Nieuws

RvS: risico pushbacks Slovenië, maar geen risico Dublinclaimanten

Er zijn aanwijzingen zijn dat de Sloveense autoriteiten in de informele procedure waarbij ze vreemdelingen overbrengen naar een ander land op grond van bilaterale overeenkomsten, niet voldoende waarborgen dat vreemdelingen een verzoek om internationale bescherming kunnen indienen.

Maar de stukken bieden geen concrete aanknopingspunten voor het oordeel dat de vreemdeling zich na een Dublinoverdracht vanuit Nederland aan Slovenië in dezelfde positie zal bevinden als een vreemdeling die vanuit een land waarmee Slovenië een bilaterale overeenkomst heeft gesloten, Slovenië is binnengekomen. Bij een Dublinoverdracht staat het asielverzoek van de vreemdeling immers al in Eurodac geregistreerd, de autoriteiten hebben dat verzoek erkend in het claimakkoord, het Sloveense Constitutionele Hof heeft de bijzondere positie en rechten van Dublinclaimanten benadrukt en de autoriteiten hebben in hun e-mail van 10 mei 2022, onder verwijzing naar hetzelfde arrest van het Constitutionele Hof, nogmaals gegarandeerd dat Dublinclaimanten worden toegelaten tot de asielprocedure. Er is daarom geen aanleiding om te veronderstellen dat de vreemdeling een reëel risico loopt op een met artikel 4 van het EU Handvest en artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling door te worden verwijderd van het Sloveense grondgebied zonder behandeling van zijn asielverzoek.....

De Afdeling heeft na sluiting van het onderzoek ter zitting kennis genomen van de prejudiciële vragen die rechtbank’s-Hertogenbosch aan het Hof heeft voorgelegd in de uitspraak van 15 juni 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:5724, maar ziet in geen aanleiding om het onderzoek te heropenen en de zaak aan te houden in afwachting van de beantwoording daarvan.

Conclusie: De staatssecretaris is terecht voor Slovenië van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan. Hoger beroep ongegrond.
RvS 202106105/1/V3, 8.9.22
ECLI:NL:RVS:2022:2644
idem RvS 202107544/1/V3, 8.9.22
ECLI:NL:RVS:2022:2645

RvS: terughalen Syrier die als Dublinclaimant aan DK was overgedragen ivm refoulement-risico

De vreemdeling stelt dat ten aanzien van Denemarken niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.
De Afdeling oordeelt als volgt. De rechtsvraag over de beoordeling van het indirecte reële risico op schending van artikel 3 EVRM bij overdracht aan Denenmarken wegens het daar geldende beschermingsbeleid voor Syrische vreemdeling heeft de Afdeling eerder beantwoord. Het hoger beroep is gegrond en de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd.

De staatssecretaris moet een nieuw besluit op de aanvraag nemen. Dit betekent dat de staatssecretaris verplicht is te bewerkstelligen of te faciliteren dat de vreemdeling kan terugkeren naar Nederland. Het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen is daarom afgewezen.

Hoger beroep van de vreemdeling, tegen Rb Middelburg NL21.13779, 9.11.21 gegrond.
ABRvS 202107162/1 en 202107162/3, 15.8.22
ECLI:NL:RVS:2022:2355

Rb: erkenning NLs kind door Guineese vader mogelijk

De moeder en de kinderen hebben de Nederlandse nationaliteit. De man is afkomstig uit Guinee. Gelet op de overgelegde nationaliteitsverklaring op naam van de man, afgegeven door de Guineese ambassade in Brussel, gaat de rb ervan uit dat de man de Guineese nationaliteit heeft.

De ambtenaar is bevoegd te weigeren een akte van de burgerlijke stand op te maken of een latere vermelding aan een akte toe te voegen wanneer hij meent dat iemand in gebreke is met het overleggen van de noodzakelijke bescheiden. Voor de erkenning van C en D is het noodzakelijk dat de identiteit van de man kan worden vastgesteld. Het biologische vaderschap van de man m.b.t. C staat niet ter discussie gelet op het uitgevoerde DNA-onderzoek. Voor wat betreft D blijkt het verwekkerschap van de man niet uit een DNA-onderzoek. De rb is echter gelet op de gestelde feiten en omstandigheden, waaronder de verklaringen van partijen en de verklaringen van de bij partijen betrokken hulpverlening, van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat de man ook de verwekker is van D. Daarnaast leven de man en C en D met de moeder als gezin samen en stemt de moeder in met de erkenning van C en D. Er zijn geen aanwijzingen dat in deze zaak sprake zou kunnen zijn van een schijnerkenning die enkel in verband met de verblijfsstatus van de man wordt aangevraagd. Gelet hierop moet het bepaalde in art. 8 EVRM en de artt. 3 en 7 IVRK meewegen bij de beslissing.

Ondanks dat Bureau Documenten heeft aangegeven niet te kunnen vaststellen of de inhoud van de overgelegde documenten juist is, is de rb van oordeel dat op basis van alle overgelegde stukken in onderling verband en samenhang bezien voldoende aanwijzingen zijn verkregen omtrent de identiteit van de man. De ambtenaar had op grond van de thans beschikbare gegevens, en gelet op het belang van C en D bij de erkenning, de identiteit van de man kunnen vaststellen.

Beroep gegrond; gelast de ambtenaar van de burgerlijke stand om een akte van erkenning op te maken en een latere vermelding betreffende de erkenning toe te voegen aan de geboorteakte van de minderjarigen C en D.

Rb Oost-Brabant, C/01/377780/FA RK 21-5924, 28.7.22

Rb: behoud opvang Somaliër met ptss, opname ivm alcoholmisbruik na mishandeling (nov 2021)

De voorzieningenrechter stelt vast dat door het BMA informatie is ingewonnen bij Jellinek en dat dit is meegenomen in het advies van 26 oktober 2021. Dit maakt echter niet dat daarmee zondermeer een juist oordeel/advies is gegeven. Juist de bezwaarfase biedt de mogelijkheid om de conclusie van het BMA-advies te betwisten en nadere medische informatie in te brengen die misschien een ander licht op de zaak kan werpen.

In de brief van Jellinek wordt een verband gelegd tussen verzoekers PTSS-klachten, de mishandeling, de kort daarna toegenomen psychische klachten en alcoholmisbruik en de opname op de High Care Detox afdeling van Jellinek. De voorzieningenrechter ziet in het BMA-advies niet dat dit verband bij de advisering is betrokken. De voorzieningenrechter oordeelt, mede gelet op de brief van Jellinek van 2 november 2021, dat verzoeker er belang bij heeft om de beslissing op bezwaar in de opvang af te mogen wachten. De voorzieningenrechter zal daarom bij wijze van ordemaatregel het verzoek toewijzen zodat ontruiming uit de opvang achterwege blijft en verweerder daarbij opdragen verzoeker te behandelen als ware artikel 64 van de Vw op hem van toepassing, tot vier weken nadat op het bezwaar in deze procedure is beslist.

Toewijzing van het verzoek acht de voorzieningenrechter niet zeer ingrijpend. Dit komt in feite slechts neer op het bevriezen van de status quo bij wijze van ordemaatregel, zonder dat wordt vooruitgelopen op de uitkomst van de bezwaarfase.

Rb Utrecht NL21.17308, 26.11.21
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:16872

SvJ&V: gedwongen terugkeer naar Afghanistan vrijwel onmogelijk

Naar verwachting zal een groot deel van de asielzoekers uit Afghanistan in aanmerking komen voor een asielvergunning waardoor terugkeer niet aan de orde is. De kans is niettemin aanwezig dat sommige asielzoekers niet voldoen aan de voorwaarden voor verblijf. In die gevallen zal de asielaanvraag worden afgewezen en is vertrek uit Nederland aan de orde. Hierbij zal met name zelfstandig vertrek aan de orde zijn. Gedwongen vertrek zal (nagenoeg) niet mogelijk zijn, gelet op het ontbreken van diplomatieke banden tussen Nederland en de de facto Afghaanse autoriteiten. Waar terugkeer ondanks de inspanning van de vreemdeling niet kan mogelijk is, kan de vreemdeling mogelijk ook voor een vergunning buitenschuld in aanmerking komen.

https://www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/kamerstukken/2022/08/22/beantwoording-vragen-over-het-rapport-death-in-slow-motion-women-and-girls-under-taliban-rule-van-amnesty-international-van-27-juli-2022/beantwoording-vragen-over-het-rapport-death-in-slow-motion-women-and-girls-under-taliban-rule-van-amnesty-international-van-27-juli-2022.pdf, 22.8.22

Rb: geen zicht meer op uitzetting na 9mnd detentie en weigeren covid test

Eiseres bevindt zich thans nagenoeg negen maanden in vreemdelingenbewaring. De enige oorzaak dat het feitelijk vertrek tot nu toe niet is gerealiseerd, is de omstandigheid dat eiseres medewerking aan het ondergaan van de covidtest weigert. Verweerder is immers in het bezit van het paspoort van eiseres, het luchtruim naar Bangladesh is geopend, er vinden ook vluchten naar Bangladesh plaats en verweerder heeft meerdere malen een vlucht geboekt en een vliegticket aangeschaft.

De rechtbank stelt vast dat eiseres gedurende de gehele periode van bewaring de medewerking die zij moet verlenen aan haar vertrek heeft geweigerd en daarmee de uitzetting heeft gefrustreerd en verhinderd. Desalniettemin komt er een moment waarop moet worden geconcludeerd dat de bewaring niet langer evenredig is aan het doel van de maatregel. De rechtbank overweegt dat dit thans aan de orde is gelet op de aanzienlijke duur van de maatregel en de zeer reële kans dat feitelijke uitzetting onder deze omstandigheden niet gaat lukken. Indien voorzienbaar is dat de uitzetting niet zal gaan plaatsvinden, dient de maatregel niet (langer) het doel van die uitzetting. De rechtbank overweegt hierbij uitdrukkelijk dat de opheffing geen “beloning” voor frustratie van het uitzettingstraject is. Een voorzetting van de maatregel omdat eiseres volhardt in haar houding zal, in de concrete omstandigheden van deze procedure, echter een punitatief karakter krijgen en dat is in strijd met de administratieve grondslag van de vreemdelingenbewaring.

De rechtbank concludeert dat een verdere voortzetting van de maatregel niet evenredig is aan het doel van de vreemdelingenbewaring. Dit betekent dat de maatregel vandaag zal worden opgeheven en eiseres vandaag in vrijheid zal worden gesteld.

Rb den Bosch NL22.16307, 25.8.22
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:8509

RvS: evenredigheidstoets kinderpardon

In twee zaken heeft de Raad van State een evenredigheidstoets toegepast bij beslissingen over het kinderpardon. Contra-indicaties van de ouder wegen niet altijd zwaarder dan het belang van het kind.

RvS: evenredigheidstoets afwijzing kinderpardon bij contra-indicatie identiteit moeder

Deze uitspraak gaat over de in de Afsluitingsregeling neergelegde contra-indicaties en het evenredigheidsbeginsel. De Afdeling heeft hierin uiteengezet wat de door de staatssecretaris te verrichten beoordeling en de door de bestuursrechter te verrichten toetsing moet inhouden in zulke zaken.

De staatssecretaris beoordeelt aanvragen op grond van de Afsluitingsregeling 'in de context van het gezin'. Dat betekent onder meer dat als op een van de gezinsleden een contra-indicatie van toepassing is, niemand van het gezin een verblijfsvergunning wordt verleend op grond van de Afsluitingsregeling. Het handelen of nalaten van gezinsleden is daarom medebepalend voor de vraag of het kind een verblijfsvergunning wordt verleend. Daarbij rijzen vragen naar de evenredigheid.

De Afsluitingsregeling bevat beleidsregels die invulling geven aan een discretionaire bevoegdheid van de staatssecretaris. Als de evenredigheid van een besluit in geschil is, moet de staatssecretaris daarom een gemotiveerd standpunt innemen over de vraag of hij al dan niet van zijn beleid moet afwijken.

Een aantal factoren bepaalt de intensiteit van de door de bestuursrechter te verrichten toetsing. In de eerste plaats is van belang dat de Afsluitingsregeling in de kern begunstigend beleid bevat. Wel zijn de daarin neergelegde contra-indicaties belastende elementen. In de tweede plaats is de mogelijke aantasting van fundamentele rechten van het kind van belang. In dit geval gaat het om het beginsel van non-discriminatie. Hoewel de rechterlijke toetsing van begunstigend beleid in beginsel terughoudend is, moet in dit geval indringender worden getoetst om te bepalen of het aan het kind toerekenen van het handelen en nalaten van een gezinslid al dan niet evenredig is, omdat er fundamentele rechten van het kind aan de orde zijn die mogelijk worden aangetast door dat onderscheid....

Voor de contra-indicatie 'niet aantonen van de identiteit' geldt dat aan de eis van evenwichtigheid is voldaan als sprake is van werkelijke identiteitsverwarring. In deze zaak oordeelt de Afdeling dat, naar de huidige stand van zaken zoals die bij haar bekend is, geen sprake is van die werkelijke identiteitsverwarring. De staatssecretaris moet een nieuw besluit nemen op het door de vreemdelingen gemaakte bezwaar. Daarbij mag hij zich, naar de huidige stand van zaken, niet opnieuw op het standpunt stellen dat de contra-indicatie 'niet aantonen van de identiteit' in de weg staat aan verblijf voor de zoon op grond van de Afsluitingsregeling.

RvS 202006602/1/V2, 17.8.22
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2022:2290

RvS: evenredigheidstoets afwijzing kinderpardon bij contra-indicatie strafblad vader

Uit de overwegingen volgt dat de toerekening aan de kinderen van het handelen en nalaten van de vader twee gerechtvaardigde doelen dient en bovendien een geschikt middel is om die doelen te bereiken. Bovendien is toerekening in deze zaak noodzakelijk, omdat de kinderen nog minderjarig zijn. In die situatie bestaat namelijk een daadwerkelijk risico dat de vader, als aan een van de kinderen een verblijfsvergunning wordt verleend, in aanmerking komt voor een van die kinderen afgeleid verblijfsrecht.

De staatssecretaris heeft nagelaten de door de vreemdeling aangedragen omstandigheden kenbaar bij zijn beoordeling te betrekken en te motiveren of die al dan niet opwegen tegen de doelen van de Afsluitingsregeling en in het bijzonder van de in geschil zijnde contra-indicatie, waardoor ook aan de kinderen een verblijfsvergunning wordt onthouden. In de door de vreemdelingen aangedragen omstandigheden ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het aan de kinderen toerekenen van het handelen en nalaten van de vader en het daardoor gemaakte onderscheid, naar de huidige stand van zaken zoals die bij de Afdeling bekend is, onredelijk bezwarend is. De vreemdelingen hebben namelijk terecht gewezen op de geringe aard en ernst van de misdrijven en het aanzienlijke tijdsverloop sinds het plegen daarvan, zodat er geen daadwerkelijk gevaar voor de openbare orde bestaat als aan de kinderen, en van hen afgeleid ook aan de vader, een verblijfsvergunning wordt verleend.

Gelet op het voorgaande heeft de staatssecretaris ondeugdelijk gemotiveerd waarom hij geen aanleiding heeft gezien om af te wijken van het in de Afsluitingsregeling neergelegde beleid. De beroepsgrond slaagt. Het beroep is gegrond.

RvS 202006606/1/V2, 17.8.22
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2022:2341

RvS: beoordeling verblijfsrecht in NL voor Albanese zzp’er met langdurig verblijfsrecht in Spanje

De rechtbank heeft overwogen dat de vreemdeling niet in zijn onderneming investeert en dat hij niet over een eigen inventaris beschikt, maar de spullen van zijn opdrachtgevers gebruikt. Hierdoor loopt hij bijna geen ondernemersrisico, en dit staat op gespannen voet met zijn stelling dat geen sprake is van een gezagsverhouding, volgens de rechtbank.

Uit vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie volgt dat voor beantwoording van de vraag of de vreemdeling als zelfstandige werkzaam is, bepalend is of hij de arbeid zonder gezagsverhouding heeft verricht, waarbij de vraag of hij de arbeid onder eigen verantwoordelijkheid heeft verricht een rol speelt en voorts de feitelijke situatie van belang is.

De vreemdeling heeft tot op zekere hoogte aannemelijk gemaakt dat hij arbeid als zelfstandige verricht. Daarbij betrekt de Afdeling dat het in de bouw niet ongebruikelijk is dat de werkzaamheden in onderaanneming als zelfstandige worden verricht. Dat de vreemdeling de inventaris van opdrachtgevers gebruikt, is op zichzelf onvoldoende om dat in twijfel te trekken, omdat hieruit nog niet volgt dat sprake is van een gezagsverhouding. De staatssecretaris heeft in het besluit daarom zijn standpunt dat de vreemdeling niet als zelfstandige gezien kan worden onvoldoende gemotiveerd. Hieruit volgt ook dat de staatssecretaris in het besluit ten onrechte niet heeft beoordeeld of de vreemdeling uit zijn werkzaamheden duurzaam en zelfstandig voldoende middelen van bestaan verwerft. Het besluit is daarom niet deugdelijk gemotiveerd. De rechtbank heeft dat niet onderkend.

De grief slaagt.
RvS 202105437/1/V3, 17.8.22

https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2022:2372

Rb: afwegen verblijf Somalische asielzoekster bij 4 NLse kinderen, ondanks onduidelijke identiteit

Verweerder stelt dat, nu de identiteit en nationaliteit van eiseres niet vast staat, hij niet toekomt aan een verdere toetsing aan artikel 8 EVRM. Subsidiair stelt verweerder zich op het standpunt dat een belangenafweging in het kader van artikel 8 EVRM niet tot vergunningverlening zou leiden. Zolang eiseres geen geloofwaardige verklaringen aflegt over haar herkomst, identiteit en nationaliteit, kan verweerder niet toetsen of er objectieve belemmeringen zijn om het gezinsleven in het land van herkomst uit te oefenen. Dit geldt ook de onmogelijkheid om te onderzoeken of ten aanzien van eiseres openbare orde aspecten spelen. Voorts heeft eiseres geen bijzondere band met Nederland. Zij is maar zes jaar, dus relatief kort in Nederland. Zij heeft nooit rechtmatig verblijf op grond van een verblijfsvergunning gehad. Omdat de kinderen van eiseres nog erg jong zijn, kunnen zij haar volgen en zich aanpassen aan het leven in een ander land. Met het oog op het economische welzijn van Nederland en het voeren van een restrictief toelatingsbeleid weegt ook in het nadeel van eiseres mee dat gesteld noch gebleken is dat zij over voldoende middelen van bestaan beschikt.

De rechtbank is met eiseres van oordeel dat verweerder het motiveringsgebrek niet heeft hersteld.

Op basis van jurisprudentie van het EHRM en van de Afdeling, is zonder meer sprake van gezinsleven als het gaat om een biologische moeder en haar minderjarige kinderen, zoals eiseres en haar vier minderjarige kinderen. Uit het voorgaande volgt dat verweerder een belangenafweging op grond van het tweede lid van artikel 8 EVRM niet achterwege kon laten met de motivering dat de identiteit en nationaliteit van eiseres niet vaststaan.

De rechtbank volgt eiseres verder waar zij stelt dat verweerder niet het volgens vaste jurisprudentie van het EHRM vereiste aanzienlijke gewicht heeft toegekend ten aanzien van de belangen van de kinderen van eiseres.  Daarbij is tevens van belang dat in de tussenuitspraak al is geoordeeld dat dient te worden uitgegaan van de Somalische nationaliteit van eiseres.

Evenmin blijkt uit de belangenafweging dat en in welke mate verweerder in het voordeel van eiseres de omstandigheden heeft betrokken dat haar echtgenoot en kinderen allemaal de Nederlandse nationaliteit hebben en dat eiseres ruim zes jaar in afwachting van haar asielprocedure rechtmatig in Nederland verblijft, waarbij ook sprake is geweest van bestuurlijke ineffectiviteit aan de kant van de Staat. Met de motivering dat de kinderen van eiseres ook banden met hun land van herkomst hebben, heeft verweerder miskend dat alle drie de kinderen in Nederland zijn geboren en hun hele leven in Nederland wonen.

De echtgenoot van eiseres en alle vier kinderen hebben de Nederlandse nationaliteit. De kinderen zijn in Nederland geboren en getogen. De echtgenoot van eiseres was tien jaar oud toen hij in Nederland aankwam. Hij naturaliseerde tot Nederlander toen hij achttien jaar was. Hij is nooit meer terug geweest in Somalië, hij spreekt vloeiend Nederlands, doorliep zijn schoolloopbaan in Nederland, heeft Nederlandse vrienden en kennissen en een baan. Eiseres heeft onder verwijzing naar de jurisprudentie van het EHRM gesteld dat het onredelijk is om van de echtgenoot van eiseres te verwachten dat hij kiest tussen alles wat hij in Nederland heeft opgebouwd en eiseres en zijn kinderen. Voorts heeft eiseres terecht opgemerkt dat niet kenbaar blijkt dat verweerder de (algemene) veiligheidssituatie in Somalië bij de belangenafweging heeft betrokken. Eiseres heeft gesteld dat nog afgezien van de omstandigheid dat zij zelf niet veilig is in Somalië, zij haar kinderen onder deze omstandigheden ook geen veilig en menswaardig bestaan kan bieden in Somalië. De echtgenoot van eiseres zal vanwege de gevaarlijke situatie aldaar voor hemzelf en in het algemeen, en wat hij in Nederland heeft opgebouwd niet meegaan naar Somalië als eiseres uit Nederland moet vertrekken. Voorts heeft eiseres gewezen op het risico op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM voor vrouwen die in Somalië zonder mannelijke begeleider reizen.

Gelet op de voorgaande overwegingen vernietigt de rechtbank het bestreden besluit ook voor zover dat ziet op de ambtshalve toets aan artikel 8 EVRM.
Rb Haarlem AWB 20/2395, 20.5.22
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:8263

RvS: bij afgewezen Chavez-aanvraag ook 8EVRM beoordelen

De vreemdeling betoogt dat zijn Italiaanse verblijfstitel op 4 januari 2021 verlopen is, waardoor zijn kinderen gedwongen worden het grondgebied van de EU te verlaten als hem geen verblijf in Nederland wordt toegestaan. Dit betoog faalt. Anders dan de vreemdeling lijkt te veronderstellen, vervalt de aan hem in Italië verleende subsidiairebeschermingsstatus niet met het enkele verlopen van zijn verblijfstitel. De vreemdeling heeft niet aannemelijk gemaakt dat zijn subsidiaire bescherming is ingetrokken of anderszins beëindigd door de Italiaanse autoriteiten. De rechtbank heeft daarom terecht geoordeeld dat geen grond bestaat om de aanvraag van de vreemdeling in te willigen.

Het betoog van de vreemdeling over het oordeel van de rechtbank over artikel 8 van het EVRM slaagt. Uit de uitspraak van 20 januari 2022, volgt dat de staatssecretaris, als een vreemdeling impliciet of expliciet een beroep doet op artikel 8 van het EVRM, deugdelijk moet motiveren waarom hij geen gebruik maakt van zijn bevoegdheid om de vreemdeling ambtshalve een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM te verlenen. De vreemdeling heeft in bezwaar omstandigheden genoemd die gaan over zowel privéleven als gezinsleven met zijn echtgenote en kinderen. De staatssecretaris heeft weliswaar erkend dat de door de vreemdeling in bezwaar genoemde omstandigheden van belang kunnen zijn in het kader van artikel 8 van het EVRM, maar zijn enkele standpunt dat een geslaagd beroep op artikel 8 van het EVRM nooit kan leiden tot de afgifte van het gevraagde EU-document, is daarvoor onvoldoende. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

De grief slaagt.
RvS 202102489/1/V1, 16.8.22
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2022:2369

Pagina's