Nieuws

RvS: identiteit aangetoond via familierelatie met ouders en zus

De vreemdeling stelt dat hij de Eritrese nationaliteit heeft en dat hij is geboren op 1 juli 2001. Zijn twee eerdere asielverzoeken zijn afgewezen, omdat de staatssecretaris zijn identiteit, nationaliteit en herkomst niet geloofwaardig heeft geacht. In deze opvolgende aanvraagprocedure heeft de vreemdeling ter staving van zijn identiteit, nationaliteit en herkomst een DNA-onderzoek waaruit de familierechtelijke relatie tussen zijn zus en ouders blijkt, een origineel Eritrees schoolrapport, authentieke foto's en een rapportage van een onderzoek van de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel (hierna: de AVIM) overgelegd. In deze zaak gaat het om de vraag of de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de vreemdeling met de overgelegde documenten de twijfel over zijn identiteit, nationaliteit en herkomst niet heeft weggenomen.

De vreemdeling klaagt terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld, dat uit het DNA-onderzoek alleen een familierechtelijke relatie volgt tussen de vreemdeling en zijn zus en ouders, maar dat hij hiermee niet zijn identiteit, nationaliteit en herkomst aannemelijk heeft gemaakt. Nu de staatssecretaris de identiteit, nationaliteit en herkomst van de zus van de vreemdeling aannemelijk heeft geacht en de verwantschap tussen hen vast staat, moet hij deugdelijk motiveren waarom hij de identiteit, nationaliteit en herkomst van de vreemdeling niet geloofwaardig acht. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

Het hoger beroep is gegrond.
RvS 202006117/1/V3, 23.3.21
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2021:605

Rb: door onderduiken in NL wordt Denemarken verantwoordelijk voor het asielverzoek

Op 13 september 2016 heeft Denemarken aan Duitsland gemeld dat eiser met onbekende bestemming was vertrokken, waarop de overdrachtstermijn tot 18 maanden is verlengd. Uit de Duitse systemen blijkt niet dat eiser nadien en dus binnen die termijn naar Duitsland is teruggekeerd. Eiser heeft geen contact meer met de Duitse autoriteiten gehad. Daaruit volgt volgens hen dat Denemarken er niet in is geslaagd om eiser binnen de overdrachtstermijn over te dragen, zodat de verantwoordelijkheid is overgegaan op Denemarken. Volgens de Nederlandse autoriteiten is Denemarkten daardoor verantwoordelijk geworden. Denemarken heeft die verantwoordelijkheid erkend.

De rechtbank stelt voorop dat het aan eiser is om concrete aanknopingspunten te bieden op grond waarvan aan de bovenstaande stellingen moet worden getwijfeld. De enkele, niet nader onderbouwde stellingen van eiser dat hij in 2016 vanuit Denemarken naar Duitsland is teruggekeerd, daar is ingeschreven bij de gemeentelijke basisadministratie en daar recht heeft gehad op voorzieningen en financiële ondersteuning, zijn gelet op het voorgaande onvoldoende.

Uit het voorgaande volgt dat verweerder Denemarken terecht verantwoordelijk heeft geacht voor de behandeling van eisers asielaanvraag. De beroepsgrond faalt. Het beroep is ongegrond.

Rb Rotterdam NL21.3317, 31.3.21
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:3146

Rb: geen vrijstelling leges als geen bewijs betalingsonmacht

Volgens het beleid van verweerder verlangt verweerder naast een inkomensverklaring van de Raad voor Rechtsbijstand eveneens bewijsstukken die aannemelijk maken dat de vreemdeling op korte termijn niet in het bezit zal komen van geld waarmee de leges kunnen worden betaald.

Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat eiser niet heeft aangetoond op korte termijn niet in het bezit van geld te zullen komen waarmee de leges kunnen worden betaald. Hierbij heeft verweerder kunnen betrekken dat eiser geen bewijs heeft geleverd dat hij geen beroep kan doen op familieleden of andere in aanmerking komende derden en zijn stelling dat hij basisvoorzieningen ontvangt van Vluchtelingenwerk Nederland niet heeft onderbouwd. Weliswaar heeft eiser bij brief van 20 mei 2020 in aanvulling op de gronden van het beroep een verklaring van de [stichting] overgelegd waaruit blijkt dat hij van de Stichting €10,- leefgeld per dag ontvangt, maar deze verklaring kan reeds omdat verweerder die niet bij het bestreden besluit heeft kunnen betrekken, eiser in beroep niet baten.

Rb den Haag AWB - 20 _ 2468, 22.1.21
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:2898

Rb: vrijlating kinderen in detentie ivm prejudiciele vragen

Bij tussenuitspraak van 26 januari 2021 heeft de rechtbank het Hof aanvullende prejudiciële vragen gesteld over de beoordeling van de detentie van minderjarigen. Het Hof zal (onder meer) deze prejudiciële vragen behandelen ter zitting van 19 april 2021. De rechtbank verwacht dat het Hof niet eerder dan 1 juli 2021 arrest zal wijzen.

De rechtbank overweegt expliciet dat de beantwoording door het Hof van de door de rechtbank gestelde prejudiciële vragen noodzakelijk is om einduitspraak in de onderhavige procedure te kunnen doen. De rechtbank acht de beantwoording noodzakelijk om te vernemen of zij enkel bevoegd is om de door eiser aangedragen beroepsgronden te beoordelen of dat zij verplicht dan wel bevoegd is om alle feiten en omstandigheden te onderzoeken en te beoordelen om te beslissen op het verzoek van eiser om in vrijheid gesteld te worden. De rechtbank acht het niet opportuun om reeds nu de beroepsgronden van eiser tegen de voortduring van de detentie inhoudelijk te beoordelen. Nu de rechtbank thans niet beoordeelt of de detentie op enig moment in de te beoordelen periode onrechtmatig is geweest kan de rechtbank evenmin een beslissing nemen op het verzoek om schadevergoeding in verband een mogelijk ondergane onrechtmatige detentie.

De rechtbank zal overgaan tot het opheffen van de maatregel van bewaring en de onmiddellijke invrijheidstelling van eiser gelasten.
Rb den Bosch NL21.295 Tussenuitspraak, 26.3.21
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:2908

Rb: ondanks ticket is zelfstandige terugkeer ongeloofwaardig want geen corona-test

Het paspoort en de Italiaanse identiteitskaart van eiser zijn door een vriend gebracht en eiser heeft een ticket laten zien om terug te keren naar Italië. Eiser stelt dat de bewaring had moeten worden beëindigd nadat alle documenten bij verweerder waren.

De rechtbank beoordeelt of verweerder feiten en omstandigheden heeft gesteld die afbreuk doen aan de geloofwaardigheid van het vertrek dan wel waaruit blijkt dat eiser de gelegenheid ontbeert Nederland te verlaten. Eiser moet bij zijn reis in het bezit zijn van een geldige verklaring dat hij negatief is getest op besmetting met het Covid-19 virus. Eiser heeft niet zo’n verklaring en niet blijkt dat hij in de gelegenheid was om een dergelijke verklaring te verkrijgen. Eiser dient een verklaring tegen betaling te verkrijgen bij een commercieel bedrijf. Nu eiser verklaard heeft geen geld te hebben, heeft verweerder feiten en omstandigheden gesteld waaruit blijkt dat voor eiser momenteel niet gelegenheid bestaat om Nederland te verlaten. Verweerder hoefde daarom niet de vrijheidsbenemende maatregel te beëindigen.

Rb Haarlem NL21.1566, 22.2.21
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:2840

SvJ&V: onuitzetbaarheid vanwege weigering PCR-test is eigen risico

Als voor het vertrek van de vreemdeling een negatieve PCR-test als vereiste wordt gesteld door het land van bestemming, mag daaraan de medewerking van de vreemdeling worden gevraagd. Weigert de vreemdeling zonder gegronde redenen een PCR-test, dan belemmert hij het vertrek, dan wel de overdracht. Dat is een omstandigheid die kan worden betrokken bij de afweging om een maatregel van bewaring op te leggen, of te laten voortduren. Zodra de vreemdeling alsnog een test ondergaat, kan het (gedwongen) vertrek immers geëffectueerd worden.

Bij overdrachten op basis van de Dublinverordening geldt een fatale termijn van zes weken waarbinnen de overdracht vanuit bewaring moet plaatsvinden. Lukt overdracht binnen die tijd niet, dan moet de bewaring worden opgeheven. Deze beperking van zes weken geldt niet voor bewaring met het oog op terugkeer naar het land van herkomst. Daarvoor is de maximale termijn in beginsel zes maanden, die kan worden verlengd met maximaal 12 maanden.

Voortduring van de maatregelen is uiteraard steeds een individuele afweging. Ook daar zal, als er geen verandering optreedt in de gestelde eisen of de houding van de vreemdeling, een belangenafweging uiteindelijk in het voordeel van de vreemdeling uitvallen, wat in dat geval leidt tot zijn invrijheidstelling.

https://www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/kamerstukken/2021/03/23/antwoorden-kamervragen-over-het-bericht-weigering-coronatest-kan-asielzoekers-respijt-geven/antwoorden-kamervragen-over-het-bericht-weigering-coronatest-kan-asielzoekers-respijt-geven.pdf, 23.3.21

Rb: privéleven jongvolwassene, 20jr in NL, moeder en zus wel legaal

Verweerder heeft terecht in het voordeel van eiseres meegewogen dat zij sinds 2002 in Nederland verblijft, hier naar school is geweest, stages heeft gelopen het inburgeringsexamen heeft gehaald, familieleden in Nederland heeft wonen en sociale contacten heeft opgebouwd. Hoewel verweerder heeft geconcludeerd dat eiseres daarmee sterke banden met Nederland heeft opgebouwd heeft verweerder de belangenafweging desondanks in het nadeel van eiseres laten uitvallen.

De rechtbank is van oordeel dat de omstandigheden dat eiseres als minderjarige met haar moeder en zuster naar Nederland is gekomen en zij wel rechtmatig verblijf in Nederland hebben, niet kenbaar bij de belangenafweging heeft betrokken. In het besluit wordt niet stilgestaan bij de band die eiseres heeft met haar moeder en zuster bij wie zij opgegroeid is. Weliswaar is zij inmiddels meerderjarig en is geen sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid tussen eiseres en haar moeder en zuster, maar dit laat onverlet dat deze band een factor van belang is bij het bepalen van de mate waarin het privéleven van eiseres verbonden is met Nederland.

Verweerder heeft in de belangenafweging voorts niet onderkend dat de keuze om naar Nederland te komen en hier zonder verblijfsrecht te verblijven niet de keuze van eiseres was, maar die van de moeder is geweest. Daarbij heeft verweerder evenmin betrokken dat, nu niet in geschil is dat dat de zuster en de moeder voor hun verblijfsrecht niet afhankelijk zijn van het verblijfsrecht van eiseres, er om die reden geen risico op misbruik bestaat.

De rechtbank acht ten slotte van belang dat eiseres is ingeschreven in de BRP, lange tijd in NL verblijft en zij gedurende al die jaren niet door verweerder is uitgezet. Het feit dat dit niet is gebeurd dient meegewogen te worden in de belangenafweging.

Beroep gegrond.
Rb Den Haag, AWB 20/1150, 22.2.21

Rb: advies DT&V bij aanvraag buitenschuld onzorgvuldig

Aan zijn aanvraag voor een buitenschuldvergunning legt de vreemdeling ten grondslag dat hij heeft geprobeerd zijn vertrek te realiseren naar Azerbeidzjan, Armenië en Rusland, maar dat hij daar niet in is geslaagd. Middels een rapport heeft hij daarnaast willen aantonen dat hij uit Baku afkomstig is.

De rechtbank oordeelt als volgt. In geschil is de vraag of de staatssecretaris het advies van DT&V aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft mogen leggen. De rechtbank is van oordeel dat dat niet het geval is, nu de staatssecretaris niet heeft voldaan aan zijn vergewisplicht. Uit zowel het document als het advies van DT&V blijkt niet op welke wijze het onderzoek van het ministerie heeft plaatsgevonden. Daarin staat namelijk niet vermeld op welke bronnen het ministerie zich heeft gebaseerd, tot welke instanties of personen het ministerie zich heeft gewend om voornoemde informatie te verkrijgen en met welke specifieke deskundigheid de vragen van het ministerie zijn beantwoord. Hoewel DT&V benadrukt dat de uitkomst van het identiteitsonderzoek zorgvuldig en middels de gebruikelijke werkwijze tot stand is gekomen, is niet toegelicht hoe die werkwijze eruitziet. De gang van zaken en tegenstrijdige informatie over de AVG-verzoeken bij het ministerie en bij DT&V roepen bovendien vragen op.

De staatssecretaris heeft de Quickscan van TOELT evenmin aan zijn besluitvorming ten grondslag kunnen leggen. Het is onduidelijk op basis van welke informatie TOELT tot de conclusie is gekomen dat het om een Rus, Oekraïener of Wit-Rus gaat. Het had op de weg van de staatssecretaris gelegen om te onderzoeken of een taalanalyse toch zinvol was. De staatssecretaris is tot slot onvoldoende gemotiveerd ingegaan op het verslag van het bezoek van de gemachtigde van de vreemdeling aan Baku. Daaruit kan worden afgeleid dat de vreemdeling langere tijd in Baku heeft verbleven.

Beroep gegrond.
Rb Amsterdam AWB 20/6115 en AWB 20/6622, 19.3.21
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:2842

RvS: behoud rechten bij verlenging verblijf als ex-partner van inmiddels vertrokken EU-burger

De vreemdeling heeft de Filipijnse nationaliteit. Vanwege het vertrek van haar Poolse partner is haar verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan geëindigd. Na zijn vertrek zijn de vreemdeling en haar echtgenoot van elkaar gescheiden. De vreemdeling heeft volgens de staatssecretaris geen vijf jaar onafgebroken rechtmatig verblijf in Nederland gehad en valt niet onder een van de categorieën vreemdelingen voor wie dat vereiste niet geldt.

In bezwaar heeft de staatssecretaris een belangen-afweging gemaakt en vastgesteld dat de vreemdeling nog steeds rechtmatig verblijf heeft. Dit besluit is in rechte onaantastbaar. De vreemdeling heeft betoogd dat de staatssecretaris, door haar rechtmatig verblijf te erkennen, ervoor heeft gekozen om een interne situatie gelijk te behandelen met een door het Unierecht beheerste situatie. Dit blijkt uit het feit dat de staatssecretaris aan de vreemdeling een verblijfsdocument EU/EER heeft verleend, met als beperking 'Residency card for a family member of an EU citizen'.

Hiermee heeft de Staatssecretaris ervoor gekozen om de Verblijfsrichtlijn toe te passen op een nationale situatie, dat wil zeggen een situatie die als gevolg van het vertrek van de echtgenoot van de vreemdeling niet meer binnen de materiële reikwijdte van de Verblijfsrichtlijn valt. Dit betekent dat deze situaties in zoverre gelijk moeten worden behandeld.

De rechtbank heeft dus terecht geoordeeld dat de staatssecretaris de aanvraag ten onrechte heeft afgewezen. De grieven falen. Het hoger beroep is ongegrond.

RvS 202000888/1/V3, 19.3.21
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2021:603

tegen Rb Amsterdam AWB 19 / 5589, 14.1.20
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2020:1229

Rb : mogelijk risico voor Rwandese mensenrechtenactivist

De vreemdeling heeft aan zijn derde aanvraag ten grondslag gelegd dat hij van Twa etniciteit is en actief is voor een belangenorganisatie en vreest voor de vervolging van de Rwandese regering. Ook stelt hij politiek actief te zijn en dat er sprake is van een verslechterde politieke en mensenrechtensituatie in Rwanda.

De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris niet aan de vreemdeling heeft kunnen tegenwerpen dat hij de documenten ter onderbouwing dat hij actief was voor de ADBR en APALAC al bij zijn asielaanvraag had moeten overleggen. Ook is voldoende aannemelijk dat de vreemdeling ook na 2015 voorzitter is van en actief betrokken is bij de ADBR en APALAC.

Dat in rechte vast is komen te staan dat de vreemdeling ten tijde van de vorige asielprocedure niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de negatieve belangstelling van de Rwandese autoriteiten stond vanwege het feit dat hij van Twa-etniciteit is en mensenrechtenactivist is, maakt nog niet dat de vreemdeling in de daaropvolgende asielaanvragen niet aannemelijk zou kunnen maken dat hij bij terugkeer een risico loopt op vervolging of ernstige schade.

Ten aanzien van de overgelegde deskundigenverklaringen is de rechtbank van oordeel dat de vreemdeling hiermee aannemelijk heeft gemaakt dat de mensenrechtensituatie in Rwanda voor mensen van Twa-etniciteit en voor mensenrechtenactivisten is verslechterd en dat de vreemdeling daadwerkelijk een risico loopt. Ook heeft de staatssecretaris zelf geen enkele landeninformatie betrokken bij zijn oordeel.

Beroep gegrond. De rechtbank ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien, in die zin dat zij de staatssecretaris zal opdragen een asielvergunning te verstrekken. 

Rb Haarlem, NL21.477, 12.3.21

Pagina's