Nieuws

Rb: geen zicht op uitzetting naar Senegal

Uit de informatie zoals is overgelegd door verweerder blijkt dat al ruim anderhalf jaar in het geheel geen contact met de Senegalese autoriteiten bestaat om zaken te bespreken of om presentaties te plannen bij de vertegenwoordiging van de Senegalese autoriteiten in Nederland en dat deze presentaties ook al die tijd niet hebben plaatsgevonden. Verder blijkt dat verweerder tevergeefs meerdere malen geprobeerd heeft telefonisch of per e-mail contact te leggen met de Senegalese autoriteiten om een afspraak in te plannen. Hoewel eiser zelf geen aantoonbare acties heeft ondernomen om aan documenten te komen om zijn lp-aanvraag te ondersteunen, – wat er ook zij van de daadwerkelijke mogelijkheid die daartoe bestaat voor eiser – valt niet in te zien waar deze eventuele documenten onder die omstandigheden toe zouden kunnen leiden. Nu het namelijk voor verweerder al onmogelijk blijkt om contact te leggen met de Senegalese autoriteiten voor het verkrijgen van een lp, ziet de rechtbank geen aanknopingspunt voor het door verweerder ingenomen standpunt dat dat eiser wel zou lukken. Verweerder heeft verder niet toegelicht op welke wijze eiser, anders dan zelf contact op te nemen met de Senegalese autoriteiten, bij kan dragen aan de realisatie van zijn vertrek....

Onder deze omstandigheden concludeert de rechtbank dat in het geval van eiser geen redelijk vooruitzicht op verwijdering meer bestaat.

Het beroep is gegrond en de maatregel van bewaring is met ingang van 29 juli 2021 onrechtmatig.
Rb Arnhem NL21.13875, 10.9.21
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:9994

RvS: geen zicht op uitzetting naar Algerije

Uit de door de staatssecretaris verstrekte schriftelijke inlichtingen blijkt dat de presentaties vanaf maart 2020 tot aan het besluit van 12 maart 2021 stil hebben gelegen en er in die periode geen lp's zijn verstrekt. Daaruit blijkt ook dat op het moment van dat besluit al een jaar geen vreemdelingen met een lp zijn uitgezet naar Algerije. Onder die omstandigheden moet worden geoordeeld dat niet langer sprake is van een tijdelijke belemmering als gevolg van de uitbraak van het coronavirus.

De rechtbank heeft daarom ten onrechte in het beroep over de maatregel van bewaring van 12 maart 2021 overwogen dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Algerije niet ontbreekt.

RvS 202102278/1/V3, 17.9.21
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2021:2092

RvS: geen kinderpardon voor kinderen geboren na asielprocedure ouders

Niet in geschil is dat door of ten behoeve van de zoon nooit een asielaanvraag is ingediend. De zoon, als hoofdpersoon, voldoet daarmee niet aan de onder b gestelde voorwaarde waarin het ingediend zijn van een asielaanvraag centraal staat. De tekst onder ‘ad b’ geeft naar het oordeel van de Afdeling slechts een beperkte verruiming van voorwaarde b om te voorkomen dat kinderen die zijn geboren op een tijdstip dat hun ouders in afwachting waren van de uitkomst van een asielprocedure niet onder voorwaarde b van de regeling vallen, omdat namens hen niet een afzonderlijke asielaanvraag is ingediend of niet is verzocht de lopende asielprocedure van de ouder op hen van toepassing te verklaren. Dat voorwaarde b daarmee niet van toepassing is op het kind dat pas na afloop van de asielprocedure is geboren en door wie of ten behoeve van wie dus geen asielaanvraag is ingediend, vindt de Afdeling daarom geen onredelijke uitleg van het beleid. Anders dan de rechtbank overwoog, botst die uitleg bovendien niet met de tekst onder ad b. Met ‘na de start van de asielprocedure is geboren’ is niet meer bedoeld dan te bewerkstelligen dat het kind ook zonder aanvraag meelift met de op dat moment lopende asielaanvraag van de ouder. Weliswaar was het op zich duidelijker geweest als er onder ad b had gestaan ‘tijdens de asielprocedure’, maar in de tekst zoals die in de Vc 2000 staat, impliceert het woord ‘start’ dat het gaat om een procedure die wel is gestart, maar nog niet is afgerond.

De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat de Regeling langdurig verblijvende kinderen, die bestaat uit een Overgangsregeling en een Definitieve Regeling en waarvan de Afsluitingsregeling het sluitstuk vormt, begunstigend beleid is. Met dit beleid is beoogd langdurig in Nederland verblijvende kinderen die door de lopende asielprocedure(s) onzekerheid hebben meegemaakt over het verblijf en de terugkeer-mogelijkheden naar het land van herkomst (van de ouders) onder deze regeling te laten vallen.

Het hoger beroep van de staatssecretaris is gegrond.
RvS 202005605/1/V1, 15.9.21
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2021:2058

Rb: geen FACT-zorg in Nigeria

Eiseres wordt behandeld door een ACT-team. ACT staat voor Assertive Community Treatment en is een multidisciplinair team dat zich richt op behandeling en sociaal maatschappelijk herstel van mensen met ernstige psychiatrische aandoeningen die tevens dakloos zijn dan wel een instabiele woonsituatie hebben. Volgens [naam 2] is eiseres onvoldoende in staat om adequate hulp te zoeken op momenten dat dat nodig is. Zonder bemoeizorg wordt eiseres niet in staat geacht de stabiliteit in haar maatschappelijk functioneren te organiseren, wat cruciaal is voor haar psychiatrisch herstel. Deze brief is meegenomen in de beoordeling van het BMA-advies van 11 augustus 2020. Hierin staat dat een ACT-team eigenlijk hetzelfde is als een FACT-team: ambulante bemoeizorg voor mensen die vanwege hun medische klachten niet in staat zijn maatschappelijk te functioneren en die vanwege hun klachten onvoldoende in staat zijn zelf te signaleren op welke leefgebieden zij hulp nodig hebben c.q. zelf hun hulp te regelen.

Waar partijen het over eens zijn, is dat behandeling door een multidisciplinair gespecialiseerd team en bemoeizorg, zoals hiervoor is omschreven, noodzakelijk is om het optreden van een noodsituatie bij eiseres te voorkomen. De rechtbank stelt vast dat uit de BMA-adviezen die zijn opgesteld na de eerdere uitspraak van deze rechtbank wederom blijkt dat dit type zorg, waarbij meerdere disciplines samenwerken, niet beschikbaar is in Nigeria. Dit staat verder los van de vraag naar de kwaliteit van de zorg die de afzonderlijke disciplines bieden. Dat er wel adequate psychische en psychiatrische behandeling in Nigeria mogelijk is, zoals de gemachtigde van verweerder op de zitting naar voren bracht, doet daarom niet ter zake. Deze behandeling is immers niet vergelijkbaar met een multidisciplinaire behandeling in de vorm van bemoeizorg, terwijl niet in geschil is dat eiseres dit nodig heeft.

Ook de zorg door instelling Bluegate Homecare Services voldoet hier niet aan. Volgens het BMA biedt deze instelling begeleid wonen en is daar een psychiatrisch verpleegkundige aanwezig. Volgens de gemachtigde van eiseres is Bluegate Homecare Services echter een thuiszorgorganisatie en geen verpleeghuis of instelling voor begeleid wonen. De instelling richt zich op het bieden van hulp aan huis; onder meer het doen van boodschappen, het aantrekken van steunkousen en het verzorgen van wonden. De rechtbank stelt met eiseres vast dat deze stelling wordt bevestigd door informatie die op de website van deze instelling staat. De rechtbank volgt eiseres dan ook in haar stelling.

Het beroep is gegrond
Uit het voorgaande volgt dat verweerder niet heeft kunnen concluderen dat de in Nigeria beschikbare zorg in het geval van eiseres voldoende is om een medische noodsituatie te voorkomen.
Rb Amsterdam AWB 20/9118 en AWB 20/9119, 11.5.21
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:10000

Rb: geen behandelmogelijkheden PTSS in Afghanistan, geen EMDR en geen bedden

De rechtbank heeft geoordeeld dat verweerder had moeten onderzoeken of crisiszorg aanwezig is in Afghanistan. Ook heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder inzichtelijk moet maken of en hoe afstemming tussen behandelaren plaatsvindt. Naar aanleiding van deze uitspraak heeft verweerder het BMA op 13 januari 2020 verzocht om een nieuw advies uit te brengen....

Ter zitting is met partijen gesproken over de behandeling die eiser in Nederland heeft gekregen en op dit moment krijgt. Daarbij is aan bod gekomen dat eiser EMDR- en/of NET-therapie krijgt. Eiser zelf heeft daarover op zitting verklaard dat hij EMDR behandeling heeft gehad en dat dat nog door gaat.

Eiser heeft ter zitting aangevoerd dat uit het BMA-advies niet blijkt dat is onderzocht of EMDR- en NET-therapie beschikbaar zijn in Afghanistan. ...

De rechtbank is van oordeel dat er een aanknopingspunt bestaat voor twijfel aan de zorgvuldigheid van het BMA-advies. Daarbij hecht de rechtbank ook belang aan het samenstel van eisers psychische klachten, zijn historie, de lange duur van deze procedure (zijn aanvraag dateert immers al van 2017) en de verschillende onduidelijkheden die in eisers procedure zijn ontstaan. De rechtbank merkt in dit kader op dat er in eisers procedure al zes (deels aanvullende) BMA-adviezen zijn uitgebracht. ...Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. Hiervoor zal een recent BMA-advies nodig zijn, zodat de rechtbank daarvoor een termijn stelt van twaalf weken.

De rechtsbank merkt tot slot nog het volgende op. Ter zitting is met partijen gesproken over het brondocument 12513, als onderdeel van het BMA-advies van 17 maart 2020. Volgens eiser blijkt daaruit dat de crisiszorg in het [hospital 1] alleen kan plaatsvinden als de patiënt wordt vergezeld door een familielid of nabije vriend. Eiser stelt dat hij in Afghanistan geen familie meer heeft die deze zorg op zich zou kunnen nemen. Ook volgt volgens eiser uit het brondocument dat er soms sprake is van een beperkte bedcapaciteit, afhankelijk van de situatie op dat moment. Hieruit blijkt volgens eiser dat het niet zeker is dat de crisiszorg beschikbaar is. Verweerder heeft zich in reactie daarop ter zitting op het standpunt gesteld dat dit ziet op de toegankelijkheid van de benodigde behandeling en dat het BMA alleen een beoordeling maakt over de beschikbaarheid van de benodigde behandeling. Het BMA gaat niet beoordelen of er familieleden zijn in het kader van aanwezigheid van crisiszorg.

Omdat dit pas op zitting naar voren is gebracht, ziet de rechtbank nu geen aanleiding om hier verder op in te gaan. De rechtbank geeft verweerder wel mee om hier nog goed naar te kijken in het kader van zijn nieuwe beoordeling. Dit omdat uit het brondocument volgt dat het BMA aan de vertrouwensarts wel een vraag heeft gesteld over opname van een volwassen psychiatrisch patiënt zonder begeleiding van een familielid of derde. Hoewel er al een keer een hoorzitting heeft plaatsgevonden in 2018, zou een (nieuwe) hoorzitting in dat verband wellicht nog aangewezen kunnen zijn.

Rb Amsterdam AWB 20/5354 en 20/5355, 2.8.21
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:10345

Rb: schadevergoeding 1,5jr ten onrechte behandeld als volwassene

In de uitspraak van 31 augustus 2018 heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder ten onrechte is gekomen tot de vaststelling dat verzoeker meerderjarig is. ... De rechtbank dient ervan uit te gaan dat verweerder onrechtmatig jegens verzoeker heeft gehandeld door hem in de periode van 15 maart 2018 tot 12 november 2019 als meerderjarige te beschouwen. Verzoeker had dan ook als alleenstaande minderjarige vreemdeling moeten worden aangemerkt, die in Nederland recht heeft op onderwijs. Op verweerder rustte de plicht om ervoor zorg te dragen dat verzoeker toegang had tot specifieke voorzieningen voor minderjarigen, zoals onderwijs en speciale opvang voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen.....

In het geval van verzoeker gaat het om het mislopen van essentiële waarborgen voor minderjarigen tijdens de asielprocedure. Het asielrecht strekt wel degelijk ook tot het doel om de belangen van minderjarigen tijdens de asielprocedure te beschermen. ... De rechtbank zal aansluiting zoeken bij de door verzoeker genoemde richtlijnen en de hoogte van de schadevergoeding aan de hand van die richtlijnen bepalen.

De Richtlijn Studievertraging bepaalt normbedragen per jaar en per opleidingsniveau. In het geval van verzoeker acht de rechtbank het redelijk om uit te gaan van het niveau van een basisschoolleerling. Uit de hiervoor benoemde brief van 25 januari 2021, die mede namens de docent van verzoeker is opgesteld, blijkt namelijk dat verzoeker momenteel in de internationale schakelklas zit en dat hij nog onder niveau A1 zit, waarbij geldt dat niveau A2 (basisschool) in zijn geval gemiddeld zou zijn. Het toepasselijke normbedrag voor 2018 is € 6.025. Dat komt neer op € 502,08 per maand. Verzoeker heeft in 2018 gedurende 9,5 maand studievertraging opgelopen. Dit komt neer op een bedrag van € 4.769,79. Het toepasselijke normbedrag voor 2019 is € 6.125. Dat komt neer op € 510,42 per maand. Verzoeker heeft in 2019 gedurende 10,5 maand studievertraging opgelopen. Dit komt neer op een bedrag van 5.359,38 euro. Tezamen is dit 10.129,17 euro.

De Richtlijn Licht Letsel gaat uit van een drietal categorieën, waarbij categorie c in het geval van verzoeker het meest passend is (letsel met een wat langere herstelperiode waarvoor therapeutische behandeling heeft plaatsgevonden). Verzoeker kan worden gevolgd in de omstandigheden die hij in dit kader naar voren brengt, te weten zijn kwetsbare positie als minderjarige asielzoeker en het onnodig lang voortduren van de onjuiste leeftijdsregistratie. Hij verzoekt daarom tot het bepalen van de schadevergoeding in dit kader op € 4.000. Omdat de richtlijn echter uitgaat van een maximumbedrag van € 2.125 zal de rechtbank dat bedrag hanteren.

De rechtbank komt tot de conclusie dat verweerder dient te worden veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding aan verzoeker van totaal €12.254,17.
Rb Middelburg AWB 20/6526, 20.5.21
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:10341

RvS: verblijf broers/zussen bij NLs kind en moeder

Zoals het Hof in het arrest Chavez-Vilchez heeft overwogen bestaan er zeer bijzondere situaties waarin aan een onderdaan van een derde land die familielid is van een burger van de Unie een verblijfsrecht moet worden toegekend, omdat anders aan het Unieburgerschap de nuttige werking zou worden ontnomen indien, als gevolg van de weigering om een dergelijk recht te verlenen, deze burger feitelijk verplicht is het grondgebied van de gehele Unie te verlaten en hem zo het effectieve genot van de essentie van de aan die status ontleende rechten worden ontzegd (zie het arrest, punt 63, en de daar aangehaalde rechtspraak).

Deze rechtspraak van het Hof is ook van toepassing in het geval de burger van de Unie feitelijk de toegang tot het grondgebied van de Unie wordt ontzegd, omdat aan een onderdaan van een derde land die familielid is van een burger van de Unie geen toegang tot het grondgebied van de Unie wordt verleend (zie de uitspraak van de Afdeling van 7 maart 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV8631).

Uit de inwilliging van de beide aanvragen van de moeder om een faciliterend visum, volgt dat de staatssecretaris heeft erkend dat een afwijzing van deze aanvragen zou leiden tot een rechtstreekse aantasting van het aan het Unieburgerschap ontleende recht van vrij verkeer en verblijf van haar twee kinderen, die de Nederlandse nationaliteit hebben. Gelet op hun leeftijd zijn zij zonder hun moeder namelijk niet in staat om gebruik te maken van hun recht op vrij verkeer en verblijf.

Het op deze wijze verzekeren van de nuttige werking van artikel 20 van het VWEU brengt ook mee dat de vreemdeling de toegang tot het grondgebied van Nederland niet kan worden ontzegd, omdat van de moeder als alleenstaande ouder redelijkerwijs niet kan worden verlangd dat zij moet kiezen tussen haar Marokkaanse kind en haar Nederlandse kinderen.

De weigering om de vreemdeling een faciliterend visum te verlenen heeft daarom tot gevolg dat het recht van vrij verkeer en verblijf van haar zus en broer wordt aangetast en doet daarmee afbreuk aan de nuttige werking van artikel 20 van het VWEU.

De vreemdeling klaagt daarom terecht dat de rechtbank niet de volle werking van artikel 20 van het VWEU heeft gewaarborgd, zodat deze grief slaagt.
Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd.
RvS 202100961/1/V3, 10.9.21
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2021:2042

Rb: identiteit in Chavez-procedure aangetoond dmv erkenningsprocedure bij civiele rechter

De rechtbank is van oordeel dat verweerder ten onrechte heeft overwogen dat eiser zijn identiteit niet heeft aangetoond. De civiele rechter heeft eisers identiteit kort voor het bestreden besluit vastgesteld. Verweerder heeft dat niet onderkend. Ter zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de beslissing van de civiele rechter onverlet laat dat verweerder van eiser mag verlangen dat hij zijn identiteit aantoont. De rechtbank ziet echter geen andere mogelijkheid dan uit te gaan van de identiteit van eiser zoals die door de civiele rechter is vastgesteld. In algemene zin heeft immers te gelden dat de bestuursrechter gebonden is aan de feitenvaststelling door de civiele rechter. Hiermee wordt het hogere belang van het voorkomen van tegenstrijdige rechterlijke beslissingen gediend. Dit is naar het oordeel van de rechtbank slechts anders wanneer de feitenvaststelling door de civiele rechter evident onjuist is of wanneer de bestuursrechter de meest gerede rechter is om de betreffende feiten vast te stellen. De rechtbank is van oordeel dat deze uitzonderingen zich niet voordoen. Dat eiser niet de identiteit heeft die door de civiele rechter is vastgesteld, is gesteld noch gebleken. Evenmin kan worden geoordeeld dat de bestuursrechter, in plaats van de civiele rechter, de meest gerede rechter is om eisers identiteit vast te stellen omdat de civiele rechter, zoals ook uit de voornoemde beschikking van 31 maart 2021 blijkt, op grond van de wet gehouden was om zich uit te spreken over eisers identiteit alvorens een beslissing te kunnen nemen op het verzoek tot bepaling van gezamenlijk gezag over zijn minderjarige kinderen.

Uit het voorgaande volgt dat verweerder ter zitting is teruggekomen van een deel van de tegenwerpingen in het bestreden besluit en dat verweerder ten onrechte heeft overwogen dat eiser zijn identiteit en nationaliteit niet heeft aangetoond. Het beroep is daarom gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb....

De rechtbank neemt hierbij verder in aanmerking dat het in het belang van de (nog jonge) kinderen van eiser moet worden geacht dat er zo spoedig mogelijk duidelijkheid komt over de vraag of eiser in Nederland mag blijven. ...Het belang van de kinderen wordt naar het oordeel van de rechtbank dan ook op onaanvaardbare wijze doorkruist, als de beslissing van de rechtbank zich zou beperken tot een vernietiging van de bestreden besluiten, nu daardoor een situatie ontstaat waarin de kinderen van eiser - naar mag worden aangenomen - nog lange tijd in onzekerheid moeten verkeren over de toekomst van eiser in Nederland . De rechtbank zal op na te melden wijze zelf in de zaak voorzien.

Rb Middelburg NL21.6457, 14.9.21
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:10207

Rb: wel Chavez-vergunning ondanks 1F vanwege  faciliteren gedwongen abortus in China

De asielaanvraag van de vreemdeling is afgewezen op grond van artikel 1F omdat zij gedwongen abortus zou hebben gefaciliteerd in China. Hierbij is vastgesteld dat terugkeer naar China in strijd zou zijn met 3 EVRM en dat zij een inreisverbod van 10 jaar krijgt opgelegd; beide staan in rechte vast. Haar man en twee kinderen hebben wel asiel gekregen. Zij stelt beroep in tegen de afwijzing van haar aanvraag tot intrekking van het inreisverbod en tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een verblijfsdocument EU/EER.

De rechtbank overweegt als volgt wat betreft het Unierechtelijk verblijfsrecht op grond van artikel 20 VWEU. Uit arresten van het HvJ EU, K. en H.F., en van de Afdeling, ECLI:NL:RVS:2019:3954 en ECLI:NL:RVS:2020:3017, volgt dat een enkele 1F tegenwerping niet gelijkstaat aan een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging. Uit verklaringen van de vreemdeling blijkt dat zij ook vrouwen heeft geholpen voordat zij China ontvluchtte, tegen abortus is en dat zij demonstraties tegen de Chinese overheid bijwoont. De staatssecretaris had hierdoor aanleiding moeten zien om haar te horen.

De rechtbank volgt de staatssecretaris ook niet in zijn stelling dat het feit dat de vreemdeling de gedragingen ontkent leidt tot een houding die de waarden van de Unie aantast. Het ten nadele meewegen van een ontkenning en het niet tonen van berouw vindt geen steun in de overwegingen van het Hof. Verder heeft de vreemdeling wel spijt verklaard over de handelswijze van de Chinese overheid.
Ook is onvoldoende gemotiveerd waarom er sprake is van een actuele dreiging.

Uit de besluitvorming blijkt niet dat er voldoende rekening is gehouden met het recht op gezinsleven en het belang van het kind. Het ontbreken van verblijfsrecht heeft namelijk negatieve gevolgen voor haar familie. Het standpunt van de staatssecretaris dat het belang van Nederland zwaarder weegt is onvoldoende gemotiveerd. Daarnaast is niet gemotiveerd hoe dit belang zich verhoudt tot de constatering dat de vreemdeling niet uitgezet kan worden i.v.m. 3 EVRM.

Beroep gegrond.
Rb Haarlem, AWB 19/4398, AWB 20/6177, AWB 20/3883, 15.9.21

Rb: faciliterend visum voor verblijf bij EU-partner ook bij niet-samenwonen mits relatie bewezen

De ongehuwde partner van een Unieburger die wenst te verblijven op het grondgebied van een andere lidstaat dan de lidstaat waarvan de Unieburger de nationaliteit heeft, moet aan een aantal voorwaarden voldoen. Onder andere moet sprake zijn van een deugdelijk bewezen duurzame relatie.

Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 6 september 2011 volgt dat de Verblijfsrichtlijn er niet aan in de weg staat dat een duurzame relatie wordt aangenomen als wordt aangetoond dat de ongehuwde partner en de Unieburger, die gebruik maakt van zijn recht van vrij verkeer, ten minste zes maanden een relatie hebben. De richtlijn staat er evenmin aan in de weg dat een duurzame relatie in beginsel pas wordt aangenomen wanneer de partners gedurende deze termijn een gezamenlijke huishouding voeren. Samenwonen als zelfstandig vereiste verdraagt zich echter niet met de Verblijfsrichtlijn. Er zijn immers ook andersoortige relaties, zoals een langeafstandsrelatie of een LAT relatie, die als duurzame relatie in de zin van de Verblijfsrichtlijn kunnen gelden. Het is aan de vreemdeling om, als geen sprake is geweest van samenwoning, de duurzame relatie op andere wijze deugdelijke bewijzen....

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat een tweetal korte bezoeken van referente aan eiser nog geen duurzame relatie opleveren. ... Verweerder heeft de aanvraag daarom terecht afgewezen.

Rb Middelburg NL21.6956, 8.9.21
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:9996

Pagina's

Fout | Stichting LOS

Fout

Er is onverwacht een fout opgetreden. Probeer het later nog eens.