tot een inreisverbod nog in Nederland volledig wordt uitgevoerd. De staatssecretaris heeft toegelicht dat met de volledige procedure ongeveer twee uur en 30 minuten zijn gemoeid. Gelet op het bezwarende karakter van het inreisverbod moet de vreemdeling worden gehoord met behulp van een tolk en moet een officier van justitie een belangenafweging maken. Indien de volledige procedure niet kan worden afgerond voordat het vliegtuig vertrekt, krijgt de vreemdeling voor het nemen van een terugkeerbesluit een vragenformulier in zijn taal. Indien de vreemdeling daarop aangeeft geen gehoor te wensen, wordt hem het terugkeerbesluit uitgereikt alsmede een voornemen voor een inreisverbod in de vorm van een standaardformulier in zijn taal. Daarop kan de vreemdeling desgewenst nog op Schiphol een zienswijze geven, maar dat kan ook bij terugkomst in het land waarheen hij vertrekt. Door de besluitvorming over het inreisverbod te beperken tot het afgeven van een voornemen kan de procedure worden verkort tot ongeveer een uur en vijftien minuten. De procedure wordt in die situatie na het vertrek van de vreemdeling afgerond met de uitvaardiging en bekendmaking van het inreisverbod. Deze procedure is op de luchthaven Schiphol in de jaren 2018, 2019 en 2020 honderden keren toegepast. Ook in de voorliggende zaak was er, gelet op het tijdstip van aanmelding bij de grensdoorlaatpost en het tijdstip van vertrek van het vliegtuig, onvoldoende tijd om het inreisverbod nog in Nederland aan de vreemdeling uit te vaardigen, aldus de staatssecretaris.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de door de staatssecretaris aan het Terugkeerhandboek ontleende werkwijze niet in strijd is met de Terugkeerrichtlijn. ... Van belang is ook dat de vreemdeling door de start van de voornemenprocedure in Nederland weet dat een inreisverbod wordt voorbereid en mogelijk zal worden uitgevaardigd. Hij kan over dit voornemen nog in Nederland, maar ook als hij al buiten de EU verblijft, een zienswijze naar voren brengen. Verder kan de vreemdeling met rechtsmiddelen opkomen tegen het inreisverbod als het eenmaal is uitgevaardigd, zoals de vreemdeling in dit geval ook heeft gedaan. De procedurele rechten van de vreemdeling, bedoeld in de artikelen 12 en 13 van de Terugkeerrichtlijn, zijn daarmee doeltreffend en toereikend gewaarborgd, wat in deze zaak ook niet in geschil is.

De grief faalt ook in zoverre.
RvS 201907604/1/V3, 19.1.21
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2021:89

RvS: mantelzorg beschikbaar in Armenie

De vreemdeling komt uit Armenië. Niet in geschil is dat hij afhankelijk is van mantel- of vergelijkbare thuiszorg om een medische noodsituatie te voorkomen. Deze uitspraak gaat over de vraag of de staatssecretaris met het advies van het Bureau Medische Advisering deugdelijk heeft gemotiveerd dat die zorg in Armenië beschikbaar is.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat zijn stelling dat de zorginstelling Vardanants in Armenië de noodzakelijke zorg niet verleent, hem niet kan baten. De rechtbank heeft terecht overwogen dat er ook andere instellingen in Armenië zijn waar de noodzakelijke zorg beschikbaar is. De grief faalt.

Het hoger beroep is ongegrond.
RvS 202002725/1/V2, 22.1.21
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2021:127

Pagina's