Nieuws

Rb: geen verzekeringsplicht met terugwerkende kracht als Chavez-status met terugwerkende kracht

Op 14 maart 2018 heeft de IND besloten dat eiseres geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft.

Zij was daardoor toen niet verzekeringsplichtig. Dit heeft tot gevolg dat er evenmin een grond was om aan haar een boete op te leggen omdat zij niet binnen drie maanden een zorgverzekering had afgesloten. Van een overtreding van artikel 9b, eerste lid, van de Zvw door eiseres is dan ook geen sprake. Het bestreden besluit komt daarmee voor vernietiging in aanmerking.

Dat eiseres achteraf bezien, na het besluit van de IND van 24 april 2019, met terugwerkende kracht wel op 22 februari 2019 verzekeringsplichtig was, doet niet af aan het voorgaande. Dit laat namelijk onverlet dat eiseres op het peilmoment (nog) niet verzekeringsplichtig was. Uit het besluit van de SVB van 5 juli 2019 blijkt weliswaar dat eiseres vanaf 18 mei 2017 is verzekerd voor de Wlz, maar dit besluit dateert van na het besluit van de IND van 24 april 2019, zodat moet worden aangenomen dat daarin wordt uitgegaan van de situatie nadat het verblijfsrecht van eiseres met terugwerkende kracht is erkend. Dit besluit geeft aldus niet de situatie weer zoals die was op het peilmoment.

Het beroep is gegrond.
Rb den Haag SGR 19/7903, 8.2.21
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:2086

Rb: terecht toeslagen terugbetalen bij partner die tijdelijk met terugwerkende kracht illegaal was

De rechtbank erkent dat de omstandigheden bij elkaar genomen voor eiser, zijn echtgenote en zijn beide kinderen zorgwekkend zijn. De rechtbank is echter van oordeel dat geen sprake is van zeer bezwarende omstandigheden die maken dat het onderscheid naar nationaliteit en verblijfsstatus niet gerechtvaardigd is te achten en eiser, hoewel zijn echtgenote in de perioden in geding geen rechtmatig verblijf heeft, toch recht zou hebben op toeslagen. ... Dat in 2018 aan de echtgenote een verblijfsvergunning is verleend, maakt niet dat het doel van de regeling niet meer wordt gediend, omdat hierbij van belang is of in de jaren 2015, 2016 en 2017 recht bestond op een tegemoetkoming. De beroepsgrond van eiser slaagt daarom niet....

De rechtbank stelt vast dat de bestreden besluiten voor berekeningsjaren 2015 en 2016 geen terugvordering bevat. Voor het berekeningsjaar 2017 zijn voor de huurtoeslag en het kindgebonden budget wel voorschotbedragen teruggevorderd. In het Verzamelbesluit is vastgelegd dat verweerder bij bijzondere omstandigheden geheel of gedeeltelijk van terugvordering kan afzien. Eiser heeft geen andere omstandigheden naar voren gebracht dan dat hij door de terugvordering in financiële problemen komt. Eiser heeft dit in beroep onderbouwd met een schuldenoverzicht van 16 november 2019 van de belastingdienst. In het dossier zit verder een uitspraak van de kantonrechter van 28 oktober 2014 waaruit volgt dat eiser onder bewind is gesteld en een Bugetplan-maandoverzicht van juli 2015. De rechtbank vindt dit onvoldoende onderbouwing voor de stelling dat er sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan maatwerk geboden zou zijn. Eiser heeft immers met uitzondering van het overgelegde schuldenoverzicht, niet anders dan met algemene stellingen naar voren gebracht dat de nadelige gevolgen van de terugvordering onevenredig zijn, zonder dit en zijn huidige financiële positie concreet inzichtelijk te maken. Gelet hierop is de rechtbank, op grond van wat er ligt, van oordeel dat eiser niet, althans onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de nadelige gevolgen van de terugvordering voor eiser onevenredig zijn. Verweerder heeft aldus kunnen volstaan met het verwijzen naar de betalingsregeling. De beroepsgrond van eiser slaagt niet.

De conclusie is dat verweerder terecht heeft beslist dat eiser in de perioden dat de toeslagpartner van eiser geen rechtmatig verblijf had geen recht heeft op zorgtoeslag, kindgebonden budget en huurtoeslag. De rechtsgevolgen van de te vernietigen bestreden besluiten worden daarom in stand gelaten.

Rb Utrecht UTR 19/5156, UTR 19/5158 en UTR 19/5160, 16.2.21
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2021:1026

CRvB: geen aanvullende bijstand naast WAO gedurende periode verlenging status

Vast staat dat appellant eerst nadat zijn rechtmatige verblijf was beëindigd een aanvraag om verlenging van zijn verblijfsvergunning heeft ingediend. Dit betekent dat appellant in de te beoordelen periode niet voldeed aan de voorwaarden voor gelijkstelling met een Nederlander. De wet biedt geen ruimte om een vreemdeling die niet voldoet aan de voorwaarden toch gelijk te stellen met een Nederlander. Gelet hierop, heeft de Svb de AIO-aanvulling op goede gronden ingetrokken.

Hoger beroep afgewezen, aangevallen uitspraak bevestigd.
CRvB 20/19 PW, 23.2.21
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2021:547

RvS: geen zicht op uitzetting naar Marokko

De Marokkaanse autoriteiten hebben in 2020 geen enkele laissez-passer verstrekt. In 2020 zijn ook geen mensen naar Marokko uitgezet die wel meewerkten aan hun uitzetting. Niet duidelijk is wanneer in 2019 voor het laatst een vreemdeling vanuit bewaring met een laissez‑passer is uitgezet naar Marokko. De staatssecretaris kon niet zeggen of en wanneer die situatie zou verbeteren. Daarom oordeelt de Afdeling bestuursrechtspraak dat er geen zicht op uitzetting naar Marokko is, binnen een redelijke termijn.

Zonder zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn wordt niet voldaan aan de voorwaarden om een vreemdeling in bewaring te stellen. Daarom wordt de bewaring van de Marokkaanse vreemdelingen die in hoger beroep zijn gekomen vandaag opgeheven. Deze uitspraken zijn ook van belang voor andere Marokkaanse vreemdelingen die in bewaring zitten en waarbij de staatssecretaris voor hun uitzetting afhankelijk is van de afgifte van een laissez-passer door Marokko.

RvS 202006894/1/V3, 2.4.21
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2021:696
RvS 202006914/1/V3, 2.4.21
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2021:695
RvS 202100335/1/V3, 2.4.21
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2021:698

Rb: identiteitscontrole alleen toegestaan bij gerede twijfel, ondanks bevestigde identiteitsfraude

Beoordeeld moet worden of er terecht sprake is van gerede twijfel over de kwaliteit van haar gegevens in het BRP. Van verweerder mag verwacht worden dat hij inzichtelijk maakt welke informatie is ontvangen op basis waarvan de vereiste gerede twijfel is ontstaan. Verweerder heeft verklaard dat het gaat om een tip die hij zelf heeft ontvangen en dat hij de identiteit van de tipgever kent. De inhoud, datum en/of afzender van de tip zijn door verweerder niet bekend gemaakt aan eiseres en ook niet aan de rechtbank. Hierdoor kan niet beoordeeld worden of de tip kon leiden tot gerede twijfel.

Het onderzoek op sociale media dat door verweerder is gedaan, is al aan te merken als nader onderzoek naar de identiteit van eiseres. De resultaten van dat onderzoek kunnen dus niet bijdragen aan de vereiste gerede twijfel, omdat die twijfel al voor dat onderzoek had moeten bestaan.

Ter zitting heeft verweerder uiteengezet dat in beginsel wel vertrouwd mag worden op gegevens uit de BRP, maar dat in dit geval die gegevens zijn opgegeven door iemand die identiteitsfraude pleegt. Dat is later ook gebleken uit de verklaring die eiseres bij de politie heeft gegeven waarin zij heeft verteld onder een valse identiteit in Nederland te verblijven. Daarom zou onderzoek wel gerechtvaardigd zijn.

De rechtbank volgt deze redenering van verweerder niet. Bij het starten van het nadere onderzoek was immers niet bekend dat eiseres in werkelijkheid niet [naam 2] heet. De start van het onderzoek, op basis van een tip waarvan eiseres door verweerder niet op de hoogte is gesteld, kan niet gerechtvaardigd worden met het resultaat daarvan. Verweerder heeft daarom niet voldoende onderbouwd dat sprake was van gerede twijfel over de kwaliteit van de gegevens uit het BRP en heeft bovendien niet voldaan aan haar motiveringsplicht.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bevoegd was om nader onderzoek te doen naar de identiteit en nationaliteit van eiseres. De bijstandsaanvraag van eiseres had daarom niet op grond van twijfel over haar identiteit en nationaliteit afgewezen mogen worden.

Rb Zwolle ak_19_2131, 10.3.21
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2021:1084

Rb: 8EVRM voor zussen Sofia en Najoua

Uit de Werkinstructie 2019/15 volgt dat als een vreemdeling op zeer jonge leeftijd naar Nederland is gekomen en na zijn vertrek nooit in zijn land van herkomst is geweest en - geen contact (meer) heeft gehad met familieleden in het land van herkomst, er een grote verantwoordelijkheid bij de IND ligt om te onderbouwen dat bij terugkeer een sociaal vangnet aanwezig zal zijn waarop de vreemdeling kan terugvallen. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval niet is gebleken van het benodigde zorgvuldige onderzoek noch van een uitgebreide motivering. Vaststaat dat eiseressen op zeer jonge leeftijd naar Nederland zijn gekomen en na hun vertrek uit Marokko nooit meer terug zijn geweest. Ten aanzien van familieleden in Marokko hebben eiseressen weliswaar aangegeven dat hun moeder in het totaal tien broers en zussen heeft, waaronder ook meerdere woonachtig in Marokko, maar daarbij is benadrukt dat er geen contact is met hen. Door verweerder is ook bij de beoordeling betrokken dat eiseressen in Marokko op steun van hun moeder kunnen rekenen, nu ook zij zal moeten vertrekken naar Marokko. De rechtbank overweegt in dit kader dat het zeer onzeker is of de moeder van eiseressen met hen zal terugkeren naar Marokko en of eiseressen daar op haar kunnen rekenen. Moeder ontwijkt al twintig jaar haar vertrekplicht en niet is gebleken dat verweerder bezig is met de voorbereiding van haar uitzetting. Door verweerder is verder opgemerkt dat eiseressen kunnen rekenen op steun van elkaar. Welke steun verweerder hiermee bedoelt, is de rechtbank onduidelijk. De steun die in dit verband relevant zou kunnen zijn, zou moeten zien op het gemakkelijker kunnen vinden van hun weg in de Marokkaanse maatschappij. Wat dat betreft is niet goed duidelijk wat zij voor elkaar kunnen betekenen, nu beide zeer beperkte banden met Marokko hebben en de taal enkel gebrekkig spreken.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom de zeer sterke banden met Nederland en de zeer beperkte banden van eiseressen met Marokko niet opwegen tegen het belang van de Staat. Verweerder heeft niet in redelijkheid aannemelijk kunnen achten dat, gelet op de specifieke omstandigheden van dit geval, bij terugkeer naar Marokko geen sprake zal zijn van ‘social and professional difficulties’ als bedoeld in het arrest [partij] . Verweerder heeft dit naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende betrokken in de belangenafweging. De overweging van verweerder dat er geen indicaties zijn gevonden dat er onoverkomelijke of bijzondere obstakels voor eiseressen bestaan om zich in Marokko te vestigingen, acht de rechtbank in dit kader onvoldoende.

Rb Amsterdam AWB 20/2490, 17.2.21
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:3448
NB: de Staatssecretaris is in Hoger Beroep gegaan

Rb: vovo voor toelating Surinaamse met Syndroom van Down bij verzorgende zus in NL

Verzoekster is 58 jaar oud en afkomstig uit Suriname. Ze heeft het syndroom van Down. Op 4 juli 2017 heeft haar zus [zus] (referente) haar mee naar Nederland genomen. Op 27 september 2017 heeft verzoekster een verblijfsvergunning aangevraagd om in Nederland bij referente te kunnen verblijven....

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is in deze procedure voldoende aannemelijk geworden dat er in Suriname geen familieleden van verzoekster zijn die in staat of bereid zijn om verzoekster in huis te nemen en haar de benodigde begeleiding en zorg te bieden. Ook is aannemelijk geworden dat er in Suriname geen instellingen zijn die 24uursbegeleiding bieden aan volwassenen met het syndroom van Down. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het belang van verzoekster zwaarder weegt dan het belang van verweerder en zal het verzoek om een voorlopige voorziening daarom op grond van deze belangenafweging toewijzen. Dat betekent dat verzoekster niet mag worden uitgezet totdat op haar bezwaar is beslist.

Ten behoeve van de beslissing op bezwaar wijst de voorzieningenrechter op de vaste rechtspraak van het EHRM, waaruit volgt dat de vraag of sprake is van ‘meer dan gebruikelijke afhankelijkheid’ een vraag is van feitelijke aard en dat de beantwoording daarvan afhankelijk is van het daadwerkelijk bestaan van hechte persoonlijke banden. Voor de beoordeling daarvan kunnen relevant zijn: eventuele samenwoning, de mate van financiële afhankelijkheid, de mate van emotionele afhankelijkheid, de gezondheid van betrokkene en de banden met het land van herkomst.

Verder wijst de voorzieningenrechter op de uitspraak van de RvS waaruit volgt dat verweerder bij de beoordeling of sprake is van hechte persoonlijke banden zwaarwegend gewicht mag toekennen aan het antwoord op de vraag of er een reële mogelijkheid bestaat dat ook andere familieleden of derden de door het afhankelijke familielid benodigde zorg geven. Dit gewicht mag echter niet doorslaggevend zijn. Uit de jurisprudentie van het EHRM valt niet af te leiden dat de afhankelijkheid exclusief moet zijn, wil er sprake zijn van beschermenswaardig familieleven.

Rb Amsterdam AWB 20/8187, 2.4.21
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:3438

RvS: alsnog oordeel nodig over verblijf moeder bij inmiddels meerderjarig geworden NLs kind

De vreemdeling en haar minderjarige kind hebben de Surinaamse nationaliteit. Zij wensen samen met referent, ook een kind van de vreemdeling dat door haar Nederlandse nationaliteit Unieburger is, in Nederland te verblijven zodat referent hier een opleiding kan gaan volgen. De vreemdeling, haar minderjarige kind en referent verblijven in Suriname.

Op 25 februari 2018 heeft referent voor de vreemdeling en haar minderjarige kind aanvragen ingediend voor een mvv. De staatssecretaris heeft in haar besluit in tweede instantie de meerderjarigheid van referent als uitgangspunt genomen en om die reden geweigerd de gevraagde mvv's te verlenen.

De vreemdeling voert aan dat referent op het moment van de aanvragen nog minderjarig was en zij en haar minderjarige kind daarom op dat moment in aanmerking kwamen voor de vaststelling van zo'n afgeleid verblijfsrecht. Een afgeleid verblijfsrecht vervalt volgens de vreemdeling bovendien niet automatisch wanneer een Unieburger meerderjarig wordt. Zij wijst daarbij op beleid van de staatssecretaris waaruit volgens haar volgt dat zij een afgeleid verblijfsrecht kan behouden op het moment dat referent meerderjarig wordt en haar aanwezigheid als verzorgende ouder voor referent nodig is om een opleiding voort te kunnen zetten of af te kunnen ronden (paragraaf B10/2.3 van de Vc 2000).

Niet is uitgesloten dat als de aanvraag van de vreemdeling inhoudelijk was beoordeeld in het besluit van 14 juni 2018, dus op het moment dat referent nog minderjarig was, de staatssecretaris een verblijfsrecht op grond van artikel 20 van het VWEU had vastgesteld. De staatssecretaris heeft zich niet concreet uitgelaten over de vraag of de vreemdeling ten tijde van het nemen van het besluit van 14 juni 2018 voldeed aan de voorwaarden voor een verblijfsrecht op grond van artikel 20 van het VWEU. Daardoor heeft hij in de besluiten op bezwaar ten onrechte ook niet beoordeeld of de vreemdeling in geval van een rechtmatig verblijf ten tijde van het besluit van 14 juni 2018 na meerderjarigheid van referent een voortgezet verblijfsrecht zou kunnen ontlenen aan artikel 20 van het VWEU, bijvoorbeeld volgens de hiervoor genoemde paragrafen in de Vc 2000.

Dat de heroverweging in bezwaar ex nunc moet worden verricht, belet niet dat in een geval als dit alsnog wordt beoordeeld of er ten tijde van het primaire besluit bij minderjarigheid van referent rechtmatig verblijf bestond. Die beoordeling is in dit geval nodig om te kunnen beoordelen of de vreemdeling ten tijde van het besluit op bezwaar rechtmatig voortgezet verblijf heeft. Nationale procedurevoorschriften mogen bovendien geen afbreuk doen aan de nuttige werking van artikel 20 van het VWEU. Gelet hierop heeft de rechtbank niet onderkend dat de staatssecretaris de besluiten van 30 augustus 2018 niet deugdelijk heeft gemotiveerd.

De grief slaagt. Het hoger beroep is gegrond.
RvS 201906831/1/V3, 24.3.21
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2021:645

RvS: vereisten voor veilig lvh, beoordeling lhbti Mongolië

Om het 'veilig land'-begrip consistent toe te passen, moeten lidstaten ervoor zorgen dat zij eventuele verslechteringen zo snel mogelijk opmerken zodat landen niet ten onrechte als veilig land van herkomst aangewezen blijven. Hieronder zal de Afdeling beoordelen of de snelle herbeoordeling, die de staatssecretaris nu als standaard werkwijze voor de herbeoordelingen hanteert, aan de in de Pri gestelde vereisten voldoet.....

De Afdeling is samenvattend van oordeel dat de staatssecretaris bij de herbeoordeling, net als bij de beoordeling voor de aanwijzing van een land als veilig land van herkomst, moet onderzoeken of en motiveren dat een land nog steeds aan alle vereisten voldoet om als veilig te worden aangemerkt.

De staatssecretaris moet in ieder geval een keer in de twee jaar een herbeoordeling uitvoeren die aan deze vereisten voldoet. Daarnaast moet hij ook voortdurend monitoren of er signalen zijn dat er verslechteringen plaatsvinden in een als veilig land van herkomst aangewezen land. Als die verslechteringen er zijn dan moet hij een land van de lijst van veilige landen van herkomst schrappen, de aanwijzing tijdelijk opschorten, of een groep of regio uitzonderen. Ook kan dit betekenen dat de staatssecretaris in individuele zaken nader moet motiveren of en waarom hij nog steeds uitgaat van de aanwijzing van een land als veilig land van herkomst....

De herbeoordeling van de situatie in Mongolië voldoet, uit het oogpunt van zorgvuldigheid en motivering, waaronder ook het bronnengebruik, niet aan de hierboveni omschreven vereisten.

De staatssecretaris heeft daarom zijn standpunt dat voor de vreemdeling persoonlijk niet is gebleken dat Mongolië geen veilig land van herkomst is, onvoldoende gemotiveerd. Hij heeft bij zijn standpunt dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij geen effectieve bescherming kon krijgen tegen zijn problemen, onvoldoende kenbaar de algemene informatie over de beschermingsmogelijkheden in Mongolië betrokken. Daarnaast is de staatssecretaris, zoals de vreemdeling terecht betoogt, onvoldoende ingegaan op de overige incidenten die hij naast de incidenten in 2012 en 2018 stelt te hebben meegemaakt.

Het hoger beroep is gegrond.
RvS 202002809/1/V2, 7.4.21
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2021:738

RvS: asielbeoordeling bekering niet baseren op 3jr oud interview

De rechtbank heeft, gelet op het tijdsverloop tussen het gehoor van 5 januari 2017 en het besluit van 1 mei 2020, ten onrechte overwogen dat de staatssecretaris de vreemdeling niet nogmaals hoefde te horen voordat hij dat besluit nam en dat hij zich voor zijn standpunt dat de afvalligheid ongeloofwaardig is, dus mocht baseren op de verklaringen van de vreemdeling in het gehoor van 5 januari 2017. Dit geldt te meer omdat de vreemdeling in de zienswijze van 26 maart 2020 heeft aangevoerd dat zijn eerdere ongeloofwaardig geachte geloofsovertuiging zich sinds het laatste gehoor heeft ontwikkeld en dat hij daarom opnieuw wil worden gehoord. De rechtbank heeft niet onderkend dat de staatssecretaris door zich alleen te baseren op het gehoor van 5 januari 2017 niet de nodige kennis over de relevante feiten heeft vergaard en daarmee het besluit van 1 mei 2020 niet met de vereiste zorgvuldigheid heeft voorbereid en genomen.

Het hoger beroep is gegrond.
RvS 202001848/2/R3, 31.3.21
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2020:902

Pagina's