Nieuws

Rb: geen kinderpardon, wel afweging 8EVRM ivm BIC-assessement

In het BIC-assessment wordt enerzijds gesproken over de psychische klachten die de kinderen (eiser en eiseres 2) hebben en anderzijds over de ontwikkelingsschade die zij hebben opgelopen, en nog zullen oplopen na terugkeer in Ingoesjetië. De psychische problemen en de ontwikkelingsschade worden volgens het rapport niet alleen veroorzaakt door wat eiser en eiseres 2 in Ingoesjetië en Duitsland hebben meegemaakt, en wat zij bij terugkeer naar Ingoesjetië vrezen, maar ook door hun langdurig verblijf in Nederland en de effecten die zij daarvan zullen voelen bij terugkeer in Ingoesjetië. Welk deel van de psychische problemen en de ontwikkelingsschade wordt veroorzaakt door het (ongeloofwaardig geachte) asielrelaas, zoals dat door eisers bij de psycholoog naar voren is gebracht, en welk deel door het langdurig verblijf, geeft het BIC-assessment niet aan. Voor verweerders standpunt dat de conclusie over de verwachte ontwikkelingsschade ‘voor een groot deel’ is gebaseerd op het asielrelaas, biedt het BIC-assessment naar het oordeel van de rechtbank dan ook onvoldoende steun. Dat er psychische problemen zijn en dat er ontwikkelingsschade is en zal ontstaan, wordt door verweerder niet betwist.

In het BIC-assessment, maar ook in de gronden van beroep, wordt verwezen naar de rapporten ‘Schaderisico bij uitzetting langdurig verblijvende kinderen’ van december 2018 van Scherder en ‘De schade die kinderen oplopen als zij na langdurig verblijf in Nederland gedwongen worden uitgezet’ van april 2006 van Kalverboer en Zijlstra. Uit deze onderzoeken wordt geconcludeerd dat bij gedwongen uitzetting van kinderen die langer dan vijf jaar in Nederland verblijven de kans op psychische en psychologische ontwikkelingsschade groot is. Verweerder heeft dat niet bestreden. Niet is in geschil dat eiser en eiseres 2 tot deze categorie kinderen behoren.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende is ingegaan op de ontwikkelingsschade van eiser en eiseres 2. Zo heeft verweerder niet onderbouwd waarom het hebben van een sociaal vangnet maakt dat de ontwikkelingsschade niet optreedt, of optreedt maar de ‘hardship’ niet een zodanige graad bereikt, dat deze in de weg staat aan vertrek.

Voor wat betreft de psychische klachten die eisers hebben, heeft verweerder terecht gesteld dat eisers niet hebben onderbouwd dat behandeling daarvoor in Ingoesjetië niet beschikbaar is. Verweerder heeft dit kunnen betrekken bij de vraag of vestiging in het land van herkomst van eisers een 'certain degree of hardship' met zich brengt. Maar in het BIC-assessment wordt ook geconcludeerd dat bij uitzetting naar Ingoesjetië de PTSS-klachten van eiser naar verwachting fors zullen toenemen en naar verwachting moeilijk behandelbaar zullen zijn. Verweerder heeft deze conclusie niet kenbaar bij zijn beoordeling betrokken. Verweerders standpunt dat niet is gebleken dat eiser in het geheel niet weerbaar is en dat uit het onderzoek volgt dat eisers psychische problemen mede verband houden met de onzekere verblijfspositie in Nederland en dat eisers aan deze onzekere situatie ook een eind kunnen maken door terug te keren naar het land van herkomst om daar een toekomst op te bouwen, geeft er ook blijk van dat verweerder onvoldoende oog heeft gehad voor de gevolgen van die terugkeer voor eisers.

De rechtbank concludeert dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM in het nadeel van eisers uitvalt.

Rb Zwolle Awb 21/90, 14.4.22
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:3555

Rb: kopie verlopen paspoort voldoende in art-64 zaak

De identiteit van eiser is nooit expliciet geloofwaardig geacht. Eiser heeft enkel een kopie van een verlopen paspoort overgelegd.

De rechtbank leidt het volgende uit de uitspraak van de Afdeling van 14 december 2021 af. Verweerder mag in beginsel een document ter staving van de identiteit en nationaliteit verlangen, maar een vereiste dat een vreemdeling de identiteit en nationaliteit met originele documenten aantoont, gaat gelet op het arrest Paposhvili, te ver. Het standpunt van verweerder dat het ontbreken van originele documenten een inhoudelijke beoordeling van de feitelijke toegankelijkheid van de medische zorg niet mogelijk maakt, kan naar het oordeel van de Afdeling niet in alle gevallen worden gevolgd. Volgens de Afdeling kan onderzoek naar de aanwezige familie, vermogen of het bestaan van een sociaal netwerk, immers ook worden gedaan als het aannemelijk is wie de vreemdeling is en waar de vreemdeling vandaan komt. Verweerder moet daarom aan de hand van alle omstandigheden van het geval nagaan of de originele documenten nodig zijn om te beoordelen wat een vreemdeling heeft aangevoerd over de feitelijke toegankelijkheid.

De rechtbank volgt eiser in zijn standpunt dat de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling niet enkel ziet op vreemdelingen wiens identiteit en nationaliteit in een eerdere procedure expliciet door verweerder geloofwaardig is geacht. Verweerder heeft met de enkele constatering dat eiser alleen een kopie van zijn (verlopen) paspoort heeft overgelegd, naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd waarom eiser hiermee zijn identiteit en nationaliteit niet aannemelijk heeft gemaakt.

Het voorgaande betekent dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft. Het beroep van eiser is daarom gegrond.

Rb Amsterdam AWB 21/4755 en 21/2850, 17.3.22
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:3333

Rb: Eritreeërs die vóór het vredesakkoord in Soedan zijn gaan wonen krijgen geen paspoort

De staatssecretaris heeft de aanvraag van eiseres om een mvv afgewezen omdat eiseres niet voldoet aan het paspoortvereiste. Eiseres (1997) is Eritrees en woont in Soedan. Referent (1993) is Nederlands en de echtgenoot van eiseres sinds 2019. In geschil is of de staatssecretaris had mogen vasthouden aan het paspoortvereiste.

De rechtbank overweegt als volgt. Eiseres heeft een mailwisseling met de Eritrese ambassade overgelegd, waarin stond dat er een paspoortstop wordt gehandhaafd voor degenen die naar Soedan zijn gekomen vóór het vredesakkoord tussen Ethiopië en Eritrea. De staatssecretaris heeft onvoldoende toegelicht waarom deze email niet kan worden onderzoekt op verifieerbaarheid. Dat de informatie niet overeenkomt met het Ambtsbericht over Soedan doet hier niet aan af, omdat de handelswijze van Eritrea zich kenmerkt door willekeur en corruptie.

Verder blijkt uit het rapport van het International Refugee Assistance Project en Equal Rights Beyond Borders dat de Eritrese ambassade bewijs vraagt van de datum waarop iemand Eritrea heeft verlaten of Soedan is binnengekomen. Zonder dit bewijs, krijgt de persoon geen consulaire bijstand. Eiseres heeft gezegd dat zij niet kon bewijzen dat ze vóór het vredesakkoord in Soedan woonde. Dit komt dus overeen met de informatie van het rapport en kan een verklaring vormen waarom eiseres geen paspoort krijgt. De rechtbank is van oordeel dat het besluit onzorgvuldig is voorbereid en gemotiveerd. Het beroep is gegrond.

Rb Den Bosch, AWB 21/149, 6.4.22

RvS: geen intrekking vergunning bij partner ondanks 2jr detentie en verlies inkomsten verzwegen

Artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, van de Gezinsherenigingsrichtlijn bepaalt dat de lidstaten de verblijfsstatus kunnen intrekken indien de gezinshereniger geen werkelijk huwelijks- of gezinsleven (meer) onderhoudt met het gezinslid of de gezinsleden.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen is het vereiste van ‘werkelijk gezinsleven’ opgenomen om oneigenlijk gebruik van het recht op gezinshereniging te bestrijden. Zoals de Afdeling eveneens eerder heeft overwogen is het niet in strijd met de Gezinsherenigingsrichtlijn om, ondanks het overleggen van een als ‘echt’ aangemerkte huwelijksakte, nader onderzoek te doen naar het werkelijke huwelijks- en gezinsleven van een vreemdeling en een referent, als daarvoor indicaties bestaan.

In dit geval heeft de staatssecretaris niet bestreden dat sprake is van een duurzame en exclusieve relatie tussen de vreemdeling en referent. Er kan daarom in zoverre ook geen sprake zijn van oneigenlijk gebruik van het recht op gezinshereniging.

De staatssecretaris voert terecht aan dat in ieder geval referent wist dat hij relevante wijzigingen in de situatie aan hem moest doorgeven. Door de informatie over zijn gewijzigde inkomen tijdens zijn detentie bewust achter te houden, heeft hij blijk gegeven van een intentie tot het ontduiken van de voorwaarden voor de verblijfsvergunning.

De vreemdeling heeft in beroep erop gewezen dat de zakenpartner van referent direct na de detentie van referent de bedrijfsactiviteiten heeft voortgezet, dat zij geen beroep op de openbare middelen heeft gedaan, dat zij zelf ook werk heeft en dat het in het belang van haar kind is om in Nederland te blijven. Dergelijke omstandigheden kunnen - anders dan de rechtbank heeft geconcludeerd - niet tot de conclusie leiden dat de vreemdeling alsnog aan het middelenvereiste voldeed, maar kunnen wel een rol spelen in de belangenafweging die de staatsecretaris in het kader van de intrekking van de verblijfsvergunningen diende te verrichten.

Hoewel de staatsecretaris terecht aanvoert dat fraude niet mag lonen, ook niet als het lang genoeg onontdekt blijft, heeft hij ondeugdelijk gemotiveerd waarom aan dat belang een zwaarder gewicht moet worden toegekend dan aan de door de vreemdeling genoemde omstandigheden. Door te benadrukken dat voor de intrekking niet is vereist dat de vreemdeling en haar kind wisten van de fraude en evenmin is vereist dat deze doelbewust is gepleegd en daaraan doorslaggevend gewicht toe te kennen, heeft hij de omstandigheid dat de vreemdeling daarvan niet op de hoogte was ten onrechte niet betrokken in de besluitvorming en om die reden niet overeenkomstig artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn een evenwichtige en redelijke beoordeling van alle in het geding zijnde belangen verricht.

De Afdeling neemt, zoals ook de rechtbank heeft gedaan, daarbij in aanmerking dat de zakenpartner van referent de bedrijfsactiviteiten heeft voortgezet en dat de vreemdeling bovendien geen beroep heeft gedaan op de openbare kas. De staatssecretaris heeft in dit verband evenmin deugdelijk gemotiveerd waarom intrekking met terugwerkende kracht evenredig is, terwijl hij niet betwist dat tussen de vreemdeling en referent een duurzame en exclusieve relatie bestaat, dat zij direct zijn gaan samenwonen toen referent uit detentie kwam en ten tijde van het intrekkingsbesluit gezinsleven uitoefenden.

Het hoger beroep van de staatssecretaris is ongegrond.

RvS 202104060/1/V1, 15.4.22
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2022:1112

RvS: bij gezinshereniging alle documenten in samenhang beoordelen en voordeel twijfel afwegen

In de uitspraak van 26 januari 2022  heeft de Afdeling het beoordelingskader in nareiszaken uiteengezet en genuanceerd. Hoewel de nu voorliggende zaak geen nareiszaak is, moet de staatssecretaris ook in dit geval al het geleverde bewijs in onderlinge samenhang bezien, rekening houden met alle relevante elementen en ervoor zorgen dat de eisen die hij aan het bewijs stelt evenredig zijn aan die elementen. Ook moet de staatssecretaris kenbaar gemotiveerd beoordelen of de vreemdeling het voordeel van de twijfel verdient.

De rechtbank is de staatssecretaris ten onrechte gevolgd in zijn standpunt dat de overgelegde documenten onvoldoende overtuigend zijn om de identiteit van de biologische ouders van referent en daarmee de familierechtelijke relatie met hem aannemelijk te maken. De staatssecretaris heeft de overgelegde documenten namelijk niet in onderlinge samenhang bezien. Zo heeft de staatssecretaris zich bij ieder afzonderlijk document op het standpunt gesteld dat de vreemdeling met dat document de identiteit van de biologische ouders van referent en daarmee de familierechtelijke relatie niet aannemelijk maakt, terwijl bijvoorbeeld aan de uitspraak van de Eritrese rechtbank en het UNHCR-document wel degelijk bewijswaarde toekomt.

De grieven slagen alleen al daarom.
Het hoger beroep is gegrond.

RvS 202104285/1/V3, 21.4.22
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2022:1172

RvS: leeftijdsconform horen en leeftijdsconform beoordelen

In de eerste grief klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte de staatssecretaris is gevolgd in het standpunt dat hij oppervlakkig heeft verklaard over zijn verliefdheid en gevoelens voor zijn jeugdvriend. Volgens de rechtbank was de vreemdeling ten tijde van de gehoren inmiddels 16 en 17 jaar oud en kon worden verwacht dat hij nader kon reflecteren over zijn gevoelens. In de tweede grief klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte de staatssecretaris is gevolgd in het standpunt dat de verklaringen over zijn beleving bij de ontdekking van zijn homoseksualiteit bevreemdend zijn. Volgens de rechtbank had van de vreemdeling een diepgaandere verklaring verwacht mogen worden. De vreemdeling wijst erop dat hij nog erg jong was, niet alleen ten tijde van de genoemde gebeurtenissen, maar ook tijdens de gehoren. Volgens de vreemdeling zijn de verklaringen over zijn seksuele geaardheid leeftijdsconform en niet bevreemdend, gezien zijn ontwikkelingsniveau.

Het zwaartepunt van de beoordeling in lhbti-zaken ligt bij het persoonlijke en authentieke verhaal dat de vreemdeling vertelt over en vanuit zijn eigen ervaringen met betrekking tot zijn gestelde seksuele geaardheid. Niet in geschil is dat de vreemdeling is gehoord op een wijze die past bij zijn leeftijd.

Van leeftijdsconform horen moet worden onderscheiden leeftijdsconform beoordelen en wegen van de verklaringen. Uit WI 2019/17 volgt dat bij de beoordeling en weging van de verklaringen rekening gehouden moet worden met zowel de leeftijd ten tijde van de gestelde gebeurtenissen in het land van herkomst als ook met de leeftijd ten tijde van het horen. Door de staatssecretaris te volgen in zijn standpunt dat de vreemdeling oppervlakkig heeft verklaard over zijn gevoelens voor zijn jeugdvriend en over de acceptatie van zijn seksuele geaardheid, heeft de rechtbank niet onderkend dat de staatssecretaris bij zijn beoordeling en waardering van de verklaringen niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe hij rekening heeft gehouden met de leeftijd tijdens de gebeurtenissen (14 jaar).

RvS 202102664/1/V2, 14.4.22
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2022:1100

Rb: samenwerkingsplicht identiteitsvaststelling bij inreis op vals paspoort en VIS-registratie

Uit de jurisprudentie van de Afdeling (28 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:661) volgt dat verweerder in beginsel uit mag gaan van de juistheid van de informatie in EU-Vis en dat het aan de vreemdeling is om aan te tonen dat deze informatie in zijn geval onjuist is.

De rechtbank overweegt hierbij echter dat verweerder alle aangedragen argumenten in dit kader integraal moet beoordelen. Verweerder heeft in de onderhavige procedure vastgehouden aan de EU-vis-registratie en zich daarbij op het standpunt gesteld dat elk argument op zichzelf onvoldoende is om afbreuk te doen aan de registratie in EU-vis. De rechtbank overweegt dat een dergelijke handelwijze onvoldoende recht doet aan de precaire bewijspositie van eiseres en bovendien met zich brengt dat een te hoge bewijsdrempel wordt aangelegd. De rechtbank herhaalt hierbij dat verweerder actief en grondig moet onderzoeken of eiseres internationale bescherming behoeft. Dit veronderstelt een welwillende grondhouding van verweerder en dit geldt temeer nu de beoordeling thans enkel nog betrekking heeft op de nationaliteit en herkomst en er dus in het geheel geen beoordeling van het risico op refoulement bij terugkeer naar Liberia heeft plaatsgevonden. Verweerder dient dus bij een EU-vis-registratie een lage drempel van aannemelijkheid bij de beoordeling van de herkomst en nationaliteit aan te leggen in het geval de rechtszoekende die voldoet aan zijn inspanningsplicht niet beschikt over identificerende documenten om zodoende het absolute verbod op refoulement te garanderen en te waarborgen.

Dat een asielmotief alleen relevant is tegen de achtergrond van het land van herkomst doet hier niet aan af omdat het nu juist gaat om de beoordeling van de verklaringen van eiseres met betrekking tot haar land van herkomst en dus land van terugkeer indien niet tot verblijfsaanvaarding wordt overgegaan is. Eiseres hoeft “enkel” aanknopingspunten voor twijfel aan te dragen en niet te “bewijzen” dat de registratie is gebaseerd op valse documenten. Door ieder aangedragen argument afzonderlijk te beoordelen en/of in wezen alleen identificerende documenten als “bewijs” te accepteren zal de derdelander nagenoeg niet in staat zijn om een EU-vis-registratie te weerleggen. Een dergelijke beoordeling en handelwijze brengt de derdelander in een onmogelijke bewijspositie, terwijl het aanleggen van een te hoge drempel ernstig afbreuk doet aan het recht en de mogelijkheid om bescherming te vragen. Tevens getuigt een dergelijk beoordelingskader van het sluiten van de ogen voor de realiteit dat derdelanders feitelijk gebruik maken van valse documenten om het land van herkomst uit te reizen en de Unie in de reizen. De rechtbank begrijpt dat dit als onwenselijk wordt ervaren en dat verweerder dit niet wil toestaan door zonder meer voorbij te gaan aan door derdelanders gebruikte documenten en verklaringen zonder meer als “aannemelijk” te kwalificeren. Dit laat onverlet dat de beschermingsbehoefte uitgangspunt is bij het beoordelen van een verzoek om internationale bescherming en dat die beschermingsbehoefte niet geringer zal zijn vanwege het gebruik van vervalste documenten. Verweerder zal in zekere zin dan ook over het gebruik van vervalste documenten “heen moeten stappen” en de beschermingsbehoefte centraal moeten stellen en ook welwillend moeten bezien of het relaas van de derdelander aannemelijk is en “waar kan zijn” in plaats van star vast te willen blijven houden aan de EU-vis-registratie....

De rechtbank stelt voorts vast dat verweerder veel zogenoemde herkomstvragen aan eiseres heeft gesteld, eiseres daarop gedetailleerd heeft verklaard en verweerder deze verklaringen als “de juiste antwoorden op de vragen” beschouwt. Verweerder heeft aan deze verklaringen echter geen enkele (bewijs)waarde toegekend bij de beoordeling van de herkomst en nationaliteit van eiseres. Verweerder heeft ter zitting op vragen van de rechtbank aangegeven dat de herkomstvragen niets zeggen over de herkomst en nationaliteit van eiseres omdat het ook zo kan zijn dat eiseres enkel enige tijd in Liberia heeft verbleven. De rechtbank acht dit niet begrijpelijk. ...

De rechtbank overweegt dat verweerder miskent dat eiseres haar nationaliteit en herkomst “slechts” aannemelijk hoeft te maken en niet hoeft te bewijzen. Nu verweerder zich nagenoeg uitsluitend baseert op de EU-vis-registratie, eiseres geen identificerende documenten heeft en er sprake is van medische beperkingen om adequaat te kunnen verklaren, dient verweerder actiever dan gemiddeld invulling te geven aan zijn samenwerkingsverplichting. Een taalanalyse is onder deze omstandigheden bij uitstek geschikt om te onderzoeken of er steunbewijs is voor de gestelde herkomst. Verweerder heeft door dit niet te doen aldus ook in dit kader onvoldoende invulling gegeven aan zijn samenwerkingsplicht....

De rechtbank overweegt dat ook deze beroepsgrond slaagt en eiseres in bewijsnood verkeert voor zover van haar wordt verwacht identificerende documenten over te leggen. Verweerder kan dus niet vasthouden aan de EU-vis-registratie en bepalen dat eiseres gehouden is identificerende documenten over te leggen omdat zij daartoe in staat zou moeten worden geacht.

Verweerder heeft dus onvoldoende invulling gegeven aan zijn samenwerkingsplicht, terwijl eiseres genoegzaam heeft voldaan aan haar inspanningsplicht en deels in bewijsnood verkeert. De geloofwaardigheidsbeoordeling kan dan ook geen stand houden.

Rb den Bosch NL22.1385, 12.4.22
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:3352

RvS: geen Dublinclaims naar Kroatie, twijfel over behandeling ivm pushbacks

Gelet op de door de vreemdeling ingeroepen rapporten moet worden geoordeeld dat de pushbacks in Kroatië een fundamentele systeemfout zijn in de asielprocedure van dat land, die de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereikt. Pushbacks vinden niet alleen aan de grenzen plaats, maar ook bij vreemdelingen die zich in het grensgebied of verder op het grondgebied van Kroatië bevinden. Deze informatie heeft de staatssecretaris niet bestreden.

Hoewel de pushbacks aan de buitengrenzen op zichzelf niet maken dat Dublinclaimanten niet aan Kroatië overgedragen kunnen worden, zijn er wel concrete aanknopingspunten dat de staatssecretaris niet meer van het vermoeden kan uitgaan dat Kroatië ten aanzien van de vreemdeling aan zijn internationale verplichtingen zal voldoen. De overlegde informatie bevat namelijk serieuze aanknopingspunten dat pushbacks ook plaatsvinden bij vreemdelingen die - al dan niet na eerdere intrekking van hun asielverzoek in Kroatië - door Kroatië opnieuw zijn toegelaten vanuit andere EU-lidstaten en bij vreemdelingen die zich op afstand van de grens op het grondgebied van Kroatië bevinden. Gelet hierop had de staatssecretaris nader onderzoek moeten doen naar het risico voor overgedragen Dublinclaimanten om door Kroatië te worden uitgezet zonder behandeling dan wel tijdens de behandeling van hun asielverzoek. Gegeven de aard, de omvang en de duur van de in deze zaak spelende fundamentele systeemfout, die de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereikt, kan het ontbreken van informatie over de situatie van Dublinclaimanten na overdracht aan Kroatië niet voor risico van de vreemdeling komen.

De rechtbank heeft daarom niet onderkend dat het aan de staatssecretaris is om nader onderzoek te doen naar de feitelijke situatie van Dublinclaimanten na overdracht aan Kroatië voordat hij zich op het standpunt kan stellen dat door overdracht van de vreemdeling aan Kroatië geen situatie zal ontstaan in strijd met artikel 4 van het EU Handvest of artikel 3 van het EVRM. Dat onderzoek heeft de staatssecretaris niet verricht. Daarom heeft de rechtbank niet onderkend dat de staatssecretaris niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat hij voor Kroatië van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan uitgaan. De grief slaagt.

De Afdeling ziet geen aanleiding om deze zaak aan te houden in afwachting van de beantwoording van de door de rechtbank gestelde prejudiciële vragen, omdat de beantwoording van die vragen over de strekking en reikwijdte van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en de bewijsmaatstaf geen verandering kan brengen in haar beoordeling van deze zaak.

Het hoger beroep is gegrond.
RvS 202104072/1/V3, 13.4.22
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2022:1042

idem RvS 202102939/1/V3, 13.4.22
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2022:1043

Rb: duidelijkheid nodig over status in Italië

Eiser heeft betwist dat aan hem internationale bescherming is verleend en heeft tevens aangevoerd dat voor zover hij wel als statushouder moet worden aangemerkt, hij heeft getracht zijn rechten te effectueren maar daarin niet is geslaagd en het effectueren van statushouder-rechten in Italië ook niet mogelijk is. Eiser heeft daarbij verklaard welke inspanningen hij heeft geleverd om een verblijfsrecht te verlengen en te verkrijgen. Hij heeft tevens verklaard dat hij niet in staat is te voldoen aan de eisen om zijn verblijfstitel te verlengen en heeft ter onderbouwing van dit standpunt een document en algemene informatie overgelegd.

De rechtbank overweegt dat in deze fase van de procedure onvoldoende duidelijk is of aan eiser daadwerkelijk internationale bescherming is verleend door Italië en of deze mogelijk verleende status thans voortduurt. De bewijslast hiervoor ligt bij verweerder en verweerder heeft zijn besluit dus niet zorgvuldig voorbereid en niet draagkrachtig gemotiveerd.

De rechtbank zal verweerder opdragen om zich door middel van het stellen van vragen aan de Italiaanse autoriteiten nader te vergewissen van het situatie. Hierbij heeft vanzelfsprekend te gelden dat verweerder in elke fase van deze procedure kan constateren dat Italië aan eiser nimmer internationale bescherming heeft verleend waardoor er geen bevoegdheid bestaat om de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk te verklaren. Verweerder is bovendien te allen tijde bevoegd om de asielaanvraag van eiser inhoudelijk te behandelen. Het niet-ontvankelijk verklaren vanwege een door een andere lidstaat reeds verleende internationale beschermingsstatus is immers een bevoegdheid en geen verplichting. Verweerder is dus ook bevoegd het besluit in te trekken en de asielaanvraag van eiser inhoudelijk te behandelen.

Verweerder krijgt een week de gelegenheid om aan te geven of hij van de mogelijkheid om zich nader te vergissen bij de Italiaanse autoriteiten gebruik wil maken.

Rb den Bosch NL22.4544-T, 19.4.22
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:3595
Vovo toegewezen: Rb Den Bosch, NL22.4545, 7.4.22

CRvB: toekenning kinderbijslag door SvB in Chavez-zaak dwingt gemeente niet tot bijstandsverlening

Dee gemeente heeft de aanvraag voor bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) afgewezen, omdat vreemdelinge niet voldoet aan de gestelde voorwaarden. De vreemdelinge heeft een herzieningsverzoek ingediend en aangevoerd dat zij afgeleid verblijfsrecht ontleent aan de nationaliteit van haar zoon. Het college heeft ook deze aanvraag afgewezen. Vreemdelinge klaagt dat de afwijzing van haar herzieningsverzoek evident onredelijk is, omdat uit het arrest Chavez-Vilchez volgt dat zij van rechtswege een afgeleid verblijfsrecht in Nederland had.

De Raad oordeelt als volgt. Aan het herzieningsverzoek heeft vreemdelinge ten grondslag gelegd dat haar een afgeleid verblijfsrecht toekomt, zoals blijkt uit het arrest Chavez-Vilchez en dit heeft zij onderbouwd met een proces-verbaal van de zitting van de Raad van een zaak tussen vreemdelinge en Sociale verzekeringsbank (Svb). Hieruit blijkt dat de Svb heeft vastgesteld dat vreemdelinge op grond van het arrest Chavez-Vilchez recht heeft op kinderbijslag. Vreemdelinge verblijft ten tijde van de uitspraak in België. Sinds wanneer vreemdelinge in België verblijft is onbekend. Haar zoon stond tot 24 mei 2018 bij zijn oma in Nederland ingeschreven en deze oma heeft sinds het tweede kwartaal van 2012 de kinderbijslag ontvangen. Naar het oordeel van de Raad heeft de gemeente zich terecht op het standpunt gesteld dat het arrest Chavez-Vilchez niet kan worden aangevoerd als nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid in de zin van art. 4:6 Awb. Uit wat vreemdelinge aanvoert, kan niet worden afgeleid dat het eerder genomen besluit onmiskenbaar onjuist was. Dat de Svb het afgeleide verblijfsrecht van vreemdelinge wel erkent, maakt dit niet anders. Het gaat in die zaak bovendien om een schikking en niet om een bestuurlijk oordeel op basis van een onderzoek naar en waardering van de relevante feiten. De gemeente heeft een zelfstandige taak om het verblijfsrecht van vreemdelinge vast te stellen bij de beoordeling van het recht op bijstand en is niet zonder meer gebonden aan (niet-)erkenning van dat verblijfsrecht door een ander bestuursorgaan. Het beroep is ongegrond.

Hoger beroep vreemdelinge ongegrond.
CRvB, 19 2738 PW, 8.3.22
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2022:496

Pagina's