Nieuws

Rb: oordeel eventuele schijnerkenning niet bij minister maar bij gemeente

Vaststaat dat de minderjarige kinderen, voordat zij de leeftijd van zeven jaar hebben bereikt, door een Nederlander zijn erkend. Dit betekent dat zij Nederlander zijn geworden. De minister dient in deze procedure hiervan uit te gaan.

Als volgens de minister sprake is van een schijnerkenning van de minderjarige kinderen, waardoor zij het Nederlanderschap op frauduleuze wijze hebben verkregen, is het aan de minister om de daartoe op grond van de RWN aangewezen procedure te doorlopen voordat hij zich in het kader van de beoordeling van de hier aan de orde zijnde aanvraag op het standpunt kan stellen dat de minderjarige kinderen niet de Nederlandse nationaliteit hebben.

De rechtbank wijst er tot slot nog op dat het college van [plaats] naar aanleiding van de melding van de minister bij herhaling niet tot aanpassing van de gegevens in de BRP is overgegaan. In de BRP is dus nog steeds vermeld dat de minderjarige kinderen de Nederlandse nationaliteit hebben.

Het beroep is gegrond.
Rb Utrecht NL26.16842, 13.5.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:12604

RvS: gewenste toekomstige zorgtaken Chavez-vader niet meewegen

De minister klaagt in zijn eerste grief terecht dat de rechtbank bij haar oordeel over het verrichten van zorg- en/of opvoedingstaken ook heeft betrokken de intentie van betrokkene om in de toekomst meer invulling te geven aan zorg- en opvoedingstaken en zijn wil om de financiële zorg voor de dochter gelijkmatiger te verdelen. De minister voert terecht aan dat hij bij zijn beoordeling geen rekening hoeft te houden met toekomstige gebeurtenissen. Hij is namelijk niet bevoegd om een verblijfsrecht op grond van artikel 20 van het VWEU vast te stellen als dat niet daadwerkelijk bestaat. Het is aan de minister om aan de hand van de omstandigheden zoals die zich voordoen ten tijde van het nemen van het besluit te beoordelen of betrokkene daadwerkelijk zorg- en/of opvoedingstaken verricht en of er een zodanige afhankelijkheidsverhouding tussen betrokkene en zijn dochter bestaat dat de dochter gedwongen zou zijn om het grondgebied van de Europese Unie te verlaten, als de minister aan betrokkene een verblijfsrecht weigert. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

Hoger beroep minister, tegen Rb Amsterdam NL24.8101, 23.9.25, gegrond.
RvS BRS.25.001615, 18.5.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:2708

Rb: voorwaarden schenkingsovereenkomst als inkomensbron gezinsvorming

In bezwaar is aangevoerd dat de financiële zekerheid wordt gewaarborgd door een maandelijkse schenking van € 2.134,- door de ouders van referent. Daarbij is tevens vermeld dat eiseres en referent huurvrij wonen in een appartement van de ouders van referent waardoor zij dit bedrag vrij kunnen besteden aan levensonderhoud. … Met het oog op finale geschillenbeslechting zal de rechtbank hierna ingaan op de vraag of eiseres aan het middelenvereiste voldoet.

Volgens eiseres is de schenkingsovereenkomst notarieel vastgelegd. Het betreft een onherroepelijke schenking, waarbij is vastgelegd dat de verschuldigde schenkbelasting voor rekening van de schenkers komt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom eiseres niet beschikt over zelfstandige middelen van bestaan. Omdat de belastingdienst door de aangifte op de hoogte is van de schenking, acht de rechtbank het voldoende aannemelijk dat de verschuldigde schenkbelasting ook daadwerkelijk zal worden betaald. De beroepsgrond slaagt.

Eiseres voert aan dat de schenking duurzaam is omdat deze een looptijd heeft van vijftien maanden. De schenking eindigde per november 2025 omdat de verwachting was dat referent medio 2025 zijn opleiding aan de Universiteit van Amsterdam zou afronden en als leraar in het onderwijs aan de slag zou gaan, waar landelijk een tekort aan is. …. Inmiddels is referent afgestudeerd en heeft hij een baan als verkoper waaruit hij voldoende en duurzame inkomsten ontvangt. Daarnaast heeft eiseres op haar beurt de WO Bachelor Economie en Bedrijfseconomie behaald, de cursus Nederlands A1 en A2 met succes afgerond en haar kansen op een baan en inkomen zijn goed….

De rechtbank overweegt dat uit de zaak Khachab volgt dat de bevoegde autoriteit moet kijken of de gezinshereniger een jaar lang na de datum van indiening van het verzoek om gezinshereniging nog steeds beschikt over voldoende middelen. Daarbij moet een op de toekomst gerichte beoordeling worden gemaakt. In deze beoordeling mag de bevoegde autoriteit wel meewegen hoe de financiële situatie van de gezinshereniger was in de zes maanden voordat de aanvraag werd ingediend. Uit het arrest Khachab volgt verder dat de minister bij zijn beoordeling of eiseres en referente duurzaam beschikken over middelen van bestaan alle relevante omstandigheden moet betrekken. …

De rechtbank overweegt dat de middelen op grond van artikel 3.75 van het Vb in beginsel niet als voldoende duurzaam kunnen worden aangemerkt. …. Echter, de rechtbank is, op grond van het Khachbab arrest, van oordeel dat de minister heeft nagelaten deugdelijk te motiveren waarom de door eiseres aangedragen individuele omstandigheden geen reden vormen toch duurzaamheid van het inkomen aan te nemen. Daarbij benadrukt de rechtbank nogmaals dat een hoorzitting bij uitstek de gelegenheid bood om deze omstandigheden nader toe te lichten. …. De rechtbank overweegt dat de minister een onvoldoende toekomstgerichte beoordeling heeft gemaakt, gelet op de goede arbeidsmarktkansen van eiseres en referent. Onder deze omstandigheden, heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom de schenkingsovereenkomst, gelet op alle omstandigheden, onvoldoende duurzaam is. De beroepsgrond slaagt.

Rb Amsterdam NL25.2371 en NL25.2372, 12.5.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:11876

Rb: Turkije biedt in praktijk niet altijd bescherming tegen dreiging van ex-partner

De rechtbank is van oordeel dat de minister eiseres niet mag tegenwerpen dat zij in het verleden geen hulp heeft gezocht bij de Turkse autoriteiten. Eiseres verkeerde namelijk al vijf jaar in de situatie waarin zij onder cameratoezicht stond en werd afgeluisterd. Op het moment dat eiseres hulp zocht, bleek bovendien dat haar ex-partner hier via de afluisterapparatuur direct van op de hoogte was. Dit heeft tot meer geweld en dreigementen geleid. Het risico op verergering van de situatie bij het opnieuw inroepen van hulp was dus groot. De minister heeft zich op de zitting nog op het standpunt gesteld dat niet voorstelbaar is dat de ex-partner haar vierentwintig uur per dag in de gaten hield, maar de rechtbank volgt dit standpunt niet. Gelet op de ervaringen van eiseres, waarbij haar eerdere poging om contact op te nemen met de politie direct werd opgemerkt en werd gevolgd door bedreigingen over haar kinderen, kon van haar niet worden verwacht dat zij het risico zou nemen om nogmaals te bellen. Logischerwijs waren er momenten dat haar ex-partner de camera’s en afluisterapparatuur niet in de gaten hield, maar eiseres kon niet weten op welke momenten dat wel of niet het geval was. De rechtbank kan zich voorstellen dat de stap om nogmaals de politie te benaderen voor eiseres te groot was. Daarbij moeten de psychische omstandigheden van eiseres en de kwetsbaarheid van haar positie op dat moment ook niet over het hoofd worden gezien.

De tegenwerping dat eiseres in het verleden onvoldoende hulp heeft gezocht vormt een dragend argument voor de conclusie van de minister dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij terugkeer geen bescherming van de Turkse autoriteiten kan krijgen. Omdat de minister dit niet meer aan eiseres mag tegenwerpen, moet dit punt opnieuw worden beoordeeld.

Daarnaast verwijst de minister naar het Algemeen Ambtsbericht Turkije 2025 waarin staat dat de politie en rechtbanken in Turkije in staat zijn om zowel beschermende als preventieve maatregelen te nemen, als het gaat om geweld tegen vrouwen….. Eiseres heeft tijdens de zitting uitgelegd dat de Turkse rechter ondanks haar onderbouwing van het huiselijk geweld bij de echtscheiding een omgangsregeling heeft opgelegd. Daarin is bepaald dat zij verplicht is de kinderen contact te laten hebben met hun vader. Als zij die omgangsregeling niet naleeft, loopt zij het risico haar ouderlijk gezag te verliezen. ... De minister moet dit betrekken bij de beoordeling in hoeverre effectieve bescherming in Turkije mogelijk is. Dit geldt ook voor het argument van eiseres dat de Turkse rechter haar ondanks het huiselijk geweld deze omgangsregeling heeft opgelegd en haar daarbij dus geen bescherming heeft geboden.

Het beroep is gegrond.
Rb Utrecht NL26.5445, 15.5.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:13164

Rb: risico-analyse Nigeriaans slachtoffer mensenhandel onzorgvuldig

De Afdeling heeft eerder overwogen dat verweerder een persoonlijke risicoanalyse dient te maken in de zin van het Country Guidance rapport Nigeria 2021 (en het nieuwe van 2026) wanneer geloofwaardig wordt geacht dat een vreemdeling uit Nigeria slachtoffer is geworden van mensenhandel. De omstandigheden die moeten worden meegenomen in de risicoanalyse zijn onder andere:

  • het gebied waar iemand vandaan komt ([woonplaats] en in het bijzonder [plaats] is al decennia een centraal knooppunt voor mensenhandel van Nigeria naar Europa);
  • leeftijd, gender en familiesituatie (waarbij wezen, kinderen en alleenstaande vrouwen een hoger risico lopen om (wederom) slachtoffer te worden van mensenhandel);
  • sociaaleconomische achtergrond en opleidingsniveau (laagopgeleidheid, armoede en werkloosheid zijn factoren die kunnen zorgen voor een hoger risico om (opnieuw) slachtoffer te worden van mensenhandel);
  • de beschikbaarheid van een ondersteunend (familiaal) netwerk;
  • het machtsniveau en de capaciteit van de mensenhandelaren (zoals de schuld aan de mensenhandelaren); en
  • de gezondheidssituatie (sommigen hebben ernstige fysieke en psychische klachten nadat zij slachtoffer zijn geweest van mensenhandel. Zij zijn kwetsbaarder om opnieuw slachtoffer te worden).

De rechtbank is van oordeel dat verweerders risicoanalyse niet afdoende is om de afwijzing van de asielaanvraag te dragen. Verweerder heeft bij de risicoanalyse in het bestreden besluit de focus gelegd op de omstandigheid dat geen er sprake zou zijn van concrete (recente) bedreigingen van de mensenhandelaar aan het adres van eiseres of haar familie in Nigeria. De overige omstandigheden van de bovengenoemde risicoanalyse heeft verweerder niet kenbaar betrokken in het bestreden besluit. Dit levert een zorgvuldigheidsgebrek op.

Verweerder heeft geen rekening gehouden met de sociaaleconomische positie van eiseres, haar herkomst uit [plaats], het ontbreken van een netwerk, haar gezondheidssituatie. Over het voodooritueel dat eiseres heeft ondergaan (de juju-eed) heeft verweerder overwogen dat dit niet langer van kracht is omdat voodoorituelen strafbaar zijn gesteld. Uit het ambtsbericht blijkt echter dat het effect hiervan te verwaarlozen is, dat de meeste represailles tegen slachtoffers door mensenhandelaars mentaal en emotioneel van aard waren, door middel van angst als gevolg van de juju-eed, en dat de vrees die een juju-eed tot gevolg had over het algemeen zeer effectief was, waardoor fysieke represailles zelden nodig waren. Verweerder heeft dit evenmin onderkend. Het besluit is dus onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd. De beroepsgrond slaagt.

Het beroep is gegrond.
Rb Amsterdam NL25.63117, 15.5.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:12217

RvS: risico tatoeages Afghanistan beter onderzoeken

De vreemdeling legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij vreest voor de Taliban wegens zijn tatoeages.
De Afdeling oordeelt als volgt. De vreemdeling heeft een brief van Vluchtelingenwerk overgelegd met informatie uit verschillende bronnen, waaruit volgt dat de informatie over de risico's voor personen met tatoeages aan ernstige schade niet eenduidig is. Er zijn voorbeelden waarbij personen met tatoeages aan ernstige schade zijn blootgesteld. Zo hebben Afghanen met tatoeages verklaard dat zij deze moesten verwijderen toen de Taliban aan de macht kwamen en dat zij sindsdien risico lopen op de dood, afranselingen en gevangenisstraf. Tussen de verschillende districten in Afghanistan bestaan er grote verschillen, wat met zich brengt dat tatoeages in sommige delen van Kabul wel kunnen worden getoond, maar in provincies zoals Kandahar niet. Gelet op deze informatie heeft de minister niet deugdelijk gemotiveerd hoe dit zich verhoudt tot de conclusie dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt vanwege zijn tatoeages.

Hoger beroep tegen Rb den Haag NL24.36291, 9.4.25 gegrond.
ABRvS 202502610/1, 19.5.26
ECLI:NL:RVS:2026:2810

Rb: staatloze wel naar Saoedi-Arabië, kan nieuwe werkvergunning vragen

Eiser stelt zich op het standpunt dat hij in Saoedi-Arabië geen nieuwe werkvergunning kan krijgen en met betrekking tot het terugkeerbesluit stelt hij zich op het standpunt dat hij bij terugkeer zal worden gedetineerd en daaropvolgend zal worden gedeporteerd.

De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aannemelijk gemaakt heeft dat hij niet kan terugkeren naar Saoedi-Arabië. Hoewel uit de stukken wel blijkt dat het fenomeen van Saoedisering in eisers beroepsgroep gaande is, stelt de minister zich terecht op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat het voor hem onmogelijk is om terug te keren naar Saoedi-Arabië en een nieuwe werkgever te vinden. Uit landeninformatie blijkt dat het voor personen zoals eiser wel mogelijk is om het beroep te veranderen op zijn vergunning. Eiser zal dan een nieuwe sponsor moeten vinden die hiervoor garant kan staan. …

Eiser heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Saoedi-Arabië gedetineerd of gedeporteerd zal worden.

De beroepsgrond slaagt niet.
Rb Arnhem NL25.55965, 6.5.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:11039

RvS: prejudiciële vraag over vrijwilligheid vertrek naar veilig derde land

Appellant heeft de Venezolaanse nationaliteit. De minister heeft Ecuador voor appellant als veilig derde land beschouwd. Niet in geschil is dat appellant zes jaar lang legaal in Ecuador heeft verbleven. Appellant heeft te kennen gegeven dat hij niet naar Ecuador wil terugkeren. …

De rechtbank overwogen dat het woord ‘vrijwillig’ in artikel 3, derde lid, derde streepje, van de Terugkeerrichtlijn zo gelezen moet worden dat verwacht wordt dat de onderdaan van het derde land binnen de gestelde termijn uit zichzelf het grondgebied van een lidstaat van de Europese Unie verlaat. Deze bepaling gaat daarom niet over de vraag of de betreffende persoon terug wil keren naar het derde land, aldus de rechtbank….

De Afdeling is op grond van het Terugkeerhandboek vooralsnog van oordeel dat de minister een derde land, anders dan het land van herkomst of een land van doorreis, alleen als land van terugkeer kan aanwijzen, als de onderdaan van een derde land te kennen heeft gegeven naar dit land terug te willen keren. …. Dit lijkt in strijd met het doel van de Terugkeerrichtlijn om een doeltreffend verwijderings- en terugkeerbeleid te voeren. De Afdeling zal hierover daarom  deze prejudiciële vraag stellen: Moet het woord ‘vrijwillig’ in artikel 3, derde lid, derde streepje, van Richtlijn 2008/115/EG, gelezen in het licht van de doelstelling van die richtlijn om een doeltreffend verwijderings- en terugkeerbeleid te voeren en in samenhang met artikel 33, tweede lid, onder c, en artikel 38 van Richtlijn 2013/32/EU, zo worden uitgelegd dat dit verwijst naar de keuze van bestemming van de onderdaan van een derde land?

De behandeling van het hoger beroep zal worden geschorst totdat het Hof uitspraak heeft gedaan.
RvS 202303560/1/V3, 13.5.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:2660

Rb: weigering status aan psychotische Gazaan met strafblad helpt samenleving niet

De strafrechter heeft het volgende overwogen: “In het psychologisch pro-Justitiarapport is geconcludeerd dat bij verdachte sprake is van een uitgebreide cognitieve stoornis door traumatisch hersenletsel, late gevolgen van diffuus traumatisch hersenletsel met bewusteloosheid met blijvende ernstige lichamelijke beperkingen, een andere gespecificeerde schizofrenie-spectrum-stoornis- of andere psychotische stoornis (met wanen en hallucinaties), een posttraumatische stressstoornis met dissociatieve symptomen en diverse psychosociale factoren die van invloed zijn op het functioneren. Deze stoornissen hebben verdachtes gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde beïnvloed. …  Indien verdachte vrijkomt zonder interventies wordt het risico op recidive in geweld, ernstig lichamelijk letsel en/of acuut dreigend geweld ingeschat op matig tot hoog. De psycholoog heeft geadviseerd tot opname in een klinische behandelsetting, met kennis van niet-aangeboren hersenletsel, posttraumatische stressklachten en psychotische stoornissen, en dat op te nemen als bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijk strafdeel. Daarnaast acht de psycholoog het van belang dat verdachte begeleid wordt in de opbouw van zijn zelfstandigheid, het ontwikkelen van werk/dagbesteding en het resocialiseren. Ook bij het opbouwen van vrijheden zal hij begeleiding nodig hebben.”

De strafrechter heeft het advies van de psycholoog overgenomen. … Eiser heeft vervolgens tot 29 mei 2025 in detentie doorgebracht en de periode daarna bij een Forensisch Psychiatrische Afdeling. Daar verblijft eiser momenteel nog steeds….

De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het weigeren van subsidiaire bescherming geschikt is om de samenleving te beschermen. Vast staat immers dat eiser de delicten onder invloed van een psychose heeft gepleegd en dat de psychische problematiek van eiser door deze maatregel niet wordt opgelost. Ook eiser zelf zal door deze maatregel niet ineens ‘verdwijnen’; hij is immers niet uitzetbaar. Dat eiser op grond van de wet een zelfstandige vertrekplicht heeft, is bovendien tegenstrijdig met het standpunt van de minister dat het eiser vrijstaat om de behandeling die als bijzondere voorwaarde door de strafrechter is opgelegd, in Nederland af te maken. De minister heeft dan ook onvoldoende gemotiveerd waarom het onthouden van de subsidiaire bescherming geschikt is om de samenleving te beschermen.

Het beroep is gegrond.
Rb Amsterdam NL25.26011 en NL25.26012, 13.5.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:11884

Rb: weigering overplaatsing van VBL naar INLIA onvoldoende gemotiveerd

De vreemdeling stelt dat de vrijheidsbeperkende maatregel opgeheven moet worden en hem de mogelijkheid moet worden geboden om terug te keren naar stichting INLIA in Groningen totdat hij, als zijn psychische problemen zijn verholpen, weer zou vertrekken naar Benin.

De rechter concludeert dat deze procedure gaat over opheffing van de maatregel. Daarbij zal moeten worden beoordeeld in hoeverre zich feiten en omstandigheden voordoen die van zodanig aard zijn dat voortduren van de maatregel niet langer op zijn plaats is. De vreemdeling wijst hierbij op het tijdsverloop, het feit dat zijn medische situatie meer gebaat is bij een verblijf bij INLIA en het feit dat INLIA ook bereid is hem weer op te nemen.

De minister heeft ten onrechte het bezwaar van de vreemdeling als kennelijk ongegrond heeft afgewezen, omdat er onvoldoende onderzoek is gedaan naar de relevante feiten en belangen. De vreemdeling verblijft al ruim een jaar op de vbl (terwijl de maximale termijn 12 weken is) en heeft medische zorg en begeleiding nodig, die volgens INLIA ook daar kunnen worden geboden. De minister had hem moeten horen over de mogelijkheid van opvang bij INLIA, waar hij eerder stabiel functioneerde en bereid was terug te keren naar Benin. Daardoor is het besluit op bezwaar in strijd met artikel 3:2 en 7:2 Awb en wordt het vernietigd. De minister moet een nieuw besluit nemen, hem vooraf horen en opnieuw onderzoek doen, met name naar de verklaringen van INLIA.

Beroep gegrond. 
Rb Groningen NL26.8835, 23.4.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9813

Pagina's