Nieuws

Rb: oudere Zuid-Afrikaanse aan hartbewaking is niet fit-to-fly voor terugzending

Verzoekster voert aan dat zij niet kan worden uitgezet vanwege haar hoge leeftijd. Daardoor is zij kwetsbaar voor stress, angst en heeft zij last van vergeetachtigheid. Verder is zij na de toegangsweigering in het hotel waarin zij is ondergebracht voor de nacht onderzocht door een Nederlandse arts. Hier heeft verzoekster een verklaring van overgelegd. De bevindingen van de arts zijn dat zij wat afwezig overkomt en niet goed kan aangeven waar zij zich bevindt. Zij heeft de hele nacht aan de hartbewaking gelegen en moet volgens de arts nogmaals beoordeeld worden voor een eventuele vlucht.

De voorzieningenrechter stelt allereerst vast dat verweerder niet heeft gereageerd op bovenstaande grond van verzoekster. Vanwege de zeer korte tijd tussen de ontvangst van het verzoek en de geplande uitzetting, de hoge leeftijd van verzoekster en haar medische klachten, waardoor niet duidelijk is of verzoekster fit-to-fly was ten tijde van de geplande uitzetting, is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder verzoekster niet uit mag zetten.

Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter aanleiding om een ordemaatregel te treffen, inhoudende dat verzoekster niet wordt uitgezet, totdat een beslissing is genomen op het verzoek om een voorlopige voorziening hangende het administratief beroep.

Rb Haarlem AWB 20/7449, 6.10.20
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2020:10399

SvJ&V: terugkeer afghaanse amv’s

In de periode van 2018 tot 2020 is één AMV-er vrijwillig met ondersteuning van het IOM teruggekeerd. Daarnaast zijn er sinds 2018 ongeveer vijf personen naar Afghanistan vertrokken uit de caseload van de DT&V, die bij het vertrek meerderjarig waren, maar die als amv’s in Nederland waren. Ik heb geen bevestigde vertrekcijfers uit andere landen, maar mijn indruk is dat het om vergelijkbare aantallen gaat.

https://www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/kamerstukken/2020/10/26/tk-inzet-op-terugkeer-van-uitgeprocedeerde-minderjarige-afghaanse-vreemdelingen/tk-inzet-op-terugkeer-van-uitgeprocedeerde-minderjarige-afghaanse-vreemdelingen.pdf, 26.10.20

Rb: toets schrijnendheid voor situaties die zich in herkomstland voordeden wel mogelijk, niet verplicht

Verweerder heeft in zijn reactie op de tussenuitspraak erop gewezen dat uit de toelichting bij WBV 2019/7 blijkt dat op grond van het per 1 mei 2019 in werking getreden artikel 3.6ba van het Vb de bevoegdheid om op grond van schrijnendheid een verblijfsvergunning te verlenen beperkt is tot eerste asielaanvragen. Verweerder volgt de tussenuitspraak voor zover daarin is geoordeeld dat ook bij opvolgende asielaanvragen een bevoegdheid is blijven bestaan om op grond van artikel 3.6b van het Vb ambtshalve een verblijfsvergunning te verlenen, maar niet voor de categorie schrijnendheid. Verder mocht volgens verweerder voor het indienen van een daartoe strekkende aanvraag worden verwezen naar de reguliere procedure.

Uit de door verweerder aangehaalde toelichting blijkt dat artikel 3.6ba van het Vb verweerder een bevoegdheid geeft om tot het moment waarop de beslissing op een eerste verblijfsaanvraag onherroepelijk is geworden ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen op grond van “een schrijnende situatie die gelegen is in een samenstel van bijzondere omstandigheden die zich in Nederland voordoen”. Eiser heeft bij zijn opvolgende asielaanvraag echter een beroep gedaan op humanitaire omstandigheden bestaande uit psychische klachten, die volgens hem voortkomen uit het meemaken van schokkende gebeurtenissen in Guinee, bezien tegen het licht van de algemene veiligheidssituatie in Guinee voor Pular. Dit is dus niet een situatie zoals bedoeld in artikel 3.6ba van het Vb. Het betreft wel een situatie zoals bedoeld in artikel 3.6b, aanhef en onder a, van het Vb, waarin de beperking verband houdend met humanitaire omstandigheden wordt genoemd. Uit de in de tussenuitspraak benoemde jurisprudentie blijkt dat verweerder, anders dan in het bestreden besluit is overwogen, bevoegd was om bij eisers opvolgende asielaanvraag daaraan te toetsen.

Het feit dat verweerder deze algemene bevoegdheid heeft, betekent echter nog niet dat verweerder in alle gevallen verplicht is om deze toets daadwerkelijk te verrichten. Artikel 3.6b, aanhef en onder a, van het Vb is nadrukkelijk een kan-bepaling. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder eiser voor de toets aan humanitaire omstandigheden heeft mogen verwijzen naar de reguliere procedure. Nu verweerder in de reactie op de tussenuitspraak het bestaan van de algemene bevoegdheid van artikel 3.6, aanhef en onder a, van het Vb heeft onderkend, wordt deze reactie opgevat als een genoegzaam herstel van het motiveringsgebrek in het bestreden besluit.....

De rechtbank ziet aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten, omdat het motiveringsgebrek is hersteld en de overige beroepsgronden geen doel treffen.

Rb Middelburg NL20.14703, 15.10.20
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2020:10709

Rb: art-64 want geen inkomen en geen mantelzorg bij terugkeer naar Ghana

De rechtbank oordeelt dat eiser voldoende medische informatie over zijn hulpbehoevendheid heeft overgelegd. Verweerder heeft deze hulpbehoevendheid ten onrechte niet eerder beoordeeld. Het is van belang voor de eventuele terugkeer van eiser naar Ghana dat het BMA zich hierover uitlaat. De rb verzoekt het BMA eveneens te reageren op de beroepsgrond waarin eiser wijst op het ontbreken van een aantal medicijnen.

Op grond van de overgelegde stukken valt het, los van de vraag of eiser mantelzorg behoeft, zeer te betwijfelen dat eiser de zorg die hij nodig heeft zal krijgen als hij wordt uitgezet naar Ghana. Gelet op de combinatie van omstandigheden die eiser heeft aangevoerd is de rb van oordeel dat het aannemelijk is dat eiser zichzelf niet (financieel) zal kunnen redden in Ghana en daardoor geen toegang zal hebben tot de benodigde zorg.

Beroep gegrond.
Rb Amsterdam, 19/8937, 19/8938, 28.9.20

CRC: Spain's age assessment procedures violate migrant children's rights

The case concerned a Guinean national, born in 2000, who arrived in Spain in June 2017 after being intercepted on a boat. Even though he told the Red Cross and the police that he was a minor, the police registered him as an adult. A few days later, the investigating judge informed MB that he would be returned to his country of origin, after which he was transferred to a Detention Centre for Foreigners (CIE), where he applied for asylum. During his interview he did not contest the consideration that he was an adult, because he believed that minors could not apply for asylum.

On 20 July 2017, MB's representatives requested the Spanish authorities to suspend his detention and to hand over the child to the child protection services in Madrid. They managed to obtain his birth certificate from Guinea, which proved that he was under 18, and sent the document to the Spanish authorities, who disregarded the documents for being false. Finally, the child was released from the CIE, after 52 days of detention, and was housed in a social residence for adults. However, he was neither assigned a guardian nor was he recognized as a minor.

The CRC underlined that the determination of the age of a young person who claims to be a child is of fundamental importance, as it determines whether they can obtain international protection as a child, and whether the person in question can invoke the rights under the Convention. The Committee further underlined that there is a presumption of authenticity attached to the documentation that a minor may present and that states are not compelled to include biometric data on a birth certificate. The Committee denounced the practice, according to which the authorities solely take into account the physical aspect of a person and disregard his psychological maturity, which it failed to assess on a safe, impartial and scientific basis.  Finally, the Committee emphasized that it is important for children to have access to a free legal representative and interpreter throughout the age determination procedure. Given all of these elements, which were considered to be against the best interest of the child, the Committee stated that Spain had violated , inter alia, Articles 3 and 12 of the Convention.

CRC/C/85/D/28/2017, 13.10.20
https://tbinternet.ohchr.org/_layouts/15/treatybodyexternal/Download.aspx?symbolno=CRC%2fC%2f85%2fD%2f28%2f2017&Lang=en

Rb: verblijf bij kinderen van 10 en 11 voor moeder die sinds 2005 in NL verblijft

Verzoekster heeft de Iraakse nationaliteit. Zij verblijft sinds 2005 in Nederland. Zij heeft een verblijfsvergunning gehad, maar deze is in 2012 met terugwerkende kracht ingetrokken. Verzoekster verblijft daardoor sinds 2005 onrechtmatig in Nederland. De partner van verzoekster heeft sinds 2003 een verblijfsvergunning en hij verblijft sindsdien rechtmatig in Nederland. De drie minderjarige kinderen van verzoekster en haar partner hebben eveneens rechtmatig verblijf. De kinderen hebben leeftijden van 11, 10 en 1 jaar oud. Zij zijn alle drie in Nederland geboren.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat uit rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (het EHRM) blijkt dat in alle beslissingen over kinderen hun belangen ‘a paramount consideration’ moeten vormen. Uit de afwijzing blijkt niet dat verweerder zich daarvan voldoende rekenschap heeft gegeven. Immers, verweerder heeft in de afwijzing weliswaar vastgesteld dat de belangen van de kinderen om met beide ouders op te groeien zwaar wegen. Daarna vervolgt verweerder echter met een enkele mededeling dat dit belang niet zo zwaarwegend is dat hierom de belangenafweging in het voordeel van verzoekster moet uitvallen.

In de afwijzing is wel, naar het oordeel van de voorzieningenrechter terecht, opgenomen dat in ieder geval de twee oudste kinderen (Hany en Haano) zodanige banden met Nederland hebben dat van hen niet kan worden verwacht dat zij met verzoekster meegaan naar Irak. Zij zijn immers in Nederland geboren, hebben leeftijden van tien en elf jaar en hebben hun hele leven in Nederland gewoond. Hierbij komt dat zij onderwijs in Nederland volgen. Zij zullen, gelet op hun leeftijden, binnenkort de gehele basisschooltijd in Nederland hebben doorlopen. Tot slot hebben zij rechtmatig verblijf in Nederland.

Het is duidelijk dat het belang van kinderen om met beide ouders op te groeien in het algemeen groot is. Hetzelfde geldt voor het opgroeien met andere familieleden, zoals in dit geval de andere kinderen in het gezin. De afwijzing komt er de facto op neer dat de kinderen in ieder geval bij slechts één ouder zullen opgroeien. Voorts stelt verweerder zich op het standpunt dat verzoekster en haar partner zelf een keuze kunnen maken waar het jongste kind, Chanel, opgroeit. Gelet op de leeftijd van Chanel (1 jaar oud), ligt het voor de hand dat zij bij verzoekster opgroeit. De afwijzing zou daardoor feitelijk tot gevolg hebben dat Chanel met verzoekster naar Irak meegaat terwijl Haano en Hany in Nederland blijven, waardoor de kinderen gescheiden van elkaar zullen opgroeien.

Uit rechtspraak van het EHRM volgt dat in situaties als deze, waarin van kinderen niet kan worden verwacht dat zij één van beide ouders volgen naar diens land van herkomst, het belang van de kinderen om op te groeien in aanwezigheid van beide ouders een positieve verplichting van de Staat met zich meebrengt om verblijf voor de ouder bij de kinderen mogelijk te maken.

Tegenover de hiervoor genoemde zwaarwegende belangen van de kinderen, staat het belang van de Staat. Volgens de afwijzing is dat belang erin gelegen dat slechts vreemdelingen die aan alle voorwaarden voldoen een verblijfsvergunning dienen te krijgen. Daarmee kan verweerder in dit geval slechts doelen op het gegeven dat verzoekster niet beschikt over een machtiging voorlopig verblijf.

Gelet op het bovenstaande, valt niet in te zien dat het belang van de staat zwaarder dient te wegen dat het belang van in ieder geval Hany en Haano om op te groeien in het land waar zij geworteld zijn en samen te leven met hun beide ouders en hun zusje Chanel. De afwijzing is derhalve in strijd met artikel 8 van het EVRM.

Op grond van alles wat de voorzieningenrechter hiervoor heeft overwogen, kan geen andere conclusie worden getrokken dan dat op verweerder een positieve verplichting rust om aan verzoekster een verblijfsvergunning te verlenen op grond van artikel 8 van het EVRM.

Rb Roermond AWB 20/1502, 21.10.20
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2020:10680

SvJ&V: uitkomsten onderzoek Oegandese LHBTI-asielzoekers

Het doel van het onderzoek was om te bezien of er inderdaad sprake was van een oneigenlijk beroep op het LHBTI-motief. Daartoe zijn 253 zaken onderzocht. Hieruit zijn onder andere de volgende bevindingen naar voren gekomen:

  • Ca. 80% van de onderzochte Oegandese asielzoekers voert LHBTImotieven aan;
  • Ca. 50% van de onderzochte Oegandese asielzoekers is met een Schengenvisum ingereisd;
  • Hier zijn bepaalde organisaties in Nederland en Oeganda bij betrokken;
  • Visumfraude wordt vanuit Oeganda gefaciliteerd tegen betaling;
  • De asielverhalen vertonen soms op onderdelen een grote gelijkenis;
  • Sommige aanvragers hebben meerdere social media accounts, waarbij er één account specifiek op LHBTI gericht is;
  • 75% van de Oegandese B8 (mensenhandel) aanvragers, stroomt alsnog in de asielprocedure in;
  • Er is sprake van nareis van kinderen (al dan niet uit een eerdere relatie) of partners en in sommige gevallen een in Nederland geboren kind.
  • In 2017 is Nederland na het Verenigd Koninkrijk en Duitsland het EU- land met de meeste Oegandese asielverzoeken. In 2018 en 2019 telde Nederland de meeste Oegandese asielzoekers van alle EU-landen;

Naar aanleiding van dit onderzoek heeft de IND onderzocht welke mogelijkheden er zijn om tot intrekking van een vergunning in de gescreende zaken over te gaan. Daaruit is naar voren gekomen dat er in 36 van de 253 zaken mogelijk voldoende grondslag bestaat om tot intrekking over te gaan. Tot op heden heeft dit tot één intrekking geleid, de overige 35 zaken zijn nog in behandeling.

https://www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/kamerstukken/2020/11/04/tk-diverse-onderwerpen-lhbti-in-migratiebeleid/tk-diverse-onderwerpen-lhbti-in-migratiebeleid.pdf, 4.11.20

Zie ook beantwoording vragen Becker: https://www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/kamerstukken/2020/11/04/antwoorden-kamervragen-over-het-bericht-ind-ontdekt-fraude-met-asielzoekers/antwoorden-kamervragen-over-het-bericht-ind-ontdekt-fraude-met-asielzoekers.pdf, 4.11.20

Rb: mogelijk risico LHBTI in Guinee

De vreemdeling voert aan dat Amnesty International opmerkt dat in Guinee ‘’onnatuurlijke daden’’ nog steeds crimineel zijn, wat een klimaat van angst en intimidatie creëert. In tegenstelling tot wat de Guinese regering beweert zijn ten minste vijf mensen gearresteerd op basis van hun geaardheid.
De rechtbank stelt vast dat de staatssecretaris in het bestreden besluit ten onrechte niet is ingegaan op deze door de vreemdeling overlegde landeninformatie. De rechtbank overweegt vervolgens dat het gaat om een individuele beoordeling over de kans dat dit individu vanwege zijn homoseksuele geaardheid vervolging en/of bestraffing te wachten staat. Het ligt op de weg van de staatssecretaris te onderzoeken hoe de Guinese wetgeving in de praktijk wordt toegepast.

Beroep gegrond.
Den Bosch NL20.924, 14.9.20

Rb: terecht intrekken NLerschap vanwege verzwegen 1F-misdaden tijdens Rwanda-genocide

De IND heeft het Nederlanderschap van eiser ingetrokken, omdat eiser zijn betrokkenheid bij de genocide in Rwanda in 1994 heeft verzwegen. Volgens de IND zijn er ernstige redenen om te veronderstellen dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan misdrijven, genoemd in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de IND, door te beoordelen of er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan 1(F)-misdrijven, een juiste toetsingsmaatstaf voor intrekking van het Nederlanderschap gehanteerd.

Het individueel ambtsbericht dat aan het besluit van de IND ten grondslag ligt is zorgvuldig tot stand gekomen en de inhoud rechtvaardigt de conclusie dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan 1(F)-misdrijven. Dit betekent dat de IND op basis van het individueel ambtsbericht artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag aan eiser heeft kunnen tegenwerpen.

De intrekking van het Nederlanderschap van eiser is evenredig en de IND heeft daarom in redelijkheid gebruik kunnen maken van zijn bevoegdheid om in te trekken.

Rb Arnhem AWB 17/5886, 28.10.20
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2020:10866

Rb: Afghaanse 1F-er na 20 jr nog wel actuele bedreiging maar geen 3EVRM-risico meer, uitzetting alleen met warme overdracht naar ziekenhuis

De rechtbank is van oordeel dat door verweerder juist is beoordeeld of eisers persoonlijk gedrag een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt. Zo heeft verweerder overwogen dat eiser geen spijt heeft betuigd, geen verantwoordelijkheid heeft genomen en geen afstand heeft genomen van de gepleegde misdrijven. Ook heeft verweerder in de beoordeling betrokken welke fundamentele belangen van de samenleving door het persoonlijk gedrag van eiser worden bedreigd. Verweerder overweegt onder andere dat eiser in contact zou kunnen komen met in Nederland verblijvende slachtoffers van de door hem gepleegde misdrijven. De beroepsgrond slaagt niet....

De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt stelt dat de door verweerder destijds geconstateerde uitzettingsbeletselen niet meer gelden. Verweerder mag uitgaan van de informatie uit het algemeen ambtsbericht en van de verbeterde veiligheidssituatie zoals door de Afdeling is overwogen in de uitspraak van 18 december 2019. Ook met de verwijzing naar de informatie van VWN heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat zijn terugkeer naar Afghanistan in strijd is met artikel 3 van het EVRM. In het bestreden besluit heeft verweerder aangegeven dat, gelet op de hoge posities die eiser heeft bekleed tijdens het communistisch bewind in Afghanistan, uiterste voorzichtigheid is betracht bij de beoordeling van het risico dat eiser zou lopen in het kader van artikel 3 van het EVRM. Verweerder heeft pas aangenomen dat artikel 3 van het EVRM zich niet langer verzet tegen terugkeer na een zeer geleidelijke en uiteindelijk stabiele verbetering van de positie van (oud) communisten....

Verweerder heeft nader toegelicht dat de medische overdracht wordt geregeld door de Afdeling Bijzonder Vertrek van de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V). Voor de uitzetting zal contact worden gelegd met het ziekenhuis waar, volgens het BMA-advies, de voor eiser benodigde zorg aanwezig is, het Amiri Medical Complex in Kabul. Met dit ziekenhuis worden afspraken gemaakt over de datum en de wijze waarop de medische behandeling wordt overgedragen. DT&V gaat enkel over tot overdracht als de medische overdracht geregeld kan worden. Er bestaat geen aanleiding om op voorhand te concluderen dat eiser na aankomst in Afghanistan niet aan het ziekenhuis zal kunnen worden overgedragen voor continuering van de voor hem noodzakelijke medische behandeling.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder met de aanvullende motivering voldoende inzichtelijk heeft gemaakt hoe de fysieke overdracht mogelijk is en dat eiser enkel zal worden overgedragen als de medische overdracht kan worden geregeld. Mocht de medische overdacht niet geregeld kunnen worden, dan zal eiser dus niet worden overgedragen.

Rb Arnhem AWB 19/7802, 23.9.20
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2020:11109

Pagina's