Nieuws

Rb: geen overdracht tijdens bedenktijd mensenhandelslachtoffer, wel Dublinbeslissing mogelijk

Voor zover eiser stelt dat hij in Nederland aangifte wil doen van mensenhandel, leidt dat evenmin tot de conclusie dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. De procedure op grond van de regeling voor mensenhandel laat namelijk de bevoegdheid van verweerder om een overdrachtsbesluit te nemen onverlet, zo is eerder reeds uitgemaakt door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Daarnaast heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie in het arrest O.T.E. tegen Nederland geoordeeld dat artikel 6 van Richtlijn 2004/81/EG zich er niet tegen verzet dat tijdens een periode van bedenktijd een overdrachtsbesluit wordt vastgesteld of dat voorbereidende maatregelen worden getroffen voor de uitvoering daarvan, mits deze voorbereidende vragen de bedenktijd niet van hun nuttige werking beroven.

Daargelaten of aan eiser een bedenktijd moest worden geboden, geldt dat van feitelijke overdracht nog geen sprake is. Verder is met de besluitvorming ter uitvoering van de Dublinverordening niet gebleken van voorbereidingshandelingen waardoor eiser wordt belemmerd in het doorlopen van zijn aanvraagprocedure voor een reguliere verblijfsvergunning als slachtoffer van mensenhandel.

Eiser kan zijn belang bij bescherming als slachtoffer van mensenhandel naar voren brengen in een eventuele procedure tegen zijn feitelijke overdracht aan Zwitserland.

Het beroep is ongegrond.
Rb Middelburg NL22.22937, 22.12.22
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:14055

Rb: geen overdracht naar Frankrijk ivm angststoornis

De vreemdeling voert aan dat zij een angststoornis heeft, ingegeven door trauma veroorzaakt door mishandeling in haar jeugd en verkrachting door haar reisagent, en dat uit haar medische informatie volgt dat bij mogelijke vervolgstappen de kans op suïcidaliteit reëel is.

De rechtbank overweegt als volgt. De staatssecretaris heeft ten onrechte niet de aanwijzingen uit het dossier over de voor de vreemdeling zeer ernstige gevolgen van de overdracht en de overige schrijnende omstandigheden betrokken. Uit het verslag van het aanmeldgehoor blijkt in verband met de psychische gesteldheid van de vreemdeling het gehoor is stopgezet. Uit het dossier blijkt niet dat zij hier later nog over gehoord is of dat er voor het nemen van het besluit onderzoek is gedaan naar de (medische) gevolgen die uit overdracht voortvloeien. In de zienswijze is het medisch dossier overgelegd waaruit blijkt dat ze veel piekert, slecht slaapt en daar medicatie voor krijgt, suïcide uitingen heeft gedaan en (mogelijk) PTSS heeft. Ook zijn er e-mails van de maatschappelijk werkster van de vreemdeling overgelegd waarin wordt beschreven dat ze een angststoornis heeft. Verder blijkt uit de in beroep overgelegde brief van de behandeld psychiater dat “elke mogelijke vervolgstap in haar procedure belast haar sterk en brengt alle symptomen van angst, suïcidaliteit en somberheid terug”. In het BMA advies worden de klachten van de vreemdeling bevestigd en wordt geconcludeerd dat de vreemdeling wel kan reizen onder voorwaarde dat een psychiatrisch verpleegkundige meereist en dat ter plaatse een fysieke overdracht aan en arts/ psychiater noodzakelijk is. Het BMA advies richt zich op de condities van het fysieke vervoer van de vreemdeling, maar op grond van het C.K. arrest dient er rekening te worden gehouden met alle aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen die uit overdracht zouden voortvloeien.

Beroep gegrond.
Rb Haarlem, NL21.18106, 12.12.22

Wisselende jurisprudentie over veiligheid LHBTI in Polen ivm Dublinclaim

Rb Haarlem: risico LHBTI in Polen

De rechtbank overweegt als volgt. Wat betreft de situatie voor lhbti’ers in Polen overweegt de rechtbank dat uit de overgelegde rapporten blijkt dat de maatschappelijke positie van lhbti’ers in Polen erg slecht is dat de Poolse politie aangiftes vaak negeert. De vreemdeling heeft dit beeld van discriminatie bevestigd met zijn eigen, beperkte, ervaringen als homoseksuele man. De staatssecretaris heeft zich op het standpunt gesteld dat uit een aantal rechterlijke uitspraken blijkt dat lhbti’ers de mogelijkheid hebben om zich tot de rechterlijke macht te wenden, en verwijst daarbij naar uitspraken die in het voordeel van lhbti’ers is beslist. De rechtbank overweegt dat dit laatste niet wegneemt dat specifiek voor de vreemdeling als homoseksuele man geldt dat zowel een deel van de bevolking als Poole overheden hem discrimineren, en daardoor Polen in strijd met EU-recht handelt.

De staatssecretaris heeft ook erkend dat de kans groot is dat de vreemdeling in Polen gedetineerd wordt, maar dat de omstandigheden in detentie op zichzelf niet zo slecht zijn dat ze de ondergrens van onaanvaardbaarheid is bereikt. De vreemdeling heeft aannemelijk gemaakt dat zijn overdracht naar Polen in strijd komt met artikel 3 EVRM, het is daarom aan de staatssecretaris om aannemelijk te maken dat Polen zijn internationale verplichtingen wel nakomt. Nu Polen op meerdere gebieden het EU-recht schendt, kan de staatssecretaris niet zonder grondig onderzoek en een deugdelijke motivering van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgaan.

Beroep gegrond.
Rb Haarlem, NL22.22725, 14.12.22


Rb Rotterdam: geen risico LHBTI in Polen

De rechtbank overweegt als volgt. De vreemdeling heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Polen een 3 EVRM risico loopt. De positie van LHBTI’ers in Polen is weliswaar zorgelijk, maar uit hetgeen de vreemdeling naar voren heeft gebracht volgt onvoldoende dat LHBTI’ers in Polen slachtoffer worden van stelselmatige discriminatie of geweld van overheidswege (of van anderen) waartegen de Poolse autoriteiten geen enkele bescherming zullen bieden. Ook is niet gebleken dat zij in Polen heeft geklaagd over de negatieve behandeling die ze heeft gekregen.

Beroep ongegrond.
Rb Rotterdam, NL22.22794, 19.12.22

DUO: bekostiging en wettelijk collegegeld tijdens rechtmatig verblijf

Instellingen kunnen voor studenten die wachten op een verblijfsvergunning of beslissing op bezwaar (GBA- verblijftitels 31 tot en met 34), toch bekostiging ontvangen. Voor deze studenten is er geen juridische basis voor het ‘wettelijk collegegeld’, waardoor het ‘instellingscollegegeld’ geldt. Deze groep voldoet daardoor niet aan de voorwaarden voor bekostiging.

Door afspraken met OCW kunnen deze studenten toch bekostiging krijgen en uitbetaling van het wettelijk collegegeld. De instelling hoeft geen actie te ondernemen om deze groep studenten te laten bekostigen. Deze inschrijvingen en graden zet DUO rond juni 2023 op 'bekostigd' bij het vaststellen van de definitieve bekostigingsstatus.

https://duo.nl/zakelijk/hoger-onderwijs/nieuws/bekostiging-en-subsidies/bekostiging-collegegeld-studenten-tijdelijke-verblijfstitels.jsp, 25.11.22

Rb: geen opvang terminale kankerpatiënte tussen oude en nieuwe art-64, CAK regeling voldoet

Het gaat in deze procedure om de vraag of de bijzondere omstandigheid van een acute medische noodsituatie zich voordoet bij uitblijven van onmiddellijke behandeling.

De rechtbank is van oordeel dat dat in het geval van eiseres niet is uit te sluiten. Volgens de rechtbank is niet onaannemelijk dat eiseres (nog steeds) in een acute medische noodsituatie zou komen wanneer onmiddellijke behandeling achterwege blijft. Dit is echter op zichzelf onvoldoende reden om te oordelen dat het COa de verstrekkingen moet voortzetten, gelet op het hierna volgende.

Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat de door eiseres genoemde kosten (voor stomazakjes en ambulancevervoer) niet vallen onder een voorziening zoals bedoeld in artikel 10 van de Vw. Dit maakt dat de rechtbank niet anders kan concluderen dan dat eiseres ook zonder de verstrekkingen van het COa de benodigde zorg kan krijgen en dat zij niet onder de bijzondere uitzonderingssituatie valt waarin verweerder is gehouden om de verstrekkingen niet te beëindigen.

De rechtbank volgt eiseres ook niet in haar stelling dat verweerder op grond van werkinstructie 2018/16 gehouden zou zijn om de verstrekkingen te continueren. Eiseres heeft gewezen op pagina 14, waar het volgende staat vermeld: “Het komt in de praktijk voor dat het legaal verblijfsrecht van vreemdelingen die al in de COA opvang verblijven, eindigt, voordat er een nieuw verblijfsrecht ontstaat als gevolg van een nieuw art.64 verzoek of bijvoorbeeld een aanvraag voor een VVR Medisch. Strikt genomen zal COA de opvang voor de zieke vreemdeling moeten beëindigen. Mocht BMA constateren dat er nog steeds sprake is van een medische noodsituatie en er op grond daarvan binnen afzienbare tijd weer een verblijfsrecht ontstaat, dan heeft het de voorkeur dat de vreemdeling voor de tussenperiode door COA niet uit de opvang wordt gezet.”

De rechtbank volgt verweerder in zijn lezing van de werkinstructie, namelijk dat op het moment dat het BMA in de artikel 64 Vw-procedure (weer) vaststelt dat er sprake is van een medische noodsituatie, maar de daarop betrekking hebbende beslissing nog niet is genomen, ervoor gekozen kan worden om de opvang of verstrekkingen - uit praktische overwegingen - te continueren. In het geval van eiseres is echter op dit moment nog niet duidelijk wat het oordeel van het BMA zal zijn. De stelling van eiseres ter zitting dat het alleen maar slechter met haar is gegaan sinds het vorige BMA-advies is niet met stukken door haar onderbouwd. De rechtbank begrijpt dat dit lastig is voor eiseres, ook omdat zij recent van huisarts is gewisseld, maar vindt toch dat het op de weg van eiseres ligt om deze stelling te onderbouwen. Als zij hierin slaagt en als het BMA haar lezing dat er nog steeds sprake is van een medische noodsituatie bij uitblijven van een behandeling ook onderschrijft, kan het COa, eventueel met toepassing van werkinstructie 2018/16, de verstrekkingen weer gaan verlenen. In de tussentijd zal eiseres eventueel toch een beroep moeten doen op haar familieleden, als zij met kosten wordt geconfronteerd die niet (volledig) worden vergoed.

Rb Utrecht AWB 22/156, 22.4.22
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:11892

Rb: aparte onderzoeksplicht leeftijd bij detentie, los van asielprocedure

De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het geval van eiser ten onrechte heeft nagelaten voorafgaand aan de inbewaringstelling onderzoek naar de leeftijd van eiser te verrichten. Eiser is weliswaar in het kader van zijn asielaanvraag een leeftijdsonderzoek aangeboden, maar dat onderzoek is uiteindelijk niet uitgevoerd omdat eiser met onbekende bestemming is vertrokken. Verweerder heeft daarom in de asielprocedure van eiser tot uitgangspunt genomen dat eiser meerderjarig is. Verweerder stelt dat de meerderjarigheid van eiser daarmee ook in het kader van vreemdelingenbewaring tot uitgangspunt kan worden genomen, mede omdat eiser in de anderhalf jaar tijd dat hij in Nederland verblijft geen inspanningen heeft verricht om zijn minderjarigheid met documenten te onderbouwen. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank in het kader van het opleggen van een inbewaringstelling evenwel een eigen, zelfstandige, verplichting om onderzoek te doen naar de leeftijd. Het beleid over leeftijdsonderzoek in het kader van de asielprocedure is niet van overeenkomstige toepassing op de bewaringsprocedure.

Verweerder heeft in het geval van eiser onvoldoende onderzoek verricht naar de leeftijd van eiser. Daartoe is van belang dat eiser van meet af aan in zijn contact met de autoriteiten gesteld heeft minderjarig te zijn en eiser dat voorafgaand aan de inbewaringstelling in het gehoor opnieuw naar voren heeft gebracht. Hij heeft daarnaast voorafgaand aan de inbewaringstelling een kopie van een document getoond waaruit volgens eiser blijkt dat hij minderjarig is.

Beroep gegrond en de rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring.
Rb Groningen NL22.23876, 6.12.22
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:13289

RvS: terecht opheffen inreisverbod ondanks veroordeling in NL, vanwege verblijfsrecht in Luxemburg

De vreemdeling heeft de Nigeriaanse nationaliteit en geen verblijfsrecht in Nederland. In Luxemburg heeft hij een verblijfsrecht als familielid van een Unieburger. De vreemdeling is door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Amsterdam in 2019 veroordeeld tot drie jaar gevangenisstraf voor het bezit van harddrugs, het treffen van voorbereidingshandelingen voor de handel daarin en witwassen. Die feiten zijn gepleegd in 2018.

De staatssecretaris heeft een terugkeerbesluit genomen en een inreisverbod voor de duur van tien jaar uitgevaardigd, omdat de vreemdeling volgens hem een daadwerkelijk en actueel gevaar voor de openbare orde vormt en Nederland en de EU onmiddellijk moet verlaten. Op verzoek van de vreemdeling heeft de staatssecretaris in 2020 zijn vertrek naar Luxemburg gefaciliteerd en hem niet naar Nigeria uitgezet. Aanvankelijk heeft de staatssecretaris de vreemdeling alleen gesignaleerd in het nationale systeem Executie en Signalering (E&S). Op 30 december 2020 heeft hij de vreemdeling gesignaleerd in het Schengeninformatiesysteem (SIS II). Diezelfde dag hebben de Luxemburgse autoriteiten de staatssecretaris ervan op de hoogte gesteld dat zij de verblijfsvergunning van de vreemdeling niet intrekken.....

De vreemdeling betoogt terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de staatssecretaris een terugkeerbesluit kan nemen en een inreisverbod kan uitvaardigen zonder daar uitvoering aan te geven en in plaats daarvan vertrek naar Luxemburg te faciliteren. Een terugkeerbesluit verplicht een derdelander om terug te keren naar een land buiten de EU. De handelwijze dat de staatssecretaris de vreemdeling laat vertrekken naar de lidstaat waar hij verblijfsrecht heeft, gaat in tegen het nuttig effect van de Terugkeerrichtlijn dat vereist dat vreemdelingen naar een derde land worden uitgezet als zij een gevaar voor de openbare orde of nationale veiligheid vormen. Zolang de vreemdeling zijn verblijfsrecht in de andere lidstaat behoudt, houdt hij volgens het Hof wel het recht om daar na een verwijdering naar een derde land naartoe te gaan....

De vreemdeling betoogt ook terecht dat het terugkeerbesluit en het inreisverbod hoe dan ook Europese werking hebben en het inreisverbod dat niet pas krijgt als het wordt geregistreerd in SIS II. Ook in het geval het inreisverbod niet is geregistreerd, is sprake van een juridisch tegenstrijdige situatie die de staatssecretaris zoveel mogelijk moet voorkomen door tijdig in overleg te treden met de lidstaat waar het verblijfsrecht geldt. De grief slaagt....

De staatssecretaris en de vreemdeling zijn het erover eens dat een SIS-signalering moet worden ingetrokken als de andere lidstaat, in dit geval Luxemburg, in de overlegprocedure aangeeft het verblijfsrecht te handhaven. Omdat de Europese werking van het inreisverbod, anders dan de handhaafbaarheid ervan, niet afhangt van die signalering, betoogt de vreemdeling terecht dat in dat geval ook dat verbod moet worden opgeheven.

De Nederlandse wetgeving kent geen andere wettelijke grondslag om vreemdelingen die niet rechtmatig in Nederland verblijven, een daadwerkelijk, ernstig en actueel gevaar voor de openbare orde vormen en een verblijfsrecht in een andere lidstaat hebben, de toegang tot Nederland gedurende een bepaalde periode na hun vertrek te verbieden. De ongewenstverklaring uit artikel 67 van de Vw 2000 biedt daarvoor geen mogelijkheid, omdat het inreisverbod in deze gevallen van toepassing is en toepassing van artikel 67 volgens de bewoordingen van die bepaling daarom is uitgesloten. Het is aan de wetgever om desgewenst te voorzien in een nationaal werkend inreisverbod voor de gevallen waarin een vreemdeling een daadwerkelijke, actuele en ernstige bedreiging voor de openbare orde vormt en een andere lidstaat na overleg het daar geldende verblijfsrecht van die vreemdeling niet intrekt.

De grief slaagt.
RvS 202102611/1/V3, 14.12.22
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2022:3581
idem RvS 202100009/1/V3, 14.12.22
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2022:3580

Rb: niet staatloos want kan staatsburgerschap Oekraïne aanvragen

Anders dan eisers stellen blijkt uit de brief van de Oekrainse ambassade niet dat er een toetsing aan artikel 8 van de nationaliteitswetgeving heeft plaatsgevonden of dat deze brief daarop is gebaseerd. Tijdens de procedures in Oekraïne hebben eisers bovendien meermalen aangegeven niet in Oekraïne maar in de Verenigde Staten te willen verblijven. Eisers hebben nooit een naturalisatieverzoek ingediend bij de Oekraïense autoriteiten. Het verslag, door eisers zelf opgemaakt, van een bezoek aan de Oekraïense ambassade in 2013 ziet op het verkrijgen van Oekraïense reisdocumenten, waarvan de ambassadeur zegt dat hij deze niet af kan geven omdat eisers niet de Oekraïense nationaliteit bezitten. Het gaat niet over het alsnog kunnen verkrijgen van de Oekraïense nationaliteit.

De rechtbank is gelet op het bovenstaande van oordeel dat eisers weliswaar stateloos zijn maar dat niet is gebleken dat zij onvrijwillig stateloos zijn (gebleven) omdat zij niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij de Oekraïense nationaliteit niet kunnen verkrijgen. Verweerder heeft dit dan ook mogen betrekken in de belangenafweging.

Rb Zwolle Awb 21/366, 12.12.22
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:13365

Rb: geen procedure mogelijk tegen stopzetting bemiddeling DT&V bij buitenschuld

De staatloze Palestijnse vreemdeling heeft DT&V verzocht te bemiddelen om haar vertrek uit Nederland mogelijk te maken. DT&V heeft de bemiddeling per brief beëindigd omdat ze onvoldoende meewerkt aan haar vertrek. De staatssecretaris heeft het bezwaar van de vreemdeling tegen deze brief niet-ontvankelijk verklaard omdat het geen publiekrechtelijke rechtshandeling of feitelijke handeling zou zijn.

De rechtbank overweegt als volgt. Uit de Afdelingsuitspraak van 11 oktober 2019 volgt dat de beëindiging van de bemiddeling geen besluit is en ook geen feitelijke handeling waartegen beroep openstaat. De vreemdeling dient dit aan te vechten in een procedure tegen een eventuele afwijzing van een aanvraag om een buitenschuldvergunning. De vreemdeling merkt weliswaar terecht op dat die aan aanvraag zal worden afgewezen als een positief zwaarwegend advies van de DT&V ontbreekt, maar dat laat onverlet dat het doorlopen van een dergelijke procedure niettemin een adequate rechtsgang is. Niet is gebleken dat zo’n procedure in het geval van de vreemdeling onevenredig bezwarend is, aangezien ze haar stelling dat het bedrag voor het indienen van een buitenschuldvergunning ‘enorm hoog’ is niet heeft onderbouwd met (financiële) gegevens.

De staatssecretaris heeft het bezwaar niet-ontvankelijk mogen verklaren.
Beroep ongegrond.
Rb Rotterdam NL22.1318, 9.12.22
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:13473

Pagina's