Nieuws

Rb: vrijlating na aanschaf ticket door IOM

Eiser heeft in detentie geen toegang tot internet, zodat hij niet aanstonds na de inbewaringstelling online een ticket kan kopen om daarmee op de kortst mogelijke termijn kan vertrekken. Echter, deze omstandigheid en de gevolgen hiervan komen voor zijn rekening. Indien eiser vanuit detentie alsnog zelfstandig wil vertrekken kan hij zich via de regievoerder tot IOM wenden. Dat er meerdere dagen zijn gemoeid met het regelen van dit vertrek en eiser die dagen in detentie heeft moeten doorbrengen komt voor zijn rekening en brengt, zoals eerder overwogen, geen gehoudenheid voor DT&V mee om in plaats van IOM zelfstandig vertrek mogelijk te maken of te volstaan met het opleggen van een lichter middel.

De rechtbank overweegt dat DT&V op 20 september 2021 naar aanleiding van het bericht van IOM had moeten overgaan tot opheffing van de maatregel. Dit betekent dat de maatregel vanaf 20 september 2021 tot het moment van feitelijk vertrek onrechtmatig is geweest. Eiser maakt aanspraak op schadevergoeding omdat hij gedurende vijf dagen onrechtmatig is gedetineerd.

Rb den Bosch NL21.14680 en NL21.14699, 29.9.21
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:10655

Rb: geen informele mantelzorg beschikbaar in Guinee

Niet in geschil is dat eiser bekend is met een combinatie van verschillende stoornissen, zoals Post-traumatische Stress Stoornis (PTSS), ongespecificeerde schizofrenie spectrum stoornis, stoornis in gebruik van alcohol en cannabis, depressieve klachten en acculturatieproblemen. Eiser is in het verleden opgenomen geweest in verband met suïcidaliteit....

De vraag die dus moet worden beantwoord is of mantelzorg zoals die door [mantelzorgster] wordt verleend in Guinee beschikbaar is. Uit het BMA-rapport maakt de rechtbank op dat, voor zover [mantelzorgster] mantelzorg verleent die ook door een professionele zorgverlener kan worden verleend, deze mantelzorg in Guinee beschikbaar is. De rechtbank is echter van oordeel dat niet aannemelijk is gemaakt dat de vertrouwensband die eiser met [mantelzorgster] heeft en de zeer intensieve bemoeienis die [mantelzorgster] heeft bij het op de rails houden van eiser, welke vertrouwensband en bemoeienis essentieel zijn voor de medische behandeling, door de in het BMA-advies genoemde professionele zorg kan worden geleverd.

Verweerder heeft ter zitting gesteld dat eiser in Guinee opnieuw een vertrouwensband kan opbouwen met een persoon die de huidige rol van [mantelzorgster] kan vervullen. Gelet op hetgeen eiser naar voren heeft gebracht is de rechtbank van oordeel dat niet aannemelijk is dat eiser daartoe in staat is. Uit de toelichting van [mantelzorgster] van 31 augustus 2020 blijkt dat zij zich over eiser ontfermd heeft en dat daardoor langzamerhand de vertrouwensband is ontstaan. Verder blijkt uit de stukken dat eiser niet of nauwelijks contact aangaat. De kans dat in Guinee opnieuw iemand zich op deze intensieve manier over eiser zal ontfermen acht de rechtbank zeer gering. Bovendien is namens eiser er terecht op gewezen dat het opbouwen van een vertrouwensband tijd kost. Als eiser in Guinee terecht komt zonder dat daar een persoon is waarmee hij de voor de behandeling benodigde vertrouwensband heeft, zal van behandeling (waaronder het innemen van medicijnen) geen sprake kunnen zijn.

De rechtbank concludeert dan ook dat de voor eiser vereiste mantelzorg in Guinee niet beschikbaar is.
Rb Arnhem AWB 20/7105, 21.9.21
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:10985

Rb: faciliterend visum voor ouder met NLs kind nog in Marokko

Specifiek naar aanleiding van een beroep op het arrest Chavez-Vilchez heeft de Afdeling bevestigd dat dit arrest ook van toepassing is indien de burger van de Unie feitelijke de toegang tot het grondgebied van de Unie wordt ontzegd, omdat een derdelander-familielid geen toegang tot het grondgebied van de Unie wordt verleend. Verweerder heeft dan ook ten onrechte geconcludeerd dat eiseres vanwege het enkele verblijf van haar en haar kinderen buiten Nederland buiten de reikwijdte van het arrest Chavez-Vilchez valt. De weigering om aan eiseres een EU-verblijfsdocument af te geven berust dan ook op een onzorgvuldige voorbereiding.

Eiseres stelt terecht dat, zolang zij met haar kinderen in Marokko verblijft, het niet aannemen van een afgeleid verblijfsrecht op grond van het arrest Chavez-Vilchez tot gevolg heeft dat zij – mogelijk in strijd met het Unierecht – niet kan inreizen. Voor zover verweerder meent dat het vereiste onderzoek onvoldoende kan plaatsvinden indien eiseres zich in het buitenland bevindt, staat het verweerder vrij om aan eiseres (opnieuw) een facilitair visum te verlenen, voorafgaand aan de beslissing op de aanvraag. Verweerder mag de aanvraag echter niet afwijzen, zonder dat daadwerkelijk onderzoek is gedaan naar het bestaan van een afgeleid verblijfsrecht.

Het beroep is gegrond.
Rb Middelburg AWB 20/9584, 24.9.21
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:10652

RvS: UNWRA kan in Gaza onvoldoende humane leefomstandigheden bieden

De vreemdeling is een Palestijn uit de Gazastrook en is geregistreerd bij de UNRWA. In de door de vreemdeling overlegde landeninformatie gaat het over de vraag of de UNRWA in staat is in de Gazastrook levensomstandigheden te bieden die stroken met haar opdracht. De staatssecretaris heeft onvoldoende uitgelegd hoe hij de door de vreemdeling ingebrachte landeninformatie in dit licht heeft beoordeeld. De staatssecretaris heeft daarom ondeugdelijk gemotiveerd dat de overgelegde documenten geen nieuwe elementen of bevindingen zijn die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag. 

(tegen Rb Middelburg, NL20.19111, 17.2.21)
ABRvS, 202101260/1, 23.9.21
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2021:2136

Rb: risico atheist Iran

Verweerder heeft geloofwaardig geacht dat eiser atheïst is. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling mag van een vreemdeling van wie de geloofsovertuiging geloofwaardig wordt geacht, niet worden gevraagd dat hij zich in het land van herkomst terughoudend zal opstellen bij de uitoefening van zijn geloofsovertuiging ter voorkoming van vervolging.

Eiser heeft verklaard dat hij graag met vrienden zou willen spreken over zijn overtuiging, maar dat dat niet gaat in de Iraanse samenleving. Ook blijkt uit zijn verklaringen dat hij in Iran openlijk uiting gaf aan zijn atheïsme door samen te komen met andere atheïsten. Bij zienswijze en in beroep heeft eiser verklaard dat hij in Nederland kennis heeft gemaakt met de organisaties Ex Muslims Netherland en de Council of Ex-muslims of Britain. Daarnaast is niet in geschil dat eiser vanuit zijn religieuze overtuiging actief is op sociale media en YouTube kanalen.

Uit het Algemeen ambtsbericht over Iran blijkt dat mensen die publiekelijk uitkomen voor hun atheïsme, als geloofsafvalligen worden beschouwd en dan risico lopen op strafvervolging wegens afvalligheid of godslastering. Het is in Iran verboden om in de media over atheïsme te schrijven en er bestaan cyber-bataljons die controles daarop uitvoeren op sociale media. Gelet hierop en op hetgeen eiser heeft verklaard, heeft verweerder dan ook niet voldoende onderzocht of eiser een gegronde vrees heeft voor vervolging of een reëel risico loopt op ernstige schade als hij in Iran op dezelfde wijze als in Nederland openlijk uiting geeft aan zijn atheïsme.

Het beroep zal daarom gegrond worden verklaard.
Rb Middelburg NL21.9461, 28.9.21
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:10741

CAT: risico terugkeer Chinese christen

The complainant arrived in Switzerland with a valid Schengen visa and passport subsequent to the Chinese authorities discovering her conversion to Christianity. After three months, the complainant applied for asylum but was rejected on the basis that her claims were stereotypical, evasive and contrary to logic and general experience. She appealed this decision but her request for judicial assistance was rejected and her appeal was found inadmissible as she was unable to pay the procedural fees.

The applicant submitted to the CAT that if returned to China she would risk arrest and torture. The Committee disagreed with the State Party that the applicant was not credible and found the testimony she attempted to submit in her appeal as sufficient affirmation of her adherence to Christianity. Furthermore, the Committee found that, in the particular circumstances and facts of the case alongside the applicant's personal and family situation, it is reasonable to assume that her removal to China would put her at risk of torture or other cruel, inhuman or degrading treatment or punishment.The Committee's Concluding observations on the fifth periodic report of China also reveal an increasing incidence of persecution of Christians in China. Therefore, it follows that the deportation of the applicant without providing her an exhaustive access to the State Party's remedies would constitute a breach of Article 3 of the Convention.

CAT/C/71/D/790/2016, 31.8.21
https://centre-csdm.org/wp-content/uploads/2021/09/CAT-C-71-D-790-2016-English-clean-copy.pd

WBV 2021/18: novabeleid aangepast

Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft op 10 juni 2021 arrest gewezen in de zaak C-921/19 (LH). Uit dit arrest volgt dat indien de vreemdeling in de opvolgende asielprocedure documenten inbrengt waarvan de authenticiteit niet kan worden vastgesteld door de KMar of Bureau Documenten en de authenticiteit ook niet op andere wijze is aangetoond, niet direct en enkel op die grond tot de conclusie kan worden gekomen dat deze documenten geen nieuwe elementen of bevindingen vormen. Ook kan voor kopie-documenten niet enkel om de reden dat het een kopie is worden overwogen dat het document niet als een nieuw element of bevinding wordt beschouwd. Dit geldt eveneens voor niet-objectief verifieerbare bronnen. Het niet kunnen vaststellen van de authenticiteit van een document of het niet kunnen vaststellen of het document afkomstig is van een objectief verifieerbare bron, kan niet rechtvaardigen dat het document reeds daarom wordt uitgesloten van de behandeling van de opvolgende aanvraag. Dit kan ook gevolgen hebben voor de beoordeling of een opvolgende aanvraag zonder een voorafgaand gehoor niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Om deze reden is paragraaf C1/2.9 Vc aangepast.

WBV 2021/18, 23.9.21 in Staatscourant 2021, 41948, 30.9.21
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2021-41948.html#d17e1537

RvS: besluit over intrekken inreisverbod Afghaanse 1Fer omvat méér dan dreigingsanalyse

Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, moet de staatssecretaris bij een verzoek om opheffing van een inreisverbod beoordelen of het inreisverbod nog steeds geschikt is om het ermee beoogde doel te waarborgen en niet verder gaat dan daarvoor nodig is. De eventuele omstandigheid dat de vreemdeling een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt, is bij deze evenredigheidsbeoordeling een argument om het inreisverbod te handhaven. Andere omstandigheden kunnen er echter toe leiden dat het inreisverbod moet worden opgeheven. Als de staatssecretaris een deel van deze omstandigheden niet of niet kenbaar in de besluitvorming heeft betrokken, kan de rechtbank de evenredigheid van het besluit niet toetsen en is het besluit alleen al daarom ondeugdelijk gemotiveerd.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat de staatssecretaris niet kenbaar alle door de vreemdeling aangevoerde individuele omstandigheden, waaronder diens hoge leeftijd en toenemende medische klachten, bij het besluit heeft betrokken. Mede in het licht van het verhandelde ter zitting bij de rechtbank, waaruit blijkt dat de staatssecretaris het vermoeden heeft uitgesproken dat de vreemdeling wegens zijn leeftijd en medische klachten nooit zal kunnen terugkeren naar Afghanistan, heeft de rechtbank terecht overwogen dat de staatssecretaris onvoldoende heeft toegelicht hoe het besluit zich verhoudt tot het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel. De staatssecretaris heeft onvoldoende uitgelegd welke betekenis hij hecht aan de omstandigheden die de vreemdeling heeft aangedragen voor opheffing van het inreisverbod.

De grief faalt. Het hoger beroep is ongegrond.
(tegen Rb Haarlem 19/6862, 24.11.20)
RvS 202006886/1/V2, 4.10.21
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2021:2208

Rb: zorgvuldiger oordeel nodig na verklaring minderjarigheid door AVIM

AVIM heeft unaniem geoordeeld dat de vreemdeling evident minderjarig is. In Italië staat hij als meerderjarig geregistreerd. De vreemdeling heeft een taskera overlegd, maar de staatssecretaris heeft het voornemen heeft uitgebracht voordat het onderzoek naar de echtheid was afgerond. Inmiddels is de taskera vals bevonden.
De rechtbank oordeelt als volgt. Nu de vreemdeling niet in de gelegenheid is gesteld om op de uitkomst van het documentenonderzoek te reageren , is hij in zijn belangen geschaad. Het beroep is gegrond en de rechtbank zal beoordelen of de rechtsgevolgen van het besluit in stand kunnen worden gelaten.

De vreemdeling heeft een verklaring van identiteit van de Afghaanse ambassade overgelegd en nadere informatie waaruit blijkt dat deze is afgegeven na een gedetailleerd interview en nadat de authenticiteit van de tazkera op basis van interne richtlijnen door de ambassade is vastgesteld. Dit biedt volgens de rechtbank echter onvoldoende aanknopingspunten om aan de bevindingen van Bureau Documenten te twijfelen. 

De rechtbank stelt zich de vraag, hoewel er geen documenten zijn op grond waarvan de minderjarigheid van de vreemdeling kan worden vastgesteld, of de staatssecretaris op basis van de beschikbare gegevens deze bewijslast bij de vreemdeling heeft mogen leggen. De rechtbank stelt vraagtekens bij de relevantie en zorgvuldigheid van het vragen naar de opgave van geboortedatum in een andere lidstaat in het kader van de leeftijdsschouw, aangezien de registratie in het andere land pas relevant wordt nadat is geoordeeld dat twijfel bestaat over de in Nederland opgegeven leeftijd. De verklaring van de vreemdeling omtrent zijn leeftijd en waarom hij in Italië een valse leeftijd heeft opgegeven is specifiek en niet blijkt waarom dit niet is meegenomen in de beoordeling van zijn minderjarigheid. De staatssecretaris heeft niet de nodige zorgvuldigheid in acht genomen en ondeugdelijk gemotiveerd waarom de verklaringen aanleiding geven tot twijfel. De rechtsgevolgen worden niet in stand gelaten.

Beroep gegrond.
Rb Utrecht, NL21.7629, 22.9.21

Rb: prejudiciele vragen Dublinoverdracht Malta

De rechtbank ziet zich in toenemende mate geconfronteerd met het moeten beoordelen van de rechtmatigheid van een voorgenomen overdracht aan lidstaten die naar verluidt stelselmatig en in strijd met de Unierechtelijke en Verdragsrechtelijke verplichtingen om grondrechten van derdelanders te eerbiedigen, derdelanders van het grondgebied van de Unie trachten te weren, te verwijderen, na inreis onrechtmatig te detineren of op andere wijze niet indachtig de uitgangspunten van het Gemeenschappelijk Europees Asielstelsel (GEAS) te behandelen. In al deze procedures wordt de rechtbank voor de vraag gesteld wat tegen die achtergrond de inhoud en reikwijdte van het interstatelijk vertrouwensbeginsel behelst.

Gelet op de vele Dublin-procedures die bij de nationale rechterlijke instanties aanhangig zijn en gelet op de omstandigheid dat door gezaghebbende organen en instituten met betrekking tot meerdere lidstaten gedetailleerd en onderbouwd wordt gerapporteerd dat aan de buitengrenzen van de Unie grootschalige pushback-praktijken plaatsvinden en derdelanders worden gedetineerd zonder wettelijke basis of niet daadwerkelijk worden toegelaten tot de asielprocedure en opvangvoorzieningen, is de beantwoording van de vragen door het Hof mogelijk relevant voor al die procedures. De rechtbank vraagt nadere uitleg van het Unierecht in juist deze procedure omdat Malta, anders dan andere lidstaten, niet ontkent dat zij haar internationale verplichtingen niet meer kan nakomen.

Daarom stelt de rechtbank prejudiciele vragen over het interstatelijk vertrouwensbeginsel, met verzoek om versnelde behandeling.

Rb den Bosch NL21.4376, 4.10.21
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:10735

Pagina's