Nieuws

Rb: Hassan Zadeh is geen contra-expert voor Afghaanse documenten

De vreemdeling, toont bij zijn opvolgende aanvraag een aantal documenten waaruit blijkt dat hij in Afghanistan wordt gezocht. De documenten gaan vergezeld van een rapport van Hassan Zadeh waarin hij verklaart over de echtheid.

De rechtbank oordeelt als volgt. De staatssecretaris stelt terecht dat hij de overgelegde documenten niet ongezien terzijde heeft geschoven, nu hij deze door BD heeft laten onderzoeken. De staatssecretaris moet zich echter, ook als de authenticiteit niet kan worden vastgesteld, rekenschap geven van de aard van de documenten, de wijze waarom de vreemdeling daaraan is gekomen en hun relevantie voor het asielrelaas. Er is derhalve sprake van een motiveringsgebrek. Het beroep is gegrond, maar de rechtsgevolgen worden in stand gelaten.

De rechtbank heeft kennis genomen van de opleiding en ervaring van Jawad Hassan Zadeh zoals die blijkt uit het uitgebreide cv in zijn stukken. Zadeh kan door zijn opleiding en werkzaamheden een aanzienlijke kennis omtrent Afghaanse documenten kan worden toegedicht, maar daarmee is hij nog niet te beschouwen als deskundige op het gebied van technisch documentonderzoek zoals BD dat verricht. De staatssecretaris stelt terecht dat niet is gebleken dat Zadeh beschikt over een specifieke deskundigheid die hem in staat stelt om te beoordelen of een document authentiek dan wel vals of vervalst is (ABRvS 22 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1132). De rapporten van Zadeh worden dan ook niet beschouwd als contra-expertises, maar als kritische kanttekeningen bij de rapporten van BD. Die kritische kanttekeningen leiden niet tot twijfel aan de juistheid van de BD-rapporten, omdat de toegepaste onderzoeksmethodiek verschillend is. Daaruit volgt dat Zadeh de authenticiteit niet met voldoende zekerheid kan bevestigen.

Beroep gegrond, rechtsgevolgen in stand gelaten.
Rb Den Bosch, NL20.5214, 9.10.20

Rb: uit iMMO-rapport blijkt dat zwakbegaafde asielzoeker niet coherent kan verklaren

De vreemdeling legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij driemaal is opgepakt en zwaar is mishandeld, en dat mensen hem willen vermoorden. Dit asielrelaas wordt niet geloofd.

De rechter concludeert dat het feit dat de vreemdeling zijn relaas niet aannemelijk heeft gemaakt met zijn verklaringen niet voldoende is om forensisch medisch onderzoek niet relevant te achten.

Uit het iMMO-rapport volgt dat de geconstateerde psychische problematiek beperkingen geeft die zeker hebben geïnterfereerd met het vermogen om compleet, coherent en consistent te verklaren. Het beroep van de staatssecretaris op het onderdelenvereiste wordt gelet op de uitspraak van 15 juli 2020 (ECLI:NL:RBDHA:2020:6543) niet gevolgd [citaat: ‘de eis die verweerder stelt aan de rapporteurs van het iMMO om aan te geven op welke onderdelen van het relaas de conclusies ten aanzien van het vermogen om compleet, coherent en consistent te kunnen verklaren betrekking hebben, is wetenschappelijk niet aanvaardbaar en zal om die reden buiten beschouwing worden gelaten’]. De staatssecretaris gaat voorts voorbij aan het feit dat iMMO heeft toegelicht dat de beneden gemiddelde intelligentie van eiser, met name het slechte rekenvermogen wat verband houdt met moeite met ruimtelijk inzicht en kunnen organiseren, verantwoordelijk is voor de problemen die eiser laat zien bij het kunnen plaatsen van gebeurtenissen op een tijdslijn. Onduidelijk is met welke motivering wordt gehandhaafd dat ondanks deze conclusies uitgegaan kan worden van de verklaringen van de vreemdeling.

Beroep gegrond.
Rb Den Bosch, NL19.16774, 6.10.20

Rb: verklaring Eritrese autoriteiten telt als identiteitsdocument

De staatssecretaris heeft de asielaanvraag van de vreemdeling afgewezen omdat zijn Eritrese nationaliteit ongeloofwaardig wordt geacht.

De rechtbank overweegt dat de door vreemdeling overgelegde verklaring van de Eritrese Autoriteiten een identificerend document betreft. De staatssecretaris heeft zich op het standpunt gesteld dat de informatie in het Algemeen Ambtsbericht Eritrea ziet op de wijze van verkrijging van identiteitskaarten en dat die niet overeenkomt met de wijze waarop de verklaring van de vreemdeling wordt verkregen. De rechtbank volgt dit standpunt niet. Zowel een identiteitskaart als de voorliggende verklaringen van de Eritrese autoriteiten dient immers ter vaststelling van de identiteit. 

De verklaring van de ambassade is immers afgegeven op basis van de door de vreemdeling ingediende documenten en is niet louter gebaseerd op verklaringen van drie getuigen waarmee de ambassade blijkens het ambtsbericht genoegen kan nemen als documenten ontbreken. De bewijslast voor de vaststelling van de nationaliteit van de vreemdeling ligt nu bij de staatssecretaris.

Beroep gegrond.
Rb Den Bosch, NL20.13583, 1.10.20

RvS: mantelzorg voor zus in NL meewegen bij oordeel verantwoordelijkheid NL voor asielverzoek

De rechtbank heeft terecht overwogen dat de staatssecretaris niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij geen aanleiding heeft gezien om de asielaanvraag van de vreemdeling met toepassing van artikel 17 van de Dublinverordening onverplicht aan zich te trekken. Daarbij heeft de rechtbank terecht betrokken dat de staatssecretaris onvoldoende bij zijn belangenweging heeft betrokken dat uit de medische stukken volgt dat de zus van de vreemdeling zeer ernstig ziek is. Daarnaast heeft de rechtbank terecht bij haar oordeel betrokken dat de staatssecretaris onvoldoende rekening heeft gehouden met de korte termijn waarin de vreemdeling en haar zus waren gescheiden en met de verklaringen van de vreemdeling, haar zus en de dochters van haar zus.

Het hoger beroep is ongegrond.
RvS 201908533/1/V3, 16.10.20
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2020:2455

Rb: mogelijk risico bij overdracht statushouders naar Bulgarije

Eisers, een vrouw met vier (inmiddels) meerderjarige kinderen uit Kobani in Syrie, hebben een vluchtelingenstatus in Bulgarije. Onder verwijzing naar hun eigen relazen en actuele landeninformatie betogen zij dat zij in Bulgarije geen identiteitsdocument kunnen verkrijgen omdat ze geen woonruimte hebben en geen woonruimte kunnen krijgen omdat ze geen identiteitsbewijs kunnen krijgen. Bulgarije heeft bovendien (ook) in strijd met de Kwalificatierichtlijn al zeven opvolgende jaren geen enkele integratievoorziening voor statushouders aldus eisers.

Verweerder heeft afwijzing enkel gemotiveerd door te verwijzen naar het interstatelijk vertrouwensbeginsel en uitspraken van de Afdeling van 28 augustus 2019 en 30 mei 2018. Deze wijze van motiveren volstaat niet. Verweerder moet een individuele afweging maken en daarbij inhoudelijk ingaan op de argumenten en onderbouwing van eisers.

De rechtbank concludeert dat de besluiten ontoereikend zijn gemotiveerd en dat gelet op alle beschikbare actuele informatie over de juridische en feitelijke positie van statushouders, waaruit gedurende geruime tijd steevast hetzelfde beeld naar voren komt, verweerder zijn besluiten alleen nader kan motiveren door zich te vergewissen bij de Bulgaarse autoriteiten.

De rechtbank doet een einduitspraak in plaats van een tussenuitspraak om zodoende verweerder uitdrukkelijk in de gelegenheid te stellen hoger beroep in te stellen omdat verweerder zich uitsluitend heeft gebaseerd op de jurisprudentie van de Afdeling.

Rb den Bosch NL20.15181, NL20.15183, NL20.15188 en NL20.15194, 19.10.20
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2020:10437

HvJ EU: recht op voorzieningen voor verzorgende ouder van volwassen, ernstig ziek kind

De Terugkeerrichtlijn en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale wettelijke regeling die niet bepaalt dat er in de mate van het mogelijke wordt voorzien in de elementaire levensbehoeften van een derdelander, wanneer:

  • deze derdelander beroep heeft ingesteld tegen een jegens hem genomen terugkeerbesluit;
  • het meerderjarige kind van deze derdelander aan een ernstige ziekte lijdt;
  • de aanwezigheid van die derdelander bij dit meerderjarige kind onmisbaar is;
  • er namens dat meerderjarige kind beroep is ingesteld tegen een jegens hem genomen terugkeerbesluit, waarvan de uitvoering voor dat kind een ernstig risico inhoudt dat zijn gezondheidstoestand op ernstige en onomkeerbare wijze verslechtert, en
  • die derdelander niet over de middelen beschikt om in zijn eigen onderhoud te voorzien.

HvJ EU Case C‑402/19, LM v Centre public d’action sociale de Seraing, 30.9.20
http://curia.europa.eu/juris/document/document.jsf?text=&docid=231821&pa...

Rb: overplaatsing statushouder uit LVV naar Hostel is terecht

Verzoekster is tegen haar wil overgeplaatst naar de Hostel. Zij wil weer terug naar haar eerdere opvang omdat zij daar begeleiding had, gebruik kon maken van een eigen kookgelegenheid en leefgeld kreeg. Ook heeft zij het fysieke verblijfsdocument nog niet in haar bezit omdat de IND haar biometrische gegevens nog moet opnemen. Dit geeft onvoldoende zekerheid om in aanmerking te komen voor een bijstandsuitkering en een zorgverzekering.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoekster geen spoedeisend belang bij haar verzoek. Zij heeft op dit moment opvang. Ook krijgt zij nog steeds begeleiding van het Leger des Heils, onder andere bij het vinden van een woning. Dat is weliswaar een andere begeleiding dan in de LVV, die gericht is op terugkeer, maar dat soort begeleiding heeft zij ook niet meer nodig. Verzoekster heeft nu een verblijfsstatus en kan op alle voorzieningen aanspraak maken. Dat verzoekster vanwege praktische redenen nu nog geen fysiek verblijfsdocument heeft, is voor verweerder geen reden om haar voorzieningen te onthouden, aldus de gemachtigde van verweerder. Er is door de overplaatsing vanuit de LVV naar het Hostel geen sprake van schending van de door de gemachtigde van verzoekster genoemde bepalingen uit het ESH en het EVRM.

Overigens blijkt uit de e-mailwisseling in het dossier dat er uitvoerig met verzoekster is gesproken en haar is uitgelegd waarom zij de LVV moet verlaten. Met haar is ook uitdrukkelijk over begeleiding gesproken. Verweerder heeft hiermee correct gehandeld en van een gedwongen overplaatsing van de ene op de andere dag is geen sprake.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.
Rb Amsterdam AWB - 20 _ 6227, 24.9.20
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2020:9624

SvJ&V: terugkeercijfers

  • Van week 12 tot en met week 17 zijn per week circa 40 vreemdelingen uit de caseload van de DT&V aantoonbaar vertrokken.
  • Van week 18 tot en met week 26 zijn gemiddeld circa 20 vreemdelingen per week aantoonbaar vertrokken.
  • Van week 27 tot en met week 37 zijn gemiddeld circa 80 vreemdelingen per week aantoonbaar vertrokken.

In de weken vóór de COVID-19-crisis vertrokken gemiddeld circa 140 vreemdelingen per week aantoonbaar.

Specifiek ten aanzien van Dublinoverdrachten kan ik u melden dat vanaf de hervatting van dit proces op 1 juli tot en met 13 september jl. circa 280 Dublinoverdrachten hebben plaatsgevonden, waarvan circa 140 gedwongen. In dezelfde periode vorig jaar vonden circa 480 overdrachten plaats.

https://www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/kamerstukken/2020/10/05/tk-gevolgen-van-de-covid-19-pandemie-voor-het-migratiebeleid/TK+Gevolgen+van+de+COVID-19-pandemie+voor+het+migratiebeleid+%28003%29.pdf, 5.10.20

SvJ&V: kortere termijn voor informeren over gedwongen vertrek

De termijn waarbinnen de DT&V het gedwongen vertrek moet aankondigen wordt verkort van 48 uur naar 36 uur.

WBV 2020/21, 28.9.20 in Staatscourant 2020, 48461, 1.10.20
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2020-48461.html

WBV 2020/21: bij oordeel buitenschuld is meewerken met DT&V doorslaggevend

De voorwaarden voor verlening van de verblijfsvergunning zijn:

  1. er bestaat geen redelijke twijfel over de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling;
  2. de vreemdeling heeft de DT&V om bemiddeling verzocht ten behoeve van zijn vertrek uit Nederland of het verkrijgen van een (vervangend) reisdocument bij de autoriteiten van zijn land van herkomst of een ander land waarvan op basis van het geheel van feiten en omstandigheden kan worden aangenomen dat hem daar toegang zal worden verleend, en deze bemiddeling heeft niet het gewenste resultaat opgeleverd;
  3. de vreemdeling heeft naar het oordeel van de DT&V in houding en gedrag laten zien dat hij wil terugkeren naar zijn land van herkomst of een ander land waarvan op basis van het geheel van feiten en omstandigheden kan worden aangenomen dat hem daar toegang zal worden verleend, hetgeen onder meer blijkt uit het feit dat hij zich heeft gehouden aan de afspraken die de DT&V met hem heeft gemaakt gedurende de bemiddelingsprocedure; en
  4. op het moment van beslissen is er geen sprake van een lopende procedure in het kader van een aanvraag voor een verblijfsvergunning en voldoet de vreemdeling niet aan de voorwaarden voor verlening van een andere verblijfsvergunning.

WBV 2020/21, 28.9.20 in Staatscourant 2020, 48461, 1.10.20
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2020-48461.html

Pagina's