Nieuws

Rb: Gaza niet leefbaar zonder bescherming door UNWRA

De vreemdeling heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij een periode aanhanger was van Hamas en dat hij vreest gedwongen te worden om zich weer aan te sluiten bij Hamas. ...

In de uitspraak van 10 juni 2021 heeft het HvJEU overwogen dat bij de beoordeling of er sprake is van een 15c-situatie ook rekening gehouden moet worden met onder meer de intensiteit van de gewapende confrontaties, het organisatieniveau van de betrokken strijdkrachten en de duur van het conflict, alsook met andere elementen, zoals de geografische omvang van de situatie van willekeurig geweld, de daadwerkelijke bestemming van de vreemdeling in geval van terugzending naar het betrokken land of gebied en het eventueel opzettelijke geweld dat door de strijdende partijen wordt uitgeoefend tegen burgers.

De rechtbank stelt vast dat de staatssecretaris zijn beoordeling van de actuele situatie in Gaza heeft gebaseerd op een artikel in Trouw, twee berichten van Al Jazeera en een persbericht van de VN. Dit is onvoldoende om met name de humanitaire situatie waarin eiser bij terugkeer in zal komen te verkeren te beoordelen, alsmede de bereikbaarheid van Gaza voor de vreemdeling. Dit klemt te meer omdat hij niet zal kunnen terugvallen op bescherming van de UNRWA en al twintig jaar weg is uit Gaza.

Beroep gegrond.
Rb Haarlem, NL20.15168, 9.9.21

RvS: geen vestigingsalternatief voor alleenstaande vrouw met PTSS in Iran

De staatssecretaris heeft het huiselijk geweld geloofwaardig geacht, maar zich ook op het standpunt gesteld dat de vreemdeling niet terug hoeft te keren naar haar familie....

De vreemdeling klaagt terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris deugdelijk heeft gemotiveerd dat van haar kan worden verlangd dat zij zich elders in Iran vestigt. ... Uit de brief van de GGZ volgt dat de vreemdeling door haar traumatische ervaringen in Iran lijdt aan PTSS, een depressieve stoornis en een paniekstoornis en dat sprake is van een GAF-score van 40. Deze score wijst volgens de brief op enige vermindering in realiteitsbesef of communicatie, of een sterke vermindering op verschillende terreinen, zoals werk of school, gezins- of familierelaties, beoordelingsvermogen, denkvermogen of stemming. De staatssecretaris heeft zich daarom ten onrechte zonder onderzoek door Bureau Medische Advisering over de medische klachten op het standpunt gesteld dat weliswaar niet is uitgesloten dat het voor de vreemdeling een grotere mate van inspanning zal vergen om zichzelf in Iran staande te houden, maar dat niet is gebleken dat dit niet mogelijk is. De rechtbank heeft dan ook niet onderkend dat de staatssecretaris, gelet op alle overgelegde informatie ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat de persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling er niet aan in de weg staan dat zij elders in Iran een vestigingsalternatief heeft.

Het hoger beroep is gegrond.
RvS 202005456/1/V3, 24.8.21
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2021:2044

RvS: geen naturalisatie met Chavez-status, valt niet onder Unierecht

Gelet op de Handleiding RWN, moet de staatssecretaris in het kader van een naturalisatieverzoek aan de hand van het aan de verzoeker verleende verblijfsrecht beoordelen of bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland. Daarbij is van belang of het verblijfsrecht een tijdelijk of een niet-tijdelijk karakter heeft. Deze beoordeling strekt verder dan alleen de vraag of er een contra-indicatie is tegen het verblijf voor onbepaalde tijd.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 24 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:395, volgt uit de rechtspraak van het Hof dat een Chavez-Vilchezverblijfsrecht een afgeleid verblijfsrecht is dat als doel heeft het voorkomen dat een burger van de Unie geen gebruik kan maken van de rechten die horen bij het Unieburgerschap. Het verblijfsrecht van [appellante] is daarmee alleen gebaseerd op de afhankelijkheidsrelatie met haar Nederlandse kinderen. Dit verblijfsrecht eindigt in beginsel zodra haar kinderen meerderjarig worden of zodra geen van beide kinderen meer afhankelijk zijn van haar zorg. Op voorhand staat dus vast dat dit verblijfsrecht een tijdelijk karakter heeft.

Zoals de Afdeling verder in de uitspraak van 24 februari 2021 heeft overwogen, zijn de naturalisatieprocedure en de verblijfsrechtelijke procedure op de voet van de Vw 2000 gescheiden procedures. Vragen over toelating en verblijf horen daarom in beginsel thuis in een procedure op de voet van de Vw 2000. Anders dan [appellante] betoogt, moet de vraag of de staatssecretaris een Chavez-Vilchezverblijfsrecht als tijdelijk of niet-tijdelijk moet aanmerken in de zin van de Richtlijn langdurig ingezetenen worden beantwoord in een procedure op grond van Vw 2000 en niet op grond van de RWN...

Er bestaat verder, gelet op de uitspraak van 24 februari 2021, geen aanleiding om het hoger beroep van [appellante] aan te houden totdat het Hof op de door de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, in haar verwijzingsuitspraak van 24 november 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:11785, gestelde vragen heeft beslist. Uit deze uitspraak volgt namelijk dat het karakter van de naturalisatieprocedure anders is dan dat van de verblijfsrechtelijke procedure. De vraag of een verblijfsrecht tijdelijk of niet-tijdelijk is in het kader van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de RWN, is een nationaalrechtelijke vraag waarbij de staatssecretaris beoordelingsruimte heeft. ... Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 24 februari 2021 zijn de lidstaten van de Europese Unie in de eerste plaats bevoegd de voorwaarden voor het verkrijgen van de nationaliteit te bepalen. De vraag of [appellante] in aanmerking komt voor het Nederlanderschap valt daarom buiten de reikwijdte van het Unierecht.

Het betoog faalt.
RvS 202100084/1/V6, 22.9.21
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2021:2120
ook: RvS 202100124/1/V6, 22.9.21
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2021:2119

Rb: Dublin-detentie gezin onrechtmatig want geen zicht op uitzetting ivm weigeren coronatest

De staatssecretaris heeft de asielaanvraag van de vreemdeling en haar minderjarige kinderen niet in behandeling genomen, omdat Frankrijk hiervoor verantwoordelijk is. Ook heeft de staatssecretaris een maatregel van bewaring opgelegd aan de vreemdelingen. 

De rechtbank beperkt zich in deze zaak tot de vraag of de vreemdelingen schadevergoeding moeten krijgen. De staatssecretaris heeft meerdere gronden vermeld waarom hij heeft overwogen dat de maatregel nodig was. De gronden van de maatregelen zijn niet betwist door de vreemdelingen. 

Wat betreft de duur van de maatregel, overweegt de rechtbank dat al op 12 augustus 2021 bekend was dat de vreemdelingen niet op 13 augustus konden worden overgedragen, omdat de vreemdeling weigerde mee te werken aan een coronatest. De bewaring is 16 augustus opgeheven en de staatssecretaris heeft niet kunnen vertellen of in die tijd is gewerkt aan het plannen van een nieuwe overdracht binnen de genoemde termijn van twee weken. Het zoeken van een plaats bij het COA is geen reden om ze in bewaring te houden. De maatregel van bewaring was dus met ingang van 12 augustus 2021 onrechtmatig.

Beroep gegrond.
Rb Roermond, NL21.12956, NL21.12959, NL21.12963, NL21.12972, NL21.12973 en NL21.12974, 27.8.21

RvS: bij detentie is check op rechtmatig verblijf als partner van Unieburger verplicht

Uit de uitspraak van de Afdeling van 28 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1346, volgt dat in het geval een vreemdeling voorafgaand aan het nemen van een terugkeerbesluit geen aanvraag om toetsing aan het EU-recht heeft ingediend, het in de eerste plaats aan hem is om tijdens het gehoor concrete aanknopingspunten aan te dragen die erop duiden dat hij op grond van het Unierecht een afgeleid verblijfsrecht heeft. De staatssecretaris moet vervolgens, mede op basis van het geheel aan verklaringen, al dan niet ondersteund met documenten, beoordelen of sprake is van voldoende concrete aanknopingspunten die erop duiden dat de vreemdeling een afgeleid verblijfsrecht heeft. Dit hangt af van de concrete omstandigheden van het geval.

Uit het proces-verbaal van gehoor voorafgaand aan het terugkeerbesluit blijkt dat de vreemdeling heeft verklaard dat zij is gehuwd, dat haar echtgenote de Spaanse nationaliteit heeft en dat zij wenst te verblijven bij haar echtgenote die in Nederland woont. Verder heeft zij de naam van haar echtgenote genoemd en heeft zij gewezen op documenten waarmee zij haar verklaringen kan staven, maar die zij op het moment van het gehoor niet bij zich had.

Uit het samenstel van deze verklaringen blijkt dat de vreemdeling voldoende concrete aanknopingspunten heeft gegeven voor nader onderzoek naar een aan de Verblijfsrichtlijn ontleend afgeleid verblijfsrecht. Uit het voormeld proces-verbaal blijkt dat de ambtenaar aan de hand van die verklaringen niet heeft doorgevraagd of haar in de gelegenheid heeft gesteld om over de documenten bijvoorbeeld contact op te nemen met haar echtgenote (vgl. de uitspraak van de Afdeling van 28 juni 2021). Dat had hij wel moeten doen. Dit geldt temeer omdat de vreemdeling, die over een geldig, op haar naam gesteld, Colombiaans paspoort beschikt, heeft verklaard dat zij via haar echtgenote bewijsstukken over hun huwelijk kan verstrekken....

Omdat het terugkeerbesluit niet in stand kan blijven, heeft de rechtbank evenmin onderkend dat de maatregel van bewaring van aanvang af onrechtmatig is.

RvS 202100664/1/V3, 30.8.21
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2021:1987
- tegen Rb Roermond, NL21.414 en NL21.513, 25.1.21

Rb: straf voor mensensmokkel door familieleden

De rb overweegt dat verdachte zich samen met zijn broer schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van mensensmokkel. Bij de bepaling van de straf heeft de rb in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte en zijn broer hebben als Syrische vluchtelingen beiden een Nederlandse verblijfsvergunning gekregen en wonen al enige jaren in Nederland. Nadat twee verzoeken vanuit Nederland om gezinshereniging met hun ouders en eenzelfde verzoek met betrekking tot hun meerderjarige zus waren afgewezen, hebben verdachte en zijn broer met een zekere hardnekkigheid deze beslissingen naast zich neergelegd en hebben zij zich doelbewust ingezet om hun ouders en zus alsnog naar Nederland te krijgen met behulp van mensensmokkelaars.

Het beroep op de niet-strafbaarheid van verdachte vanwege handelen op ideële en humanitaire gronden is afgewezen. Door gesmokkelden is bij hun reis gebruik gemaakt van valse identiteitspapieren. Verdachte en zijn broer hebben, door het opsturen van foto's van gesmokkelden naar de smokkelaars ter plaatse ten behoeve van het regelen van die valse identiteitspapieren en door contact te onderhouden met de smokkelaars en betalingen te regelen, deze illegale gang van zaken gefaciliteerd. Verdachte heeft door zijn handelen het overheidsbeleid inzake bestrijding van illegaal verblijf in en illegale toegang tot Nederland alsmede het vertrouwen dat in documenten als vorenbedoeld dient te kunnen worden gesteld, ondermijnd. Gelet hierop alsmede op de straffen die voor soortgelijke feiten door rechters plegen te worden opgelegd en het signaal dat daarvan uit het oogpunt van generale preventie dient uit te gaan, acht de rb de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in beginsel  gerechtvaardigd.

De rb heeft echter ook gelet op het lange tijdsverloop van de zaak en de omstandigheid en dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten en bovendien dat zijn handelen op humanitaire motieven was gestoeld. De rb ziet daarin reden een gevangenisstraf in deels voorwaardelijke vorm op te leggen, gecombineerd met een taakstraf, één en ander als geëist door de OvJ.

De rb veroordeelt verdachte tot: een gevangenisstraf voor de duur van 182 dagen waavan180 dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op drie jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht. Veroordeelt verdachte tot een taakstraf, voor de duur van honderd uren. Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van vijftig dagen zal worden toegepast.

Rb Groningen (mk), 18/830221-19, 29.7.21
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2021:3309

Rb: risico bij terugsturen zieke Ghanees zonder probleemoplossend vermogen

Niet in geschil is dat bij het uitblijven van de benodigde medische zorg voor eiser op korte termijn een medische noodsituatie zal ontstaan. In geschil is of de door het BMA gestelde reisvoorwaarden voldoen en of de benodigde zorg in Ghana feitelijk toegankelijk is.

De rechtbank overweegt dat uit het BMA-rapport volgt dat bij het uitblijven van eisers medicatie de kans op het (her)optreden van een hart- of herseninfarct sterk toeneemt, alsook dat zijn epileptische insulten zullen toenemen. Het BMA rept daarnaast, enerzijds, over milde problemen met het uitspreken van taal en over milde cognitieve problemen, maar concludeert vervolgens wel dat eiser geheel niet in staat is om zelfstandig problemen op te lossen. De rechtbank kan dit niet zonder meer met elkaar rijmen. Daarnaast heeft het BMA niet kenbaar meegewogen dat eiser begeleid wordt op de [locatie] van HVO Querido, waar een intensieve vorm van (medische) opvang, zorg en begeleiding wordt geleverd aan zieke dak- en thuislozen. Dit tezamen roept twijfel op over de gestelde reisvoorwaarden. Het valt niet zonder meer in te zien hoe eiser, na aankomst op het vliegveld in Ghana, vervolgens veilig zelfstandig zijn weg kan vervolgen, terwijl hij medicatieontrouw is en niet zelfstandig problemen kan oplossen. Zelfs al wordt de reis in Ghana van tevoren georganiseerd vanuit Nederland, zoals verweerder voorstelt, blijft de niet te verwaarlozen kans aanwezig dat er zich onverwachte problemen voordoen, die eiser dan niet zelfstandig kan oplossen. Zoals eiser daarom terecht aanvoert, werpt dit de vraag op of een fysieke overdracht van eiser nodig is aan een zorginstelling. Naar het oordeel van de rechtbank is het BMA-rapport dan ook niet inzichtelijk en volledig. Verweerder kon het BMA-rapport niet zonder meer ten grondslag leggen aan zijn besluit.

Het beroep is gegrond.
Rb Amsterdam AWB 21/766 & AWB 20/8099, 18.6.21
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:9677

Rb: geen mvv voor niet-NLse kind van Chavez-moeder

Het niet-NLse kind is geboren op [datum] 2008 heeft de Indonesische nationaliteit. Zij wordt op dit moment verzorgd door haar grootmoeder in Indonesië. Op 19 maart 2020 heeft haar moeder een aanvraag voor een mvv ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen ....

De rechtbank oordeelt dat het Chavez-verblijfsrecht een tijdelijk karakter heeft.

Verweerder heeft in het kader van het recht op gezinsleven (8EVRM) niet ten onrechte overwogen dat niet is gebleken van objectieve belemmeringen voor eiseres en haar gezin om het gezinsleven in Indonesië uit te oefenen. Met eiseres stelt de rechtbank vast dat verweerder aan eiseres een Chavez-verblijfsrecht heeft toegekend zodat haar zoon – die Unieburger is – niet gedwongen wordt het grondgebied van de Europese Unie te verlaten. Dit gegeven leidt echter niet tot de conclusie dat er daarom sprake is van objectieve belemmeringen om het gezinsleven elders uit te oefenen. Verweerder heeft zich daarover terecht op het standpunt gesteld dat de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM aan de hand van een geheel ander toetsingskader wordt verricht dan de toetsing in het kader van een Chavez-verblijfsrecht. Het oordeel van verweerder dat het voor eiseres en haar gezin mogelijk is gezinsleven in Indonesië uit te oefenen staat daarom niet op gespannen voet met het Chavez-verblijfsrecht dat aan referente is toegekend. De stelling van eiseres dat haar oma – die momenteel in Indonesië de zorg voor eiseres draagt – binnenkort mogelijk zal komen te overlijden waardoor eiseres in een noodsituatie zal belanden, is voorts niet onderbouwd. Er is dan ook geen grond voor het oordeel dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 8 van het EVRM.

Rb Middelburg AWB 21/629, 27.8.21
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:9737

Rb: risico bij kritiek op autoriteiten in Rusland

De vreemdeling heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij interviews gaf bij een tv-productiebedrijf, een anti-regeringsgezind YouTube-kanaal heeft, lid is van een anarchistische chatgroep en hij hierdoor vreest voor de Russische Federale Veiligheidsdienst (FSB). De staatssecretaris heeft niet geloofwaardig geacht dat hij lid is van de chatgroep en dat het YouTube-kanaal anti-regering of anarchistisch is. De toekomstige vrees voor de FSB is dan ook niet aannemelijk.

De rechtbank overweegt als volgt. Uit het landenbeleid van de Russische Federatie van 23 juni 2021 volgt dat een persoon die actief is in de journalistiek en daarbij kritiek levert op de autoriteiten reeds met geringe indicaties aannemelijk kan maken dat de problemen die hij daardoor heeft ondervonden leiden tot een gegronde vrees voor vervolging. De staatssecretaris heeft niet duidelijk gemaakt of hij gezien moet worden als een persoon die actief is in de journalistiek. Ter zitting geeft de staatssecretaris aan dat hij de vreemdeling niet beschouwd als journalist of politiek activist. Dit wordt echter niet benoemd in het bestreden besluit.

In geschil is of de vreemdeling significant kritiek heeft geleverd op de autoriteiten. Ter zitting geeft de staatssecretaris aan dat dit wordt beoordeeld door te kijken naar 1) de aard en inhoud van de kritiek, 2) het bereik van de kritiek, en 3) de impact van de kritiek. Niet is gebleken dat de staatssecretaris dit beleid heeft toegepast. De vreemdeling heeft verklaard dat hij interviews heeft gegeven aan nieuwszenders met een groot bereik. De staatssecretaris heeft terecht aangegeven dat de vreemdeling in de media vooral wordt geciteerd als scenarioschrijver en niet als journalist, en dat hij vooral vertelt over zijn werkzaamheden en dat wat hij over de FWB vertelt slechts bevestigt hoe de situatie is. Dit maakt echter niet dat dit niet gezien kan worden als kritiek, geen groot bereik heeft of geen grote impact kan hebben. Ook is het onduidelijk of de staatssecretaris toetst of de kritiek moet worden aangemerkt als significant en er alleen daardoor sprake kan zijn van ‘significant kritiek’, of dat er ook wordt gekeken naar de hoeveelheid (wellicht op zichzelf niet significante) kritiek. 

Beroep gegrond.
Rb Den Bosch, NL20.15216, 7.9.21

Rb: mogelijk risico kritische Iraakse koerd in KAR

De vreemdeling heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij in zijn woonplaats de Koerdische vlag heeft gehesen hierdoor problemen heeft ondervonden van de militie-eenheid Hashd al-Shaabi. Ook stelt hij een politiek activist te zijn en deel genomen te hebben aan protesten tegen de PUK en KDP. De staatssecretaris heeft dit geloofwaardig geacht, maar stelt dat de vreemdeling een vlucht- en vestigingsalternatief heeft in de KAR. De staatssecretaris stelt dat de vreemdeling enkel een marginale bijdrage heeft geleverd in de protesten.

De rechtbank oordeelt als volgt. Uit het rapport van de UK Home Office volgt niet dat enkel wordt opgetreden tegen ‘higher profiles’. De vreemdeling heeft verklaard meegedaan te hebben aan meerdere protesten tegen de KDP en de PUK en heeft verklaard dat hij meehielp met het publiceren van kritische stukken en dat hij zichzelf kritisch uitliet op Facebook. Daarnaast heeft zijn vader op televisie verklaard dat hij een mensenrechtenactivist is en op het gebied van politiek en ideologie activiteiten verricht. Ook heeft hij ter zitting verklaard dit te willen blijven doen in de toekomst. Tijdens zijn verblijf in de KAR heeft hij ondergedoken gezeten, is niet naar buiten geweest en heeft alleen een vriend, zijn oom en zijn vader gesproken en gezien. Dit alles is geloofwaardig bevonden door de staatssecretaris en in combinatie met de beschikbare landeninformatie waaruit blijkt dat protestanten en mensen die zich kritisch uitlaten via sociale media worden opgepakt, heeft de staatssecretaris onvoldoende gemotiveerd dat de KAR een veilig vestigingsalternatief is voor de vreemdeling.

Beroep gegrond.
Rb Haarlem, NL20.11750, 1.9.21

Pagina's