Nieuws

Rb: geen bescherming eerwraak Iran

De Iraanse vreemdeling aan haar asielaanvraag ten grondslag dat haar broer die haar bedreigt vanwege een (valse) beschuldiging van overspel is vrijgekomen uit de gevangenis. De staatssecretaris stelt dat de vreemdeling bij de Iraanse autoriteiten bescherming kan inroepen tegen haar broer.
De rechtbank oordeelt dat de staatssecretaris zich, gelet op de nieuwe informatie uit het ambtsbericht Iran van februari 2021 niet op het standpunt mocht stellen dat de vreemdeling bescherming kan inroepen bij de autoriteiten voor de bedreigingen van haar broer, aangezien aan dat uitgangspunt zeer wel getwijfeld kan worden. De staatssecretaris zal dit opnieuw moeten beoordelen.

Beroep gegrond.
Rb Utrecht, NL21.18631, 21.4.22

WBV 2022/10: asielbeleid Egypte

De SvJ&V heeft besloten om (online) journalisten, mensenrechtenverdedigers, politiek opposanten en activisten, die in het openbaar kritiek hebben geuit op de autoriteiten/regeringsbeleid, als risicogroep aan te merken. Uit het ambtsbericht blijkt dat zij te maken kunnen krijgen met arrestatie en detentie. Als de kritiek in het openbaar is geuit, zal hiervan al snel sprake zijn.

Daarnaast worden LHBTI als risicogroep aangemerkt, omdat uit het ambtsbericht blijkt dat LHBTI te maken krijgen met sociale marginalisering, stigmatisering, geweld en discriminatie vanuit zowel de samenleving als de overheid.

Van personen behorend tot de bovengenoemde risicogroepen, die een gegronde vrees hebben voor vervolging, wordt niet verlangd dat zij de bescherming van de autoriteiten inroepen, noch wordt ten aanzien van hen een binnenlands beschermingsalternatief aangenomen.

Er is onvoldoende toezicht op de aanwezige opvanglocaties voor minderjarigen om de kwaliteit te kunnen bepalen en het is niet duidelijk of de opvang naar lokale maatstaven toereikend is.

WBV 2022/10, 21.4.22 in Staatscourant nr. 11438, 2.5.22. 
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2022-11438.html

SvJ&V: herbeoordeling Armenië als veilig land van herkomst

De aanwijzing van Armenië als veilig land van herkomst blijft in stand.
Er gold al een uitzondering voor LHBTI en personen die in strafrechtelijke detentie worden geplaatst. Dit blijft ongewijzigd.

https://www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/kamerstukken/2022/04/26/tk-herbeoordeling-veilige-landen-van-herkomst-armenie/tk-herbeoordeling-veilige-landen-van-herkomst-armenie.pdf, 26.4.22

RvS: IM (Italië) schort Dublin-overdrachtstermijn op

In de Nederlandse wetgeving is geen uitdrukkelijke bepaling opgenomen waaruit volgt dat een interim measure de overdrachtstermijn opschort. Maar anders dan de rechtbank heeft overwogen, betekent dit niet dat een getroffen interim measure geen opschortende werking heeft. De interim measure werkt door in de nationale rechtsorde en deze maatregel brengt met zich dat een vreemdeling rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder h, van de Vw 2000, en niet kan worden uitgezet of overgedragen. Hoewel uit artikel 7.3, eerste lid, van het Vb 2000, volgt dat een verzoek om een voorlopige voorziening moet zijn gedaan om uitzetting of overdracht te voorkomen en daar in dit geval geen sprake van is, hebben beide maatregelen hetzelfde doel en komen zij, zoals de staatssecretaris terecht aanvoert, in feite op hetzelfde neer.

Anders dan de rechtbank heeft overwogen, moeten artikel 8, aanhef en onder h, van de Vw 2000, en artikel 7.3, eerste lid, van het Vb 2000, zo worden gelezen, dat de overdrachtstermijn niet alleen kan worden opgeschort door een op verzoek van de vreemdeling door de Nederlandse rechter getroffen voorlopige voorziening, maar ook door een door de president van het EHRM op verzoek van de vreemdeling getroffen interim measure. Met deze EVRM-conforme uitleg van genoemde artikelen is, anders dan de vreemdeling betoogt, voldaan aan de ingevolge artikel 27, derde lid, van de Dvo, vereiste wettelijke grondslag.

Dit betekent dat de overdrachtstermijn in deze zaak is opgeschort door de getroffen interim measure.
De grief slaagt.
RvS 202107130/1/V1, 4.5.22
ECLI:NL:RVS:2022:1324

Rb: NL verantwoordelijk voor asielprocedure na eerdere uitzetting naar Azerbeidzjan en marteling

Vaststaat dat eiser na afwijzing van zijn eerdere asielaanvraag ten gevolge waarvan hij is teruggekeerd naar Azerbeidzjan kort na aankomst is gearresteerd en gedetineerd. Eiser heeft tevens verklaard tijdens detentie te zijn gemarteld en onderworpen te zijn geweest aan een onmenselijke behandeling en heeft hierbij gewezen op algemene bronnen waaruit dergelijke praktijken en het risico hierop tijdens voorarrest en detentie in Azerbeidzjan blijken. Eiser heeft concreet verwezen naar onder meer bronnen die in het AAB 2020 worden vermeld.

Verweerder is bekend met de feiten en het relaas uit de eerdere procedure. In de eerdere procedure is de afwijzing van het asielaanvraag in wezen gebaseerd op de afwijzing van de asielaanvraag van de broer van eiser omdat het asielrelaas van eiser steunde op het asielrelaas van zijn broer. De opvolgende aanvraag van de broer van eiser is onlangs ingewilligd. Het relaas van eiser is sterk afhankelijk van het relaas van de broer van eiser. In een mogelijke inhoudelijke behandeling van de huidige asielaanvraag kan dit relaas van eiser nog beter worden onderbouwd door te wijzen op de reeds geloofwaardig geachte arrestatie en detentie en door te wijzen op de medische informatie waaruit sterke aanwijzingen voor (tenminste) psychische gevolgen blijken ten gevolge van de detentie en de gestelde martelingen gedurende de detentie. De rechtbank overweegt dat verweerder, gelet hierop, met relatief weinig tijdsinvestering tot een nieuwe beoordeling van de asielaanvraag kan komen en de beschermingsbehoefte met een kort nader gehoor reeds kan vaststellen. Eiser heeft onder meer in dit kader een beroep gedaan op het evenredigheidsbeginsel.

De doelstelling van de Dublinverordening is een snelle vaststelling van de verantwoordelijke lidstaat waarbij het zogenoemde “forumshoppen” moet worden voorkomen. ....Zonder nadere motivering valt niet in te zien hoe met dit besluit naleving van de doelstellingen van de Dublinverordening wordt beoogd en hoe zich dit verhoudt tot de gevolgen voor eiser, gelet op zijn specifieke omstandigheden. Litouwen zal bij een inhoudelijke behandeling van de asielaanvraag van eiser kennis moeten nemen van de eerdere procedure die eiser in Nederland heeft gevoerd en wellicht van de beide procedures die zijn broer heeft gevolgd, terwijl verweerder reeds kennis heeft van al die feiten en omstandigheden. Verweerder heeft zich hiervan, hoewel dit is aangedragen door eiser, niet kenbaar vergewist bij de beoordeling of aanleiding bestaat om gebruik te maken van zijn bevoegdheid om de asielaanvraag inhoudelijk te behandelen. ...De rechtbank merkt hierbij op dat uit de gedragingen van eiser geen indicaties blijken dat eiser verweerder heeft willen misleiden, maar dat verweerder hem eenvoudigweg niet heeft toegestaan om rechtmatig naar Nederland terug te keren op een zodanige wijze dat zijn asielaanvraag inhoudelijk zou worden behandeld.

Rb den Bosch NL22.4403, 2.5.22
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:4145

Rb: geen Dublinoverdracht Cyprus vanwege kwaliteit opvang

De rechtbank overweegt als volgt. De staatssecretaris heeft zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de vreemdelingen als Dublinterugkeerders zullen worden opgevangen in het opvangcentrum Kofinou. Uit de overgelegde stukken, zoals ook door de staatssecretaris erkend, blijkt dat er sprake is van een (structureel) capaciteitsgebrek.

De staatssecretaris heeft onvoldoende gemotiveerd dat de leefomstandigheden in Kofinou niet in strijd zijn met artikel 3 EVRM dan wel artikel 4 van het Handvest. Uit het AIDA rapport 2022 en de brief van VWN van 14 februari 2022 blijkt niet dat asielzoekers in Kofinou wel van de minimumfaciliteiten worden voorzien. Daarnaast erkent verweerder dat overbevolkte en onhygiënische omstandigheden in Kofinou door NGO’s zijn veroordeeld en dat het gebrek aan capaciteit in Kofinou in samenhang met de ontoereikende materiële voorzieningen ervoor zorgen dat veel asielzoekers in woningen van slechte kwaliteit wonen of dakloos zijn. Ook blijkt uit de hiervoor vermelde stukken niet dat de slechte omstandigheden geen betrekking hebben op Pournara en Limnes: de andere opvangcentra in Cyprus. Voor wat betreft de mogelijkheid voor asielzoekers om met een financiële bijdrage van de overheid zelf onderdak te regelen in Cyprus, is de rechtbank van oordeel dat de staatssecretaris onvoldoende heeft gemotiveerd dat de autoriteiten van Cyprus zich houden aan de verdragsverplichtingen.

De staatssecretaris heeft gelet op de informatie volgend uit het AIDA rapport, de brief van VWN en het bericht van de Cyprus Refugee Council van 4 maart 2022 het standpunt van de vreemdelingen dat zij bij overdracht aan Cyprus in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie terecht zullen komen, onvoldoende weerlegd.

Beroepen gegrond.
Rb Zwolle, NL22.3233 en NL22.3236, 3.5.22

Pointer en Vers Beton: gemiste toeslagen vanwege code-98 gezinslid

De Belastingdienst trok vorig jaar 5465 toeslagen in bij 4300 huishoudens vanwege verblijfscode 98, zo blijkt uit navraag van Pointer. De jaren daarvoor werden om deze reden bij 5150 huishoudens (2020) en 4450 (2019) huishoudens de toeslagen ingetrokken. Navraag bij de IND leert dat elk jaar 150.000 mensen een code98-vinkje achter hun naam hebben staan.

Hoewel de wet strikt is, blijkt de gemeente toch ruimte te hebben om op basis van de Participatiewet en Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) een gezin te helpen dat het recht op toeslagen verliest. Bij kinderen met twee ouders, waarvan er één geen verblijfsstatus heeft, mag de gemeente bijvoorbeeld de bijstandsuitkering aan de Nederlandse ouder verhogen met aanvullende bijstand en bijzondere bijstand voor specifieke kosten (artikel 18 van de Participatiewet). Bij kinderen met één ouder zonder verblijfsrecht  kan de gemeente het Nederlandse kind tóch een uitkering toekennen (artikel 16 van de Participatiewet). 

En als het kind in Nederland verblijfsrecht heeft maar het gezin – zonder verblijfsrecht – niet voldoende inkomen heeft voor het levensonderhoud, komt het kind zelf voor een (aanvullende) bijdrage in aanmerking. “Hierbij moet wel sprake zijn van een acute noodsituatie.” De gemeente kon afleiden dat op dit moment twee Rotterdamse kinderen een uitkering ontvangen, sinds februari 2019.

https://pointer.kro-ncrv.nl/ook-nederlanders-geraakt-door-rigide-beleid-ind
https://www.versbeton.nl/2022/04/slachtoffer-van-een-code-omdat-rose-geen-papieren-had-werden-ook-haar-man-en-kinderen-gestraft/?share_code=M5JWIPFLZHnc

RvS: gelijkheidsbeginsel toepassen bij zaak over opvang tijdens CAT-procedure

De vreemdeling heeft in beroep een e-mailwisseling van haar gemachtigde met het COa overgelegd in een zaak van een andere vreemdeling die zij heeft bijgestaan en die het COa wel opvang heeft verleend. De vreemdeling heeft hiermee een concreet geval genoemd dat volgens haar op relevante punten vergelijkbaar is met haar situatie. Het was vervolgens aan het COa om aannemelijk te maken dat de gevallen niet gelijk zijn. Een bestuursorgaan moet een consistent en doordacht bestuursbeleid voeren en bij een concrete melding van de burger dat het daaraan schort ook laten zien dat het consistent en doordacht optreedt. Daar is het COa niet in geslaagd. Het COa heeft ten onrechte de bewijslast om aannemelijk te maken dat zich gelijke gevallen voordoen bij de vreemdeling gelegd. De rechtbank heeft dat niet onderkend. De grief slaagt.

Het hoger beroep is gegrond.

RvS 202102686/1/V1, 15.4.22
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2022:1118

Rb: uitzetting suïcidale man naar Italië met medische escorts mogelijk

Partijen zijn het met elkaar eens dat bij verzoeker sprake is van suïcidale uitingen. Verweerder heeft toegelicht dat deze situatie heeft geleid tot extra zorgmaatregelen. De vlucht zal pas aan verzoeker worden aangezegd na afname van de covid-test en vanaf dat moment zal hij in een observatiecel verblijven. Verder zal de overdracht plaatsvinden onder begeleiding van escorts van de Koninklijke Marechaussee en onder begeleiding van een medisch escort. De Italiaanse autoriteiten zijn op de hoogte gesteld van de medische problematiek. Gelet op wat verzoeker naar voren heeft gebracht ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om tot het oordeel te komen dat de wijze van (voorbereiding van de) overdracht onzorgvuldig is of een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM met zich meebrengt.

De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat het belang van verweerder om tot uitzetting over te gaan zwaarder weegt dan het belang van verzoeker om het bezwaar tegen de feitelijke uitzetting in Nederland te mogen afwachten.

Rb Utrecht AWB 22/502, 31.1.22
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:2703

Rb: geen inreisverbod want kinderen in NL en partner in BE

Het inreisverbod ziet op de mogelijkheid om het grondgebied van de lidstaten te betreden, bijvoorbeeld voor bezoek. Verweerder heeft overwogen dat er geen reden bestaat om af te zien van de oplegging van een inreisverbod dan wel de duur daarvan te verkorten.

Eiser heeft in Nederland 3 kinderen, hij verbleef ten tijde van zijn aanhouding bij zijn ex-partner en jongste zoon in Nederland en hij heeft een partner in België bij wie hij verblijf wenst. Verder heeft eiser eerder een beroep gedaan op gezinsleven en een EU-verblijfsrecht bij zijn (andere) kinderen. Het inreisverbod is, in het licht hiervan, onvoldoende gemotiveerd.

Op de zitting heeft verweerder er nog op gewezen dat eiser wegens huiselijk geweld is aangehouden, maar die omstandigheid acht de rechtbank onvoldoende als motivering waarom eiser de lidstaten, waaronder dus ook België waar hij stelt een partner te hebben, niet meer zou mogen binnentreden. Dit betekent dat het beroep voor zover gericht tegen het inreisverbod gegrond is en de rechtbank het inreisverbod vernietigt.

Rb Arnhem NL22.4981 en NL22.4985, 11.4.22
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:3329

Pagina's