Nieuws

CM EHRM: leeftijdsbepaling Italie

The case concerned the Italian authorities' failure to comply with the minimum due process safeguards in the age assessment procedures for unaccompanied minors, their placement and the conditions of their stay in adult reception facilities, as well as the ineffectiveness or unavailability of domestic remedies in this regard.

The CM noted with concern that the Italian legislation enacted in October 2023 appears to have reduced the safeguards surrounding the age assessment procedure. The CM considered that further measures are needed to ensure the effective implementation of the domestic provisions adopted in 2017, and to guarantee that, even in emergency situations, unaccompanied minors benefit in law and in practice from the presumption of minority and the minimum safeguards that must accompany the age assessment procedure. It expressed concerns that the reception capacity for unaccompanied minors in Italy remains largely insufficient and that additional measures are needed to ensure that the latter are placed in dedicated structures and in adequate conditions or benefit from other care arrangements adapted to their specific needs and meeting their best interests as children, including pending the outcome of the age assessment procedure.

The CM expressed concern about the October 2023 legislation, which provides a legal basis for the placement of unaccompanied migrants over the age of 16 in adult facilities for periods of up to 150 days. On domestic remedies, the CM asked the authorities to indicate whether and what remedies are available for unaccompanied minors who wish to complain about their reception conditions.

Committee of Ministers (CM) decision relating to case Darboe & Camara v. Italy (5795/17), 14.3.24
https://search.coe.int/cm/Pages/result_details.aspx?ObjectID=0900001680aec205

Rb: geen Dublinoverdracht want binnen 3mnd na vingerafdrukken Dld in NL gemeld

De asielaanvraag van de vreemdeling is niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk wordt geacht. De vreemdeling stelt dat zij nooit een asielaanvraag in Duitsland heeft ingediend of dit heeft willen doen.

De rechtbank overweegt als volgt. De uitzonderingsituatie van het arrest H en R is van toepassing. Nadat de Duitse autoriteiten op 28 juli 2023 de vingerafdrukken van de vreemdeling hebben afgenomen, heeft de vreemdeling Duitsland verlaten en op 5 augustus een asielaanvraag in Nederland ingediend. De termijn van drie maanden van art. 21 lid 1 Dvo voor Duitsland om de verantwoordelijke lidstaat te bepalen, was op dat moment nog niet verstreken. Daarbij is de asielaanvraag in Nederland een impliciete intrekking van de asielaanvraag in Duitsland.

Beroep gegrond.
Rb Roermond, NL23.36417, 15.3.24
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:3868

Rb: statushouder niet terugesturen naar Italie want geen opvang

Eiseres heeft, na terugkeer in Italië, hulp gevraagd bij diverse organisaties en bij de politie. Deze hulp heeft zij niet gekregen. Ook betoogt eiseres dat de staatssecretaris het decreet van 7 augustus 2023 niet heeft betrokken bij de beoordeling.

De rechtbank is van oordeel dat het decreet en zijn uitwerking relevant kan zijn bij de beoordeling van de asielaanvraag van eiseres. De rechtbank acht hierbij van belang dat uit het decreet volgt dat de Italiaanse regering instructies aan de prefecturen geeft om zo snel mogelijk plaatsen vrij te maken in eerstelijnsopvangcentra (CAS). In het bijzonder geeft de regering de prefecturen instructies om mensen uit opvangcentra te sturen zodra aan hen een beschermingsstatus wordt verleend, ook vóórdat zij hun daadwerkelijke verblijfsvergunning hebben ontvangen. De rechtbank wijst ook op het door eiseres ingebrachte Italiaanse persbericht van 11 augustus 2023 dat werd ondertekend door 23 Italiaanse ngo’s waaruit volgt dat er onder de ngo’s grote zorgen bestaan over het decreet nu het ministerie van Binnenlandse Zaken via het decreet de prefecturen heeft opgedragen om de opvang van personen die erkend zijn als houders van internationale en speciale bescherming onmiddellijk te beëindigen na statusverlening, zonder afgifte van hun verblijfsvergunning af te wachten en zonder hen over te dragen aan SAI-opvang. Volgens de ngo’s staan daarmee in wezen duizenden houders van internationale of speciale bescherming op het punt om uit CAS-opvang te worden gezet en op straat te belanden. Volgens de ngo’s is deze praktijk onwettig.

Rb Arnhem NL24.3995, 18.3.24
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:3613

RvS: wel voldoende opvang voor asielzoekers in België

Uit de brief van 9 maart 2023 volgt dat bij de opvang voorrang wordt gegeven aan families, kinderen, vrouwen en andere kwetsbare personen. Na registratie van hun asielverzoek krijgen zij onmiddellijk een opvangplaats. In de brief van 28 maart 2023 lichten de Belgische autoriteiten toe dat zij onder kwetsbare personen onder andere verstaan: sterk verzwakte personen, personen met tekenen van ziekte, personen met psychiatrische problemen, personen met een handicap, alleenstaande vrouwen, zwangere vrouwen, lhbti’ers, slachtoffers van mensenhandel, niet-begeleide minderjarige vreemdelingen, personen van 60 jaar of ouder en personen jonger dan 20 jaar. Bij elke asielzoeker wordt onderzocht of hij kwetsbaar is.

De asielzoeker waarvoor niet direct een reguliere opvangplaats beschikbaar is, komt terecht op een wachtlijst. Op 25 september 2023 stonden er 2.513 personen ingeschreven op deze wachtlijst...In de brieven van 26 en 28 september 2023 lichten de Belgische staatssecretaris voor Asiel en Migratie en Fedasil toe dat de wachtlijst sinds 30 augustus 2023 tijdelijk ‘bevroren’ is voor niet-kwetsbare alleenstaande mannen als de vreemdeling....

De Belgische autoriteiten hebben toegelicht dat het op dit moment niet mogelijk is om aan te geven hoe lang de wachttijd is. Voor het ‘bevriezen’ van de wachtlijst kon dit oplopen van een maand tot een jaar....

De Afdeling wijst er op dat het EHRM een grote hoeveelheid interim measures heeft toegewezen.

De Afdeling is van oordeel dat dit geen fundamentele systeemfout is die de bijzondere drempel van zwaarwegendheid bereikt. Daarbij is van belang dat de asielzoekers die niet direct een reguliere opvangplaats krijgen toegewezen, wel gebruik kunnen maken van nood- en daklozenopvang en van medische en juridische voorzieningen. Verder blijkt uit de berichtgeving overtuigend dat de Belgische autoriteiten zich inzetten om nieuwe reguliere opvangplaatsen te creëren. Bovendien is er geen sprake van een totale opvangstop. Hoewel het opvangsysteem onder grote druk staat, wat tot gevolg heeft dat niet iedere asielzoeker direct toegang tot de reguliere opvang krijgt, betekent dit niet dat een persoon die volledig afhankelijk is van overheidssteun, buiten zijn wil en eigen keuzes om terechtkomt in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie. De staatssecretaris heeft daarbij niet ten onrechte gesteld dat uit de feiten en de berichten niet blijkt van onverschilligheid van de Belgische autoriteiten.

tegen Rb Rotterdam NL23.7635, 27.6.23
RvS 202304212/1/V3, 13.3.24
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2024:896

Rb: menselijke maat coa over Rvb-formulier, gemist kruisje en geen herstelmogelijkheid

De rechtbank stelt vast dat eiseres op beide aanvraagformulieren, het vakje waarin door haar moet worden aangegeven dat een bankmachtiging wordt afgegeven, niet heeft aangekruist. Wel staat daaronder vermeld dat de toelage dient te worden bijgeschreven op het bankrekeningnummer van de instelling waar eiseres verblijft en heeft eiseres haar handtekening gezet ter accordatie van het overmaken van de toelage op die betreffende rekening. De rechtbank is van oordeel dat daaruit afgeleid kan worden dat eiseres akkoord was met het overmaken van de toelage op rekening van de instelling en dat het aannemelijk is dat het niet aankruisen van het vakje, berust op een menselijke fout.

De rechtbank stelt verder vast dat ter zitting is gebleken dat de aanvragen van eiseres om een toelage ingevolge de Rvb, zowel vóór als ná de in geding zijnde maanden wel in behandeling zijn genomen en uitgekeerd. Desgevraagd heeft verweerder op zitting laten weten dat de toelage, ook als alsnog het betreffende vinkje alsnog zou worden aangekruist, niet meer verstrekt kan worden nu deze buiten behandeling is gesteld. “Termijnen zijn termijnen” volgens verweerder.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom in het geval van eiseres geen gebruik is gemaakt van de discretionaire bevoegdheid. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte geen rekening gehouden met het feit dat het niet aankruisen van het vakje berust op een menselijke fout. Ook is geen rekening gehouden met het doenvermogen van eiseres, het feit dat zij in een instelling verblijft en daarbij, gelet op de geheime locatie, afhankelijk is van drukbezet personeel. Tevens is voorbij gegaan aan de omstandigheid dat aanvragen zowel voor als na de in geding zijnde maanden wel in behandeling zijn genomen en uitgekeerd. De enkele mededeling ter zitting dat verweerder dat nooit doet is daartoe niet voldoende. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het buiten behandeling stellen evident onredelijk is.

Rb Groningen AWB23/11997 en AWB23/11934, 7.3.24
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:3044

Rb: gehandicapte familie voorlopig niet uit VBL ondanks niet-meewerken aan vertrek

Het gezin bestaat uit vader, moeder (beiden op leeftijd) en twee meerderjarige dochters. Vader is zwaar gehandicapt en aan bed gekluisterd. De jongste dochter is ook zwaar gehandicapt, is aangewezen op een rolstoel en behoeft frequente dialyse vanwege een ernstige nieraandoening. Ten behoeve van laatstgenoemde dochter is opnieuw een artikel 64-aanvraag gedaan, omdat de situatie de laatste tijd in ernstige mate is verslechterd. Zowel het COa als de DT&V zijn op de hoogte zijn van de medische problematiek.

DT&V heeft geconcludeerd dat verzoeker niet actief meewerkt aan zijn vertrek en hierdoor niet meer voldoet aan de voorwaarden voor onderdak bij de VBL, zodat deze moet worden beëindigd....

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter wegen de de belangen van verzoeker en zijn gezin bij opschorting van de beëindiging van de opvang in de VBL op dit moment zwaarder dan de belangen van de staatssecretaris bij het beëindigen van de opvang in de VBL op zeer korte termijn

Rb Groningen AWB24/3028, 4.3.24
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:2800

INLIA; cijfers VBL

Vorig jaar verbleven in totaal 350 vreemdelingen in de VBL. De VBL heeft 450 plaatsen en men mag er in principe slechts maximaal 12 weken verblijven.

Afgelopen jaar zijn in totaal 390 vreemdelingen uitgestroomd uit de VBL. Hiervan zijn er ongeveer:

  • 70 zelfstandig vertrokken naar het land van herkomst,
  • 60 zelfstandig vertrokken naar een derde land,
  • 130 vertrokken met onbekende bestemming,
  • 50 doorgeplaatst naar een andere opvang,
  • 40 in vreemdelingenbewaring gesteld en
  • 40 uitgestroomd vanwege overige redenen (o.a. statusverlening).

Top vijf nationaliteiten die vanuit de VBL zijn teruggekeerd naar het land van herkomst:

Georgische

10

Servische

10

Albanese

10

Boliviaanse

10

Amerikaanse

<5

Nigeriaanse

<5

Somalische

<5

Venezolaanse

<5

https://www.inlia.nl/nl/nieuws/1364/bezetting-en-uitstroom-vbl-ter-apel-in-2023, 17.1.24

Rb: zicht op uitzetting Marokko, nieuwe werkwijze

Verweerder heeft onder meer het navolgende overwogen: “Door recentelijke ontwikkelingen/nieuwe afspraken voortvloeiend uit het GMMP (Groupe Migratoire Mixte Permanente) is er nu een eenduidige werkwijze, waardoor de regievoerder een vlucht kan aanvragen, zodra de nationaliteitsbevestiging is ontvangen. Na deze vluchtaanvraag zal de DIA (Directie Internationale Aangelegenheden) een verzoek tot afgifte van een LP indienen bij het betreffende Marokkaanse consulaat .

Ter aanvulling merkt verweerder op dat het cruciaal is dat in dit traject de nationaliteitsbevestiging is verstrekt door het Marokkaanse consulaat, zijnde de instantie die het LP dient af te geven.

Indien de nationaliteitsbevestiging is afgegeven vanuit een ander kanaal, bijvoorbeeld het ministerie van Buitenlandse Zaken, is er in beginsel altijd nog bevestiging nodig van het consulaat. Die bevestiging kan bestaan uit (nogmaals) een nationaliteitsbevestiging ofwel een expliciete LP-toezegging. In beide gevallen kan eerst op dat moment een vlucht geboekt worden voor de desbetreffende vreemdeling.

Rb Roermond NL24.7748, 4.3.24
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:2731

Rb: zicht op uitzetting Algerije

Tijdens de zitting heeft de staatssecretaris toegelicht dat sinds oktober 2023 een nieuwe consul is aangetreden, wat heeft resulteert in een betere samenwerking. Sindsdien zijn er lp’s verstrekt, in eerste instantie met name aan mensen met (kopieën van hun) identiteitsdocumenten. Sinds januari van dit jaar zijn er ook nationaliteitsbevestigingen ontvangen van mensen die ongedocumenteerd zijn.

Naar aanleiding van eisers beroepsgronden heeft de staatssecretaris de volgende cijfers verstrekt. In de periode van 1 januari 2023 tot 18 januari 2024 is sprake geweest van 140 lp-aanvragen in 2023 en 26 lp-aanvragen in 2024. In 2023 zijn in totaal 9 nationaliteitsbevestigingen afgegeven en in 2024 10 keer, tot 28 januari. In 2023 zijn in totaal 4 lp’s verkregen en in 2024 1 lp. Daarbij licht de staatssecretaris toe dat rekening moet worden gehouden met de omstandigheid dat vóór oktober 2023 geen zicht op uitzetting was, zodat het aantal uitzettingshandelingen over 2023 in de periode daarna is gerealiseerd.

Gelet op deze toelichting oordeelt de rechtbank dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt stelt dat in het geval van eiser voldoende zicht op uitzetting binnen redelijke termijn naar Algerije bestaat. De beroepsgrond slaagt niet.

Rb Arnhem NL24.4579, 27.2.24
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:2376

Rb: ondanks status in Portugal terugkeerbesluit Brazilie terecht

De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is tussen partijen dat eiser in Portugal een verblijfsrecht heeft tot 23 april 2024. Voorts is niet in geschil dat aan eiser driemaal een bevel tot terugkeer naar Portugal is uitgereikt. Eiser heeft verklaard dat hij geen gevolg heeft gegeven aan het bevel tot terugkeer.

Uit de systematiek van de Terugkeerrichtlijn volgt dat de staatssecretaris in dat geval een terugkeerbesluit kan opleggen met de verplichting terug te keren naar het land van herkomst of een ander derde land waar de toegang gewaarborgd is. Dat aan eiser in eerste instantie een bevel tot terugkeer naar een EU-lidstaat moet worden uitgereikt, is de uitzondering op de hoofdregel dat een derdelander bij onrechtmatig verblijf geacht wordt het grondgebied van de EU, EER en Zwitserland, te verlaten. De rechtbank is daarom van oordeel dat de staatssecretaris terecht Brazilië heeft aangewezen als land waarnaar eiser dient terug te keren.

Het beroep is ongegrond.
Rb Groningen NL24.7111 en NL24.7112, 6.3.24
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:297

Pagina's