Nieuws

Informatiebericht 2022/81 Inreisverbod aan derdelander met verblijfsrecht in een andere lidstaat

In dit IB wordt toegelicht wanneer een inreisverbod en wanneer een ongewenstverklaring wordt opgelegd aan derdelanders die verblijfsrecht hebben in een andere lidstaat en zich in Nederland bevinden, n.a.v. ABRvS 26 januari 2018 en 31 januari 2018. Daarnaast wordt in dit IB toegelicht hoe de consultatieprocedure werkt.

IB 2022/81, 2.9.22
https://puc.overheid.nl/ind/doc/PUC_1293861_1/1/

RvS: meerdere landen in terugkeerbesluit kan wel

De staatssecretaris heeft afgezien een land van terugkeer in het terugkeerbesluit te vermelden omdat hij de verklaringen van de vreemdeling over haar identiteit, herkomst en nationaliteit ongeloofwaardig heeft geacht. Dit betekent volgens de staatssecretaris niet dat zij in onzekerheid verkeert, omdat zij zelf wel weet om welk land het gaat.

De Afdeling overweegt als volgt. In de Afdelingsuitspraak van 2 juni 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:1155) is overwogen dat elk terugkeerbesluit een of meer landen van terugkeer moet vermelden. Wanneer de vreemdeling met verschillende derde landen banden heeft of aliassen heeft gebruikt, dan kunnen in het terugkeerbesluit meer landen van terugkeer worden aangewezen. In de onderhavige procedure is niet gebleken dat het noemen van een of meer landen, in dit geval Kenia en/of Tanzania, niet mogelijk was.

De rechtbank heeft in dit geval alleen geoordeeld dat de staatssecretaris moet onderzoeken welk land hij als terugkeerland kan aanwijzen, zonder de omvang van die onderzoeksplicht verder te specificeren. Omdat in deze zaak uit het onderzoek in de asielprocedure al blijkt welke landen als terugkeerlanden in aanmerking komen, hoeft de staatssecretaris slechts te bezien welk land of welke landen hij als terugkeerlanden in het terugkeerbesluit gaat opnemen. De rechtbank heeft dus terecht geoordeeld dat de staatssecretaris moet onderzoeken welk(e) land(en) hij als terugkeerland gaat aanwijzen.

Hoger beroep tegen Rb Haarlem NL21.19246, 18.1.22 ongegrond.
ABRvS 202200540/1, 29.8.22
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2022:2506

HvJ EU: Chavez-status niet tijdelijk

Een Ghanese vrouw met een verblijfsrecht in Nederland op grond van artikel 20 VWEU heeft een verzoek gedaan om verblijf langdurig ingezetenen. Haar zoon (2002) heeft de Nederlandse nationaliteit. De staatssecretaris heeft het verzoek afgewezen, omdat verzoeksters verblijf op basis van artikel 20 VWEU tijdelijk van aard is, waardoor ze niet in aanmerking komt voor de gevraagde verblijfsvergunning. Het bezwaar is ongegrond verklaard. De rechtbank Amsterdam heeft de volgende vragen gesteld aan het Hof:

Het Hof heeft de vragen als volgt beantwoord. 

De eerste vraag gaat over of het een aangelegenheid van de lidstaten is om te bepalen of het verblijfsrecht op grond van artikel 20 VWEU tijdelijk van aard is. Het Hof overweegt dat deze bepaling binnen de werkingssfeer van de richtlijn valt, waardoor het begrip ‘uitsluitend om redenen van tijdelijke aard’ op het grondgebied van alle lidstaten uniform moet worden uitgelegd.

Vervolgens is de vraag gesteld of ‘uitsluitend om redenen van tijdelijke aard’ het verblijf ogv artikel 20 VWEU omvat van een derdelander. Van belang is of het verblijf van het begin af van korte duur was bedoeld. Het Hof overweegt dat het verblijf van derdelanders op het grondgebied van een lidstaat op grond van artikel 20 VWEU niet dat objectieve kenmerk vertoont. Uit de rechtspraak van het Hof blijkt namelijk dat bij de erkenning van verblijf ogv van 20 VWEU er onder andere gekeken moet worden naar de intensiteit van de afhankelijkheidsverhouding tussen derdelander en gezinslid. In geval van een vastgestelde afhankelijkheid, moet de Unieburger daadwerkelijk kunnen genieten van de aan zijn status ontleende rechten zolang de afhankelijkheidsrelatie met de derdelander voortduurt. Deze afhankelijkheidsverhouding is in beginsel niet van korte duur. In die omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat het verblijf op grond van artikel 20 VWEU van een derdelander op het grondgebied van een lidstaat een verblijf ‘uitsluitend om redenen van tijdelijke aard’ vormt.

HvJEU (Grote Kamer) C-624/20, 7.9.22
ECLI:EU:C:2022:639
https://curia.europa.eu/juris/liste.jsf?num=C-624/20

IB 2022/80: more than normal emotional ties

De Afdeling heeft op 13 juli 2022 geoordeeld dat er bij 8 EVRM-aanvragen altijd een belangenafweging moet plaatsvinden, ongeacht of er sprake is van familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM. De vaststelling of familie- of gezinsleven ex art. 8 EVRM bestaat, beïnvloedt de belangenafweging.

Dit informatiebericht geeft aan hoe te handelen in zaken waarbij getoetst moet worden of sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie.

IND Informatiebericht 2022/80 , 26.8.22
https://puc.overheid.nl/ind/doc/PUC_1293784_1/1/

Rb: onderzoek politieke overtuiging koerdische dienstweigeraar nodig

De vreemdeling legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij is gevlucht vanwege de dienstplicht. De staatssecretaris acht dit geloofwaardig, maar stelt dat de vreemdeling niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning.

De rechtbank overweegt als volgt. Niet is aannemelijk geworden dat de vreemdeling gegronde vrees heeft voor een onevenredige of discriminatoire bestraffing, tenuitvoerlegging van de straf, of een andere discriminatoire behandeling vanwege de dienstweigering op grond van zijn Koerdische etniciteit. Uit het Thematisch Ambtsbericht Dienstplicht Turkije van 11 juli 2019 blijkt dat Koerdische dienstplichtigen een zware ontgroening en marteling ondergaan, maar de vreemdeling heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit voldoende ernstig is dat gesproken kan worden van vervolging. Echter heeft de staatssecretaris onvoldoende onderzocht of er sprake is van gegronde vrees voor onevenredige of discriminatoire behandeling op grond van een politieke overtuiging, nu uit het Algemeen Ambtsbericht Turkije van maart 2021 blijkt dat dienstplichtweigeraars onevenredig of discriminatoir bestraft kunnen worden indien zij hun dienstweigering koppelen aan politieke motieven of familieleden hebben die bekend staan als PKK’ers. Uit verklaringen en overgelegde documenten blijkt dat veel familieleden zijn betrokken bij de HDP en de opa van de vreemdeling verdacht werd van het helpen van de PKK en is gearresteerd. Gezien de actieve onderzoeksplicht van de staatssecretaris had het op zijn weg gelegen om aanvullende vragen over de betrokkenheid van de vreemdeling en zijn familie bij een Koerdische stichting te stellen, net als over aan wat voor activiteiten de vreemdeling heeft meegedaan en of het gaat om activiteiten in Nederland of ook in Turkije, zeker nu een politieke overtuiging en het deelnemen aan demonstraties voor een Koerdische stichting relevant is.

Ook is onvoldoende onderzocht of er sprake is van gewetensbezwaren op grond van een andere diepgewortelde overtuiging die heeft geleid tot de dienstweigering en of gewetensbezwaren in Turkije erkend worden en of er niet-militair alternatief is voor de militaire dienstplicht. De staatssecretaris heeft daarom gehandeld in strijd met zijn onderzoeksplicht.

Beroep gegrond.
Rb Den Bosch, NL21.12451, 25.8.22

SvJ&V : landenbeleid Iran

Zowel slachtoffers van eergerelateerd geweld als LHBTI’s kunnen geen effectieve bescherming inroepen van de autoriteiten. Voor de eerste categorie geldt dat de mogelijkheid bestaat om tot vervolging van de dader over te gaan, maar dat dit in de praktijk meestal tot niets leidt. De tweede groep krijgt geen steun of bescherming bij problemen met medeburgers. Ook zijn er gevallen bekend van afpersing. Om deze redenen wordt voor slachtoffers van eergerelateerd en seksueel geweld en voor LHBTI’s aangenomen dat zij geen bescherming kunnen verkrijgen van de autoriteiten.

In Iran is het zo dat minderjarigen die niet langer opvang hebben bij de ouders in beginsel worden opgevangen door directe familieleden. Indien er echter geen familieleden beschikbaar zijn, kan opvang worden gerealiseerd door de State Welfare Organization. Gelet op het feit dat er zowel publieke als particuliere opvangfaciliteiten bestaan in Iran die onder toezicht of beheer staan van de overheid en die naar lokale maatstaven als aanvaardbaar kunnen worden aangemerkt is ervoor gekozen om in het beleid aan te nemen dat er in algemene zin sprake is van adequate opvang in Iran.

TK 19637, 2959, 29.8.22
https://open.overheid.nl/repository/ronl-ef72233fc0d56f0c52870b62f7c7d2d0ed662948/1/pdf/tk-landenbeleid-iran.pdf

Rb: risico bij terugkeer door niet-betaalde diasporabelasting Eritrea

De rechtbank gaat er vanuit dat de vreemdeling legaal het land is uitgereisd. Uit het AA van februari 2017 en het overgelegde document van de State Secreteriat for Migration volgt dat terugkeren op ieder moment mogelijk is, ongeacht de datum van uitgifte van een uitreisvisum.

Van belang is dat de vreemdeling tijdens zijn verblijf in Nederland geen diasporabelasting heeft betaald en hij bij terugkeer ook niet bereid is dit te doen. De staatssecretaris had meer onderzoek moeten doen nu uit het AA van mei 2022 blijkt dat terugkerende Eritreeërs op de luchthaven worden gescreend en geprofileerd en er wordt gekeken of de diasporabelasting is betaald. Er kunnen ondervragingen worden gedaan waarbij ook sprake kan zijn van mishandeling, marteling en gedwongen verdwijning, blijkt uit een vertrouwelijke bron. De staatssecretaris heeft verder gezien het feit dat het paspoort van de vreemdeling bij de Eritrese ambassade ligt en de autoriteiten dus op de hoogte zijn van zijn asielaanvraag, onvoldoende gemotiveerd dat dit geen problemen zal opleveren en dat de vreemdeling hierdoor niet, ook nadat de luchthaven is verlaten, aan ondervraging wordt onderworpen.

man: Rb Utrecht, NL22.12119, 18.8.22
vrouw: Rb Utrecht, NL22.12121, 18.8.22

SvJ&V: landenbeleid Eritrea

Uit het ambtsbericht kan worden opgemaakt dat voor alle Eritreeërs geldt dat de autoriteiten niet functioneren met een beschermende taak, maar op allerlei manieren en op inconsistente wijze een bron van dreiging vormen. In Eritrea is daarnaast voor de hele bevolking geen sprake van binnenlandse bewegingsvrijheid. Daarom zal in het beleid worden opgenomen dat in Eritrea geen binnenlands beschermingsalternatief mogelijk is en dat bescherming door de autoriteiten in Eritrea niet aan de orde is.

De Afdeling heeft geoordeeld dat Eritreeërs die het militaire onderdeel van de nationale dienstplicht moeten vervullen een reëel risico lopen op een schending van art. 3 EVRM. Dit zal dan ook in het beleid worden opgenomen.

Voor alleenstaande minderjarigen zal worden opgenomen dat sprake is van opvangvoorzieningen waarvoor de autoriteiten zorg dragen, maar dat niet vast staat dat deze opvang in het algemeen toereikend is. In een voorkomend geval kan – na onderzoek – worden vastgesteld dat adequate opvang beschikbaar is en kan worden gerealiseerd.

TK 19637, 2960, 1.9.22
https://www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/kamerstukken/2022/09/01/tk-landenbeleid-eritrea/tk-landenbeleid-eritrea.pdf

Rb: ondanks twee huwelijken toch geloofwaardigheid homosexualiteit beoordelen

De rechtbank overweegt dat verweerder niet deugdelijk gemotiveerd heeft dat eiser onvoldoende verklaard heeft over waarom hij tweemaal in het huwelijk is getreden met een vrouw. Zo heeft eiser verklaard dat hij is getrouwd omdat hij zijn geaardheid wilde camoufleren, omdat het zou opvallen als hij lang ongetrouwd zou blijven maar wel veel met [B] zou blijven omgaan. Verder heeft hij verklaard dat hij een kinderwens had en dat hij wilde dat zijn tweede vrouw voor zijn moeder zou zorgen. De rechtbank overweegt verder dat verweerder niet voldoende gemotiveerd heeft dat het niet aannemelijk is dat eiser voor de tweede keer in het huwelijk zou treden omdat hij zijn tweede vrouw voor zijn moeder wilde laten zorgen. De rechtbank betrekt daarbij het betoog van eiser dat hij geen hulp van zorgmedewerkers zou kunnen hebben ingeschakeld, omdat het moeilijk is om ouderenzorg in Egypte te krijgen.

Reeds gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het besluit niet deugdelijk gemotiveerd is, voor zover de homoseksuele geaardheid van eiser ongeloofwaardig is geacht. Het beroep is daarom gegrond.

Rb den Haag NL21.18970, 25.7.22
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:8699

Rb: iMMO vergoeding ook in hasa

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie, waaronder de uitspraken LH en XY, dat de samenwerkingsverplichting in asielzaken niet alleen tijdens de eerste asielprocedure geldt, maar ook tijdens de asielprocedures in opvolgende aanvragen. De werkwijze van verweerder dat in beginsel enkel in de eerste asielprocedure wordt overgegaan tot vergoeding van de kosten van een iMMO-onderzoek is met dit uitgangspunt in strijd. Het beroep is daarom gegrond.

De rechtbank zal verweerder veroordelen tot vergoeding van de door eiseres gemaakte kosten van het iMMO-onderzoek en de opgestelde iMMO-rapportage tot een bedrag van € 3675,-.

Rb den Haag NL22.6117, 19.7.22
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:8705

Pagina's