Nieuws

Rb: geen zicht op uitzetting, Nigeriaanse ambassade weigert LP aanvraagster sinds 2015

De rechtbank overweegt als volgt. Inbewaringstelling is in strijd met artikel 59 van de Vw indien zicht op uitzetting ontbreekt. Voor het zicht op uitzetting is mede bepalend of de autoriteiten van het land van herkomst van de vreemdeling voldoende medewerking verlenen aan het verkrijgen van de voor de uitzetting benodigde documenten. Verweerder heeft ter zitting niet kunnen aangeven dat er sinds de LP-aanvraag in 2015 nieuwe feiten en omstandigheden zijn die erop wijzen dat een nieuwe LP-aanvraag een betere kans van slagen heeft.

De rechtbank acht het zeer onwaarschijnlijk dat de Nigeriaanse autoriteiten, op basis van dezelfde feiten en omstandigheden als in 2015, thans tot een ander antwoord zullen komen dan bij eerdere LP-aanvragen. Naar het oordeel van de rechtbank volgt hieruit dat ten aanzien van eiseres geen reëel of concreet zicht op uitzetting naar Nigeria bestaat. De beroepsgrond slaagt.

Rb Utrecht NL22.8565 en NL22.8548, 24.5.22
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:12630

Rb: deskundige moet oordelen over risico gewortelde Armeense kinderen bij terugkeer

Op 21 februari 2019 hebben eisers een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning op grond van de Afsluitingsregeling. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen omdat eisers niet voldoen aan voorwaarde b van de Afsluitingsregeling. Verweerder heeft verder overwogen dat ... de afwijzing van de aanvraag niet leidt tot een schending van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

In beroep voeren eisers onder meer aan dat verweerder ten onrechte heeft geconcludeerd dat geen sprake is van een schending van artikel 8 van het EVRM. Op de zitting is in dat kader onder andere aangevoerd dat verweerder een onderzoek had moeten (laten) verrichten naar de te verwachte schade bij eiseres I bij gedwongen terugkeer naar Armenië.

Gelet op wat ter zitting aan de orde is gesteld is de rechtbank voornemens om een deskundige te benoemen om (gedragswetenschappelijk) onderzoek te verrichten naar eiseres I in het kader van artikel 8 van het EVRM en de certain degree of hardship bij gedwongen terugkeer naar Armenië. De rechtbank stelt partijen in de gelegenheid om zich uit te laten over een mogelijke deskundige. Ook worden partijen in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over de vraagstelling aan de te benoemen deskundige.

Rb Middelburg AWB 20/7738, 19.12.22
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:13944

Rb: asielverzoek uit 2016 van Rus die medicinale cannabis nodig heeft opnieuw beoordelen na HvJ

Het Hof heeft in het arrest X van 22 november 2022 onder meer voor recht verklaard dat “de gezondheidstoestand van deze derdelander en de zorg die hij wegens die ziekte op dat grondgebied ontvangt, door de bevoegde nationale autoriteit samen met alle andere relevante gegevens in aanmerking moeten worden genomen bij de beoordeling of het recht van de betrokkene op eerbiediging van zijn privéleven eraan in de weg staat dat jegens hem een terugkeerbesluit of verwijderingsmaatregel wordt uitgevaardigd”. Het Hof heeft tevens overwogen dat “In dit verband moet worden opgemerkt dat de medische behandeling die een derdelander op het grondgebied van een lidstaat geniet, zelfs indien hij daar illegaal verblijft, deel uitmaakt van diens privéleven in de zin van artikel 7 van het Handvest”. Nu het Hof heeft gepreciseerd dat ook een medische behandeling die wordt ondergaan bij niet rechtmatig verblijf deel uitmaakt van privéleven, maakt een medische behandeling die wordt ondergaan bij rechtmatig verblijf dat “slechts” een procedurele grondslag kent en dus zonder dat tot toelating is beslist, ook onderdeel uit van privéleven.

De rechtbank overweegt dat verweerder bij zijn nieuw te nemen besluit dus de gezondheid van eiser en alle medische behandelingen die eiser thans ondergaat moet betrekken bij de beoordeling of het privéleven van eiser aan het opleggen van een terugkeerbesluit in de weg staat. Eiser verblijft sinds 2013 onafgebroken in Nederland en verkeert nog steeds in onzekerheid. De rechtbank acht het in het belang van eiser dat verweerder zo spoedig mogelijk opnieuw beslist op zijn aanvraag gelet op het meer dan aanzienlijke tijdsverloop in de onderhavige procedure, de bijzonder ernstige medische problematiek en de ten gevolge hiervan intense pijnen die eiser heeft, alsmede de levensverwachting van eiser zoals die blijkt uit de bij de rechtbank afgelegde verklaringen over de mogelijke gevolgen van het stopzetten van de behandeling met medicinale cannabis in aanvulling op de beroepsgronden dat door deze behandeling 70% van zijn pijnen kunnen worden onderdrukt en daardoor net hanteerbaar zijn.

De rechtbank merkt op dat verweerder geregeld expliciet te kennen geeft invulling te willen geven aan de menselijke maat in het vreemdelingenrecht. De rechtbank overweegt dat de onderhavige procedure gelet op bovengenoemde factoren bij uitstek geschikt is om te demonstreren dat dit een serieuze intentie van verweerder is. Het beslissen dat tot verblijfsaanvaarding op humanitaire gronden wordt overgegaan is bovendien weinig tijdrovend en kan plaatsvinden vóórdat en zonder dat het beleid van verweerder in overeenstemming met het Unierecht is gebracht en zelfs zonder eiser nader te horen. Het is naar het oordeel van de rechtbank niet onaannemelijk dat de zekerheid voor eiser dat zijn verblijf in Nederland wordt aanvaard positieve gevolgen zal hebben voor zijn (medische) welbevinden.

De rechtbank bepaalt een termijn van acht weken om opnieuw op de asielaanvraag van eiser van 19 mei 2016 te beslissen.
Rb den Bosch NL20.6998 Einduitspraak, 27.12.22
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:14223

SvJ&V: langere medische vergunning mogelijk

De wijziging in B8/9.2 Vc maakt het mogelijk een reguliere medische vergunning in specifieke gevallen te verlenen voor de duur van 5 jaar. Dit is het geval als het BMA vijf jaar achtereen heeft geconcludeerd dat de beschikbaarheid van de medische behandeling ongewis is. Daarnaast is dit het geval als het BMA drie jaar achtereen concludeert dat de voor de vreemdeling noodzakelijke medische behandeling niet beschikbaar is in het land van herkomst. Deze optie komt naast de optie voor het verlenen van een reguliere medische vergunning voor de duur van 1 jaar.

WBV 2022/29, 7.12.22 in Staatscourant 2022, 32151, 30.12.22
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2022-32151.html

SvJ&V: aanpassing hardheidsclausule mvv-vrijstelling

De IND past de hardheidsclausule mvv-vrijstelling in ieder geval toe als aan alle andere voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning onder de beperking ‘verblijf als familie- of gezinslid’ wordt voldaan, en de vreemdeling:

  • het biologische of juridische minderjarige kind is van de referent, dat feitelijk behoort en al in het land van herkomst feitelijk behoorde tot het gezin van die referent en dat onder het rechtmatige gezag van de referent staat;
  • de biologische of juridische ouder is van een hier te lande verblijvend minderjarig kind dat Nederlander is dan wel rechtmatig verblijf heeft;
  • de biologische of juridische ouder is van een minderjarig kind voor wie een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf als familie- of gezinslid’ is ingediend; of
  • aannemelijk heeft gemaakt dat van hem niet verwacht kan worden dat hij naar het land van herkomst of bestendig verblijf reist vanwege een ernstige ziekte of handicap van de referent.

WBV 2022/28, 21.12.22 in Staatscourant nr. 34598, 22.12.22
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2022-34598.html

Rb: Mogadishu niet veilig voor doelwit Al Shabaab

De vreemdeling heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij op school is gediscrimineerd wegens het behoren tot de Rahanweyn-stam en dat hij is ontvoerd en mishandeld door Al-Shabaab in Hudur. De staatssecretaris heeft het relaas geloofwaardig geacht, echter stelt hij dat de geloofwaardig bevonden elementen niet te herleiden zijn tot één van de gronden van het Vluchtelingenverdrag of een schending van 3 EVRM.

De rechtbank overweegt als volgt. De staatssecretaris heeft niet ten onrechte een vestigingsalternatief tegengeworpen, nu hij altijd in de omgeving van Mogadishu heeft verbleven. De staatssecretaris oordeelt echter wel ten onrechte dat niet valt in te zien dat als de vreemdeling vreest voor gevaar in Mogadishu. De staatssecretaris heeft onvoldoende gemotiveerd waarom herkenning van zijn ontvoerder op de markt in Mogadishu, in tegenstelling tot de andere verklaringen in zijn asielrelaas, niet geloofd wordt.

Voorts overweegt de rechtbank dat het enkele feit dat Al-Shabaab Mogadishu niet controleert, niet betekent dat Al-Shabaab niet aanwezig is in Mogadishu en niet verantwoordelijk is voor vele geweldsincidenten waarbij ook burgerslachtoffers vallen. Ook betekent dit niet dat gewone burgers hier niet worden gerekruteerd of, indien zij bekend zijn bij Al-Shahaab, geen risico lopen slachtoffer te worden van geweld. De staatssecretaris heeft onvoldoende gemotiveerd dat de vreemdeling daar geen slachtoffer kan worden van rekrutering, juist omdat hij al eerder is ontvoerd door Al-Shabaab.

Beroep begrond.
Rb Roermond NL22.7603, 12.12.22

IB 2022/114: verlenging besluit- en vertrekmoratorium dienstplichtige Russen

Hoewel er aanwijzingen zijn dat dienstplichtigen in zijn algemeenheid niet worden ingezet in de oorlog in Oekraïne en dit ook expliciet door president Poetin is aangekondigd, zijn er berichten verschenen dat dienstplichtigen worden gedwongen om contractant te worden. Als contractant zouden zij wel ingezet kunnen worden in Oekraïne. Onduidelijk is vooralsnog of en in welke mate het daadwerkelijk voorkomt dat dienstplichtige soldaten gedwongen worden een contract te tekenen. Mogelijk zal het nieuwe algemene ambtsbericht omtrent de Russische Federatie, dat verschijnt in het eerste kwartaal van 2023, hierover meer duidelijkheid geven. Nu het wenselijk is dit af te wachtenheeft de staatssecteraris besloten om het besluit- en vertrekmoratorium te verlengen.

IB 2022/114, 23.12.22
https://puc.overheid.nl/ind/doc/PUC_1297193_1/1/

Rb: zorgvuldig oordeel nodig bij beëindigen opvang Oekraïners

Verzoekers hebben de Oekraïense nationaliteit en ontvangen sinds eind april 2022 voorzieningen in het kader van de Richtlijn. Toen verzoekers zich op 31 oktober 2022 bij het loket van de IND meldden om een verblijfsticker of Ontheemden-document te krijgen, is aan hen een standaardbrief uitgereikt. Verweerder stelt dat verzoekers vóór 27 november 2021 Oekraïne hebben verlaten, nu zij voor deze peildatum naar Polen zijn gereisd, zodat ze niet behoren tot één van de doelgroepen waarvoor tijdelijke bescherming is bedoeld. Ze moeten daarom naar Ter Apel om hun asielaanvraag te formaliseren.

De rechter oordeelt als volgt. De capaciteitsproblemen van de IND brengen niet met zich mee dat t.a.v. verzoekers kon worden volstaan met een kort gesprek aan het IND-loket en summiere besluiten die ter plekke zijn opgeschreven. Omdat de besluiten met zich meebrengen dat verzoekers niet langer gebruik kunnen maken van de tijdelijke bescherming, had verweerder naar de persoonlijke omstandigheden en belangen van verzoekers moeten vragen en die kenbaar in de besluitvorming moeten betrekken. Ook had verweerder kenbaar moeten maken dat deze belangen bij de besluitvorming zijn betrokken. De voorzieningenrechter is van voorlopig van oordeel dat de besluiten in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel zijn genomen en daarom geen stand kunnen houden.

Het belang van verzoekers om in de gemeentelijke opvang te blijven bij hun (schoon)moeder, zodat zij de noodzakelijke mantelzorg kunnen blijven verlenen, moet zwaarder wegen dan het algemene belang van verweerder. Daarbij is ook in aanmerking genomen dat de huidige opvang in en rond Ter Apel en in de (crisis)noodopvanglocaties op onderdelen niet voldoet aan de daarvoor geldende normen.

Toewijzing verzoeken: Rechtsgevolgen van de besluiten, v.z.v. daarbij is bepaald dat verzoekers niet langer in aanmerking komen voor de gemeentelijke opvangvoorzieningen, worden opgeschort tot vier weken na de bob; wijst verzoeken voor het overige af.
Vzr Rb Den Haag, NL22.22311, NL22.22312, NL22.22313, 6.12.22

Rb: risico terugkeer naar Iran na lang verblijf in Europa

Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat eiseres niet aannemelijk maakt dat de Iraanse autoriteiten op de hoogte zijn van de activiteiten van eiseres voor de kerkdiensten in Alphen aan den Rijn. Evenmin is gebleken dat de Iraanse autoriteiten op de hoogte zijn van de uitingen van eiseres op social media. Dat eiseres door haar activiteiten in de negatieve belangstelling staat van de autoriteiten heeft verweerder daarom niet aannemelijk hoeven achten.

De rechtbank is echter van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet aannemelijk is dat er door het langdurige verblijf buiten Iran een reëel risico op vervolging bestaat. Uit het Algemeen Ambtsbericht Iran van februari 2021 volgt dat Iraniërs die een aantal jaren buiten Iran hebben verbleven en voor het eerst sinds lange tijd terugkeren naar Iran door de grenspolitie en/of de inlichtingendienst worden ondervraagd. De vragen zien onder meer toe op de verblijfplaats en de activiteiten in het buitenland en de gesprekken kunnen tot enkele uren duren. Er zijn enkele gevallen bekend waarin asielzoekers die gedwongen terugkeerden bij aankomst te maken kregen met strafrechtelijke vervolging. Het ging daarbij onder meer om politieke activisten en Iraniërs met een dubbele nationaliteit, maar ook is een geval bekend van een tot het christendom bekeerde Iraanse van wie de asielaanvraag in Duitsland was afgewezen. Daarnaast blijkt uit het ambtsbericht dat de inlichtingendienst het aanvragen van asiel als een potentiële bedreiging voor de nationale veiligheid beschouwt en dat Iraniërs (met name degenen die actief zijn op politiek, religieus, etnisch of cultureel gebied) worden gemonitord bij reizen naar Europese landen en landen die voor Iran gevoelig liggen. Het aangevoerde asielmotief bij uitgeprocedeerde asielzoekers kan een rol spelen indien dat asielmotief bekend is bij de Iraanse autoriteiten. Iemand moet soms kunnen bewijzen dat hij of zij geen afvallige is als hij of zij zich voor de asielmotieven heeft beroepen op afvalligheid. Verder blijkt uit het ambtsbericht dat Iraanse rechters de mogelijkheid hebben om afvalligheid als misdrijf aan te merken, en dat iemand daarvoor ter dood kan worden veroordeeld.

Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het eventuele risico op ondervraging in het geval van eiseres, nu zij langdurig buiten Iran heeft verbleven, geen reëel risico op vervolging in strijd met artikel 3 van het EVRM oplevert.

Het beroep is gegrond.
Rb Rotterdam NL22.21537, 15.12.22
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:13917

Rb: NLerschap Rwandees ten onrechte ingetrokken, betrokkenheid bij genocide niet bewezen

De rechtbank is van oordeel dat het besluit van de staatssecretaris om het Nederlanderschap van eiser in te trekken onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen.....

De Afdeling overwoog in een andere zaak dat de omstandigheid dat dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat een asielzoeker zich schuldig heeft gemaakt aan ernstige misdrijven of handelingen als genoemd in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag en dat hij hierover heeft gezwegen, voldoende grond is voor de conclusie dat het Nederlanderschap niet zou zijn verleend wanneer deze informatie tijdens het verzoek om verkrijging van het Nederlanderschap beschikbaar was geweest, omdat er dan ernstige vermoedens zouden bestaan dat de asielzoeker een gevaar oplevert voor de openbare orde, goede zeden of de veiligheid van het Koninkrijk....

De verschillende bevindingen waar de individuele ambtsberichten op zijn gebaseerd zijn weinig scherp omlijnd. De door eiser aangedragen concrete aanknopingspunten hoeven in dat geval zelf ook minder scherp omlijnd te zijn en zullen dus al sneller leiden tot de conclusie dat sprake is van een concreet aanknopingspunt voor twijfel aan de juistheid van deze conclusie in de individueel ambtsberichten. Eiser wijst er onder andere op dat hij blijkens de individueel ambtsberichten niet op lijsten van de Gacaca-rechtbanken voorkomt, dat hij nergens in de rechtspraak van de ICTR wordt genoemd en evenmin in rapporten over de genocide in Mukingo. Dit is volgens eiser niet aannemelijk als hij inderdaad “met de meest politieke invloedrijke en extremistische personen” zou hebben samengewerkt om de genocide uit te voeren. Deze punten worden aangemerkt als concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van de conclusies in de individueel ambtsberichten.

De rechtbank is van oordeel dat er concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan de juistheid van de informatie in de individueel ambtsberichten. Dit betekent dat op basis van die informatie niet kan worden geconcludeerd dat er ernstige redenen bestaan om te veronderstellen dat eiser één van de zeer ernstige misdrijven als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag heeft gepleegd. Omdat de bewijslast op de staatssecretaris rust, mocht hij zijn besluitvorming dan ook niet op de individueel ambtsberichten baseren. Deze beroepsgrond van eiser slaagt.

Het bestreden besluit is in strijd met artikel 3:2 van de Awb tot stand gekomen. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking. De staatssecretaris moet daarom opnieuw op het bezwaar van eiser beslissen.

Rb Arnhem ARN 20/2679, 21.12.22
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2022:7178

Pagina's