Nieuws

SvJ&V: aantallen terugkeer

Tot en met november 2020 zijn ongeveer 2.420 vreemdelingen zelfstandig vertrokken en 1.470 vreemdelingen gedwongen. Het aantal vreemdelingen dat zelfstandig zonder toezicht is vertrokken ligt tot en met november 2020 op 6.340. Daarnaast hebben sinds de hervatting van Dublinoverdrachten afgelopen zomer tot en met 29 november circa 600 Dublinoverdrachten plaatsgevonden, waarvan circa 370 gedwongen.

https://www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/kamerstukken/2021/01/08/tk-gevolgen-van-de-covid-19-pandemie-voor-het-migratiebeleid/tk-gevolgen-van-de-covid-19-pandemie-voor-het-migratiebeleid.pdf, 8.1.21

SvJ&V: mogelijk eerder detentie

In ambtelijke gesprekken is door de Europese Commissie desgevraagd bevestigd dat de bepalingen van de Opvangrichtlijn ruimte bieden voor bewaring van vreemdelingen die zich bij het doen van de aanvraag niet kunnen identificeren en die aangeven de nationaliteit te hebben van een land met een laag inwilligingspercentage. Bewaring zal daarbij altijd een individuele beslissing blijven. Genoemde ruimte geldt bij asielzoekers die in de Nederlandse asielprocedure zitten, maar ook bij vreemdelingen die onder de Dublinverordening vallen, in het bijzonder voor vreemdelingen met meerdere Eurodachits, uit meerdere lidstaten.

Op basis van het hetgeen hierboven is beschreven, is er mogelijk enige juridische ruimte om, meer dan nu gebeurt, in een vroeger stadium in de asielprocedure dan wel kort voor vertrek in bewaring te stellen. Ik ben voornemens de komende tijd te benutten om hiermee aan de slag te gaan en in een beperkt aantal zaken te zien of deze ruimte inderdaad praktisch en juridisch kan worden benut om zo vaker tot vreemdelingenbewaring te besluiten. Dat kan daarbij zowel gaan om vreemdelingen in de Nederlandse asielprocedure, als om vreemdelingen die onder de Dublinverordening vallen.

https://www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/kamerstukken/2021/01/11/tk-reactie-op-enkele-toezeggingen-met-betrekking-tot-vreemdelingenbewaring/tk-reactie-op-enkele-toezeggingen-met-betrekking-tot-vreemdelingenbewaring.pdf, 11.1.21

HvJ EU: beschikbaarheid opvang in herkomstland controleren bij beoordeling AMV-aanvraag

De vreemdeling (TQ) is een niet-begeleide minderjarige die in NL een asielaanvraag heeft ingediend. De staatssecretaris heeft de asielaanvraag afgewezen en bepaald dat TQ niet in aanmerking komt voor uitstel van vertrek op medische gronden. Tevens heeft hij aan TQ een vertrekplicht opgelegd. TQ stelt dat hij niet kan terugkeren naar zijn land van herkomst omdat hij er niet is opgegroeid, er niemand kent en ook de taal niet spreekt. Met betrekking tot een asielvergunning geeft de verwijzende rechter aan dat TQ 15 jaar en vier maanden oud was toe hij zijn asielaanvraag indiende. Dit betekent dat TQ, in tegenstelling tot wanneer hij jonger dan 15 jaar was geweest, verplicht is Nederland te verlaten, zonder dat er voorafgaand een onderzoek naar de adequate opvang in het land van terugkeer door de staatssecretaris hoeft plaats te vinden. De verwijzende rechter twijfelt of het in het Nederlandse recht gehanteerde onderscheid tussen niet-begeleide minderjarigen van 15 jaar of ouder en niet-begeleide minderjarigen jonger dan 15 jaar verenigbaar is met het Unierecht en stelt hiervoor drie prejudiciële vragen.

Het Hof van Justitie verklaart voor recht dat uit artikel 6, lid 1, van de  Terugkeerrichtlijn, volgt dat de betrokken lidstaat, voordat hij een terugkeerbesluit uitvaardigt aan een niet-begeleide minderjarige, de situatie van die minderjarige algemeen en grondig moet toetsen, rekening houdend met het belang van het kind. In dat kader dient die lidstaat zich ervan te overtuigen dat er voor de betrokken niet-begeleide minderjarige adequate opvang beschikbaar is in het land van terugkeer. Tevens volgt uit deze artikelen dat een lidstaat bij het onderzoek of er in het land van terugkeer adequate opvang aanwezig is, geen louter op leeftijd gebaseerd onderscheid mag maken tussen niet-begeleide minderjarigen. Daarnaast verzet artikel 8, lid 1 van de Terugkeerrichtlijn zich ertegen dat een lidstaat, na een terugkeerbesluit tegen een niet-begeleide minderjarige te hebben uitgevaardigd en zich er van heeft overtuigd dat die minderjarige wordt teruggestuurd naar een familielid, een aangewezen voogd of adequate opvangfaciliteiten in het land van terugkeer, niet tot zijn verwijdering overgaat zolang hij niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt.

HvJEU C 441/19, 14.1.21
http://curia.europa.eu/juris/documents.jsf?num=C-441/19

Rb: wel mogelijk discriminatie lhbt met HIV in Turkije

Zoals eiser stelt, heeft hij in het verleden te maken gehad met ernstig geweld afkomstig van zijn familieleden. Dat heeft verweerder ook erkend. Verweerder heeft er daarentegen op gewezen dat eiser sinds 2005 in Istanbul woont en hij daar, op twee incidenten met zijn zwager na, geen problemen heeft ondervonden.

De rechtbank stelt in dat kader vast dat hij alleen met legaal werk een ziektekostenverzekering kan krijgen waarmee hij zijn medicatie kan betalenEiser heeft meermaals verklaard dat hij vreest niet aan het werk te kunnen komen in verband met hiv. Eiser heeft de laatste tien á twaalf jaar als ober gewerkt. Als hij ergens solliciteert, dan vragen ze naar een bloedonderzoek en zullen ze er volgens eiser achter komen dat hij hiv heeft. Eiser heeft in het verleden een verklaring gekregen dat hij geen hiv had. Die verklaring heeft hij gebruikt om in dienst te gaan. Later bleek uit onderzoek dat eiser hiv had, maar dat heeft hij niet aan zijn werkgever verteldVolgens eiser is er twee jaar geleden een nieuwe wet gekomen, waardoor hij een bloedtest moet doen als hij in dienst wordt genomen. Daaruit kan worden afgeleid dat eiser zijn eerdere negatieve hiv-test niet meer bij werkgevers kan overleggen. Uit het voorgaande volgt dat het de vraag is of eiser nog legaal werk kan verrichten, zich aldus kan inschrijven bij de sociale verzekeringsbank en daarmee de voor hem benodigde behandeling kan verkrijgen. Verweerder heeft dit niet kenbaar meegewogen in het besluit.

Het voorgaande betekent dat verweerder het besluit onvoldoende heeft gemotiveerd. De beroepsgrond slaagt.
Rb Dordrecht NL20.18086, 8.1.21
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:88

Rb: mogelijk risico christen in Nigeria

De vreemdeling heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij vreest dat als hij zal terugkeren naar Nigeria hij slachtoffer zal worden van de Fulani herders en andere islamitische groeperingen zoals Boko Haram omdat hij christen is. De staatssecretaris heeft geconcludeerd dat de vreemdeling niet in aanmerking komt voor asiel omdat de vrees onvoldoende is geïndividualiseerd.

Uit het ingediende EASO rapport blijkt dat in het geval van de vreemdeling de risicofactor ‘ownership of land or cattle’ aan de orde zou kunnen zijn, dit laat de staatssecretaris echter buiten beschouwing. De rechtbank oordeelt dat de conclusie van de staatssecretaris dat het EASO rapport wat betreft de kans op vervolging geen andere informatie bevat dan het ambtsbericht uit juni 2018 niet deugdelijk is gemotiveerd.

Christenen zijn in het landgebonden beleid niet aangewezen als risicogroep en de staatssecretaris stelt dat er alleen bescherming wordt verleend in geval van individuele aanwijzingen die ontbreken die bij de vreemdeling. De rechtbank concludeert dat het bestreden besluit er onvoldoende blijk van geeft dat de staatssecretaris de aanvraag van de eiser heeft beoordeeld tegen de achtergrond van de algemene veiligheidssituatie. Enkel behoren tot de christelijke(agrarische) bevolkingsgroep leidt niet automatisch tot een gegronde vrees of reëel risico, maar dat betekent niet dat aan het behoren tot die groep asielrechtelijk geen betekenis moet worden gehecht en onverkort aan het individualiseringsvereiste moet worden vastgehouden.

Beroep gegrond.
Rb Roermond, NL20.18195, 23.12.20

Rb: risico besnijdenis in Liberia blijkt uit deskundigenrapport Knörr

De vreemdeling heeft aan haar asielaanvraag ten grondslag gelegd dat haar stiefmoeder wilde dat zij zich aansloot bij een geheime, traditionele Sande-genootschap waar zij besneden zou worden. Ook zou zij uitgehuwelijkt worden. Door haar Kpelle afkomst en als onbesneden vrouw zou zij bij uitzetting een reëel risico lopen op ernstige schade in de zin van artikel 3 EVRM en artikel 3 Anti-folterverdrag. De staatssecretaris heeft de aanvraag ongegrond verklaard omdat de vreemdeling dit risico niet aannemelijk heeft gemaakt.

In het deskundigen rapport van Professor Knörr wordt specifiek ingegaan op de situatie van de vreemdeling, en er wordt uitgegaan van een Kpelle gemeenschap en van een stiefmoeder die ‘zoe’ is. Als zoe kan de stiefmoeder nieuwe mensen inwijden. Ook wordt er in het rapport ingegaan op de algemene situatie in Liberia. Anders dan de staatssecretaris meent gaat professor Knörr ook in op de vraag of de vreemdeling zich elders kan vestigen en dus niet alleen op de situatie da de vreemdeling weer vestigt bij haar stiefmoeder.

Het standpunt van de staatssecretaris dat de vreemdeling zich kan onttrekken aan de besnijdenis omdat de vreemdeling een onafhankelijke en vooruitstrevende positie in de Liberiaanse maatschappij had, is naar het oordeel van de rechtbank eveneens onvoldoende gemotiveerd. Het klopt weliswaar dat de vreemdeling toen zij nog in Liberia woonde in de stad Gbansu heeft kunnen studeren en na haar studie voor NGO ‘Merlin’ heeft kunnen werken maar het is zeer de vraag of dit nu nog steeds voor haar zal gelden.

De staatssecretaris heeft onvoldoende gemotiveerd waaruit zou blijken dat de vreemdeling zich, zonder te beschikken over een sociaal netwerk en zonder te behoren tot een gemeenschap of steun te hebben van een gemeenschap, elders in Liberia zou kunnen vestigen.

Daarbij volgt uit het Thematisch Ambtsbericht Liberia van 29 mei 2009 dat in Liberia, in het algemeen, als je tot een gemeenschap behoort en daartoe bent aangewezen, de vrees voor besnijdenis bestaat. 

Beroep gegrond.
Rb Roermond, NL20.13001, 17.12.20

WBV 2021/1 : Asielbeleid t.a.v. Jezidi’s uit Irak

In het geval van jezidi’s die afkomstig zijn uit centraal-Irak en langere tijd in de KAR hebben verbleven, wordt de KAR niet als gebruikelijke regio van herkomst tegengeworpen, nu is gebleken dat zij het aldaar bovengemiddeld zwaar hebben. Er wordt ten aanzien van jezidi’s afkomstig uit centraal-Irak al snel een geringe indicatie aangenomen, gelet op hetgeen deze minderheid sinds 2014 heeft meegemaakt in Irak en hun huidige situatie. Dit specifieke beleid is sindsdien ten uitvoer gelegd, maar was niet eerder in de Vreemdelingencirculaire opgenomen.

WBV 2021/1, 13.12.20 in Staatscourant (nr. 1570), 5.1.21
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2021-1570.html

WBV 2021/2 : Het asielbeleid ten aanzien van Azerbeidzjan

Er zijn de volgende wijzigingen in het landenbeleid van Azerbeidzjan aangebracht.

Uit het AAB volgt dat vreemdelingen die actief zijn in de politiek, journalistiek, of op het gebied van mensenrechten en significante kritiek op de autoriteiten hebben geuit waardoor zij in de negatieve belangstelling van de autoriteiten staan, stelselmatig te maken kregen met represailles van de zijde van de Azerbeidzjaanse autoriteiten in de verslagperiode. Hierom wordt deze groep als risicogroep aangemerkt.

Verder volgt uit het AAB dat corruptie veelvuldig voorkomt en het rechtssysteem veelal afhankelijk is van de uitvoerende macht. Tevens volgt uit het AAB dat de Azerbeidzjaanse autoriteiten in de praktijk geen bescherming bieden in gevoelige kwesties van LHBTI, vreemdelingen behorende tot de Armeense bevolkingsgroep en vreemdelingen die actief zijn in de politiek, journalistiek, of op het gebied van mensenrechten en daarbij significant kritiek uiten op de autoriteiten en om die reden in de negatieve belangstelling van de autoriteiten staan. Voor deze genoemde groepen geldt dat vanaf heden dat van hen niet kan worden verlangd bescherming in te roepen van de Azerbeidzjaanse autoriteiten of internationale organisaties.

Er wordt bij de asielaanvraag enkel getoetst aan het hoofdgebied van Azerbeidzjan, omdat de Azerbeidzjaanse autoriteiten enkel daar gezag over hebben en alleen naar het hoofdgebied van Azerbeidzjan wordt uitgezet. Derhalve wordt het vlucht- en vestigingsalternatief voor personen met de Armeense etniciteit naar Nagorno-Karabach geschrapt. Hetzelfde geldt voor gemengd gehuwden.

WBV 2021/2, 7.1.21 in Staatscourant (nr. 1592) 13.1.21
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2021-1592-n1.html

Rb: mogelijk geen interstatelijk vertrouwensbeginsel Dld ivm dreigende uitzetting naar Eritrea

De vreemdeling voert aan dat de staatssecretaris niet heeft betwist dat zij bij terugkeer gedwongen zal worden uitgezet naar Eritrea. Hierdoor loopt zij (indirect) risico op schending van non-refoulement. Duitsland handelt, in het licht van het Nederlandse landenbeleid, in strijd met artikel 21 lid 1 Kwalificatierichtlijn. Uit paragraaf C7/11.8 Vc volgt immers dat gedwongen terugkeer van vreemdelingen naar Eritrea niet zal plaatsvinden. De vreemdeling stelt zich subsidiair op het standpunt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet van toepassing is volgens artikel 3 lid 2 Dvo. Ter zitting heeft de vreemdeling verwezen naar ECLI:NL:RVS:2020:2592, waarin de Afdeling oordeelt dat een verschil in bescherming tegen refoulement tussen lidstaten kan leiden tot een tekortkoming. Verder heeft de vreemdeling ter zitting een e-mail van VWN overgelegd waaruit zou blijken dat Duitsland in 2019 vreemdelingen heeft uitgezet naar Eritrea.

De staatssecretaris heeft terecht als uitgangspunt genomen dat bij Duitsland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan. De vreemdeling heeft echter aannemelijk gemaakt dat er een verschil in bescherming tegen refoulement bestaat tussen Nederland en Duitsland bij asielzoekers die uit Eritrea komen. De staatssecretaris had naar het oordeel van de rechter moeten onderzoeken of overdracht aan Duitsland tot indirect refoulement zal leiden. De staatssecretaris heeft niet deugdelijk gemotiveerd waarom, gelet op het Duitse besluit, overdracht aan Duitsland niet tot indirect refoulement zal leiden.

Beroep gegrond.
Rb Dordrecht, NL20.18898, 4.1.21

Rb: NL blijft verantwoordelijk bij overbrugging 18mnd Dublintermijn via asielaanvraag in ander land

De rechtbank overweegt als volgt. Niet in geschil is dat de verantwoordelijkheid van Portugal naar aanleiding van de eerste asielaanvraag van eiseres terecht is vastgesteld. ...  De rechtbank is verder van oordeel dat artikel 29, tweede lid, van Dublinverordening III geen ruimte laat voor een uitleg conform de Chain Rule. In genoemd artikel is immers onvoorwaardelijk opgenomen dat de overdrachtstermijn tot maximaal 18 maanden kan worden verlengd indien de betrokkene is ondergedoken, en dat de overdragende lidstaat verantwoordelijk wordt indien overdracht niet binnen die termijn plaatsvindt. De rechtbank ziet daarin geen ruimte om een uitzondering te maken voor de situatie waarin betrokkene binnen de overdrachtstermijn in een andere lidstaat een verzoek om internationale bescherming indient. Ook uit artikel 29, eerste lid, van Dublinverordening III blijkt de toepasselijkheid van de Chain Rule niet. De rechtbank onderkent de onwenselijke effecten van het niet toepassen van de Chain Rule, onder meer dat bij secundaire migratie sprake kan zijn van verschillende en overlappende overdrachtstermijnen en dus onduidelijkheid over de verantwoordelijkheid, maar ook met de door verweerder gewenste teleologische uitleg van artikel 29, eerste lid, van de Dublinverordening III kan de rechtbank de toepasselijkheid van de Chain Rule niet in dit artikellid teruglezen, in die zin dat de overdrachtstermijn voor de verzoekende lidstaat opnieuw begint op het moment dat de betrokkene zich in een andere lidstaat meldt. Dat Frankrijk het claimverzoek van Nederland op 17 november 2020 expliciet heeft geaccepteerd doet, maakt vorenstaand oordeel niet anders.

Het voorgaande brengt met zich dat Nederland op grond van artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening III, vanaf 11 september 2020 verantwoordelijk is geworden voor de asielaanvraag van eiseres. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. 

Rb Amersfoort NL20.20285, 16.12.20
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2020:13655

Pagina's