Betrokkene heeft in 2017, op veertienjarige leeftijd, een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft die aanvraag afgewezen en zich ambtshalve op het standpunt gesteld dat betrokkene niet voldoet aan het buitenschuldbeleid, zoals dat toen gold. De rechtbank heeft het beroep tegen dat besluit ongegrond verklaard, dit oordeel staat in rechte vast.
Op 12 september 2019 heeft betrokkene de aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het verblijfsdoel ‘humanitair tijdelijk’ op grond van het buitenschuldbeleid. De minister heeft die aanvraag afgewezen, omdat er in Guinee adequate opvang aanwezig is in het opvanghuis Maison du Bonheur, de zus van betrokkene in Guinee aanwezig is en betrokkene niet alles in het werk heeft gesteld om contact met zijn zus te leggen en om terugkeer naar Guinee te realiseren. … De rechtbank heeft het beroep van betrokkene tegen het besluit van 30 oktober 2023 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. De rechtbank heeft onder meer overwogen dat uit de nota’s van de DT&V niet blijkt op welke wijze de minister actief onderzoek heeft gedaan naar de adequate opvang in Guinee. …. De minister moet concreet onderzoeken of er voor een niet-begeleide minderjarige adequate opvang beschikbaar is in het land van herkomst, voordat zij een terugkeerbesluit neemt.
De rechtbank heeft terecht overwogen dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat voor betrokkene adequate opvang aanwezig is bij het opvanghuis Maison du Bonheur. Hierbij heeft de rechtbank terecht betrokken dat uit het Thematisch ambtsbericht niet blijkt dat het opvanghuis ook kinderen boven de vijftien jaar opvangt. Ook heeft de rechtbank terecht overwogen dat de minister zich niet in lijn met het arrest TQ ervan heeft overtuigd dat er bij het opvanghuis plek is voor betrokkene. De minister had moeten onderzoeken in hoeverre Maison du Bonheur in het individuele geval van betrokkene adequate opvang biedt. Dat heeft de minister niet gedaan.
De grief slaagt niet….
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de minister in het onderzoek naar adequate opvang in strijd heeft gehandeld met de eisen uit het arrest TQ, omdat zij onvoldoende rekening heeft gehouden met het belang en de situatie van betrokkene. Zo heeft de rechtbank onder meer terecht gewezen op de brief van GGZ Drenthe ‘De Evenaar’ van 20 augustus 2019, waarin staat dat betrokkene medische klachten heeft die passen bij een posttraumatische stressstoornis met lichte depressie. GGZ Drenthe ‘De Evenaar’ heeft gerapporteerd dat door de gesprekken met een psychiater en medicatie de klachten aanvankelijk gedeeltelijk verminderden, maar dat de verplichte gesprekken met de DT&V en een tocht in een gesloten arrestantenbus naar de Guinese ambassade in Brussel de traumatische herinneringen in alle hevigheid activeerden. Betrokkene heeft ondanks die omstandigheden en de gevolgen die deze voor hem hebben gehad, meegewerkt aan vertrekgesprekken en de gang naar de ambassade van Guinee. …. De Afdeling volgt het oordeel van de rechtbank dat de minister en de DT&V zich vooral lijken te hebben gericht op de voorbereiding van de terugkeer van betrokkene naar zijn land van herkomst, in plaats van zich samen met betrokkene te hebben ingespannen om te onderzoeken of er voor hem daar adequate opvang beschikbaar was. Het besluit van 30 oktober 2023 is daarom onzorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd.
De grief tegen Rb Groningen NL23.37055, 8.5.24 slaagt niet.
RvS 202403482/1/V1, 4.7.25
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2025:3033
Voor de vraag of er in de DRC voor eiser adequate opvang aanwezig was, moet de minister met terugwerkende kracht de periode vanaf eisers asielaanvraag medio 2016 tot aan zijn achttiende verjaardag op [datum] 2018 in ogenschouw nemen. Daarbij is dus doorslaggevend of deze opvangvoorziening ook toen al aanwezig was. De rechtbank stelt vast dat de minister onderzoek heeft gedaan naar zowel opvang bij familie als opvang in een opvanghuis. Daarbij ligt voor de hand – gelet op de belangen van het kind – dat verblijf bij familie de voorkeur verdient boven adequate opvang op andere wijze. In deze zaak is echter duidelijk dat eiser niet terug wilde naar zijn familie, zodat de rechtbank eerst zal onderzoeken of de minister zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat er adequate opvang was in de vorm van een opvanghuis. Uit het ambtsbericht van 2016 blijkt dat er ten tijde van het eerste besluit, meerdere particuliere opvanghuizen beschikbaar waren die werden geleid door niet-gouvernementele organisaties of religieuze organisaties. Uit voornoemd ambtsbericht volgt ook dat de omstandigheden in de opvanghuizen, gemeten naar lokale maatstaven, acceptabel zijn. Gelet hierop heeft de minister wel degelijk met terugwerkende kracht onderzoek gedaan naar adequate opvang en kunnen vaststellen dat deze er was in de vorm van opvanghuizen.
De rechtbank is verder van oordeel dat de minister, anders dan eiser stelt, niet gehouden was ook onderzoek te doen naar de daadwerkelijke beschikbaarheid in de opvanghuizen. … Gezien het voorgaande concludeert de rechtbank dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet (alsnog) in aanmerking komt voor een reguliere verblijfsvergunning op grond van het AMV-buitenschuldbeleid en dat de minister in de vraag of er adequate opvang was geen beletsel heeft hoeven zien voor het opleggen van het terugkeerbesluit. De beroepsgrond slaagt niet.
Rb den Bosch NL24.27697, 13.3.25
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:12650
De minister heeft het bezwaar van betrokkene tegen de afwijzing van de aanvraag voor toegang voor verblijf bij zijn Nederlandse partner, referent, opnieuw ongegrond verklaard, omdat referent niet voldoet aan het middelenvereiste en de minister haar niet kan vrijstellen van dit vereiste. Referent lijdt onder meer aan angst- en paniekaanvallen en epilepsie, krijgt dagbesteding en is gedeeltelijk arbeidsongeschikt. Volgens de minister is het in dit geval niet in strijd met het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel om op grond van het middelenvereiste verblijf te weigeren. Ten slotte heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat de afwijzing van de aanvraag ook niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM…. De rechtbank heeft overwogen dat de minister niet alle relevante feiten en omstandigheden heeft betrokken bij het nemen van haar besluit.
In haar grieven klaagt de minister tevergeefs over het oordeel van de rechtbank dat zij bij de beoordeling moet betrekken wat de overkomst van betrokkene naar Nederland voor de gezondheid van referent kan betekenen en dat zij daarbij moet betrekken dat de overkomst van betrokkene mogelijk tot een vermindering van de zorgkosten van referent zal leiden. De minister voert aan dat dit onzekere toekomstige gebeurtenissen zijn, die zij daarom niet bij haar beoordeling hoeft te betrekken. De Afdeling is echter van oordeel dat de minister bij haar beoordeling rekening moet houden met alle relevante aspecten en zij daarbij dus ook relevante onzekere toekomstige gebeurtenissen die een vreemdeling naar voren heeft gebracht, moet betrekken. De beoordeling hiervan is niet anders dan wanneer de minister bij haar beoordeling andere onzekere toekomstige gebeurtenissen betrekt, zoals een mogelijk toekomstig beroep op de openbare kas.
Dat betekent in dit geval dus dat de minister in haar nieuwe besluit moet betrekken wat de overkomst van betrokkene naar Nederland voor de gezondheid van referent kan betekenen. Bij de beoordeling van het economisch belang moet zij betrekken dat de overkomst van betrokkene mogelijk zal leiden tot een vermindering van de zorgkosten. Zij mag hierbij nog wel een eigen gewicht aan die gebeurtenissen toekennen.
De grieven slagen niet.
Het hoger beroep tegen Rb Amsterdam NL23.5262, 8.8.23 is ongegrond.
RvS 202305715/1/V1, 11.7.25
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2025:3166
Verweerder heeft niet onderkend dat eiser onder het mandaat van UNRWA valt en heeft daarom de asielaanvraag van eiser op een onjuiste wijze beoordeeld. Dit is niet aangevoerd door eiser, maar het is aan de nationale rechters om de naleving van het Unierecht, dat in overeenstemming met het Verdragsrecht moet worden uitgelegd en toegepast, te waarborgen. Indien de beschermingsbehoefte van een verzoeker om internationale bescherming aan de hand van een onjuist Unierechtelijk toetsingskader is beoordeeld, is de rechtbank dus verplicht om partijen hierop te wijzen en te bepalen dat het verzoek om internationale bescherming alsnog op de juiste wijze wordt beoordeeld.
Eiser is door UNRWA geregistreerd als vluchteling en heeft de bijstand van UNRWA, tot kort voor zijn asielaanvraag in Nederland, ingeroepen maar niet verkregen. Anders dan in de situatie waarin verweerder een asielaanvraag beoordeelt van een derdelander die door een andere lidstaat van de Unie een internationale beschermingsstatus heeft verkregen en welke lidstaat niet kan en/of wil voldoen aan de Unierechtelijke verplichtingen ten aanzien van statushouders, komt aan verweerder geen beoordelingsruimte toe als het gaat of aan eiser vluchtelingrechtelijke bescherming moet worden geboden omdat UNRWA eiser reeds als vluchteling heeft aangemerkt. Verweerder dient in een procedure als de onderhavige te beoordelen of op het moment dat eiser het mandaatgebied ontvluchtte, UNRWA aan haar mandaatverplichtingen kon voldoen en ook daadwerkelijk hulp bood. Indien verweerder, na beoordeling van de verklaringen van eiser in samenhang met de landeninformatie die actueel was ten tijde van het vertrek van eiser uit het mandaatgebied, tot de conclusie komt dat UNRWA op dat moment wel aan haar mandaat kon voldoen en eiser daarom niet genoodzaakt zou zijn geweest om te vluchten, dient verweerder een actuele beoordeling te maken van de vraag of UNRWA, als eiser nu zou moeten terugkeren naar Libanon, aan haar mandaatverplichtingen jegens eiser kan voldoen. De rechtbank overweegt hierbij uitdrukkelijk dat verweerder, indien hij tot de conclusie komt dat UNRWA thans in Libanon kan voldoen aan haar mandaat, verweerder verplicht is om in aanvulling hierop te onderzoeken of de feitelijke toegang van eiser tot het mandaatgebied is verzekerd.
Verweerder dient de asielaanvraag opnieuw te beoordelen.
Rb Roermond NL23.30143, 10.7.25
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:12254
Een beschermingsalternatief kan worden tegengeworpen als een vreemdeling in een deel van zijn land van herkomst geen gegronde vrees heeft voor vervolging en geen reëel risico op ernstige schade loopt (voorwaarde 1), hij op een veilige en wettige manier kan reizen naar en toegang kan verkrijgen tot dat deel van het land (voorwaarde 2), en redelijkerwijs van hem kan worden verwacht dat hij zich er vestigt (voorwaarde 3). Bij de beoordeling of aan deze voorwaarden wordt voldaan, wordt rekening gehouden met de algemene omstandigheden in dat deel van het land van herkomst en met de persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling. Als de staatssecretaris aannemelijk heeft gemaakt dat aan de voorwaarden is voldaan, is het aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat het beschermingsalternatief in zijn geval niet aanwezig is en dat van hem niet kan worden verlangd dat hij zich elders in het land vestigt.
De rechtbank stelt vast dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat van eiseres verwacht mag worden dat zij zich in het aangewezen deel van het land vestigt. Eiseres heeft verwezen naar algemene landeninformatie waaruit blijkt van een verslechterde situatie ten aanzien van alleenstaande vrouwen die behoren tot de groep ontheemden. De minister heeft hier ten onrechte geen aanleiding gezien om de algehele situatie in de aangewezen gebieden te beoordelen tegen het licht van de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan wil een binnenlands beschermingsalternatief kunnen worden tegengeworpen.
Eiseres heeft een combinatie van feiten aangevoerd op grond waarvan zij aangeeft kwetsbaar te zijn. Naast dat zij alleenstaand en vrouw is, heeft zij geen netwerk in een van de aangewezen gebieden en is zij besmet met HIV. De minister heeft deze omstandigheden niet beoordeeld tegen het licht van de algemene omstandigheden in dat deel van het land waarvan verwacht wordt dat zij daarnaar terug moet. Of de door eiseres gevolgde scholing voldoende waarborgen biedt tegen seksuele uitbuiting en prostitutie kan op basis de informatie die door eiseres zelf is aangeleverd, niet beantwoord worden. In ieder geval blijkt niet dat dit voor eiseres een garantie vormt op huisvesting.
De minister heeft de asielaanvraag van eiseres ten onrechte afgewezen als ongegrond.
Rb Utrecht NL24.51650, 23.5.25
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:11890
Uit de overgelegde landeninformatie volgt dat in Jemen sprake is van willekeurig geweld binnen een gewapend conflict. Dat is tussen partijen ook niet in geschil. … Wat betreft de vraag of de bij een gewapend conflict betrokken actoren zich richten tegen burgers, dan wel vechten op een manier die het risico op willekeurige burgerslachtoffers vergroot, volgt uit de overgelegde landeninformatie dat er door het bestand en het daaropvolgende de facto bestand sprake is van een daling van het aantal burgerslachtoffers als gevolg van directe beschietingen en bombardementen. … Partijen zijn het erover eens dat de intensiteit van de gewapende confrontaties, met veel verschillende wapens, tussen de betrokken actoren hoog is en dat hun organisatieniveau hoog is. … Partijen zijn het erover eens dat er nauwelijks tot geen informatie beschikbaar is over uitgeprocedeerde asielzoekers uit Europa of andere westerse landen die terugkeren naar Jemen. …. Partijen zijn het erover eens dat volgens gegevens van het ambtsbericht, de United Nations High Commissioner for Refugees en de Internationale Organisatie voor Migratie in 2024 zich circa 4,5 miljoen ontheemden in Jemen bevonden. …. Zoals volgt uit het ambtsbericht hebben diverse organisaties de situatie in Jemen als de grootste humanitaire crisis in de wereld getypeerd. Veel mensen werden getroffen door de ontheemdensituatie, vooral in de provincies Al Hudayda, Al Jawf, Marib en Taiz.
Gelet op het voorgaande, is de Afdeling van oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd dat in Jemen geen sprake is van de meest uitzonderlijke situatie, waarbij de mate van willekeurig geweld in een gewapend conflict zo hoog is dat een burger die terugkeert alleen al door zijn aanwezigheid daar een reëel risico loopt op ernstige schade. Concluderend oordeelt de Afdeling dat de minister haar standpunt dat in Jemen geen sprake is van de meest uitzonderlijke situatie die valt onder artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, niet deugdelijk heeft gemotiveerd.
Hoger Beroep tegen Rb Groningen NL24.36947, 3.12.24 gegrond
RvS 202407906/1/V2, 16.7.25
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2025:3153
Anders dan bij het onderzoek door de Afdeling (zie uitspraak 16.7.25 hierboven), was het Algemeen Ambtsbericht Jemen 2025 bij het onderzoek ter zitting bij de rechtbank wel beschikbaar en heeft de rechtbank de inhoud hiervan besproken met partijen. Omdat de Afdeling gedetailleerd en nauwgezet uiteen heeft gezet hoe moet worden beoordeeld of de mate van willekeurig geweld, in het kader van een gewapend conflict, zo hoog is dat een ieder alleen al door zijn aanwezigheid in Jemen een reëel risico loopt op ernstige schade en omdat dit in wezen een feitelijke beoordeling van openbare bronnen betreft, is de rechtbank in staat om zelf na te gaan of aan eiser subsidiaire bescherming moet worden verleend reeds vanwege het niveau van willekeurig geweld.
De rechtbank stelt vast dat op grond van het Algemeen Ambtsbericht Jemen 2025 moet worden geconcludeerd dat sprake is van een zogenoemde ‘kale 15c-situatie’. De rechtbank overweegt dat uit het ambtsbericht niet blijkt dat voor delen van Jemen een wezenlijk lager niveau van willekeurig geweld moet worden vastgesteld zodat de ‘kale 15c-situatie’ voor heel Jemen geldt.
Verweerder heeft geen beoordelingsruimte als wordt voldaan aan de materiële voorwaarden voor subsidiaire bescherming. De rechtbank draagt verweerder dan ook op om aan eiser een verblijfsvergunning te verlenen op grond van de subsidiaire beschermingsstatus.
Beroep gegrond en de rechtbank voorziet zelf in de zaak door verweerder op te dragen eiser in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning
Rb Roermond NL24.29388, 17.7.25
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:12920
Eiser heeft aangevoerd dat hij bij terugkeer het risico loopt om gedwongen gerekruteerd te worden en verwijst daarbij naar het ambtsbericht van 2024 waarin staat vermeld dat het OLA in een communiqué van mei 2023 de Ethiopische autoriteiten ervan beschuldigde burgers gedwongen te rekruteren.
De rechtbank oordeelt als volgt. De minister heeft in het bestreden besluit onder verwijzing naar het algemeen ambtsbericht geconcludeerd dat er geen sprake is van gedwongen rekrutering. In het verweerschrift komt de minister evenwel terug van dit standpunt door te stellen dat gedwongen rekrutering wel voorkomt, maar niet op grote en min of meer gestructureerde schaal. Onduidelijk is op basis van welke artikelen dit standpunt is ingenomen. Eiser zelf heeft in zijn gronden van beroep immers geen artikelen overgelegd. Niet is gebleken op basis van welke artikelen de minister zijn standpunt heeft gewijzigd. Het is daarom voor de rechtbank niet mogelijk om te controleren of en in welke mate sprake is van gedwongen rekrutering. De rechtbank concludeert dan ook dat er sprake is van een onzorgvuldige voorbereiding en een gebrek in de motivering.
Rb Groningen NL25.15276, 14.7.25
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:12621
Zoals de rechtbank in haar uitspraak van 6 februari 2024 heeft overwogen, dient het MediFirst-advies ertoe om de medische omstandigheden in kaart te brengen die van invloed zijn op het vermogen van de asielzoeker om coherent, consistent en gedetailleerd te kunnen verklaren. De rechtbank heeft geoordeeld dat MediFirst dient aan te gegeven welke onderzoeksactiviteiten zijn verricht en welke medische stukken zijn betrokken bij het advies en op welke wijze, zodat duidelijk is waarop de adviezen zijn gebaseerd. Daarnaast moet worden aangegeven hoe lang en onder welke omstandigheden het onderzoek heeft plaatsgevonden en of eiseres in persoon is gezien en of dat is gebeurd in aanwezigheid van een tolk.
De rechtbank concludeert dat met het nieuwe advies van MediFirst van 3 juni 2024 niet is voldaan aan de uitspraak van de rechtbank. … De rechtbank heeft geoordeeld dat inzicht moet worden gegeven in welke documenten zijn betrokken bij de beoordeling en op welke wijze. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het niet van zorgvuldigheid getuigt om in het nieuwe advies de beschikbare medische stukken geheel buiten beschouwing te laten. De enkele stelling dat het niet nodig is om medische informatie op te vragen, omdat voldoende informatie beschikbaar is uit eigen onderzoek, geeft gezien de in de uitspraak gegeven opdracht en het feit dat bij het eerder MediFirst-advies wel documenten zijn betrokken, onvoldoende inzicht in de vraag waarom in dit advies schriftelijke medische informatie niet zou behoeven te worden meegenomen. De rechtbank is van oordeel dat het MediFirst-advies van 3 juni 2024 niet inzichtelijk en concludent is. Door dit advies aan het bestreden besluit ten grondslag te leggen heeft de minister wederom niet voldaan aan de op haar rustende vergewisplicht.
Beroep gegrond.
Rb Groningen NL25.4959, 15.7.25
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:12723
De rechtbank heeft in haar uitspraak over het door de vreemdeling in beroep overgelegde rapport van een psycholoog/psychotherapeut overwogen dat de minister naar aanleiding daarvan voorlopig uitstel van vertrek heeft verleend op grond van art. 64 Vw 2000 en voor de vreemdeling een BMA-onderzoek op te starten. De rechtbank heeft de inhoud van het rapport niet betrokken bij de toetsing van het besluit, waar dat gaat over het vermogen om te verklaren en de geloofwaardigheid van het asielrelaas. Daarmee heeft zij niet onderkend dat dit rapport licht werpt op de in beroep aangevoerde grond dat de vreemdeling tijdens het gehoor moeilijk heeft kunnen praten over haar ervaringen. Omdat de minister belang hecht aan het rapport en daarom een BMA-onderzoek heeft aangevraagd, moet de minister gemotiveerd uiteenzetten waarom het rapport haar asielbeoordeling niet anders maakt.
Hoger beroep tegen Rb Den Haag NL24.27763, 29.11.24, gegrond.
ABRvS 202407908/1, 4.7.25
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2025:3032
Op 9 februari 2028 heeft het iMMO geconcludeerd dat de psychische klachten van betrokkene zeker interfereerden met het vermogen van betrokkene om compleet, coherent en consistent te verklaren. Daarover heeft de rechtbank in de vorige asielprocedure overwogen dat het iMMO-rapport niet voldoet aan het onderdelenvereiste. De rechtbank heeft in deze herhaalde procedure terecht overwogen dat dat vereiste niet meer geldt en dat die overweging van de rechtbank in de vorige asielprocedure dus niet meer opgaat. Daarom treft de verwijzing van de minister naar haar standpunt dat de littekens en psychische klachten van betrokkene niet afdoen aan de geloofwaardigheidsconclusie, geen doel.
Dit betekent dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat de minister in haar besluit van 18 januari 2023 ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom aan het iMMO-rapport geen betekenis toekomt. De minister moet dit in een nieuw besluit alsnog doen.
De grief faalt.
Het hoger beroep tegen Rb Middelburg NL23.2256, 18.4.23 is ongegrond.
RvS 202302625/1/V2, 17.7.25
ECLI:NL:RVS:2025:3291