Nieuws

RvS: risico Ethiopische Oromo-aktivist

De vreemdeling klaagt terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het voor de vraag of het voor haar gevaarlijk is om terug te keren naar Ethiopië met name relevant is wat de Ethiopische autoriteiten denken van haar politieke activiteiten in Nederland. Daarmee heeft de rechtbank zich ten onrechte niet uitgelaten over de risico's die de vreemdeling bij terugkeer loopt als zij haar in Nederland ontplooide activiteiten in Ethiopië voortzet. Dit klemt te meer, omdat de vreemdeling er in beroep op heeft gewezen dat zij zal blijven vechten voor de vrijheid van de bevolkingsgroep van de Oromo totdat die vrijheid er is. In dat verband is van belang dat de vreemdeling over de situatie in Ethiopië informatie van onder meer UK Home Office van november 2019 en Human Rights Watch van januari 2020 heeft overgelegd. Daaruit volgt dat tot de bevolkingsgroep van de Oromo behorende personen vanwege hun politieke uitingen of hun etnische achtergrond nog steeds problemen ondervinden.

Gelet hierop heeft de rechtbank haar oordeel ten onrechte beperkt tot de politieke activiteiten van de vreemdeling in Nederland en had zij zich ook moeten uitlaten over de risico’s bij voortzetting van die activiteiten in Ethiopië. Daarbij kon de rechtbank voor haar motivering niet volstaan met een verwijzing naar de uitspraak van de zittingsplaats Utrecht van 30 april 2020 (ECLI:NL:RBDHA:2020:4042), ook omdat, zoals de vreemdeling terecht aanvoert, zij in deze zaak recentere landeninformatie heeft overgelegd dan in die uitspraak is beoordeeld. Alleen al hierom slagen de grieven.

Het hoger beroep is gegrond.
RvS 202004841/1/V2, 25.6.21
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2021:1359

SvJ&V: besluit- en vertrekmoratorium vluchtelingen uit Tigray

Momenteel is onduidelijk wat de algemene veiligheidssituatie in Tigray is en hoe deze zich verder zal ontwikkelen. Dit geldt evenzeer voor de situatie voor etnisch Tigreeërs in Ethiopië. Ik heb het ministerie van Buitenlandse Zaken verzocht een aanvullend ambtsbericht op te stellen specifiek over de situatie in Tigray en de positie van etnisch Tigreeërs. Na ontvangst van het ambtsbericht zal ik uw Kamer nader informeren over de conclusies die ik uit dat ambtsbericht trek voor het landgeboden asielbeleid.

Ik heb besloten tot het instellen van een besluit- en vertrekmoratorium voor een half jaar voor vreemdelingen die voorafgaande aan het vertrek uit Ethiopië hun normale woon- en verblijfsplaats in Tigray hadden en op vreemdelingen die etnisch Tigreeër zijn en afkomstig uit Tigray dan wel overige gebieden in Ethiopië. Met het instellen van het besluitmoratorium wordt de wettelijke beslistermijn van asielaanvragen verlengd met een periode van een jaar. Met het vertrekmoratorium worden uitgeprocedeerde Ethiopische vreemdelingen uit Tigray niet verplicht terug te keren naar Ethiopië en wordt aan hen opvang en overige voorzieningen geboden.....

Vreemdelingen die (vermeend) lid of aanhanger zijn van OLA, OLF of Shene worden aangewezen als risicogroep. ...

Uit het ambtsbericht komt het beeld naar voren dat de autoriteiten bij etnisch geweld geen bescherming willen en/of kunnen bieden. Daarom wordt in het beleid opgenomen dat van een Ethiopische vreemdeling die zijn vrees voor vervolging of ernstige schade aannemelijk heeft gemaakt waar het gaat om op de persoon gericht etnisch geweld, in beginsel niet verlangd wordt dat hij bescherming vraagt van de autoriteiten.....

Uit het voorgaande algemeen ambtsbericht Ethiopië van juli 2018 volgt dat er een groot aantal weeskinderen is in Ethiopië en dat de omstandigheden in zowel de particuliere als de door de staat geleide opvanginstellingen slecht is. Daarom wordt in het beleid opgenomen dat voor Ethiopië geldt dat algemene opvangvoorzieningen niet beschikbaar en/of toereikend zijn en dat de autoriteiten geen zorgdragen voor de opvang.

https://www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/kamerstukken/2021/06/29/tk-landenbeleid-ethiopie/tk-landenbeleid-ethiopie.pdf, 29.6.21

Rb: vovo voor check op echtheid tazkara die minderjarigheid Dublinclaimant bewijst

De vreemdeling heeft opgegeven dat hij minderjarig is. Uit het rapport blijkt dat de AVIM unaniem heeft geoordeeld dat de vreemdeling evident minderjarig is. De vreemdeling staat in Italië als meerderjarige geregistreerd. Uit vaste Afdelingsrechtspraak (ECLI:NL:RVS:2017:780) volgt dat in dat geval uitgegaan kan worden van meerderjarigheid, tenzij authentieke identificerende documenten zijn overgelegd waaruit minderjarigheid blijkt. De staatssecretaris stelt zich op het standpunt dat deze niet zijn overgelegd.

De door de vreemdeling overgelegde tazkera is door de Kmar vals bevonden. De vreemdeling heeft in beroep een verklaring omtrent zijn identiteit overgelegd die is afgegeven door de Afghaanse ambassade in Den Haag. Ter zitting heeft hij toegelicht dat dit document is afgegeven nadat hij een kopie van zijn tazkera aan de ambassade heeft overgelegd. Op de tazkera staat een registratienummer op basis waarvan de Afghaanse ambassade zijn gegevens in de systemen kon verifiëren.

Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter heeft de staatssecretaris zich wat betreft de authenticiteit van de tazkera mogen baseren op de resultaten van het documentenonderzoek dat door de Koninklijke Marechaussee is uitgevoerd. Er is geen contra-expertise.

De tazkera kan nu niet als authentiek identificerend document worden aangemerkt waarmee de vreemdeling heeft aangetoond dat hij minderjarig is. De staatssecretaris twijfelt niet aan de echtheid van de door de ambassade verstrekte verklaring van identiteit, maar stelt zich op het standpunt dat niet duidelijk is op welke informatie de ambassade zich heeft gebaseerd voor het afgeven van deze verklaring. Omdat het aan de vreemdeling is om aan te tonen dat hij minderjarig is, dient hij zich onder overlegging van de verklaring van identiteit tot de Afghaanse ambassade te wenden voor het stellen van een aantal vragen. Omdat de procedure in beroep nu langer zal gaan duren dan de rechtbank had voorzien, ziet de voorzieningenrechter aanleiding de voorlopige voorziening te treffen.

Vovo toegewezen.
Rb Utrecht, NL21.7630, 11.6.21

Rb: kinderpardon en 8EVRM

In een aantal zaken heeft de rechter geoordeeld dat kinderen die zich voor het kinderpardon hebben aangemeld, niet voldoen aan de criteria (geen asiel gevraagd, onduidelijke identiteit, niet altijd in beeld bij de Rijksoverheid), maar dat de IND wel een afweging moet maken op grond van privé-leven. Daarbij worden bijna altijd kind-rapportages van Defence for Children en de Universiteit Groningen ingebracht.

Voorbeelden:

Rb: geen overdracht mogelijk voor 62-jarige zieke Marokkaanse man, sinds 1991 in NL

Eiser is een 62-jarige man met de Marokkaanse nationaliteit. Eiser verblijft naar eigen zeggen sinds 1991 in Nederland. Hij is in 1996 uitgezet naar Marokko en in 1997 weer teruggekeerd naar Nederland.

Uit het BMA-advies volgt dat eiser vier keer per dag insuline moet inspuiten en hij heeft visuele klachten. Niet in geschil is dat eiser 24/7 zorg nodig heeft. Uit de BMA adviezen volgt dat fysieke overdracht noodzakelijk is. Dat betekent dat eiser meteen moet worden opgevangen bij de overdracht door een mantelzorger of een instantie. Uit het laatste BMA advies van 28 januari 2021 volgt dat het [naam instelling] niet langer diensten verleent zoals thuiszorg en verpleeghuiszorg.

De rechtbank is met eiser van oordeel dat er concrete aanknopingspunten zijn voor twijfel aan het BMA advies van 28 januari 2021. De rechtbank neemt daarvoor in aanmerking dat de instelling die het BMA in zijn laatste advies noemt, waaraan fysieke overdracht mogelijk zou zijn, Maison de Retraite Du Suissi te Rabat, enkel toegankelijk is voor Franstaligen, wat eiser niet is. Daarbij blijkt uit de gesprekken die de mantelzorger van eiser, de heer [naam mantelzorger] , met deze instelling en de andere door het BMA genoemde instelling, Soins ADom te Casablanca, heeft gevoerd dat de zorg in deze instellingen heel duur is. Eiser is 30 jaar in Nederland, en voor het grootste deel illegaal, zodat aannemelijk is dat hij geen geld heeft en geen vermogen heeft in Marokko. Ook is niet gebleken dat verweerder, gelet op deze negatieve signalen omtrent de toegankelijkheid van de instellingen en de uitspraak van de Afdeling van 2 oktober 2020 zelf rechtstreeks contact met deze instellingen heeft opgenomen.

Verder heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd heeft dat fysieke overdracht naar de door het BMA genoemde instelling mogelijk is.
Rb Amsterdam AWB 20/2298, 20.5.21
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:5137

Rb: belangen zieke NLse stiefzoon meewegen in asielprocedure Irakese stiefmoeder

De rechtbank stelt dat de staatssecretaris ten onrechte de belangen van de minderjarige, mindervalide en verstandelijk beperkte stiefzoon van de vreemdeling niet heeft meegenomen in de belangen-afweging. Daarentegen heeft de vreemdeling met verschillende rapporten onderbouwd dat Irak de medische zorg die haar stiefzoon nodig heeft niet kan bieden.

Rb Amsterdam, NL20.6423 en NL20.1310S, 18.8.20

Rb: gebrek aan geldig Somalisch identiteitsbewijs verschoonbaar in Chavez-zaak

De staatssecretaris stelt zich op het standpunt dat eiser geen geslaagd beroep kan doen op het arrest Chavez-Vilchez omdat hij zijn identiteit niet ondubbelzinnig heeft aangetoond en daardoor niet kan worden vastgesteld of hij de ouder is van het NLse kind.

Uit het arrest Oulane volgt dat een vreemdeling die geen geldig paspoort of identiteitsbewijs kan overleggen, zijn identiteit en nationaliteit anderszins moet ‘aantonen’. Verder volgt uit het arrest Chavez-Vilchez dat een lidstaat moet kunnen vaststellen of de vreemdeling een derdelander is die al dan niet een verblijfsrecht in een andere lidstaat heeft.

De staatssecretaris heeft tijdens de zitting toegelicht dat Somalische documenten op dit moment niet worden erkend en dat daarom van eiser niet wordt verwacht dat hij zijn identiteit ondubbelzinnig aantoont, maar wel dat hij zijn identiteit aannemelijk maakt. Dat is een minder zware bewijslast. Verder heeft de staatssecretaris weliswaar aangenomen dat eiser de Somalische nationaliteit heeft op basis van de nationaliteitsverklaring van de Somalische ambassade in België, maar vindt hij toch dat eiser zijn identiteit op basis van hetzelfde document niet aannemelijk heeft gemaakt. Zonder nadere toelichting is dit verschil onbegrijpelijk. Van belang is ook dat eiser een grote inspanning heeft geleverd om documenten te verkrijgen om zijn identiteit aannemelijk te maken en om aan te tonen dat geen sprake is van contra-indicaties. Eiser heeft daarmee aangetoond dat hij reële inspanningen heeft geleverd om zijn identiteit aannemelijk te maken. De staatssecretaris is aan deze omstandigheid voorbij gegaan.

De rechtbank ziet er niet aan voorbij dat eiser tijdens zijn asielprocedures tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd over zijn identiteit, maar dit gegeven mag niet tot gevolg hebben dat het hem feitelijk blijvend onmogelijk wordt gemaakt om zijn identiteit aannemelijk te maken.

De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit.
Rb den Bosch AWB 20/4917, 31.5.21
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:6286

Rb: verblijf bij NLse afhankelijke partner, vgl verblijf bij NLs kind (aug 2020)

De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat referent Unieburger is en dat eiseres moet worden aangemerkt als derdelander. Artikel 20 van het VWEU waarborgt de rechten van IJnieburgers, maar om in aanmerking te komen voor een hiervan afgeleid verblijfsrecht gelden specifieke voorwaarden. In het geval van eiseres dient, zoals volgt uit het voorgaande, sprake te zijn van een situatie waarin tussen eiseres en referent een zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat dat referent op geen enkele wijze van eiseres kan worden gescheiden.

De rechtbank is van oordeel dat de door eiseres overgelegde stukken van de behandelaars van referent duidelijke aanwijzingen geven voor een bijzondere afhankelijkheid van eiseres. Gelet op deze verklaringen had het op de weg van verweerder gelegen om nader te onderzoeken en te motiveren waarom er desondanks in het geval van eiseres geen sprake is van een bijzondere afhankelijkheid in de zin van voornoemd arrest.

Hierbij is van belang dat verweerder in het bestreden besluit onder meer heeft aangegeven dat eiseres niet heeft aangetoond dat referent ‘enkel uw persoonlijke verzorging behoeft’ en dat er in Nederland veel vormen van zorg en ondersteuning beschikbaar zijn. Verweerder heeft ter zitting erkend dat de niet exclusieve afhankelijkheid van referent, inderdaad een omstandigheid is die moet worden meegenomen in de beoordeling, maar dat dit niet het enige vereiste is. Verder is van belang dat de psychiater van referent in haar verklaring van 10 oktober 2019 heeft aangegeven dat eiseres en referent niet gescheiden kunnen worden, zeker niet in verschillende landen. Dit zelfde standpunt is ingenomen door de persoonlijk begeleider van eiser de heer X. De rechtbank is daarom van oordeel dat eiseres hiermee voldaan heeft aan haar stelplicht en dat het op de weg van verweerder had gelegen om hier nader onderzoek naar te doen. Verweerders ingenomen standpunt, dat sprake was van een kennelijk ongegrond besluit, kan dan ook geen stand houden.

Rb Amsterdam AWB 20/2129 (beroep) AWB 20/2130 (voorlopige voorziening), 28.8.20

Rb: afweging verblijf bij partner bij oud strafblad

In de uitspraak van 12 december 2019 in de zaak G.S. en V.G. (ECLI:EU:C:2019:1072) heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie geoordeeld dat bij het tegenwerpen van de openbare orde in gevallen waarin de Richtlijn 2003/86/EG (Gezinsherenigingsrichtlijn) van toepassing is, niet vereist is dat wordt vastgesteld dat de persoonlijke gedragingen van de vreemdeling een daadwerkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormen, maar dat wel een individuele beoordeling aan de hand van het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel moet plaatsvinden waarbij rekening wordt gehouden met de aspecten zoals benoemd in artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn.

Niet in geschil is dat eiser in 2010 voor het misdrijf wederspannigheid is veroordeeld tot een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf en dat hij in 2012 onder meer is veroordeeld voor het misdrijf rijden onder invloed. Eiser is verder in 2012 veroordeeld voor het misdrijf vernieling en de overtreding rijden zonder rijbewijs. Daarnaast is eiser in 2011 en 2012 gedagvaard vanwege verdenking van, opnieuw, rijden zonder rijbewijs en rijden onder invloed.

Eiser voert aan dat het onverkort vasthouden aan het beleid in zijn geval leidt tot onevenredige consequenties. Er is sprake van gezinsleven met referente. Het is onredelijk om de uitoefening van het gezinsleven vanwege relatief geringe strafbare feiten die lang geleden zijn gepleegd, levenslang onmogelijk te maken.

De rechtbank oordeelt dat verweerder een toets aan het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel had moeten verrichten die in ieder geval rekening houdt met de vraag in hoeverre het nog evenredig is om de veroordelingen in 2010 en 2012 vanwege eerder gepleegde strafbare feiten in 2021 nog tegen te werpen. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat verweerder niet heeft onderkend dat eiser in de periode 2012 tot 2016 nog in Nederland verbleef, maar geen strafbare feiten meer heeft gepleegd.

Rb Middelburg AWB 20/2931, 10.6.21
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:6215

Rb: mogelijk vrijstelling middelenvereiste voor reguliere gezinshereniging bij vluchteling

Uit de Afdelingsuitspraak volgt - naar het oordeel van de rechtbank - dat verweerder beoordeelt of de vreemdeling, in zijn hoedanigheid van iemand die internationale bescherming geniet, moet worden vrijgesteld van het middelenvereiste. De rechtbank stelt vast dat het middelenvereiste de enige afwijzingsgrond die verweerder heeft gehanteerd. Tegen de achtergrond van wat hiervoor is overwogen, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd waarom in dit geval, gegeven de internationale beschermingsstatus van referent en wat eiseres aan verdere persoonlijke omstandigheden heeft aangevoerd, geen vrijstelling van het middelenvereiste kan worden verleend.

Het beroep is gegrond.
Rb Zwolle Awb 20/6103, 8.6.21
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:6038

Pagina's