Nieuws

Rb: onderzoek nodig naar opvang kwetsbaar gezin Frankrijk

Tussen partijen is niet in geschil dat eisers kwetsbaar zijn, omdat sprake is van een gezin met een minderjarig kind en omdat eiseres zwanger is. Uit de objectieve informatie waar eisers zich op beroepen blijkt dat sprake is van tekortkomingen in de opvangvoorzieningen in Frankrijk. Er zijn namelijk onvoldoende reguliere opvangplaatsen om alle verzoekers om internationale bescherming opvang te bieden en dit speelt al langer dan vandaag. Daarnaast volgt uit de door eisers aangehaalde berichtgeving van CNN, Human Rights Watch en AP World News dat de beschikbare opvangplaatsen nog meer onder druk staan met het oog op de Olympische Spelen. Dit beeld over de opvangvoorzieningen in Frankrijk wordt ook ondersteund door de verklaringen van eisers dat zij ruim twee maanden in een tent hebben geslapen in Parijs, terwijl zij een minderjarig kind hadden. Eisers hebben in de huidige procedure van meet af aan aangegeven dat zij zich meerdere keren tevergeefs hebben gewend tot de Franse politie en het Franse hulpnummer voor hulp en opvang.

Eisers hebben daarnaast aangevoerd dat uit het AIDA-rapport over Frankrijk volgt dat asielzoekers in de praktijk gelimiteerde toegang hebben tot medische zorg, omdat zij de eerste drie maanden van hun verblijf niet verzekerd zijn voor niet-urgente zorg. Dit is volgens eisers een probleem, omdat eiseres zwanger is en zij regelmatig prenatale controles nodig heeft. Het is volgens eisers niet duidelijk of die prenatale zorg valt onder verzekerde urgente zorg. Het is de rechtbank niet duidelijk geworden of eiseres als Dublinterugkeerder recht heeft op de benodigde prenatale zorg in Frankrijk, omdat verweerder hier desgevraagd geen antwoord op heeft kunnen geven.

Bij deze stand van zaken ligt het op de weg van verweerder om de door eisers aan de objectieve informatie ontleende feiten gemotiveerd te betwisten en te motiveren dat hij desondanks nog altijd van het vermoeden van interstatelijk vertrouwen mag uitgaan. Dat heeft verweerder niet gedaan.

Rb Amsterdam NL24.16616 en NL24.16617 en NL24.16619 en NL24.16620, 3.6.24
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:8597

LVV en BBB kosten in JenV begroting en Gemeentefonds

SvJ&V: kosten LVV

Het JenV deel van de kosten van de Landelijke Vreemdelingenvoorzieningen bedraagt in 2023 € 18,9 mln. Dit is inclusief de bijdragen voor de resterende bed-bad-brood voorzieningen.

https://open.overheid.nl/documenten/dpc-a4ed0f97aab4f61fce7d19bec5085955efb61ed0/pdf, 30.5.24

VNG: meicirculaire gemeentefonds

Het pilotprogramma voor de Landelijke Vreemdelingen Voorziening (LVV) had oorspronkelijk een looptijd van 2019 tot en met 2021. In afwachting van een mogelijke structurele regeling heeft het kabinet, in overleg met de VNG, besloten de pilot te verlengen tot en met 31 december 2024. De middelen aan de gemeenten met een LVVvoorziening worden sinds 2022 verstrekt via een specifieke uitkering, een gedeelte hiervan wordt bekostigd door een uitname uit het gemeentefonds. Omdat de uitname in 2023 niet heeft plaatsgevonden, zijn in deze circulaire de uitnamen opgenomen voor 2023 en 2024. Het gaat om respectievelijk € 4,4 miljoen en € 10,3 miljoen (in totaal € 14,7 miljoen). Het bedrag in 2024 is hoger, doordat de kostprijs voor LVV-plekken is aangepast.

https://www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/circulaires/2024/05/27/meicirculaire-gemeentefonds-2024/Meicirculaire+gemeentefonds+2024.pdf, 27.5.24

Facilitation Directive: voorstel om alle hulp bij illegale binnenkomst en verblijf te bestraffen

Member states’ comments were summed up in a “non-paper” circulated by the Belgian Council Presidency in March. This summary notes that some member states consider the proposal’s definition of smuggling as involving a “financial or material benefit” too restrictive, and argue that facilitating irregular entry or stay should be criminalised regardless of whether or not a benefit is obtained by the facilitator.

“The rationale behind this is that an effective investigation and prosecution are hindered by the difficulty of proving the existence of any financial or material benefit,” the Presidency noted.

The Presidency’s compromise text, circulated in mid-April, proposes to skip these requirements:

Article 3: Criminal offences

Member States shall ensure that intentionally assisting a third-country national to enter, or transit across, or stay within the territory of any Member State in breach of relevant Union law or the laws of the Member State concerned on the entry, transit and stay of third-country nationals constitutes a criminal offence where:

a) the person who carries out the conduct requests, receives or accepts, directly or indirectly, a financial or material benefit, or a promise thereof, or carries out the conduct in order to obtain such a benefit; or
b) there is a high likelihood of causing serious harm to a person.

https://www.statewatch.org/news/2024/may/new-eu-migrant-smuggling-law-member-states-keen-on-maximum-criminalisation/, 21.5.24

Rb: binnentreden mag na anonieme melding bewoning door ongedocumenteerde mensen

De rechtbank oordeelt dat de staandehouding rechtmatig was. Naar het oordeel van de rechtbank mocht het redelijk vermoeden van illegaal verblijf op de MMA-melding (Meld Misdaad Anoniem) worden gebaseerd. Duidelijk is dat er volgens de melding illegalen werden gehuisvest op het adres waar eiser ook als illegaal is aangetroffen. Dat eiser niet expliciet genoemd wordt als illegale persoon, en volgens de melding mogelijk één van de broers zou zijn die illegalen huisvestte, betekent niet dat geen sprake was van redelijk vermoeden van illegaal verblijf. De melding hoefde namelijk niet volledig specifiek of kloppend te zijn. Inherent aan een MMA-melding is verder dat de naam van de melder niet bekend wordt gemaakt. Het enkele feit dat in het proces-verbaal niet staat wanneer de melding is gedaan, maakt ook niet dat de staandehouding onrechtmatig is.

Verder is het niet onmogelijk dat (via digitale wegen) de machtiging tot binnentreden binnen 5 minuten is verkregen. Uit het proces-verbaal van staandehouding blijkt dat er telefonisch contact is geweest met de hulpofficier van justitie, en de machtiging tot binnentreden is toegevoegd aan het dossier. De rechtbank ziet dus geen aanleiding om eraan te twijfelen dat uiteindelijk rechtmatig met een machtiging is binnengetreden. De beroepsgrond slaagt niet.

Rb Utrecht NL24.20483, 24.5.24
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:8277

Rb: Chavez en 1F-Afghaan, in 2003 afgewezen

Uit het arrest Rendón Marín van het Hof volgt dat een verblijfsrecht op gond van art 20 VWEU kan worden ontzegd of beëindigd om redenen van openbare orde of openbare veiligheid, als het persoonlijke gedrag van de vreemdeling een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt. In het arrest K. en H.F. heeft het Hof toegelicht dat het bestaan van een dergelijke bedreiging moet worden vastgesteld op basis van het persoonlijke gedrag van de betrokken persoon. Daarbij moet de staatssecretaris rekening houden met de aard en de ernst van de verweten misdrijven of gedragingen, de mate waarin hij persoonlijk betrokken was bij die misdrijven of gedragingen, het eventuele bestaan van gronden voor uitsluiting van zijn strafrechtelijke aansprakelijkheid en het al dan niet bestaan van een strafrechtelijke veroordeling. Bij die globale beoordeling moet volgens het Hof ook in aanmerking worden genomen hoeveel tijd is verstreken sinds het vermoede plegen van de misdrijven of handelingen en hoe de betrokkene zich nadien heeft gedragen. Deze omstandigheden zijn vooral bedoeld om uit te maken of uit dat gedrag blijkt dat de betrokkene nog steeds een houding aanneemt die de in de artikelen 2 en 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) bedoelde fundamentele waarden aantast en dat daardoor de gemoedsrust en de fysieke veiligheid van de bevolking zouden kunnen worden verstoord......

Naar het oordeel van de rechter betoogt eiser terecht dat de staatssecretaris bij zijn beoordeling over de openbare orde ten onrechte niet heeft betrokken dat eiser een afhankelijkheidsverhouding met zijn minderjarige kind heeft, als bedoeld in de arresten Ruiz Zambrano en Chavez-Vilchez. Anders dan de staatssecretaris ter zitting van de rechtbank heeft gesteld, zijn de afhankelijkheidsverhouding, het gezinsleven en het sociale leven van eiser in dat verband, naar het oordeel van de rechtbank, relevant voor de houding en het gedrag van eiser sinds het plegen van de misdrijven tussen 1986 en 1992. De rechtbank ziet aanknopingspunten voor haar oordeel in de uitspraak van de Afdeling van 26 september 2022, waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat de staatssecretaris de omstandigheid dat de vreemdeling al jarenlang in goede harmonie samenleeft met de groep Bosnische Serviërs in Srebrenica bij zijn besluitvorming had moeten betrekken. De rechtbank leidt hieruit af dat sociale samenleef-omstandigheden een rol kunnen spelen bij de vraag of een vreemdeling een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor de openbare orde vormt.

De staatssecretaris zal daarom een nieuw besluit moeten nemen op het bezwaar waarin hij op het punt van de openbare orde een nieuwe beoordeling zal moeten maken.....

De rechtbank zal ook aanwijzingen voor het nieuwe besluit meegeven over de beoordeling van de staatssecretaris op het punt van de evenredigheid en de eerbiediging van het familie- en gezinsleven en het privéleven, neergelegd in artikel 8 van het EVRM.....Daarbij moet rekening gehouden worden met de omstandigheid dat eiser inmiddels aan de voorwaarden voor verblijf, neergelegd in de arresten Ruiz Zambrano en Chavez-Vilchez, voldoet. Dit betekent dat eiser een dusdanige afhankelijkheidsrelatie met zijn minderjarige kind heeft dat als eiser geen verblijfsdocument krijgt, zijn minderjarige kind gedwongen is om met eiser het grondgebied van de Europese Unie te verlaten. Ondanks deze vaststelling, heeft de staatsecretaris bij de evenredigheidstoets veel nadruk gelegd op de omstandigheid dat eisers kind en zijn echtgenote gegarandeerd in Nederland kunnen verblijven, zijn kind in Nederland de nodige medische zorg kan krijgen en dat hij in Nederland een liefdevol netwerk heeft om op terug te vallen. De staatssecretaris heeft niet inzichtelijk gemaakt hoe dit standpunt zich verhoudt tot de afhankelijkheidsrelatie die eiser met zijn minderjarige kind heeft, mede bezien in het licht van artikel 24 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie dat gaat over de rechten van het kind. Uit het BIC-rapport volgt dat eisers minderjarige kind een stressvrije opvoedomgeving nodig heeft, die alleen tot stand kan komen als vader in Nederland mag blijven en deel blijft uitmaken van de opvoeding van zijn kind. Ook op deze punten schiet de motivering van de staatssecretaris naar het oordeel van de rechtbank te kort.

Rb den Bosch NL22.11072, 27.3.24
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:8272

RvS: lichter ID-bewijs vereiste bij Chavez

Uit de uitspraak van de Afdeling van 10 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:433, volgt dat een vreemdeling die een beroep doet op het arrest Chavez-Vilchez, zijn identiteit niet ondubbelzinnig hoeft aan te tonen met andere documenten als hij geen geldig document voor grensoverschrijding of een geldig identiteitsbewijs kan overleggen. Daarbij kan de staatssecretaris niet zonder meer voorbijgaan aan het feit dat de door de vreemdeling opgegeven identiteit op de geboorteakte van het in Nederland geboren kind is vermeld.

De rechtbank heeft daarnaast niet onderkend dat de staatssecretaris ook rekening moet houden met de vraag of er sprake is van een afhankelijkheidsverhouding tussen het kind met de Nederlandse nationaliteit en de vreemdeling aan wie een verblijfsrecht wordt geweigerd. In dat kader moet de staatssecretaris rekening houden met het arrest van het Hof van 5 mei 2022, XU en QP, ECLI:EU:C:2022:354, waarin het Hof een minder strenge bewijsmaatstaf heeft aangelegd voor de situatie waarin een minderjarige Unieburger duurzaam samenwoont met zijn twee ouders die dagelijks allebei het gezag over hem en de wettelijke, affectieve en financiële lasten delen. Dan kan op weerlegbare wijze worden vermoed dat er sprake is van een afhankelijkheidsverhouding tussen deze minderjarige Unieburger en de ouder die derdelander is. Daarbij is niet doorslaggevend dat de andere ouder, als onderdaan van de lidstaat op het grondgebied waarvan dit gezin is gevestigd, beschikt over een onvoorwaardelijk recht om op het grondgebied van deze lidstaat te verblijven. Ook moet de staatssecretaris rekening houden met de uitspraak van de Afdeling van 6 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:888, waarin is overwogen dat ook als de derdelander-ouder de familierechtelijke relatie met het kind dat Unieburger is niet aannemelijk heeft gemaakt, zich een situatie kan voordoen waarbij dat kind zodanig afhankelijk is van de ouder dat het kind feitelijk gedwongen zal zijn het grondgebied van de Unie te verlaten bij de weigering een verblijfstitel toe te kennen aan de ouder.

Gelet op het bovenstaande, mag de staatssecretaris aan het gegeven dat onduidelijkheid bestaat over de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling niet altijd een doorslaggevende betekenis toekennen.

Een vreemdeling moet zowel bij een asielverzoek als bij een aanvraag om verblijf op grond van het arrest Chavez-Vilchez zijn identiteit en nationaliteit aannemelijk maken. Maar bij de beoordeling van het asielverzoek kan aan de aannemelijkheid van de identiteit en nationaliteit een ander gewicht toekomen dan bij de beoordeling van het Chavez-Vilchez-verblijfsrecht.

De rechtbank heeft niet onderkend dat de staatssecretaris een onjuist beoordelingskader heeft gehanteerd. Hierdoor is er sprake van een motiveringsgebrek.
Het hoger beroep tegen Rb Haarlem NL21.4761, 13.12.21 is gegrond.
RvS 202107918/1/V3, 30.5.24
ECLI:NL:RVS:2024:2265

Rb: afweging familieleven vlgs art 17 Gezinsherenigingsrichtlijn soms positiever dan 8EVRM

Uit de uitspraak van de Afdeling van 11 januari 2023 volgt dat, als de Gri van toepassing is, de staatssecretaris een belangenafweging moet maken in het kader van artikel 17 van de Gri. De staatssecretaris mag dan niet afzien van deze beoordeling, omdat er al een belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM is gemaakt. Voor kerngezinsleden kan de belangenafweging in het kader van artikel 17 van de Gri namelijk gunstiger zijn dan de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM. De Gri verplicht lidstaten immers om in de door de richtlijn vastgestelde gevallen aan kerngezinsleden gezinshereniging toe te staan, terwijl verdragsstaten op grond van artikel 8 van het EVRM een beoordelingsmarge hebben om gezinshereniging toe te staan en daartoe pas verplicht zijn bij bijzondere omstandigheden.

Nu de staatssecretaris in het bestreden besluit niet heeft getoetst of vasthouden aan het mvv-vereiste in strijd is met artikel 17 van de Gri, is het besluit naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende zorgvuldig en gemotiveerd tot stand gekomen

Het beroep is gelet op dat wat hierboven is geoordeeld, gegrond.
Rb Arnhem AWB 23/6416 en AWB 23/14762, 28.5.24
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:8130

Rb: geen 8EVRM want gezinsleven in Irak gestart, geen Chavez-afweging na afgewezen asielverzoek

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat geen aanleiding bestaat voor (ambtshalve) verlening van een verblijfsvergunning regulier op grond van artikel 8 van het EVRM. Hoewel sprake is van gezinsleven tussen eiser, zijn echtgenote en kinderen, is er geen sprake van inmenging en heeft verweerder de belangenafweging in het nadeel van eiser kunnen laten uitvallen. Bij die belangenafweging heeft verweerder alle relevante feiten en omstandigheden betrokken. Verweerder heeft allereerst mogen betrekken dat het gezinsleven niet in Nederland is ontstaan maar in Irak, nu de echtgenote van eiser voor en na hun huwelijk meerdere malen is teruggegaan naar Irak, terwijl eiser ten tijde van het huwelijk en de eerste periode daarna in Irak verbleef. Eiser had er na zijn inreis in Nederland niet op mogen vertrouwen dat hij zijn gezinsleven in Nederland mocht voortzetten, nu hij niet beschikt over een verblijfstitel. .... De omstandigheid dat de echtgenote en kinderen inmiddels de Nederlandse nationaliteit bezitten is, zo stelt verweerder terecht, enkel een juridische wijziging en brengt niet met zich mee dat de belangenafweging voor wat betreft de feitelijke situatie anders moet uitvallen. .... Verweerder heeft in dit verband ook afdoende deugdelijk gemotiveerd dat ten aanzien van de echtgenote en de kinderen niet is gebleken van sterke feitelijke banden met Nederland. Verweerder heeft verder, anders dan op dit punt door eiser is gesteld, de belangen van de kinderen ook voldoende en kenbaar meegewogen en heeft deze niet ten onrechte niet zwaarwegend genoeg gevonden om tot vergunningverlening over te gaan. Het rapport van de RUG heeft verweerder niet tot ander oordeel hoeven leiden, nu het daarin vermelde hier niet aan de orde is....

Tot slot stelt verweerder ten aanzien van het door eiser gestelde verblijfsrecht op grond van het Chavez-Vilchez arrest naar het oordeel van de rechtbank terecht dat eiser een daartoe strekkende aanvraag moet indienen. Het beroep op dit arrest leent zich niet voor een ambtshalve toetsing in het kader van een asielprocedure. Wel staat het eiser uiteraard vrij om een dergelijke procedure op te starten.

Rb Groningen NL23.32457, 23.5.24
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:7773

SvJ&V: nieuw beleid Somalie

Nieuwe risicogroepen:

  • Personen die actief zijn in de politiek
  • Militairen van het Somalische regeringsleger en politiefunctionarissen
  • Mensenrechtenactivisten en journalisten
  • Alleenstaande vrouwen

https://open.overheid.nl/documenten/dpc-a3c6a4694330dce8ce126048bb56dc88ccab35ba/pdf, 29.5.24

Rb: bescherming Pakistaanse overheid is kwestie van geld

De vreemdeling heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij vanwege een geheime relatie met een vrouw van een rijke familie is ontvoerd en mishandeld. De staatssecretaris heeft het geloofwaardig gevonden dat de vreemdeling in het verleden is blootgesteld aan ernstige schade, maar stelt dat hij bij terugkeer geen reëel risico loopt op ernstige schade omdat hij hiervoor bescherming kan krijgen in Pakistan dan wel dat hij in Pakistan een binnenlands vestigingsalternatief heeft.

De rechtbank oordeelt als volgt. De staatssecretaris heeft zijn standpunt dat de vreemdeling bescherming kan krijgen in Pakistan onvoldoende gemotiveerd. De staatssecretaris heeft opgenomen dat het inroepen van bescherming in Pakistan vaak een financiële kwestie is, terwijl de vreemdeling ook juist heeft verklaard dat hij uit een arme familie komt en er niks is gedaan met zijn vaders aangifte. Ook heeft de staatssecretaris niet aangegeven hoe alternatieven voor het doen aan aangiften kunnen leiden tot doeltreffende en niet-tijdelijke bescherming.

Beroep gegrond.
Rb Haarlem, NL23.17416, 23.5.24

Pagina's