Nieuws

Rb: geen bescherming Liberiaanse vrouwen tegen besnijdenis, uithuwelijking en misbruik

Uit de landeninformatie over Liberia blijkt dat de positie van vrouwen in Liberia problematisch is. De rechtbank wijst verder met eiseres op het Country Report 2024 over Liberia van het ECOI en het door verweerder geloofwaardig bevonden relaas van eiseres.

Eiseres heeft verklaard dat zij na het overlijden van haar ouders in het huishouden van haar oom is terechtgekomen en toen door haar oom is mishandeld. Daarnaast heeft haar oom volgens eiseres gepoogd haar te laten besnijden en haar op jonge leeftijd uit te huwelijken. Niet is gebleken dat eiseres bescherming heeft gekregen van de lokale autoriteiten voor enige van deze problemen. ….

Uit de geloofwaardig geachte verklaringen van eiseres volgt dat eiseres in het verleden als vrouw in Liberia is blootgesteld aan vervolging. … Hieruit volgt dat de bewijslast om aannemelijk te maken dat eiseres bij terugkeer naar Liberia vanwege haar gender niet meer te vrezen heeft voor vervolging of een reëel risico loopt op ernstige schade bij verweerder lijkt te liggen. Mocht verweerder tot de conclusie komen dat eiseres eerder slachtoffer is geworden van vervolging of ernstige schade, dan moet hij ingaan op de eventuele redenen om aan te nemen dat zij niet opnieuw slachtoffer zal worden. Verweerder moet concreet betrekken of eiseres bij terugkeer een alleenstaande vrouw is of opnieuw onder verantwoordelijkheid van haar oom zal vallen en, daarmee, risico loopt op een herhaling van hetgeen haar eerder is aangedaan.

De beroepsgrond slaagt.
Rb Haarlem NL25.35923, 15.12.25
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:24945

Rb: risico in Iran vanwege afvalligheid en politieke activiteiten in NL

In het geval van eiseres vindt verweerder geloofwaardig dat zij afvallig is en dat zij daar in Nederland uiting aan geeft, onder andere door geen hoofddoek te dragen en door zich openbaar uit te spreken tegen de islam. Op de vraag hoe zij haar afvalligheid in Iran zou willen uiten, heeft zij geantwoord: ‘Zoals ik bijvoorbeeld nu mijn kritiek heb geuit, dat is een. Ik heb mijn hoofddoek verwijderd, dat is twee en ik ga gewoon vrij bewegen en alcohol drinken. Dus in woorden, maar ook in daden, in de praktijk.’ Over de reden dat zij haar afvalligheid in het verleden in Iran niet uitte, heeft eiseres telkens verklaard dat zij dit niet durfde omdat zij bang was gestraft te worden. Gelet op deze verklaringen, mocht verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank niet op het standpunt stellen dat eiseres zich bij terugkeer kan conformeren door haar afvalligheid niet te uiten.

Daar komt bij dat verweerder in het bestreden besluit heeft aangenomen dat eiseres zich in Nederland politiek uit door deel te nemen aan demonstraties en door op sociale media te posten. Verweerder heeft onder meer niet betwist dat eiseres ruim 23.500 volgers heeft op Instagram en dat zij te zien is geweest op kanalen van (bekende) journalisten. Eiseres heeft daarnaast nadrukkelijk verklaard dat zij de politieke ideeën die zij buiten Iran heeft opgedaan, wil blijven delen bij terugkeer. Mede ook omdat de politieke uitingen in het geval van eiseres niet los zijn te zien van haar afvalligheid, zal verweerder nader moeten motiveren of eiseres vanwege haar politieke activiteiten, in samenhang bezien met haar afvalligheid, een risico loopt bij terugkeer.

Beroep gegrond.
Rb den Haag NL25.51627 en NL25.51628, 9.12.25
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:24408

Rb: eerdere valse identiteit tast geloofwaardigheid echt Nigeriaans paspoort aan

De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat eiser zijn identiteit, nationaliteit en herkomst met het paspoort niet (alsnog) aannemelijk heeft gemaakt. De rechtbank stelt voorop dat de conclusie van BDOC dat de echtheid van het document positief is beoordeeld, niet betekent dat het ook gaat om een authentiek paspoort. Verder heeft de minister er terecht op gewezen dat eiser in de eerdere asielprocedure de Liberiaanse nationaliteit heeft opgegeven. Daarbij heeft hij ook valse documenten overgelegd. Hoewel eiser een echt paspoort heeft overgelegd, is dus geen sprake van een weerlegbaar bewijsvermoeden (waarbij het aan de minister is om nader onderzoek te doen als hij voorbij wil gaan aan het paspoort).

De minister mocht voor zijn standpunt ook van belang vinden dat uit het ambtsbericht blijkt dat Nigeriaanse documenten fraudegevoelig zijn. Verder kan de rechtbank volgen dat eisers verklaring in het nader gehoor van 2 augustus 2024 dat het paspoort nog niet in zijn bezit is, tegenstrijdig is met dat het paspoort de afgiftedatum 12 april 2024 heeft. ...  De rechtbank acht verder van belang dat eiser geen enkel steunbewijs heeft overgelegd voor de aanvraag en afgifte van zijn paspoort bij de ambassade in Den Haag.

De beroepsgrond slaagt niet.
Rb Utrecht NL25.23911, 11.11.25
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:24743

RvS: verklaring gemachtigde geen oplossing voor asielzoeker die niet gehoord kan worden

In gevallen waarin een vreemdeling blijvend niet kan worden gehoord, moet de minister alle redelijke inspanningen kenbaar hebben verricht die in het gegeven geval gevraagd kunnen worden om de asielmotieven van die vreemdeling en de voor de beoordeling daarvan relevante gegevens op een alternatieve wijze te achterhalen.

Appellant klaagt terecht dat de minister niet mocht tegenwerpen dat het relaas in Italië niet overeenkomt met zijn verklaringen in Nederland en het relaas dat zijn gemachtigde op schrift heeft gesteld. Uit het dossier is namelijk niet gebleken op welke wijze de verklaringen die hij heeft afgelegd in Nederland, zijn beïnvloed door zijn psychiatrische problemen. Daarnaast heeft de minister onvoldoende onderkend dat de gemachtigde stelt dat zij ook geen coherent en consistent verhaal aan appellant kan onttrekken. Verder is niet gebleken of de psychische problemen waarmee appellant in Nederland bekend is, ook al in Italië speelden, en zo ja, of de Italiaanse autoriteiten daarmee bekend waren en of zij daarmee rekening hebben gehouden bij het horen en beslissen.

De minister had, met inachtneming van de medische situatie van appellant en zijn onvermogen zijn relaas toe te lichten en zijn aanvraag met stukken te onderbouwen, onderzoek moeten doen naar andere, passende vormen van informatievergaring. Zij had bijvoorbeeld het Bureau Medische Advisering kunnen inschakelen om samen met appellant de asielmotieven en de voor de beoordeling daarvan relevante gegevens te achterhalen.

Het hoger beroep tegen Rb Haarlem NL22.26521, 6.12.23 is gegrond.

RvS 202400024/1/V3, 29.12.25
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2025:6308

Rb: NLse asielprocedure loopt door als Dublinclaimant zelf naar Dublinland gaat

Tussen partijen is niet in geschil dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken, en dat hij zijn vertrek naar Spanje niet heeft gemeld. Er waren geen aanknopingspunten op grond waarvan de minister Eurodac had moeten raadplegen en/of informatie had moeten opvragen bij Spanje en andere EU-lidstaten. Daarvoor bestond ook geen rechtsgrond. ... Verder is voor het overgaan van de verantwoordelijkheid op Nederland door het verstrijken van de overdrachtstermijn niet vereist dat eiser zich nog in Nederland bevindt.

Verder blijkt uit de stukken die eiser in beroep heeft overgelegd ook niet dat de verantwoordelijkheid is overgegaan op Spanje. Eiser heeft zijn vertrek namelijk niet gemeld. Er is daarmee geen sprake van een zelfstandig vertrek (wat gelijk staat aan een overdracht) in het kader van de Dublinverordening. Verder blijkt uit de stukken die eiser heeft overgelegd uitsluitend dat hij in Spanje een asielaanvraag heeft ingediend. Daaruit blijkt niet dat Spanje de aanvraag ook in behandeling heeft genomen en de verantwoordelijkheid heeft aanvaard. … Het betoog van eiser dat Spanje verantwoordelijk is geworden omdat hij in dat land een verblijfstitel heeft, slaagt daarom niet.

Het voorgaande betekent dat de minister op de asielaanvraag van eiser mocht beslissen, en deze aanvraag terecht buiten behandeling heeft gesteld. Dat betekent ook dat de minister in beginsel gehouden was om een terugkeerbesluit en inreisverbod op te leggen.

Rb Utrecht NL25.27301, 17.10.25
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:24756

PICUM: Geen verplichting tot veilige aangifte in de nieuwe EU-Victims Directive

On 10th December, the European Parliament and the EU Council reached an agreement on the revision of the Victims’ Rights Directive, the EU’s law setting minimum protection and redress standards for victims of crime.  

The leaked draft shows that EU lawmakers agreed on a text that fails to protect undocumented victims from detention and deportation should they report abuse or violence to police.

The Directive requires that victims should not be ‘discouraged’ from reporting and that their rights under the Directive must not be obstructed, yet it leaves it entirely to member states to decide whether to introduce concrete safeguards, such as guarantees that no personal data of undocumented migrant victims would be shared between police and immigration enforcement officials (e.g. “firewalls”). In practice, this means there will be no EU-wide guarantee of safe reporting mechanisms.

The text clarifies that member states can issue special residence permits for undocumented victims, but they are not required to do so. Only access to secure and autonomous residence status can ensure that victims can report crimes and seek redress without fear.  

https://picum.org/blog/deportation-over-justice-eu-deal-offers-no-safe-reporting-for-undocumented-victims-of-crime/, 11.12.25

Rb: vovo voor rechtmatig verblijf tijdens Chavez-procedure over veronderstelde schijnerkenning

Verzoekster heeft op 26 juni 2023 een aanvraag ingediend voor een Chavez-vergunning. Verweerder is ervan uitgegaan dat de erkenning enkel vanwege vreemdelingenrechtelijk voordeel is gedaan, en de aanvraag van verzoekster afgewezen. In bezwaar heeft verweerder zijn standpunt gehandhaafd.

Uit de overgelegde informatie blijkt dat verzoekster met haar zoon verblijft in een noodopvanglocatie van Stichting Binnenslapers in Rotterdam. Zij werkt bij CSU. Zowel haar dienstbetrekking als de noodopvang zal beëindigd worden als verzoekster geen rechtmatig verblijf meer heeft.

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter valt niet op voorhand uit te sluiten dat het beroep van verzoekster tegen het bestreden besluit een redelijke kans van slagen heeft. Mede gelet op de omstandigheid dat verzoekster niet kan opkomen tegen de terugmelding van verweerder aan het college, is de voorzieningenrechter van oordeel dat vooralsnog uitgegaan dient te worden van de Nederlandse nationaliteit van haar zoon en dat het beroep van verzoekster een redelijke kans van slagen niet op voorhand kan worden ontzegd.

De voorzieningenrechter zal een belangenafweging maken tussen de belangen van verzoekster bij toewijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening en de belangen van verweerder bij afwijzing van dat verzoek. ….

De belangen van verzoekster bij toewijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening zijn naar het oordeel van de voorzieningenrechter zonder meer zwaarwegend. Het niet treffen van de voorziening kan mogelijk leiden tot een voor verzoekster (en haar minderjarige zoon) zeer ingrijpende situatie. De belangen van verweerder zijn gelegen in het beroep op de openbare orde. Deze algemene belangen wegen echter, naar het oordeel van de voorzieningenrechter, op dit moment minder zwaar dan de concrete belangen van verzoekster. Verder vindt de voorzieningenrechter van belang dat de te treffen voorziening tijdelijk van aard is, zodat geen sprake is van een blijvende inbreuk op de belangen van verweerder.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit is geschorst tot de uitspraak op het beroep.
Rb Rotterdam NL25.58452, 10.12.25
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:23937

Rb: gevolgen LP-aanvraag tijdens lopende asielprocedure beoordelen in nieuwe asielprocedure

De Afdeling heeft op 19 november 2025 uitspraak gedaan over de vraag of verweerder hangende het beroep in het kader van een aanvraag om internationale bescherming, ten behoeve van een lp-aanvraag, persoonsgegevens van een vreemdeling mag verstrekken aan de autoriteiten van zijn vermoedelijke land van herkomst. Volgens de Afdeling mag verweerder wel alvast een aanvraag indienen voor een lp, als hij daarbij maar wel de benodigde waarborgen in acht neemt. Zo moet hij altijd een vreemdeling in de gelegenheid stellen om samen de aanvraagformulieren voor een lp in te vullen, te ondertekenen en te controleren. Het indienen van een lp-aanvraag zonder de vreemdeling hierbij te betrekken, is mogelijk in strijd met het beginsel van non-refoulement en met het beginsel van de doeltreffendheid van het rechtsmiddel beroep.

Eiser en zijn gemachtigde zijn pas door middel van de aanbiedingsbrief van verweerder aan de rechtbank in onderhavige procedure op de hoogte geraakt van het feit dat verweerder tijdens de asielprocedure van eiser in 2024 een lp-aanvraag heeft gedaan. Zij zijn daar beiden niet bij betrokken geweest. Hiermee heeft verweerder mogelijk gehandeld in strijd met het beginsel van non-refoulement en met het beginsel van de doeltreffendheid van het rechtsmiddel beroep.

Echter, of hiervan sprake is, ligt niet voor aan de bewaringsrechter. Verweerder zal eventueel in een nieuwe asielprocedure moeten beoordelen welke gevolgen dit heeft voor de beoordeling van die eventueel nieuwe asielaanvraag van eiser.

Rb Middelburg NL25.59728, 19.12.25
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:24553

RvS: altijd non-refoulementscheck nodig bij dreigende uitzetting

De Afdeling wijst allereerst op haar uitspraak van 2 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4178, waarin zij in het algemeen is ingegaan op de betekenis van het arrest Ararat en de verplichtingen die daaruit volgen voor de minister, de rechtbank en de Afdeling. De Afdeling heeft zich in die uitspraak echter niet uitgelaten over de situatie dat de minister een terugkeerbesluit neemt terwijl een vreemdeling niet eerder een asielprocedure heeft doorlopen. Het standpunt van de minister roept de vraag op of zij in dat geval ook een refoulementbeoordeling moet maken.

Anders dan de minister betoogt in haar nadere schriftelijke inlichtingen, is de verplichting om een refoulementbeoordeling te maken niet beperkt tot de gevallen waarin een vreemdeling eerder een asielprocedure heeft doorlopen. Van een vreemdeling mag bovendien niet verlangd worden dat hij of zij een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd indient om de volledige eerbiediging van het beginsel van non-refoulement tot gelding te laten komen.

Gelet hierop, had de minister bij de vaststelling van het terugkeerbesluit moeten motiveren dat zij zich ervan heeft vergewist dat betrokkene bij terugkeer naar Colombia geen reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 4 van het EU Handvest.

Het beroep tegen Rb Amsterdam NL23.39803, 8.1.25 is gegrond.
RvS 202500731/1/V3, 18.12.25
ECLI:NL:RVS:2025:6114

RvS: buitenschuld veroordeelde Vietnamees, tijdsverloop en belangenafweging

Op 13 januari 2017 heeft de minister de verblijfsvergunning regulier onbepaalde tijd met terugwerkende kracht tot 1979 ingetrokken, omdat de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde. Op 14 juni 2022 heeft de DT&V het zwaarwegende advies gegeven dat betrokkene buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken en de minister verzocht om over te gaan tot verlening van een buitenschuld-vergunning. De minister heeft de aanvraag afgewezen, omdat zij betrokkene als een gevaar voor de openbare orde beschouwt. Betrokkene is namelijk onherroepelijk veroordeeld voor meerdere misdrijven.

De Afdeling overweegt als volgt. De minister mocht zich in beginsel op het standpunt stellen dat de door betrokkene gepleegde misdrijven reden blijven voor de afwijzing van de aanvraag, ondanks het tijdsverloop. De rechtbank heeft wel terecht overwogen dat de minister niet heeft mogen volstaan met een verwijzing naar haar beleidsregel. Uit de uitspraken van 14 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4652 en 26 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2384, volgt namelijk dat een bestuursorgaan bij het nemen van een besluit op grond van een discretionaire bevoegdheid die is ingevuld met beleidsregels, moet nagaan of de toepassing van het beleid voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot met de beleidsregels te dienen doelen. De minister moet dus beoordelen of het tijdsverloop sinds de veroordelingen aanleiding geeft om af te wijken van de beleidsregels in paragraaf B1/4.4 Vc. Deze beoordeling ontbreekt.

Ook de tweede grief slaagt niet. De minister dient bij de toepassing van beleid de evenredigheid in het concrete geval te beoordelen. De minister heeft ten onrechte het DT&V-advies niet aangemerkt als een bijzondere omstandigheid. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom in de evenredigheidsbeoordeling geen betekenis is toegekend aan het gegeven dat betrokkene niet kan terugkeren naar Vietnam en in Nederland zal blijven verblijven. Verder heeft de rechtbank terecht overwogen dat de minister niet voldoende is ingegaan op de gevolgen van het feit dat betrokkene Nederland niet kan verlaten, noch op de vraag in hoeverre het belang van de openbare orde daadwerkelijk is gediend met het weigeren van een verblijfsvergunning aan een vreemdeling die daardoor zonder werk en zonder aanspraak op voorzieningen illegaal in Nederland moet verblijven. De Afdeling wijst er ook op dat de minister niet voldoende is ingegaan op het langdurig, grotendeels rechtmatig, verblijf van betrokkene in Nederland en het tijdsverloop van meerdere jaren sinds de laatste veroordeling.

Hoger beroep tegen Rb Utrecht NL23.16873, 11.7.24 ongegrond. 
ABRvS 202404753/1, 16.12.25
ECLI:NL:RVS:2025:6063

Pagina's