Nieuws

Rb: vanwege veranderd beleid is nieuw gehoor nodig voor oordeel vluchtreden Hazara

Verweerder heeft in de voorgaande procedure bepaalde problemen van eiser geloofwaardig geacht. Eiser heeft daarover destijds verklaard dat de reden voor het jaarlijks terugkerende geweld door de Kuchi’s is dat eisers dorp een sjiitisch Hazara dorp is en de Kuchi’s soennitische Pashtun zijn. Verweerder heeft ten onrechte nagelaten te beoordelen of dit geloofwaardige en individualiseerbare verklaringen zijn waarmee eiser met geringe indicaties aannemelijk heeft gemaakt dat zijn problemen verband houden met één van de vervolgingsgronden.

Ten tweede heeft eiser terecht aangevoerd dat verweerder onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de vraag of er geringe indicaties aanwezig zijn in het geval van eiser. De rechtbank wijst erop dat het nader gehoor in de eerste procedure van 8 juli 2016, waar verweerder naar verwijst in het kader van de geloofwaardig geachte problemen die volgens hem geen geringe indicaties opleveren, daarvoor onvoldoende is. Dat gehoor is immers gehouden ten tijde van een ander geldend beleid. De rechtbank acht het niet uitgesloten dat een nader gehoor een andere insteek krijgt of dat op bepaalde gebeurtenissen – die wellicht niet de kern van het relaas betreffen maar wel geringe indicaties zouden kunnen inhouden – verder wordt doorgevraagd, zodra het landgebonden beleid daarop van toepassing is. Verweerder heeft gelet daarop onvoldoende gemotiveerd dat er geen aanwijzingen bestaan dat er op een andere manier gehoord zou worden. De beroepsgrond slaagt.

Rb Amsterdam NL21.1563 en NL21.1564, 12.3.21
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:2501

Rb: berichten op sociale media meewegen

De vreemdeling heeft aan zijn opvolgende asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij homoseksueel is en daarom problemen kan verwachten bij terugkeer. De staatssecretaris heeft de homoseksualiteit en de daaruit volgende problemen ongeloofwaardig geacht.

De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris het aanbod van de vreemdeling om bewijs te leveren in de vorm van berichten op sociale media niet zomaar naast zich neer had mogen leggen, gezien de telefoon zich in de macht van de staatssecretaris bevond (namelijk bij het Justitieel Complex Schiphol). De staatssecretaris kan zich niet op het standpunt stellen dat de verklaringen van de vreemdeling ontoereikend zijn zonder de inhoud van de berichten te kennen. Het besluit is hierdoor onvoldoende zorgvuldig genomen.

In beroep heeft de vreemdeling alsnog de berichten overgelegd. De rechtbank overweegt dat de berichten stroken met de verklaringen van de vreemdeling over het contact leggen met andere homoseksuelen via sociale media. De rechtbank volgt de staatssecretaris niet in het standpunt dat het ongerijmd is dat de vreemdeling dit deed, noch in het standpunt dat de berichten niet relevant zijn voor de geloofwaardigheid. Beroep gegrond.

Rb Amsterdam, NL21.1738 en NL21.1739, 18.3.21
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:2854

Rb: Nigeriaans kranteartikel heeft geen bewijswaarde

Eiser heeft bij zijn aanvraag een afschrift van een krant en een affidavit of facts met daaraan gekoppeld details of entry overgelegd. Bureau Documenten is na een onderzoek tot de conclusie gekomen dat aan deze stukken niet de waarde kan worden toegekend die eiser er aan toegekend zou willen zien. Het is, aldus Bureau Documenten, tamelijk gebruikelijk dat journalisten zich in grote delen van Afrika, waaronder Nigeria, laten betalen om bepaalde informatie te publiceren dan wel voor publicatie inhoudelijk aan te passen. Daarnaast geeft Bureau Documenten aan dat uit de verklaring van onderzoek blijkt de verschijningsvorm van de overgelegde krant afwijkt van het beschikbare vergelijkingsmateriaal. De overgelegde krant is niet in deze verschijningsvorm uitgegeven.

De rechtbank oordeelt dat het onderzoek door de Bureau Documenten zorgvuldig is geweest en dat verweerder voldaan heeft aan zijn vergewisplicht. Van belang is ook dat eiser het onderzoek van Bureau Documenten niet door middel van een contra-expertise heeft bestreden. Verweerder heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat geen sprake is van nieuwe elementen of bevindingen, nu het krantenartikel niet in deze verschijningsvorm verschenen kan zijn en de authenticiteit van de overige stukken (affidavit of facts en details of entry) niet kan worden vastgesteld.

De aanvraag is terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is ongegrond.
Rb Middelburg NL20.16032, 4.1.21
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:2477

Rb: video als bewijsmateriaal nader onderzoeken

De vreemdeling heeft er terecht op gewezen dat uit Werkinstructie 2014/10 blijkt dat een vreemdeling zijn asielrelaas ook met elektronische gegevensdragers kan onderbouwen. Indien de staatssecretaris twijfelt aan de vraag of de video technisch authentiek is, is het naar het oordeel van de rechtbank aan de staatssecretaris om dit te laten onderzoeken door een deskundige die kan beoordelen of er met de video ‘geknoeid’ is of niet.

De vreemdeling heeft er terecht op gewezen dat bij een onderzoek tevens bekeken kan worden of er informatiemateriaal bestaat dat vergelijkbaar is en of op grond waarvan nagegaan kan worden of de beelden die op de video te zien zijn overeenkomen met beelden van het vergelijkingsmateriaal. Als dit materiaal er niet is, kan de staatssecretaris niet zonder meer zeggen dat de video daarom geen onderbouwing voor de bedreiging van de vreemdeling kan opleveren.

Het standpunt van de staatssecretaris omtrent de video is onzorgvuldig voorbereid.
Rb Roermond, NL20.12637, 16.3.21

SvJ&V: Taskforce IND niet voor hasa’s, 450  hasa’s van voor 1 april 2020 wachten nog

De Taskforce is ingericht om een groot aantal oude zaken versneld te kunnen afdoen met als doel dat de IND de nieuwe instroom eerste asielaanvragen vanaf 1 april 2020 binnen de wettelijke termijnen kan afdoen. De Taskforce behandelt 15.350 eerste asielaanvragen van voor 1 april 2020 (AA, VA en zij-instroom). De IND behandelt naast nieuwe aanvragen AA en VA nog diverse andere oude aanvragen, waaronder spoor 1 en 2 aanvragen en herhaalde aanvragen. De oude voorraad wordt door de IND in het komende half jaar met voorrang afgehandeld, het gaat om 450 zaken.

https://www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/kamerstukken/2021/03/19/antwoorden-kamervragen-over-het-bericht-achterstanden-bij-ind-in-behandeling-asielaanvragen/antwoorden-kamervragen-over-het-bericht-achterstanden-bij-ind-in-behandeling-asielaanvragen.pdf, 19.3.21

Rb: statushouder niet naar Italie, psychische problemen

De staatssecretaris heeft de aanvraag niet-ontvankelijk verklaard omdat de vreemdeling in Italië reeds internationale bescherming heeft gekregen. De vreemdeling heeft gesteld dat hij vanwege zijn medische situatie aangemerkt dient te worden als kwetsbaar persoon en dat terugkeer naar Italië leidt tot een schending van 3 EVRM. De vreemdeling heeft zichzelf in het AZC in zijn keel gesneden met een mes.  Later heeft hij zichzelf in zijn buik gestoken en lag hij in een sloot om zichzelf te dopen en te offeren uit naam van god, uit opdracht van stemmen. De vreemdeling is inmiddels uitgestroomd een AZC in, maar hij gaat elke twee weken terug naar CTP Veldzicht voor zijn (medicatie)depot.

De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris ten onrechte aan de psychische situatie voorbij is gegaan. De situatie kan immers met zich brengen dat hij als bijzonder kwetsbaar moet worden aangemerkt in de zin van het Tarakhel-arrest. Anders dan de staatssecretaris meent is van een dergelijke kwetsbaarheid immers niet alleen sprake bij families/vrouwen met jonge kinderen. Bovendien kan de bijzondere kwetsbaarheid ook een rol spelen bij statushouders. De vreemdeling heeft gewezen naar het rapport van Swiss Refugee Council waar staat vermeld dat er in Italië weinig plaatsen zijn waar statushouders met psychische problemen terecht kunnen en dat er voor ernstige gevallen zelfs helemaal geen plaatsen zijn.

De staatssecretaris had moeten onderzoeken of de vreemdeling als bijzonder kwetsbaar moet worden aangemerkt en zo ja, of hij terug kan naar Italië, zonder daarbij terecht te komen in een artikel 3 EVRM-situatie. Het besluit is onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd. Dat de psychose zich pas na datum van het bestreden besluit heeft geopenbaard doet hier niet aan af, omdat de rechtbank ex nunc toetst. Beroep gegrond.

Rb Roermond, NL20.12708, 12.3.21

United Nations Special Rapporteur on extreme poverty and human rights: minimuminkomen ook voor ongedocumenteerden

I strongly encourage the presentation of a proposal for a framework directive on minimum income schemes in the EU. It would set out a set of common human rights principles on the adequacy, universal unlimited access and coverage (including coverage of undocumented migrants, and of youth), and enabling character of minimum income schemes, taking as minimum requirements the criteria following from the International Covenant on Economic, Social and Cultural Rights, the ILO Social Security (Minimum Standards) Convention, 1952 (No. 102), and ILO Recommendation (No. 202) on Social Protection Floors.

Minimum income schemes, however, should not be conflated with unemployment protections that incorporate incentives to work; while active labor policies are an important instrument to promote effective inclusion and while social services can play an important role in bringing people back to work, the imposition of conditionalities in access to minimum income is as damaging as it is ineffective. In attempting to assuage political fears of chronic dependency on social assistance, such conditionalities may end up leading to higher rates of non-take-up and to worsening the poverty trap. Minimum income schemes should uphold the principles of universality and equality in protection that are at the core of any system of guaranteed income.

https://www.ohchr.org/EN/NewsEvents/Pages/DisplayNews.aspx?NewsID=26693&LangID=E, 29.1.21

Rb: over wijze van aanvraag schrijnende omstandigheden in de loop van een eerste asielprocedure

De vreemdeling heeft de staatssecretaris verzocht om ambtshalve verlening van een verblijfsvergunning vanwege schrijnende omstandigheden. Hij  heeft ook een vergunning onder de beperking ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’ gevraagd. Tenslotte heeft hij ook een asielaanvraag vanwege schrijnende omstandigheden ingediend. Al deze verzoeken zijn afgewezen, er is bezwaar gemaakt of beroep ingesteld, en een voorlopige voorziening gevraagd. De kern van het geschil draait om de vraag of en zo ja in welke procedure de staatssecretaris inhoudelijk had moeten toetsen of de vreemdeling in aanmerking kan komen voor een vergunning vanwege schrijnende omstandigheden.

De rechtbank ziet in het betoog van de vreemdeling aanleiding om artikel 3.6ba Vb exceptief te toetsen aan het rechtszekerheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel.

Uit de nota van toelichting blijkt dat het de bedoeling is dat een vreemdeling ook na het nemen van een asielbesluit een beroep kan doen op schrijnende omstandigheden. Er staan rechtsmiddelen open als dit resulteert in een afzonderlijk besluit. Naar het oordeel van de rechtbank zou dit moeten betekenen dat er een duidelijke procedure is voor de besluitvorming en rechtsbescherming. De door de staatssecretaris geschetste werkwijze (de Afdeling verzoeken te wachten met de behandeling van het hoger beroep in de asielprocedure om zo de schrijnende situatie aan de orde te stellen) is zo afwijkend van welke andere procedure dan ook dat de vreemdeling zich hiervan niet bewust hoeft te zijn. De staatssecretaris had deze werkwijze kenbaar moeten maken. Dat is niet gebeurd. Bovendien mag de vreemdeling erop vertrouwen dat indien hij tijdig een beroep heeft gedaan op schrijnende omstandigheden, er een behoorlijke procedure voor de besluitvorming en rechtsbescherming volgt. Uit deze overwegingen volgt dat niet is voldaan aan het duidelijkheidsbeginsel en vertrouwensbeginsel en voor zover in de hoger beroepsfase een aanvraag wordt gedaan om een vergunning vanwege schrijnende omstandigheden, is artikel 3.6ba Vb dan ook in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.

Er is ook strijd met het evenredigheidsbeginsel omdat niet blijkt dat het belang van een inhoudelijk besluit te verkrijgen en de daarbij behorende rechtsbescherming bij de vaststelling van deze regeling niet is betrokken.

De passage uit artikel 3.6ba Vb "tot het moment waar op de beslissing op een eerste in Nederland ingediende aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd of een eerste in Nederland ingediende aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onherroepelijk is" dient buiten toepassing te worden gelaten. De motivering van de weigering om een vergunning vanwege schrijnende omstandigheden te verstrekken is daarom niet deugdelijk.

Beroep gegrond.
Rb Amsterdam (MK), AWB 20/1023, AWB 20/7424 en AWB 20/7510 en AWB 20/5067 en AWB 20/6483, 2.2.21
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:2254

RvS: geen paspoort vereist voor Chavez-vergunning, wel ondubbelzinnig bewijs identiteit

De vreemdeling voert terecht aan dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, uit het arrest Oulane niet volgt dat een vreemdeling zijn identiteit en nationaliteit pas met andere documenten mag staven als hij in bewijsnood verkeert met het overleggen van een paspoort of een geldig document voor grensoverschrijding. Uit dat arrest volgt juist dat een lidstaat niet mag verlangen dat een vreemdeling een geldige identiteitskaart of een geldig paspoort overlegt als die vreemdeling zijn identiteit en nationaliteit ondubbelzinnig aantoont met andere documenten.

De vreemdeling voert ook terecht aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat paragraaf B10/2.2 van de Vc 2000 niet in overeenstemming is met het arrest Oulane. Paragraaf B10/2.2 van de Vc 2000, waarin staat dat een vreemdeling eerst een paspoort of geldig document voor grensoverschrijding moet overleggen en pas als hij hieraan "niet kan voldoen", zijn identiteit en nationaliteit met andere documenten mag aantonen is dus onjuist.

De staatssecretaris heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdeling met de overlegde  documenten zijn identiteit en nationaliteit niet ondubbelzinnig heeft aangetoond. Over het 'jugement supplétif' heeft de staatsecretaris terecht opgemerkt dat dit een later opgemaakte geboorteregistratie is, die geen pasfoto bevat en evenmin de nationaliteit van de vreemdeling vermeldt. Over de nationaliteitsverklaringen en consulaire identiteitskaart heeft de staatssecretaris terecht opgemerkt dat onduidelijk is op basis van welke brondocumenten deze zijn afgegeven, welk onderzoek heeft plaatsgevonden en op welke manier de Guinese autoriteiten de identiteit van de vreemdeling hebben vastgesteld. Over de kopie van het rijbewijs heeft de staatssecretaris terecht opgemerkt dat onduidelijk is op basis van welke brondocumenten het rijbewijs is afgegeven. Verder heeft de staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat de omstandigheid dat in een eerdere asielprocedure de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling geloofwaardig zijn geacht, niet betekent dat in de onderhavige procedure ook daarvan moet worden uitgegaan, omdat de vreemdeling dit in de asielprocedure slechts aannemelijk moest maken terwijl hij dit in de onderhavige procedure ondubbelzinnig moet aantonen. De staatssecretaris heeft met het voorgaande deugdelijk gemotiveerd dat de vreemdeling zijn identiteit en nationaliteit niet ondubbelzinnig heeft aangetoond met de overgelegde documenten. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen, zij het niet op de juiste gronden, dat de staatssecretaris de aanvraag terecht heeft afgewezen.

De grief faalt. Het hoger beroep is ongegrond.
RvS 202005408/1/V1, 24.2.21
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2021:356

HvJ EU: belang kind meewegen bij afweging uitzetting vader

The case concerns return procedures against a third-country national, M.A., whose minor daughter has Belgian nationality. He was ordered to leave the territory due to the commission of offences in Belgium. The Council of State referred a question to the CJEU on the obligation to consider the best interests of the child in return proceedings, even if return action is not taken against the child but only in respect of the father.

The Court noted that the Member States are bound by Article 5 (a) of the Return Directive to take due account of best interests of the child in that Directive's implementation, including where action to return is taken against a person who is the father of a minor residing legally in the EU.
To exclude adult-related decisions from best interests of the child considerations would also contravene the objective of Article 5 and the Directive itself, which is to ensure returns are conducted in compliance with fundamental human rights. This guarantee, in combination with the broadly defined Article 24 of the Charter and Article 3 (1) of the Convention on the Rights of the Child, should apply to cases that "indirectly" affect children. In that regard, the Court highlighted that the latter provision covers all decisions and actions directly or indirectly affecting children, as was pointed out by the UN Committee on the Rights of the Child in the General Comment No. 14 (2013). Lastly, where the EU legislature wanted considerations to only relate to the person against whom action is taken, it has indicated so, such as in Article 5 (c) of the Return Directive.

Consequently, EU law should not be interpreted as precluding the consideration of the child's best interests if action is taken only with regard to an adult parent's return.

HvJ EU C-112/20 , 11.3.21
http://curia.europa.eu/juris/liste.jsf?num=C-112/20

Pagina's