Nieuws

Rb: Soedan mogelijk niet veilig voor Zuid-Soedanees ondanks 20jr verblijf en gezin daar

De asielaanvraag van de vreemdeling is niet-ontvankelijk verklaard omdat Sudan als veilig derde land wordt aangemerkt. De vreemdeling stelt dat hij in Sudan wordt gediscrimineerd en dat hij niet tot het land zal worden toegelaten.

De rechtbank overweegt als volgt. De staatssecretaris is er niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat de vreemdeling zal worden toegelaten tot Sudan. Uit zijn verklaringen blijkt dat hij daar twintig jaar heeft gewoond, gestudeerd en gewerkt, dat zijn gezin daar woont, en dat hij legaal is uitgereisd. Dit is echter onvoldoende om te concluderen dat hij ook kan terugkeren. Het is niet duidelijk wat de verblijfsrechtelijke posities van de vreemdeling en zijn gezin in Sudan waren omdat de staatssecretaris daar niet naar heeft gevraagd. Dat vreemdeling Sudan legaal heeft kunnen uitreizen kwam door zijn Zuid-Sudanese paspoort. Waarom dit voldoende is om wederom toegang te krijgen tot Sudan, wordt door de staatssecretaris niet aangegeven.

De staatssecretaris heeft aan de vreemdeling één vraag gesteld over de gevolgen van een mogelijke terugkeer. Hiermee is onvoldoende vastgesteld wat terugkeer voor hem betekent. De staatssecretaris heeft niet doorgevraagd over discriminatie die de vreemdeling stelt te hebben ondervonden in Sudan vanwege zijn etnische afkomst, religie, geloofsovertuiging of persoonlijke levenswijze, en nationaliteit.

Beroep gegrond.
Rb Den Bosch, NL22.21552, 22.12.22

Rb: Irakees met ingetrokken Belgische vluchtelingenstatus vanwege strafblad, behoudt vluchtelingschap

De rechtbank merkt op dat uit het arrest M, X en X14 volgt dat een lidstaat de vluchtelingenstatus en de verblijfstitel van een vreemdeling kan intrekken, maar dat de vreemdeling de hoedanigheid van vluchteling in die lidstaat behoudt, mits de vreemdeling aan de materiële voorwaarden van de vluchtelingendefinitie blijft voldoen.

Naar het oordeel van de rechtbank is weliswaar de vluchtelingenstatus en verblijfstitel van eiser (definitief) ingetrokken door de Belgische autoriteiten vanwege openbare orde-aspecten, maar heeft eiser de hoedanigheid van vluchteling daar behouden. In de beslissing hebben de Belgische autoriteiten gesteld dat eiser niet kan worden teruggeleid naar Irak. Naar het oordeel van de rechtbank volgt hieruit dat de Belgische autoriteiten van oordeel zijn dat eiser nog altijd voldoet aan de materiële voorwaarden van de vluchtelingendefinitie en daarom zijn hoedanigheid als vluchteling heeft behouden.

Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat verweerder op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel van eisers hoedanigheid van vluchteling in België had moeten uitgaan en dat – als hij daarvan wilde afwijken – hij dat nader had moeten motiveren. De rechtbank concludeert dan ook dat sprake is van een motiveringsgebrek.

Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat verweerder de inhoud van het asieldossier van de andere lidstaat kenbaar moet betrekken bij zijn (her)beoordeling van het asielverzoek van de vreemdeling. Aangezien eiser in beroep zijn Belgische asieldossier heeft overgelegd, is de rechtbank van oordeel dat verweerder dit dossier alsnog kenbaar bij zijn besluit op eisers asielverzoek in Nederland had moeten betrekken en nader onderzoek had moeten verrichten naar de eerdere toekenning van de vluchtelingenstatus aan eiser en het risico op refoulement dat in België nog steeds wordt aangenomen. Nu verweerder dat heeft nagelaten, is de rechtbank van oordeel dat ook hierom sprake is van een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek.

Beroep gegrond.
Rb Zwolle NL22.4147, 21.12.22
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:14554

RvS: minuut opvragen via WOO

De Afdeling merkt ten overvloede het volgende op. De vreemdeling heeft de Afdeling verzocht de staatssecretaris op te dragen de zogenoemde minuut die een rol heeft gespeeld bij de totstandkoming van het besluit van 7 december 2021 aan hem te verstrekken. Voor zover de vreemdeling het verzoek om de minuut doet om inzage in de daarin opgenomen juridische analyse te verkrijgen, kan hij daarover een verzoek op grond van de Wet open overheid bij de staatssecretaris indienen.

RvS 202203582/1/V1, 9.1.23
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2023:37

HvJ EU: politieke overtuiging moet breed uitgelegd worden, ook slachtoffers van corrupte rechtspraak

The case concerned a third country national (TCN), who applied for international protection on the basis of criminal proceedings in his country of origin. The Department of Migration rejected his application and held that although his claim was plausible, it did not correspond to a ground under the Geneva Convention including the concept of ‘political opinion’.

The Court firstly emphasised that the notion of “political opinion” should be interpreted broadly. Referring to UNHCR's Handbook it deduced that the guiding principles suggested a broad understanding of the concept of “political opinion” including any opinion or issue involving the State apparatus, the government, society or a policy.

The Court subsequently focused on Article 11 of the Charter (the right to freedom of opinion and expression) and its interpretation in light of Article 10 of the European Convention for the Protection of Human Rights and the ECtHR’s case-law. The concept of “political opinion” is therefore covering a situation where an idea or belief, not of a directly political nature, is perceived by actors of persecution as being related to them or their policies or methods and as reflecting opposition or resistance to them.

Consequently, the Court concluded that Article 10(1)(e) and (2) of Directive 2011/95 must be interpreted as meaning that the concept of ‘political opinion’ includes attempts by an applicant for international protection, to defend his personal material and economic interests by legal means against non-State actors acting illegally, where those actors, on account of their connections with the State via corruption, are in a position to exploit, to the applicant’s detriment, the mechanism by which that State imposes penalties for criminal offences, in so far as those attempts are perceived by the actors of persecution as opposition or resistance as part of a matter related to those actors or their policies and/or methods.

HvJ EU P.I. v. Migracijos departamentas prie Lietuvos Respublikos vidaus reikalu ministerijos (C-280/21), 12.1.23
https://curia.europa.eu/juris/liste.jsf?num=C-280/21

Rb: verzet tegen overdracht is geen onderduiken

De vreemdeling is naar Schiphol gebracht voor zijn overdracht, maar de overdracht is, door zijn verzet,  niet doorgegaan. Daarna is hij naar Ter Apel gebracht om zich daar opnieuw te melden voor zijn asielaanvraag. De staatssecretaris beschouwt dit als onderduiken en verlengt de overdrachtstermijn.

De rechtbank oordeelt dat het beleid van de staatssecretaris niet in lijn is met het arrest Jawo. In het arrest Jawo staat juist dat voor onderduiken is vereist dat een vreemdeling doelbewust buiten het bereik van de autoriteiten blijft. Hiervan is in het onderhavige geval geen sprake. De vreemdeling is naar Schiphol gebracht om overgedragen te worden, daarna is hij ook naar Ter Apel gebracht om zich daar te melden. Dat de vreemdeling zich zou hebben verzet tegen de overdracht, is onvoldoende om aan te nemen dat hij is ondergedoken.

Beroep gegrond.
Rb Utrecht, NL22.22902, 21.12.22

HvJ EU: overdrachtstermijn bij 3 betrokken landen

Wanneer een termijn voor de overdracht van een betrokkene is beginnen te lopen tussen een aangezochte lidstaat en een eerste verzoekende lidstaat, gaat de verantwoordelijkheid door het verstrijken van deze termijn over op deze verzoekende lidstaat, ook al heeft die derdelander ondertussen in een derde lidstaat een nieuw verzoek ingediend dat heeft geleid tot de aanvaarding door de aangezochte lidstaat van een door deze derde lidstaat ingediend terugnameverzoek, voor zover deze verantwoordelijkheid niet is overgegaan op die derde lidstaat omdat een van de overdrachtstermijnen is verstreken. Na die overdracht van verantwoordelijkheid kan de lidstaat waar deze persoon zich ophoudt niet overgaan tot overdracht van deze persoon aan een andere lidstaat dan de verantwoordelijke, maar kan hij wel een terugnameverzoek bij deze laatste lidstaat indienen.

Een betrokkene die achtereenvolgens in drie lidstaten een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend, moet in de derde lidstaat kunnen beschikken voer een daadwerkelijk en snel rechtsmiddel dat hem in staat stelt zich te beroepen op het feit dat de verantwoordelijkheid op de tweede van die lidstaten is overgegaan omdat de overdrachtstermijn is verstreken.

Hof van Justitie C-323/21, C-324/21 en C-325/21, 12.1.22
https://curia.europa.eu/juris/liste.jsf?num=C-325/21

Rb: geen Dublin-overdracht Italië want opvangstop

Uit de Circular Letter en de daarna gevoerde gesprekken op (Europees) politiek niveau is op te maken dat overdrachten aan Italië op dit moment niet kunnen worden uitgevoerd omdat opvangfaciliteiten ontbreken. De overdrachten zijn in ieder geval opgeschort tot 9 januari 2023, op welk moment de Italiaanse autoriteiten zouden bezien of overdrachten weer hervat kunnen worden. Enig inzicht in de concrete problemen en de termijn waarbinnen de Italiaanse autoriteiten verwachten de problemen te kunnen oplossen ontbreekt.

Op lidstaten rust in het algemeen de plicht om asielzoekers opvang te bieden. Na overdracht aan Italië moet het voor verzoeker dus mogelijk zijn om daar opvang te krijgen. Gezien de Circular Letter kan ervan uit worden gegaan dat die opvang nu niet beschikbaar is. Daarmee heeft verzoeker concrete aanknopingspunten aangereikt om aan te nemen dat in Italië na overdracht sprake zou zijn van systeemfouten die kunnen resulteren in een behandeling die strijdig is met artikel 4 van het Handvest.

Rb den Bosch NL23.524, 9.1.23
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2023:139

CRvB: afstemming bijstand bij inwonende ongedocumenteerde partner en NLs kind

De echtgenote van appellant is in de te beoordelen periode terecht aangemerkt als niet-rechthebbende partner. Dit brengt mee dat het college de bijstand van appellant op grond van artikel 24 van de PW terecht heeft verlaagd tot 50% van de op dat moment geldende gehuwdennorm.

In hoger beroep ligt alleen nog de vraag voor of het college de bijstand op een hoger bedrag had moeten afstemmen. Volgens appellant heeft het college de bijstand ten onrechte verlaagd, omdat hij in de te beoordelen periode onvoldoende inkomen had om in het levensonderhoud te voorzien van zijn gezin met twee kinderen. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen zeer bijzondere omstandigheden zijn om de bijstand verder af te stemmen dan tot het in de aangevallen uitspraak genoemde bedrag.

Voor een individuele afstemming in de vorm van een verlaging dan wel een verhoging van de bijstand is slechts plaats in zeer bijzondere situaties, met inachtneming van de feitelijke behoeften in het individuele geval. Dit houdt verband met het vangnetkarakter van de bijstand, waarbij individueel maatwerk een belangrijk uitgangspunt is.

Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat het college de bijstand op grond van zeer bijzondere omstandigheden tot een hoger bedrag had moeten afstemmen. Anders dan appellant heeft aangevoerd, heeft het college bij het bestreden besluit al rekening gehouden met het wegvallen van de huur- en zorgtoeslag. Het college heeft bovendien rekening gehouden met de premie voor de inboedel- en aansprakelijkheidsverzekering van appellant. Niet is gebleken van andere kosten waarmee het college ook rekening had moeten houden. Ook is niet gebleken dat appellant schulden heeft moeten maken om in zijn levensonderhoud te voorzien.

CRvB 19 4127 PW, 6.12.22
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2022:2624

SvJ&V: BBB-gelden 2022

Gemeente

Bedrag 2022

Almelo

58.757

Almere

49.717

Apeldoorn

29.378

Arnhem

126.553

Assen

13.560

Bergen op Zoom

4.520

Borne

56.497

Deventer

42.938

Ede

110.734

Emmen

259.887

Enschede

38.418

Heerlen

81.356

Hengelo

24.859

Hilversum

4.520

Maastricht

83.616

Nijmegen

268.926

Den Bosch

85.875

Smallingerland

99.435

Tilburg

40.678

Zeist

42.938

Zwolle

76.836

Totaal

1.599.998

https://www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/circulaires/2022/12/21/decembercirculaire-gemeentefonds-2022/decembercirculaires+2022+gemeentefonds.pdf, 21.12.22

Rb: sinds 1dec voor Tunesië geen PCR-test meer nodig

Uit het verweerschrift blijkt dat op 1 december 2022 bekend is geworden dat voor uitzetting naar Tunesië geen PCR-test meer is vereist. Verweerder heeft eiser daarvan op 5 december 2022 in een vertrekgesprek op de hoogte gesteld. In het voortgangsrapport staat dat op diezelfde datum een vluchtaanvraag is ingediend. De rechtbank oordeelt dat verweerder daarmee voldoende voortvarend handelt. De beroepsgrond slaagt niet.

Rb Middelburg NL22.25500, 21.12.22
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:14053

Pagina's