Nieuws

Rb: Congolese kiespas en paspoort mogelijk wel echt; onderzoek bij ambassade sinds 2016

In een eerdere asielaanvraag is onder meer komen vast te staan dat de vreemdeling haar gestelde Congolese identiteit, herkomst en nationaliteit niet aannemelijk heeft gemaakt. De staatssecretaris ging er van uit dat de vreemdeling (ook) de Rwandese nationaliteit heeft met een andere naam.

Bij haar herhaalde aanvraag legt de vreemdeling dezelfde Congolese identiteit en nationaliteit ten grondslag, ditmaal gestaafd met een Congolese kiespas en een Congolees paspoort. De staatssecretaris stelt dat deze overgelegde documenten geen nieuwe elementen of bevindingen zijn. De vreemdeling voert aan dat de staatssecretaris niet deugdelijk gemotiveerd heeft dat geen waarde aan de kiespas en het paspoort kan worden gehecht.

In de brief van 30 maart 2020 schrijft de staatssecretaris dat het de vraag is of er ooit een antwoord zal komen van de Congolese autoriteiten en dat er van de Rwandese autoriteiten een antwoord niet valt te verwachten vóór de zomer. Aangezien het beroep al op 26 september 2016 is ingesteld, heeft de rechtbank, om nog meer vertraging te voorkomen, verkozen om uitspraak te doen op het beroep en niet langer te wachten op het onderzoek van de staatssecretaris.

De rechtbank overweegt dat volgens de staatssecretaris nader onderzoek naar de authenticiteit van het paspoort nodig was. De staatssecretaris heeft daarmee te kennen gegeven dat het onderzoek dat ten grondslag lag aan het bestreden besluit onvoldoende was. De staatssecretaris achtte immers een onderzoek bij de Congolese autoriteiten nodig. Dat betekent naar het oordeel van de rechtbank al dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid. De rechtbank gaat niet mee in het standpunt van de staatssecretaris van 20 april 2020 dat de afwezigheid van de uitkomst van het onderzoek de rechtmatigheid van het bestreden besluit niet kan aantasten. Aan dit standpunt gaat de rechtbank voorbij, alleen al omdat de staatssecretaris dit standpunt voor het eerst in 2020 inneemt en niet eerder in de procedure. Eerder in de procedure is immers steeds aanhouding gevraagd om nader onderzoek te doen. Beroep gegrond.

Rb Arnhem, AWB 16/21874, 26.10.20

RvS: verklaring bij KMar weegt mee in asielbeoordeling

De vreemdeling komt uit Bangladesh. Hij heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij vreest voor vervolging wegens zijn gestelde seksuele gerichtheid. Hij heeft bij binnenkomst in Nederland tegenover de Koninklijke Marechaussee (hierna: de KMar) echter andere verklaringen over de reden van zijn asielaanvraag afgelegd, namelijk dat hij politieke problemen heeft en dat er politieke aanklachten tegen hem lopen in Bangladesh. Deze uitspraak gaat over de vraag of de staatssecretaris deze informatie ten onrechte heeft betrokken bij de beoordeling van de aanvraag.

De staatssecretaris betoogt terecht dat in de processen-verbaal van de KMar staat dat de vreemdeling uit eigen beweging heeft verklaard over de reden van zijn asielaanvraag. Zoals de staatssecretaris betoogt, maakt de enkele omstandigheid dat informatie is afgelegd voorafgaand aan of tijdens de rust- en voorbereidingstijd nog niet dat deze informatie niet mag worden betrokken (Stb 2010, 244, p. 17).

Dat de verklaring is afgelegd tegenover de KMar, die geen deel uitmaakt van het bestuursorgaan dat beslist op de asielaanvraag, maakt dit niet anders (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 6 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1022). De staatssecretaris moet immers een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling verrichten, waarbij hij alle door de vreemdeling afgelegde verklaringen en overgelegde bewijsmiddelen over de reden waarom hij in Nederland asiel wil in onderlinge samenhang en in het licht van de overige afgelegde verklaringen, overgelegde bewijsmiddelen en overige omstandigheden moet bezien (vergelijk bijvoorbeeld de uitspraken  van de Afdeling 18 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3652, 13 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:890 en 1 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:897).

Tot slot heeft de staatssecretaris terecht betoogd dat de vreemdeling tijdens het nader gehoor is geconfronteerd met de tegenstrijdigheid in zijn verklaringen en in de gelegenheid is gesteld hierop te reageren. Hierdoor is hij in de gelegenheid gesteld om de tegenstrijdigheid uit te kunnen leggen en heeft hij op die manier zo volledig mogelijk de voor zijn aanvraag noodzakelijke elementen kunnen aanvoeren.

Het hoger beroep is gegrond.
RvS 202002287/1/V2, 20.10.20
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2020:2459

WBV 2020/22: Verduidelijking 'onderduiken' bij Dublinverordening

Volgens het HvJ EU (arrest Jawo) duikt een vreemdeling onder wanneer hij doelbewust ervoor zorgt dat hij buiten het bereik blijft van de nationale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de overdracht, teneinde deze overdracht te voorkomen.

Hieruit volgt dat er in ieder geval twee situaties zijn waarin aangenomen mag worden dat de vreemdeling onderduikt. Enerzijds is dit het geval als de vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken en anderzijds is dit het geval als de vreemdeling niet verschijnt bij de voor hem geplande overdracht en zich daarmee aan de uitvoering van de overdracht heeft onttrokken. Dat de vreemdeling op enig moment daarna weer in beeld is of slechts tijdelijk niet in beeld is geweest laat het voorgaande onverlet. In de hiervoor genoemde situaties zal de uiterste overdrachtstermijn verlengd worden naar maximaal 18 maanden. Verlenging van de uiterste overdrachtstermijn blijft echter achterwege indien de vreemdeling aantoont dat er sprake is geweest van verschoonbare feiten en omstandigheden waardoor de voor hem geplande overdracht geen doorgang heeft kunnen vinden of als de vreemdeling niet is ingelicht over de verplichtingen die dienaangaande op hem rusten.

WBV 2020/22, 27.10.20 in Staatscourant 2020, 56296, 30.10.20
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2020-56296.html

EHRM: IM toegewezen voor statushouders Griekenland in NL

Nederland heeft de asielaanvragen van een Syrische vreemdeling en haar twee kinderen van dertien en negen jaar niet-ontvankelijk verklaard omdat zij al in Griekenland internationale bescherming genieten. De vreemdelingen betogen dat zij bijzonder kwetsbaar zijn en terugkeer naar Griekenland in strijd is met artikel 3 EVRM. Zij zouden namelijk niet eerder een verblijfsvergunning hebben gekregen in Griekenland en daarom ook geen toegang hebben tot huisvesting, de arbeidsmarkt, sociale hulp en medische zorg. Omdat de uitkomsten van hun aanvragen in Griekenland nog onzeker zijn en de aanvraagprocedure wel enkele maanden kan duren, zouden zij gedwongen zijn om op straat te leven, zonder toegang tot faciliteiten. Het Europees Hof van de Rechten van de Mens (EHRM) stelt vragen.

Het EHRM heeft hierover vragen gesteld aan zowel NL als Griekenland, en een Interim Measure toegewezen en verlengd 'until further notice'. 

EHRM, 31007/20 , Alaa ASAAD en anderen t. Nederland, 16.10.20
http://hudoc.echr.coe.int/eng?i=001-205951

RvS: vreemdelingentoezicht na reguliere controle toegestaan

Uit het proces-verbaal blijkt duidelijk dat de verbalisanten naar een adres zijn gegaan in het kader van de uitoefening van de algemene politietaak, namelijk nadat ze een melding kregen over een ruzie. De vreemdeling is daar vervolgens aangehouden wegens verdenking van het overtreden van artikel 447e Sr. Dat de verbalisanten in het proces-verbaal hebben vermeld dat zij in overleg met de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel (AVIM) tot de aanhouding van de vreemdeling zijn overgegaan, is in overeenstemming met de Instructie Identificatieplicht over de uitoefening van bevoegdheden op grond van de wet op de identificatieplicht (Stcrt. 2016, nr. 70055). Volgens die Instructie is er sprake van overtreding van artikel 447e Sr wanneer een vreemdeling geen bewijs van zijn verblijfsrechtelijke positie kan tonen en dient in dat geval overleg plaats te vinden met de AVIM met het oog op een mogelijke overdracht van de betrokkene ten behoeve van de uitvoering van de Vw 2000.

Anders dan de rechtbank lijkt aan te nemen heeft de AVIM niet uitsluitend tot taak toezicht te houden op de uitvoering van die wet. De grief slaagt.

Het hoger beroep is gegrond.
RvS 202004750/1/V3, 8.10.20
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2020:2400

RvS: geen 8EVRM relatie Iraniër met christelijke NLse vrouw

De staatssecretaris heeft in het besluit zwaar in het nadeel van de vreemdeling laten meewegen dat het om een eerste toelating gaat en hij het familie- of gezinsleven met referent is gaan uitoefenen, terwijl hij wist dat hij hier niet rechtmatig verbleef. Daarnaast zijn er volgens de staatssecretaris geen 'insurmountable obstacles' om het familie- of gezinsleven met referent in Iran uit te oefenen. Dat ongehuwd samenwonen daar niet is toegestaan, is een omstandigheid die referent in aanmerking moet nemen bij haar keuze om naar Iran te gaan, maar is volgens hem geen reden om de vreemdeling hier verblijfsrecht toe te kennen. Als zij niet met elkaar willen trouwen, is dat hun persoonlijke keuze. Het christelijke geloof van referent staat niet aan een huwelijk in de weg, omdat de Iraanse wetgeving alleen een huwelijk tussen een niet-islamitische man met een islamitische vrouw verbiedt. Hij erkent dat het voor referent, door haar Nederlandse achtergrond, moeilijk zal zijn om zich aan te passen aan een leven in Iran en dat dit een 'certain degree of hardship' oplevert, maar dit maakt niet dat de belangenafweging in het voordeel van de vreemdeling uitvalt. Dit zal aanpassingsvermogen vragen van referent, maar er mag van haar worden verwacht dat zij zich daar met de ondersteuning van de vreemdeling kan handhaven, ook zonder eventuele steun van zijn familie.

Gelet op het voorgaande, heeft de staatssecretaris alle aangevoerde belangen in zijn afweging betrokken. Hij heeft niet ten onrechte zwaar gewicht toegekend aan de omstandigheid dat de vreemdeling het gezinsleven met referent is aangegaan en heeft geïntensiveerd terwijl hij wist dat hij niet in Nederland mocht zijn. Uit de jurisprudentie volgt dat in een dergelijk geval slechts onder zeer uitzonderlijke omstandigheden een verplichting rust op Nederland om de vreemdeling hier verblijf toe te staan (uitspraak van de Afdeling van 10 december 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO8060). Het beroep van de vreemdeling op de arresten van het EHRM van 2 november 2001, Boultif tegen Zwitserland, ECLI:CE:ECHR:2001:0802JUD005427300, en van 3 oktober 2014, Jeunesse tegen Nederland, ECLI:CE:ECHR:2014:1003JUD001273810 slaagt niet. Anders dan in deze arresten, doen zich hier niet zulke uitzonderlijke omstandigheden voor. Zo heeft de vreemdeling bijvoorbeeld niet eerder een verblijfsvergunning gehad en is zijn aanwezigheid in Nederland niet voor lange tijd gedoogd. Tot slot heeft de staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat artikel 8 van het EVRM geen recht geeft op een vrije domiciliekeuze en dat de kans op gezinshereniging in Nederland voor de vreemdeling en referent niet volledig uitzichtloos is.

De beroepsgrond faalt. Het beroep is ongegrond.
RvS 201904973/1/V3, 9.10.20
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2020:2404

Rb: gelijkheidsbeginsel ivm risico herbesnijdenis na hersteloperatie van Soedanese

De rechtbank overweegt allereerst dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar vrees voor herbesnijdenis bij terugkeer reëel is. Uit diverse openbare bronnen blijkt niet dat vrouwen die een hersteloperatie hebben ondergaan opnieuw worden besneden. Besnijdenis gebeurt veelal onder druk van de familie. Wegens het feit dat de vreemdeling thans 32 jaar is, hoogopgeleid en in het bezit van werkervaring, mag van haar verwacht worden dat zij derhalve niet afhankelijk is van familie. 

Het beroep op het gelijkheidsbeginsel onder verwijzing naar een andere zaak slaagt echter wel. In die zaak werd aan een vrouw die besneden was en in Nederland een hersteloperatie had ondergaan en vreesde bij terugkeer naar Soedan opnieuw besneden te worden wel een asielvergunning verleend. De staatssecretaris heeft niet daadkrachtig gemotiveerd waarom het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet op gaat.

Beroep gegrond.
Rb Amsterdam, NL20.6162 en NL20.7559, 5.10.20

Rb: risico op disproportionele bestraffing bij terugkeer Marokkaanse met buitenhuwelijks kind

Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat verweerder zich bij de beoordeling van de vraag of eiseres bij terugkeer een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM, rekenschap heeft geven van de reden van de bestraffing, te weten seksuele omgang buiten een huwelijk. Zo blijkt uit de besluitvorming niet of verweerder heeft onderzocht of deze bestraffing al dan niet disproportioneel is, mede gelet op het feit dat dergelijke omgang is Nederland niet strafbaar is gesteld. Dat eiseres zich, naar verweerder stelt, in Marokko kan verdedigen tegen een eventuele aanklacht, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat het besluit daarmee deugdelijk is gemotiveerd. Eiseres heeft er immers in dit kader ook op gewezen dat haar minderjarige dochter het levende bewijs is van de seksuele omgang buiten het huwelijk, zodat zij in zoverre ook schuldig is aan hetgeen in de Marokkaanse wet strafbaar is gesteld. Een eerlijke rechtsgang kan eiseres, daargelaten de juistheid daarvan, in zoverre dan ook niet beschermen tegen een mogelijke disproportionele bestraffing. Datzelfde geldt voor de overweging van verweerder dat eiseres haar minderjarige dochter tijdens een eventuele detentie bij zich kan houden en dat medische zorg, waaronder een jaarlijks bezoek aan de tandarts, in detentie kosteloos toegankelijk is. Ook deze detentieomstandigheden zullen eiseres niet beschermen tegen een mogelijke disproportionele bestraffing, zodat het besluit ook in zoverre een deugdelijke motivering ontbeert.

Verweerder wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen. Daarbij dient verweerder ook kenbaar de belangen van het kind van eiseres, te weten haar mogelijke verblijf bij eiseres in detentie en haar recht op familieleven, te betrekken.

Tot slot is de rechtbank met betrekking tot het inreisverbod van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat het gezinsleven van eiseres, haar Syrische echtgenoot aan wie in Nederland een asielvergunning is verleend en hun minderjarige dochter ook in Marokko kan worden uitgeoefend. Indien verweerder bij het nieuw te nemen besluit het inreisverbod handhaaft zal verweerder nader moeten onderbouwen of, en zo ja waarom inmenging in het gezinsleven is gerechtvaardigd.

Rb den Bosch NL20.14315, 15.10.20
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2020:10461

Rb: prejudiciële vraag over 15c Afghanistan en individuele beoordeling

Eisers hebben de Afghaanse nationaliteit en zijn sjiiet en Hazara. Eiser is afkomstig uit de provincie Ghazni en eiseres uit de provincie Logar. Zij zijn sinds eind 2015 in Nederland. Zij hebben drie minderjarige kinderen. Eiseres wordt behandeld voor PTSS. Kind 2 vertoont een fikse achterstand in spraak- en taalontwikkeling en heeft langdurige gedrags- en emotionele problemen. Sinds juni 2019 is het gezin in behandeling bij de stichting Jeugdhulp. Daarnaast is het gezin aangemeld bij Centrum ’45 voor de behandeling van pshycho-traumatische klachten.

In geschil is of verweerder terecht aan de afwijzing van de asielaanvragen ten grondslag heeft gelegd dat eisers niet in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming op grond van artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatierichtlijn.

De rechtbank wenst het Hof de volgende prejudiciële vragen te stellen:

1. Beoogt artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn uitsluitend bescherming te bieden in de uitzonderlijke situatie dat de mate van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict dermate hoog is dat zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger die terugkeert naar het betrokken land of, in voorkomend geval, naar het betrokken gebied, louter door zijn aanwezigheid daar een reëel risico loopt op de in dat artikelonderdeel bedoelde bedreiging? En valt deze uitzonderlijke situatie onder de 'most extreme case of general violence', zoals bedoeld in het arrest N.A. tegen het Verenigd Koninkrijk?

Indien het eerste deel van de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord:

2. Dient artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn aldus te worden uitgelegd dat ook een minder hoge mate van willekeurig geweld dan de eerdergenoemde uitzonderlijke situatie, in samenhang met persoonlijke en individuele omstandigheden van een verzoeker ertoe kan leiden dat zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een verzoeker die terugkeert naar het betrokken land of naar het betrokken gebied een risico loopt op de in dat artikellid bedoelde bedreiging?

Indien de tweede vraag bevestigend wordt beantwoord:

3. Dient in dat kader een glijdende schaal te worden gehanteerd met een differentiatie in mogelijke niveaus van willekeurig geweld en de daarbij behorende mate van individuele omstandigheden? En welke persoonlijke en individuele omstandigheden kunnen een rol spelen bij de beoordeling van de beslissingsautoriteit en de nationale rechter?

Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord:

4. Wordt aan het bepaalde in artikel 15 van de Kwalificatierichtlijn voldaan wanneer aan een verzoeker die zich in een situatie bevindt waarin sprake is van een mate van willekeurig geweld die minder hoog is dan in de bedoelde uitzonderlijke situatie en hij bewijs kan leveren dat hij specifiek wordt geraakt (onder meer) om redenen die te maken hebben met zijn persoonlijke omstandigheden, uitsluitend subsidiaire bescherming wordt verleend op grond van artikel 15, aanhef en onder a of b, van deze Kwalificatierichtlijn?

Rb Haarlem AWB 19/6626 en 19/6627, 19.10.20
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2020:10488

RvS: terecht geen asiel Syrische vrouw, kan Armeense nationaliteit herkrijgen

De eerste aanvraag van de vreemdeling is afgewezen, omdat zij ook de Armeense nationaliteit bezat en Armenië een veilig land van herkomst is. Aan de huidige aanvraag heeft de vreemdeling ten grondslag gelegd dat zij niet langer in het bezit is van de Armeense nationaliteit. De staatssecretaris klaagt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat de vreemdeling een voldoende band heeft met Armenië dat het voor haar redelijk zou zijn om naar dat land toe te gaan.

De Afdeling heeft eerder overwogen in de uitspraak van 13 december 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:3379) dat de staatssecretaris, indien hij tegenwerpt dat een land voor een vreemdeling een veilig derde land is, aannemelijk moet maken dat die vreemdeling een zodanige band heeft met dat land.
In dit kader heeft de staatssecretaris terecht aangegeven dat er redenen zijn om aan te nemen dat de vreemdeling opnieuw tot Armenië zal worden toegelaten. Zo blijkt o.a. uit verklaringen dat zij de Armeense nationaliteit op eenvoudige wijze heeft verkregen. Dat ze niet meer in het bezit is van de Armeense nationaliteit komt alleen doordat zijzelf een aanvraag heeft gedaan om hier afstand van te doen. Ook is de vreemdeling etnisch Armeens alsmede Armeens Christen en spreekt zij een Armeens dialect. De staatssecretaris heeft onder deze omstandigheden terecht geen doorslaggevende betekenis toegekend aan de door de vreemdeling aangevoerde omstandigheden dat zij nooit in Armenië heeft gewoond en daar geen familie heeft. Gelet hierop heeft de staatssecretaris zich deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de vreemdeling een zodanige band heeft met Armenië dat het voor haar redelijk zou zijn om naar dat land te gaan.

Hoger beroep van de staatssecretaris gegrond.
ABRvS, 201909345/1, 6.10.20
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2020:2356

Pagina's