Nieuws

SvJ&V: asielbeleid Nigeria

In het algemeen wordt aangenomen dat het niet mogelijk is bescherming te verkrijgen van de autoriteiten of internationale organisaties, tenzij sprake is van evidente, concrete en individualiseerbare aanknopingspunten op basis waarvan kan worden aangenomen dat het verkrijgen van bescherming wel mogelijk is.

Voor vrouwen en meisjes die vrezen voor gendergerelateerd geweld (incl. besnijdenis) zal ervan uitgegaan worden dat er geen binnenlands beschermingsalternatief aanwezig is, tenzij de IND op grond van individuele omstandigheden kan concluderen dat de vreemdeling zich wel elders in Nigeria kan vestigen.

https://www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/kamerstukken/2021/06/17/tk-landenbeleid-nigeria/tk-landenbeleid-nigeria.pdf, 17.6.21

SvJ&V: asielbeleid Iran

Herformulering risicogroep: “personen die actief zijn in de politiek, journalistiek, op het gebied van mensenrechten of een ander maatschappelijk terrein (in het bijzonder op het terrein van vrouwenrechten en de rechten van etnische minderheden) en daarbij kritiek uiten op de autoriteiten, hetgeen door de autoriteiten als oppositioneel kan worden aangemerkt”.

https://www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/kamerstukken/2021/06/17/tk-landenbeleid-iran/tk-landenbeleid-iran.pdf, 17.6.21

Rb: Azerbeidzjaanse beheerder kritische website loopt risico bij terugkeer

De vreemdelingen voeren aan dat de staatssecretaris ten onrechte geen asielvergunning heeft verleend op grond van de journalistieke en politieke activiteiten van de vreemdeling. Verweerder acht weliswaar geloofwaardig dat de vreemdeling hoofdredacteur is van een website maar dat hij deze betrokkenheid eerder had moeten melden. Ook stelt hij ten onrechte dat niet is gebleken dat de Azerbeidzjaanse autoriteiten op de hoogte zijn van de werkzaamheden van de vreemdeling. Een website als deze wordt per definitie gemonitord door de autoriteiten. Ze verwijzen hierbij naar het Algemeen Ambtsbericht. Daarbij komt dat zijn posts op Facebook regelmatig worden geblokkeerd. Ten slotte stellen de vreemdelingen dat de vreemdeling behoort tot de risicogroep ‘vreemdelingen die actief zijn in de politiek, journalistiek, of op het gebied van mensenrechten en daarbij significant kritiek op de autoriteiten uiten, en om die reden in de negatieve belangstelling van de autoriteiten staan’.

De staatssecretaris heeft zich op het standpunt gesteld dat er sprake is van een gebrek in het onderzoek en in de besluitvorming. Er dient namelijk alsnog onderzocht te worden of de vreemdeling de activiteiten in Nederland heeft verricht vanuit een ‘fundamentele politieke overtuiging’. De staatssecretaris is voornemens hierover nader te horen. Gelet op dit gebrek in de voorbereiding en motivering van het bestreden besluit ziet de rechtbank aanleiding het besluit te vernietigen. 

Beroep gegrond.
Rb Haarlem, NL20.18260 en NL20.18266, 3.6.21

Rb: hoewel medische zorg in Kabul bestaat, dreigt 3EVRM-risico bij terugsturen zieke Afghaan

In rechte staat vast dat de medische situatie van eiser op zichzelf bezien bij terugkeer naar Afghanistan niet leidt tot een schending van artikel 3 van het EVRM omdat de noodzakelijke behandeling om een medische noodsituatie te voorkomen in Afghanistan beschikbaar is. Het gaat er in deze procedure echter om dat uit het BMA-advies volgt dat eiser enkel naar Kabul kan terugkeren omdat dat de enige plek is in Afghanistan waar eiser toegang heeft tot deze noodzakelijke medische voorzieningen, waaronder begrepen medicijnen, om een medische noodsituatie te voorkomen. Elders in Afghanistan zijn die voorzieningen niet aanwezig. Dat de rechtbank hiermee, zoals door verweerder aangegeven, zou bepalen dat het toetsingskader van “een vestigingsalternatief” aan de orde is volgt de rechtbank niet. (...)

Verweerder heeft in zijn besluit beide beoordelingen separaat verricht door te wijzen op in welke procedure welke beoordeling en toets plaatsvindt. Verweerder miskent hiermee echter dat in de procedure die betrekking heeft op de opvolgende aanvraag van eiser beide procedures samenkomen bij de beoordeling of eiser -inmiddels- aanspraak op bescherming maakt. Door te blijven wijzen op de verschillende procedures en de daarin aan de orde zijnde beoordelingskaders heeft verweerder niet onderkend dat hij hiermee een patstelling creëert en hij eiser de mogelijkheid onthoudt om zijn recht op bescherming te kunnen effectueren. Verweerder dient nu juist een actieve en welwillende houding aan te nemen bij het onderzoeken of eiser in aanmerking kan worden gebracht voor bescherming en daarmee verblijfsaanvaarding. De rechtbank wijst hierbij uitdrukkelijk op het arrest van het Hof van Justitie van 10 juni 2021 in de zaak C-921/19 (ECLI:EU:C:2021:478).

Door verweerder is niet weersproken dat eiser in Kabul geen netwerk heeft maar wel medische problemen heeft die hem bijzonder kwetsbaar maken als het gaat om de vraag en beoordeling of hij zich daar kan handhaven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in deze zaak de humanitaire omstandigheden waarin eiser in Kabul dreigt terecht te komen ten onrechte niet aangemerkt als een -asielrechtelijk- relevant element. De rechtbank acht de kans reëel dat eiser in Kabul op straat komt te leven, dan wel is aangewezen op een “krot” als huisvesting of zich naar een ontheemdenkamp moet begeven. In al die gevallen zijn er op dit moment ernstige redenen om te veronderstellen dat het hem aan adequate basisvoorzieningen zal ontbreken en de drempel van een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling wordt gehaald. Gelet op de rapporten waarnaar eiser heeft verwezen en hetgeen de rechtbank ambtshalve bekend is over de situatie in Afghanistan is het niet reëel om te verwachten dat de situatie op dit punt op korte termijn door toedoen van de Afghaanse regering (wel) zal verbeteren. Ook gelet op de persoonlijke omstandigheden van eiser is het niet reëel om te verwachten dat hijzelf binnen afzienbare tijd zijn situatie aldaar zou kunnen verzachten en/of daar controle op kan uitoefenen en daarmee verantwoordelijkheid hiervoor te kunnen dragen.

Beroep gegrond
Rb den Bosch NL21.3363, 14.6.21
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:6064

HvJ EU: 15c moet individueel beoordeeld worden

The referring German Court asked (i) how Article 15(c) of the recast Qualification Directive 2011/95/EU should be interpreted in respect of how the degree of arbitrary violence in an armed conflict should be measured and (ii) whether Article 15(c) of Qualification Directive must be interpreted as meaning that, in order to determine whether there is a 'serious and individual threat', a comprehensive appraisal of all the circumstances of the individual case is required.

With reference to the first question, the CJEU considered that on one hand, the number of civilian casualties reaching a fixed threshold, in light of the population in a given region, may be a regarded as relevant for the purposes of determining whether a 'serious and individual threat' exists within the meaning of Article 15(c) of the Qualification Directive. However, on the other hand, the CJEU noted that such a finding cannot constitute a determining factor and in particular, the absence of such a threshold of casualties cannot, in itself, be sufficient to exclude systematically and in all circumstances the existence such a threat, and hence lead to subsidiary protection being ruled out. It further highlighted that such an approach would be of questionable reliability given the difficulty of identifying objective and independent sources of information close to areas of armed conflict. In that regard, the CJEU held that Article 15(c) of Qualification Directive must be interpreted as precluding the interpretation of national legislation according to which a finding of 'serious and individual threat' to a civilian's life is subject to the condition that the ratio between the number of casualties and the population of a given region reaches a fixed threshold.

In reference to the second question, the CJEU reiterated the Advocate General's statement that Article 15(c) of the Qualification Directive must be interpreted broadly and thus, in order to determine whether there is a 'serious and individual threat', all the relevant circumstances must be considered. The CJEU held that it follows from Article 4(3) of the Qualification Directive that an application for international protection made under Article 15(c) must be subject to an individual assessment.

HvJ EU C-901/19, CF, DN v Bundesrepublik Deutschland, 10.6.21
https://curia.europa.eu/juris/liste.jsf?num=c-901/19

SvJ&V: herbeoordeling veilige landen van herkomst Algerije, Albanië, Montenegro en Macedonië

Uit de herbeoordelingen volgt Albanië, Montenegro en Noord-Macedonië als veilig land van herkomst blijven gelden.

Voor Algerije geldt dat niet: Uit de bronnen die sinds september 2020 bekend zijn geworden volgt dat de toepassing van de wetten en voorschriften en de naleving van de rechten en vrijheden, zoals beschreven in de Procedurerichtlijn als maatgevend voor de beoordeling als ‘veilig land van herkomst’, in de praktijk in toenemende mate onder druk is komen te staan. Voorts blijkt dat deze schendingen onvoldoende aan de orde kunnen worden gesteld bij de onafhankelijke rechter, zodat niet gesteld kan worden dat er in algemene zin sprake is van een systeem van daadwerkelijke rechtsmiddelen tegen schendingen van voornoemde rechten en vrijheden. De algemene situatie in Algerije komt daarmee op een niveau waarvan niet meer gezegd kan worden dat nog wordt voldaan aan de vereisten die de Procedurerichtlijn stelt voor het aanmerken van een land als veilig land van herkomst.

https://www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/kamerstukken/2021/06/11/tk-herbeoordeling-veilige-landen-van-herkomst-albanie-algerije-montenegro-en-noord-macedonie/tk-herbeoordeling-veilige-landen-van-herkomst-albanie-algerije-montenegro-en-noord-macedonie.pdf, 11.6.21

Rb: intrekken subsidiaire bescherming vereist individueel oordeel

De staatssecretaris heeft de aan de vreemdelingen verleende internationale beschermingsstatus beëindigd omdat zij geen verlenging hadden aangevraagd voordat hun verblijfsvergunning zou verlopen. De vreemdeling stellen in beroep dat voorafgaand aan deze besluiten er een individuele afweging moet plaatsvinden, waar echter geen sprake van is geweest. In eerdere procedures is geoordeeld dat het beroep ontvankelijk is.
De rechtbank overweegt als volgt. De Afdeling heeft zich eerder uitgelaten over het beëindigen van een subsidiaire beschermingsstatus. Hieruit volgt dat alvorens de subsidiaire beschermingsstatus wordt beëindigd, er een individuele beoordeling moet plaatsvinden. Dit blijkt hiernaast ook uit het arrest H.T. van het Hof van Justitie (ECLI:EU:C:2015:413). Hieruit volgt namelijk dat ook na de beëindiging van een beschermingsstatus, een vreemdeling internationale bescherming geniet en recht heeft op de voordelen uit hoofdstuk VII van de Definitierichtlijn, waaronder het recht op non-refoulement. Hoewel uit H.T. niet blijkt dat de staatssecretaris niet op andere gronden een verblijfstatus kan beëindigen, moet deze beëindiging echter altijd gepaard gaan met een individuele beoordeling. Door het besluit alleen te baseren op het niet tijdig indienen van een aanvraag tot verlenging of om verlening voor onbepaalde tijd, is hier in het geval van de vreemdelingen geen sprake van.

De rechtbank is van oordeel dat de procedure in dit geval onvoldoende heeft gewaarborgd dat de beschermingsstatus niet onterecht wordt beëindigd. De staatssecretaris moet beoordelen of de vreemdelingen bescherming tegen refoulement behoeven. De bestreden besluiten worden vernietigd.

Rb Haarlem, NL20.10929 en NL20.10930, 8.6.21

HvJ EU: geen bewijs van echtheid nova vereist

Op de vraag of Nederlandse rechtspraak, waarin wordt geoordeeld dat originele documenten nooit nieuwe elementen of bevindingen kunnen zijn indien de authenticiteit van deze documenten niet kan worden vastgesteld, verenigbaar is met de Europese richtlijnen oordeelt het Hof als volgt. 

Art 40 lid 2 Pri moet worden uitgelegd dat het in de weg staat aan nationale wetgeving volgens welke elk document dat door een persoon in de opvolgende aanvraag is overgelegd automatisch wordt beschouwd als een document dat geen nieuw element of nieuwe bevinding in de zin van deze bepaling is, wanneer de authenticiteit van dit document niet kan worden vastgesteld of de bron van een dergelijk document niet objectief verifieerbaar is. Art 40 lid 2  maakt geen enkel onderscheid tussen de eerste en opvolgende aanvraag wat de aard van de elementen betreft, zodat de beoordeling van de feiten in beide gevallen moet worden verricht overeenkomstig art 4 Dri. Uit dit artikel blijkt voorts niet dat het een vereiste is dat de documenten noodzakelijkerwijs geauthentiseerd zijn. Bij een opvolgende aanvraag kan het feit dat een document niet is geauthentiseerd er dus niet toe leiden dat een verzoek onmiddellijk niet-ontvankelijk wordt verklaard, zonder te onderzoeken of dit document een nieuw element vormt en of het de kans aanzienlijk groter maakt dat de vreemdeling in aanmerking komt voor internationale bescherming.

Het Hof antwoord op de tweede vraag, over of het volgens Europees recht toegestaan is dat de staatssecretaris bij de beoordeling van documenten onderscheid maakt tussen documenten overgelegd bij de eerste aanvraag en de opvolgende aanvraag, dat de beoordeling van de bewijzen niet mag verschillen naargelang het om een eerste verzoek of opvolgende aanvraag gaat. Verder wordt van de beslissingsautoriteit verwacht om ook bij opvolgende aanvragen verdere invulling te geven aan de samenwerkingsverplichting indien de vreemdeling documenten overlegt waarvan de authenticiteit niet kan worden vastgesteld.

HVJEU LH t. Nederland C-921/19, 10.6.21
https://curia.europa.eu/juris/liste.jsf?num=c-921/19

RvS: patstelling moet doorbroken worden bij vreemdeling met twee identiteiten

In rechte staat vast dat de vreemdeling zowel [de vreemdeling] als [persoon A] is. Tegelijk is het feitelijk niet mogelijk dat één persoon twee identiteiten heeft, anders dan wanneer het om een alias gaat. Om deze uitzonderlijke en slepende patstelling te doorbreken, wordt in dit zeer bijzondere geval voorbij gegaan aan de uitspraak van de rechtbank. De Afdeling zal de zaak beoordelen aan de hand van de stukken zoals die nu voorliggen.

De vreemdeling staat ingeschreven in de Basisregistratie Personen van de gemeente Rotterdam onder de naam [de vreemdeling]. Hij is in bezit van een echt bevonden Iraaks paspoort bezit waaruit die identiteit volgt. Hij erkent dat hij in Jordanië onder de naam [persoon A] heeft gestudeerd en heeft kopieën van een Jordaans paspoort overgelegd. De vreemdeling betoogt terecht dat het de staatssecretaris niet vrij staat om aan het echt bevonden Iraakse paspoort geen waarde te hechten. De rechtbank heeft daarom ten onrechte geoordeeld dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het aan de vreemdeling is om aan te tonen dat hij niet [de Jordaanse persoon A] is. Al hierom slagen de grieven van vreemdeling.

De Afdeling oordeelt dat de patstelling moet worden doorbroken. Daarbij is relevant dat de staatssecretaris tot op heden niet duidelijk heeft gemaakt hoe volgens hem op dit moment nog uitsluitsel kan worden verkregen over de identiteit van de vreemdeling. (...) Gelet op al deze omstandigheden moet het ervoor worden gehouden dat de vreemdeling [de vreemdeling] is en niet [persoon A].         

De staatssecretaris moet een nieuw besluit op het verzoek om herziening van de intrekking van de verblijfsvergunning asiel nemen. Daarbij moet hij ervan uitgaan dat de vreemdeling [de vreemdeling] is.

Het hoger beroep is gegrond.
RvS 202005989/1/V3, 16.6.21
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2021:1287

CBS: schatting aantallen immigranten en asielzoekers tot 2070

Voor de lange termijn gaat de Bevolkingsprognose 2020-2070 uit van ruim 290 duizend immigranten per jaar. In de inschatting van dit structurele niveau zitten nog grote onzekerheden als gevolg van onder andere de economische conjunctuur en internationale conflicten. Het CBS verwacht dat het aantal immigranten de komende decennia waarschijnlijk (met 67% zekerheid) tussen de 240 duizend en 360 duizend per jaar zal liggen.

Voor de toekomst wordt van jaarlijks 19 duizend eerste asielverzoeken in Nederland uitgegaan. Op basis van de aantallen asielverzoeken en asielmigranten tot op heden wordt verondersteld dat 63 procent van de aanvragen uiteindelijk wordt toegekend en dat per toegekende aanvraag er gemiddeld nog 0,5 nareiziger naar Nederland komt. Immigranten die van de nareizigersregeling gebruik maken worden ook bij de asielimmigratie gerekend. In totaal geeft dit in de Bevolkingsprognose 2020-2070 een verwacht aantal jaarlijkse toegelaten asielmigranten van ongeveer 18 duizend per jaar. 

https://www.cbs.nl/nl-nl/longread/statistische-trends/2021/bevolkingsprognose-2020-2070-veronderstellingen-over-immigratie, 2.6.21

Pagina's